Start

17. Maria (1 februari 2004)

Er is iets eigenaardigs met Maria. Waarschijnlijk was ze een heel gewoon joods meisje. De bijbel vertelt trouwens niet zo veel over haar leven: we moeten ons tevreden stellen met enkele spaarzame vermeldingen. In de ogen van onze maatschappij zou ze ook niet hoog worden ingeschat: ze heeft helemaal geen opvallende dingen gerealiseerd. Welnu, precies dit kleine, gewone meisje heeft in de Kerk al vroeg een heel bijzondere plaats gekregen. Men is haar gaan aanspreken met klinkende titels die een grote eerbied uitdrukken: Maagd en Moeder van God, Koningin, Dochter van Sion, Zetel van wijsheid, enz. Het lijkt wel of de woorden uit haar Magnificat: “Eenvoudigen brengt Hij tot aanzien” eigenlijk voor haar zijn geschreven.

Hoe komt het dat Maria zo’n hoge plaats heeft gekregen in onze Kerk? Waarom wordt ze een “voorbeeld” en “model” genoemd voor alle gelovigen?

In zijn evangelie schetst Lucas Maria in de eerste plaats als een voorbeeld van diegenen die Jezus in de bergrede “arm van geest” noemt: ze rekent niet op eigen kracht, maar stelt haar vertrouwen op God. Maria is groot in Gods ogen, niét omdat ze veel heeft gepresteerd of grote dingen heeft gedaan. Ze heeft weet van haar eigen armoede. Maar juist vanuit haar geloof in Gods kracht heeft ze “gehoorzaamd”, dat wil zeggen: ze heeft zich in vrijheid helemaal open gesteld voor de zending die God haar toevertrouwt. Maria is voor ons een voorbeeld van gehoorzaamheid en geloof. Stellen wij ons open voor wat God met ons voorheeft? In welke mate luisteren wij echt naar zijn Woord? Zeggen wij ook: “Laat met mij gebeuren wat u gezegd hebt” (Lc. 1, 38) of houden we het liever bij onze eigen plannen?

Doorheen de evangelies wordt Maria ook getekend als iemand die heel nauw verbonden is met Jezus, haar zoon. Men zou kunnen zeggen: dat is toch normaal, als moeder. Dat is natuurlijk waar, maar het gaat blijkbaar om meer dan de gewone band tussen moeder en zoon. Maria volgt Jezus ook als gelovige. Zij luistert naar zijn woorden en volgt hem, ook al gaat Hij wegen die ze zelf misschien niet goed verstaat. Ze blijft heel dicht bij haar zoon en ze volhardt in die verbondenheid met hem, tot onder het kruis. Ze toont haar innerlijke kracht ook later, bij het begin van de Kerk. Ze is bij de apostelen, wanneer die samen zijn in Jeruzalem en biddend wachten op Gods Geest (Hand. 1, 14).

Aan ons opnieuw de vraag: hoe diep of hoe ver gaat onze verbondenheid met Jezus? Hoe dicht staan wij bij hem? Hoe dicht blijven wij staan bij het kruis van mensen? Volharden wij ook in het gebed?

De prefatie bij het hoogfeest van de Tenhemelopneming van Maria zegt: “Zij houdt de hoop in ons levend en is een troost voor het volk onderweg”. Vele mensen – wellicht niet toevallig vaak kleinen en eenvoudigen… – wenden zich graag tot Maria met hun gebed. Ze vinden in haar een voorspreekster en helpster, iemand die meeleeft met hun zorgen. Ze voelen aan dat ze haar in vertrouwen mogen vragen: “Denk aan ons en breng ons gebed bij Jezus, uw Zoon”. Hierin zet het moederschap van Maria zich verder: ze is voor velen een bron van troost, nieuwe hoop en nieuwe levenskracht. Zeker op pelgrimsplaatsen is het soms wonderbaar te zien hoe mensen het voorbeeld van Maria volgen en niet blijven steken in pijn en verdriet. De woorden van het Magnificat zijn daarbij vaak een hulp: Maria zingt haar blijdschap en dankbaarheid uit, omdat God naar haar heeft omgezien, terwijl ze dat nergens heeft verdiend. Dankbaarheid opent mensen de ogen voor de tekens van Gods goedheid. Het geneest verdriet en behoedt voor bitterheid. Maria’s danklied is ook voor ons een goede leerschool om te groeien in hoop en vertrouwen. Amen.