| Start |
MEIMAAND 2006 - NOVEEN te KERSELARE
“ Vredesgebed van Sint Franciscus ”
Heer, maak me tot een werktuig van uw vrede
Waar haat is, laat me liefde zaaien. Waar onrecht is, vergiffenis.
Waar twijfel is, geloof. Waar wanhoop is, hoop.
Waar duisternis is, licht. Waar droefheid is, vreugde.
O goddelijke Meester,
geef me dat ik eerder verlang te troosten,
dan getroost te worden,
te begrijpen dan begrepen te worden, te beminnen dan bemind te worden.
want het is door te geven dat we krijgen,
door vergeving aan te bieden dat we vergeving ontvangen
en door te sterven dat wij voor de eeuwigheid geboren worden. Amen
OPENINGSGEBEDEN
1.
Lieve Maria en Jozef,
leer ons met elkaar en met alle mensen rondom ons beter omgaan.
Help ons de anderen ten diepste te respecteren, hen niet te bezitten,
niet tot de onze te maken, maar vrij te laten in de handen van God.
Want wij zijn kleine mensen, je kent ons wel, behept door het kwaad
dat greep op ons wil krijgen in eer- , heers- en hebzucht.
Toon ons hoe ook wij voor elkaar de armen en de schoot kunnen worden
waarin God mensen draagt. Amen
2.
Lieve Maria,
in jou zien wij haarscherp hoe God ons, mensen, bedoeld heeft om elkaar te dragen
het leven in, het leven uit, naar het volle leven in Hem.
Het opent voor ons de hoop dat ons leven nooit voor niets moet zijn,
dat wij kunnen delen in het verlossingswerk van Jezus zoals jij dat deed.
Bid God voor ons dat Hij ons lichaam, onze armen,
onze schoot en bovenal ons hart sterkt opdat wij een ander nooit laten vallen,
nooit eenzaam achterlaten, maar hem nabij blijven, in het vaste geloof
dat het jouw Zoon is die we mee mogen dragen met jou.
Amen.
3.
Lieve Maria,
wij proberen het met al onze krachten:
zo te stralen van geloof dat we God dichter brengen
bij anderen, bij onze kinderen. Maar vaak zijn we als een dovende vlaspit,
voelen we ons mislukt, lauwe christenen, flauwe opvoeders.
Vraag aan de Geest van je Heer ons dag na dag te inspireren
om het vuur van Gods nabijheid aan anderen door te geven. Amen
4.
Lieve Maria,
omdat de Vader in elk mens het verlangen gelegd heeft
van Hem en bij Hem te zijn, voelen wij ons voortdurend onderweg, pelgrims, soms wat ontheemd, hopend op de dag dat Hij ons opneemt in een eeuwige omhelzing.
Maar nu en dan ook bang, omdat we onzekere, kleinsgelovige mensen zijn die zich vasthouden aan wat ze zien.
Neem jij ons bij de hand, zodat we niet bang hoeven te zijn
en breng ons langzaam maar zeker langs je Zoon Jezus
naar onze enige echte thuis, in de armen van onze God. Amen.
5.
Lieve Maria,
wij danken je omdat je bereid was je hele leven te laten 'beheren'
door je Heer, opdat Hij mens als wij kon worden,
en alles kon en moest doorstaan waardoor wij gaan.
We zijn zo gelukkig omdat we door jouw leven mogen zien
dat we als kinderen van God niet langer vereenzaamd
of dor als een woestenij zijn maar de beminde kinderen van één Vader.
Toon ons hoe God zich ook in ons verheugen kan. Amen.
6.
Lieve Maria,
met jou kijken we naar ons leven, naar alles wat God ons heeft gegeven,
naar de mensen die ons zo dierbaar zijn.
Ten volle willen wij ons ervan bewust worden hoe God ons tot geschenk maakt
voor elkaar.
Wek in ons een grotere liefde en dankbaarheid voor elkaar maar ook voor de Kerk,
die aan jouw zorgen werd toevertrouwd, opdat wij ons meer zouden geven aan haar
en daardoor aan Christus.
Leer ons van dag tot dag hoe wij Jezus' dorst naar Liefde kunnen lessen
door onze liefdevolle bekommernis voor Hem en voor de mensen. Amen.
7.
Lieve Maria,
sinds ons doopsel mogen ook wij Jezus ontvangen,
maar zijn liefde is te groot voor ons alleen.
We willen haar delen met anderen.
Help ons onze armen en schoot te openen zoals jij dat deed voor hen die pijn hebben.
En omhels jij ons dan zoals je Jezus omhelsde als de pijn te groot wordt
of wij afscheid moeten nemen.
Geef ons aan de Vader, zoals je Jezus teruggaf,
vooral als wij de kracht en het geloof niet zouden hebben
om te zeggen: "Vader, in uw handen beveel ik mijn geest."
8.
Lieve Maria,
jij brengt ons de blijde boodschap
dat eenvoudige mensen de oogappels zijn van God.
jij toont ons hoe God ons kan bewaren voor het kwaad dat onze harten aantast.
Vraag God in Jezus' naam dat Hij ons teder aanraakt
zodat wij onze ogen richten naar Hem, onze harten openen voor Hem.
Dan kan Hij ook in ons leven binnenkomen zoals bij jou
en kan Hij ons genezen, herstellen, heropbouwen tot een klein heiligdom
waarin Hij graag verblijf houdt. Amen.
9.
Lieve Maria,
smeek voor ons om de gaven van de heilige Geest, die zoveel van je houdt,
opdat in onze schoot, in ons hart een nieuw Moeder- en Vaderschap kan groeien,
waardoor wij mensen dichtbij en veraf zo echt liefhebben
dat anderen in God zullen geloven, omdat ze zien wat ook van de Oerkerk gezegd werd:
'Zie hoe zij elkaar beminnen.'
Lieve Maria, Moeder Gods, wij bieden je niet enkel onszelf aan,
wij bieden je ook onze Kerk aan,de Kerk met al haar vreugde en pijn,
met zoveel goedheid en liefde, zoveel mondigheid en hardheid.
Samen met jou willen wij zorg voor haar dragen,
ons beste leven voor haar geven, omdat wij mèt jou geloven
dat zij het lichaam van Christus is en dat toch ook elke dag nog moet worden.
Vraag aan de heilige Geest die jou en ons zo liefheeft
dat Hij, als op pinksterdag destijds, ons blijft inspireren,
ons bemoedigt, troost, woorden in onze mond legt, tederheid in onze daden,
verzoening in onze handen en bovenal: dat Hij een vurige liefde voor jouw Jezus
in ons hart legt. Amen.
MARIALE LEZINGEN
1.
WIJ ZIJN MAAR KLEINE MENSEN Luc. 1,39-56
Zij moest haar geluk met iemand kunnen delen,
er met een vrouw kunnen over spreken die de taal verstond van haar lichaam
en haar zou inwijden in zoveel nieuwe gewaarwordingen.
Na een lange tocht over het bergland van Juda
was het witte huisje van Elisabeth een verademing,
met de koele dronk en de lieve woorden van welkom.
Elisabeth was zoveel ouder.
Bij haar kon zij terecht met al haar vragen, met alles waarover zij de laatste tijd had nagedacht... Zij hebben uren met elkaar gepraat onder de oude olijfboom.
In de verte de silhouetten van Jeruzalem, de muren en de tempel...
en voor hen het wijde land, zonovergoten.
- “ Weet ge waarom ik zo gelukkig ben, Elisabeth?
We zijn maar kleine mensen,
we hebben nooit iets te vertellen, we zijn arm, we zijn vrouwen.
Ik ben zo maar een dienstmaagd.
Als God mij nu uitkiest om moeder te worden,
als God met mij iets voorheeft, dan toont Hij daarmee dat Hij aan onze kant staat.
Hij roept geen koningin en geen kasteelvrouw, maar Hij vraagt mij.
Eigenlijk moet ons dat niet verbazen want zo is het altijd geweest in ons volk.
Als ze honger leden of verslagen waren, als ze klein werden,
dan vooral liet Hij hen voelen dat Hij niet veraf was.
Daarom ben ik zo gelukkig.
Het zal veel mensen moed geven, als ze dat horen, ook later, wie weet, vele eeuwen later.
2.
EEN NIEUW GELUID IN DE NACHT Luc. 2,6-20
Zij betastte de kille grond van Bethlehems heuvels
en strekte haar moede leden onder de warme adem van de dieren.
Maar heviger ging haar eigen adem.
Zij kromde haar lichaam, voelde de weeën en verlangde naar huis.
Zij zocht de hand van Jozef, groot en onbeholpen, maar vol menselijke warmte.
Zij dacht weer aan de dag van de belofte:
'Gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen...'
Toen scheen alles zo licht en zo helder.
Nu was alles donker en pijnlijk.
Maar toen zij het kind hoorde met een plotse schreeuw - een nieuw geluid in de nacht -
schoten haar ogen vol tranen: 'God, ik wil U bedanken.'
'Dank u, dank u.'
Als een echo bleef haar dank nazinderen in al haar gebaren.
Zou dit kind het teken uit de hemel zijn?
Zij keek door de open staldeur naar buiten.
De nacht leek niet meer zo donker.
Zou hij vrede kunnen brengen in deze wereld van machthebbers en soldaten,
van slokkoppen en profiteurs? Zou hij dat aankunnen?
'Jongske toch,' Zij koosde zijn trillend lichaampje.
De oude herder in het deurgat schudde met z'n hoofd.
"t Is wonder' herhaalde hij voortdurend
'hoe we allemaal ineens wakker geworden zijn...
D'er zal nog over gesproken worden.'
Maria zei niet veel.
Zij strekte zich uit, zij was moe en viel met haar kind in slaap.
Zij droomde zich een hemel vol engelen.
3.
HET HUIS VAN ZIJN VADER Luc. 2,41-52
Weer viel de avond en de angst werd groter.
Overal hadden zij gezocht en navraag gedaan:
'Of zij geen jongen gezien hadden van twaalf jaar, die alleen ronddoolde?'
Toen Maria zich ten einde raad en ten einde krachten, te slapen legde,
kwamen de voorstellingen als spoken in haar geest. Zij zag haar kind uitgehongerd,
of geslagen door rovers, langs de weg.
Zij zag hem gevallen, gekwetst, verminkt voor altijd.
Morgen zouden zij terug in de tempel zijn
en als zij hem dan nog niet gevonden hadden, zouden zij terugkeren
terug naar Nazareth en thuiskomen zonder hem.
De pijn sloeg haar rond het hart.
Was dit nu het zwaard dat die oude man had voorzegd, twaalf jaar geleden?
Zij liepen met afwezige blik langs de zuilenrijen van de tempel
en daar grijpt Jozef haar bij de arm: 'Daar Jezus!'
Wel en gezond, alsof er niets aan de hand is, zit hij geboeid te luisteren
naar een schriftgeleerde.
Hij stelt vraag en wedervraag.
'Jongen toch.'
Zij greep haar Jezus met beide handen vast. 'Waarom hebt gij ons dit aangedaan?'
Zij snikte van vreugde en van woede.
'Wist gij dan niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?'
Was zij dan toch die verre lentedag vergeten in haar lemen huisje?
Toen zij door God gegrepen werd, toen de hemel zo voelbaar was",
Maria kon niet antwoorden.
'Het huis van zijn Vader?'
Zij wilde naar huis, naar haar eigen kleine huisje in Nazareth.
Jezus begreep toen reeds meer dan zij begreep en hij ging mee.
Hij zou haar nooit meer pijn doen op die manier.
4.
HIJ ZAL NOOIT MEER TERUGKEREN Luc. 4,16-30
Een buurvrouw was haar komen vertellen dat Jezus in de synagoge was.
Men zou hem laten voorlezen en daarna zou hij het woord mogen nemen.
En of zij niet nieuwsgierig was naar wat hij zou vertellen?
Of hij daarna niet bij haar zou komen?
Maria keek de andere kant uit, antwoordde nauwelijks. Men had haar al zoveel verteld...
Dat hij wekenlang de woestijn was ingetrokken en dat hij zo mager was geworden
met een verre, vreemde blik in zijn ogen, en dat hij zieken genas en duivels uitdreef
en een nieuwe leer verkondigde, maar dat hij moeilijkheden ging krijgen met de schriftgeleerden.
Zij was bang: het was ook zo akelig stil.
Door het venster kon zij net de witte gevel van de synagoge zien.
Daar was hij nu aan 't voorlezen.
Zij kon vermoeden wat hij ging zeggen aan die mensen die hij eigenlijk ontvlucht was
omdat ze zo bekrompen waren, zo alleen bekommerd om zichzelf.
Plots werd de stilte verscheurd door gejouw en geroep. Felle kreten verscheurden de stilte van de sabbat.
Maria wachtte, machteloos, en probeerde te bidden.
'Zij hebben hem uit de synagoge gejaagd.
Hij heeft lelijke dingen gezegd aan zijn eigen dorpsgenoten Zij hebben hem van de rots willen stoten maar, als het er op aan kwam,
was er niemand die een hand naar hem dierf uitsteken.
Hij had weer die verre, vreemde blik in zijn ogen en zij hebben hem laten gaan.
Maar hij zal nooit meer terugkeren...'
Diezelfde buurvrouw kwam alles fluisterend vertellen en verdween dan heel vlug.
Maria bleef achter met dezelfde schrik en dezelfde vragen, 'Uit de synagoge gestoten...'
Dat was in haar familie nog nooit voorgevallen.
Er was een schande over haar huis gekomen.
Zij voelde een vreemde pijn, een pijn die nooit meer zou overgaan.
5.
MIJN MOEDER EN MIJN BROERS Luc. 8,19-21
Als Maria bij de bron kwam, vielen de gesprekken stil... Zij liet haar kruik vollopen
en voelde de blikken van de andere vrouwen als steken in de rug.
Wat vroeger het mooiste uurtje van de dag was, werd nu een pijnlijke karwei.
Iedereen vermeed haar of glimlachte slechts van ver.
Was het medelijden? Was het spot?
Zij voelde zich nog het best in haar eigen kleine huisje.
Maar op een dag kwam één van haar verwanten...
'Maria, we moeten Jezus terug naar huis halen.
Het moet, want ze zeggen dat hij zot geworden is.
We zullen er met de familie eens voor bijeenkomen.'
Die woorden bleven nabonzen in haar hoofd, als doffe slagen die onheil voorspellen.
Wat de mannen beslist hadden, gebeurde.
En zij moest meegaan.
Zij zouden Jezus terug naar Nazareth brengen en Hij zou zich moeten aanpassen
aan het gewone leven in het dorp.
Maria ging mee, met haar eigen gedachten en haar eigen voorgevoelens:
zij was er zever van dat Wij nooit zou meekomen.
Zij had er de laatste dagen veel over nagedacht.
Alsof Jezus bij haar was... Zo had zij met Hem gesproken.
En zij begon te begrijpen dat Hij zijn taak moest vervullen dat geen mens hem daarvan zou kunnen weerhouden.
Het groepje mensen uit Nazareth stond wat onwennig toe te zien naar de drukte aan de overkant van de straat.
In dat huis was Jezus bezig met zijn onderricht.
Zij konden er onmogelijk bij.
Daarom vroegen zij iemand van ter plaatse om tot bij Hem te gaan met een boodschap:
'Uw moeder en uw broeders staan buiten en vragen naar u.'
Jezus hoorde de boodschap.
Hij keek naar de mensen rond hem... 'Mijn moeder en mijn broers?
Dat zijn alle mensen die het woord van God willen horen en er naar handelen.'
En hij ging gewoon verder met zijn onderricht.
Toen Maria dit antwoord van Jezus vernam, glimlachte zij fijntjes in haar binnenste.
Zo had zij het ook aangevoeld.
Maar hij kon het zo fijn uitdrukken.
'Kom laat ons terugkeren' zei ze en zij sprak nu met een groot gezag,
hoewel zij maar een vrouw was in dat gezelschap.
6.
LEERLING VAN HAAR ZOON Luc. 11,27-28
Vele weken later hoorde Maria in haar huisje dit gebeuren vertellen:
Jezus was aan het onderrichten, heel boeiend.
Iedereen zat sprakeloos te luisteren...
Een vrouw uit zijn gehoor staat plots recht,
keert zich om en roept met opgeheven armen, uitzinnig bijna:
'Zalig de schoot die u gedragen heeft en de borsten die u hebben gevoed.'
Als wilde zij de heel de menigte meeslepen in een denderende ovatie.
En die Jezus, die het nooit moet hebben van uiterlijkheden, die elke verering schuwt als de pest, zegt heel nuchter: 'Veeleer gelukkig, die naar het woord van God luisteren
en het onderhouden.'
Nu hadden de mensen geen goesting meer om te applaudisseren.
Ze stonden ogenblikkelijk weer met hun voeten op de grond.
Als Maria dat hoorde vertellen, lachte ze hartelijk. 'Dat was hem weer helemaal.'
Met één woord kon hij de aandacht wegtrekken van valse bijkomstigheden en richten naar de gezonde kern van de zaak.
Bij haar zelf, viel dit woord in een goede grond.
Stilaan had zij begrepen dat de lichamelijke rol van haar moederschap was uitgespeeld,
dat de navelstreng voorgoed was doorgeknipt.
Nu was zij leerling van haar zoon geworden.
Nu moest zij door Hem gedragen worden en door zijn woorden worden gevoed.
7.
AFSCHEID Luc. 23,33-34
Toen zij hoorde dat de doodstraf was uitgesproken
kon niemand haar nog tegenhouden.
Zij vluchtte de straat op: radeloos, tussen een krioelende massa pelgrims,
huilend, tussen een menigte in opgewonden kermisstemming.
Zij liep haastig en schichtig, baande zich een weg doorheen een traag slenterende massa.
Zij ontdekte plots een rode bloedvlek op de weg op de weg naar Schedelplaats.
Zij liep als een wilde furie duwde met haar handen de mensen opzij
en stond plots op de open plek, even buiten de stadspoort.
Mensen stonden in groepjes toe te zien.
Zij hoorde nog enkele doffe slagen van de hamer en toen vielen alle gesprekken stil.
Iedereen keek toe hoe het eerste kruis werd opgericht met een van pijn verkrampte Jezus erop vastgenageld. Maria bleef maar toekijken,
zocht met haar ogen naar de trekken van zijn gezicht, zocht naar zijn ogen.
Dat was haar afscheid, als streelde zij een laatste maal zijn aangezicht.
Het was een pover afscheid midden een menigte die onverschillig en cynisch toekeek.
Zij keek naar de hemel die haar zo duister werd.
Zij keek naar de aarde die zo vijandig leek.
Tussen haar wanhoop en haar angst keek zij in zijn ogen, in zijn blik, als altijd vol vrede.
Hij had haar zo dikwijls verteld dat mensen niet mogen terugslaan, niet mogen haten.
Nu wist zij dat dit meer was dan een boodschap. 1-lij wás die boodschap
en, zij fluisterde zijn naam: 'Jezus', als een gebed, een nieuw gebed om vrede,
om kracht tot vergeving.
8.
TERUG IN DE BOVENZAAL Hand. 1,14
Maria keek uit het kleine raampje van de bovenzaal, richting Olijfberg.
'Ze zullen zo dadelijk allemaal weer binnenstuiven...' dacht ze.
Al die vrienden van Jezus waarmee ze nu zo vertrouwd was geworden.
Elke dag vonden ze mekaar in dezelfde bovenzaal.
Het was hun stamcafé geworden.
Ook de Olijfberg was zo een plek waar ze vaak bijeenkwamen.
Vanaf het begin had Johannes Maria meegebracht en zij vond er haar vreugde in.
Zij voelde iets van de geest die Jezus in die groep had teweeggebracht.
De jongens hielden van elkaar.
Op die bewuste nacht hadden ze wel allen de vlucht genomen,
maar nu zouden ze voor elkaar door een vuur gaan. Ineens kwamen ze binnen.
Zij had hen niet horen aankomen.
Ze bleken allen zo stil en zo ontdaan... 'Is er iets?'
Simon dronk even van de kruik, die in een koele hoek van de zaal stond...
'Wij hebben Jezus gezien, wellicht voor de laatste keer.
Hij is nu, waar Hij eigenlijk thuishoort:
bij de Vader waar Hij zo vaak over gesproken heeft.
Hij heeft ons de Geest beloofd, want, zegde hij, gij moet veel verder gaan dan Jeruzalem.
Hij sprak over Samaria, evengoed als over Judea,
ja, tot het einde van de aarde moet gij gaan.
Gij zijt mijn getuigen...'
De mannen luisterden instemmend naar Petrus' woorden, als las hij een testament voor,
en keken dan bezorgd naar Maria.
Het zou dus gedaan zijn met dit gezellig onder-onsje. 'Toen Jezus, enkele jaren geleden uit mijn huis wegging,' zei Maria, 'heb ik hem nagekeken.
Toen begreep ik het allemaal niet, toen dacht ik: het loopt allemaal op niets uit.
Maar nu weet ik beter: Hij moest weggaan.
Zo is het ook met u allemaal.
Wij moeten mekaar durven verlaten, telkens weer en van niets bang zijn.
Voelt ge niet dat Hij bij ons is en ons samenhoudt, waarheen we ook gaan?'
Het werd stil in de bovenzaal.
Goed, dat Maria er was om de angst af te weren en hen te behoeden voor ontmoediging.
9.
DE JONGE KERK Hand. 2,42-47
De Galileërs? Speciaal volkje!
Ze blijven hier in Jeruzalem rondhangen en houden zeer sterk aan mekaar.
Zij zijn vriendelijk en dienstvaardig voor iedereen.
Hun groep wordt met de dag talrijker.
Men zegt zelfs dat er Jerusalemmers bijkomen die hun bezittingen verkopen
en het geld in een gemeenschappelijke pot leggen.'
Als een vuurtje liepen de geruchten door de straatjes en steegjes van de stad.
Elke dag zag men hen in groepjes optrekken naar de tempel.
Daarna gingen ze binnen in één of ander huis.
Verwonderd sloegen de mensen hun doen en laten nauwkeurig gade.
Ook Maria was verwonderd dat zij elke dag nieuwe gezichten
zag binnenkomen in het huis van samenkomst.
Voor elk van hen had zij een bijzondere aandacht.
Met veel moederlijke zorg vroeg zij aan ieder van hen hoe het hen ging?
Zij luisterde naar hun kleine en grote noden.
Die samenkomsten waren voor haar sublieme ogenblikken. Als het brood gebroken werd
en 'zijn' woorden weer werden uitgesproken,
was Jezus weer bij haar aan tafel.
Dan was Hij, - anders dan vroeger - nog dichterbij dan toen.
Maria mocht de kleine kudde bevestigen en bemoedigen.
Zij zorgde ervoor dat niemand van hen enig gebrek moest lijden,
dat niemand, die het moeilijk had, ongetroost naar huis ging.
GELOOFSBELIJDENIS
Ik geloof in God de Vader, Schepper van hemel en aarde,
Ruimteverschaffer aan mensen, Laatste geborgenheid van ons bestaan.
Ik geloof in Jezus de zoon, de betrouwbare Messias,
Mensenzoon die de goede richting wijst :
Hij is mijn Weg, mijn Waarheid en mijn Leven.
Ik geloof in de Heilige Geest die ons deel doet hebben
aan het nieuwe Messiaanse leven van geloof, hoop en liefde
Ik geloof in het Rijk van God dat zich overal ter wereld aandient
waar mensen zich oefenen in een grondhouding van
Recht doen, getrouwheid en liefhebben en eerlijk wandelen met God.
Ik geloof dat wij op weg zijn naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde
waar ooit gerechtigheid zal wonen.
Ik geloof in het gebed en in het wachten op Gods tijd.
Zo houd ik de deur open naar mijn toekomst :
Totdat God alles in allen zal zijn.
EUCHARISTISCH TAFELGEBED
De Heer zal bij u zijn. Verheft uw hart. Brengen wij dank aan de Heer onze God.
God, onze Vader, wij danken U om Maria, een stille, lieve vrouw, een graag-geziene.
Wij danken U om haar geloof in haar Zoon en in Zijn Boodschap.
Wij danken U om het blinde vertrouwen
waarmee zij de weg gegaan is van alle vrouwen en moeders, geduldig, trouw, mild en krachtig.
Wij danken U dat Gij door Maria een God van mensen zijt;
dat wij onze toekomst mogen leggen in uw handen en in die van Maria.
Wij danken U omdat Gij ons in Maria hebt getoond wat een mens waard is in uw ogen,
tot welke wondere dingen Gij de mens oproept die 'ja' zegt tegen wat komen gaat
en die open en ontvankelijk in het leven staat.
Wij danken U omdat Gij ons in Maria laat zien dat Gij armen niet aan hun lot overlaat; dat Gij overeind helpt allen die gebukt gaan;
dat Gij neerziet op zij (die) over het hoofd gezien worden.
Wij danken U zoals Maria die het vol blijdschap uitzingt, omdat haar God alle rollen omkeert.
Hij liet de bevrijder van mensen niet geboren worden in het paleis van Herodes,
maar bij eenvoudige, arme mensen.
Wij danken U voor deze profetische Maria, die vooruitloopt op haar Kerk,
die duidelijk maakt dat God op verrassende wijze in en door mensen werkt;
die laat zien dat God de barmhartige mensen nodig heeft
voor de komst van zijn Rijk op deze aarde.
Daarom huldigen wij uw naam Heer God.
Wij danken U vol vreugde en prijzen U met deze woorden:
Heilig, heilig, heilig …
God, Gij zijt heilig en machtig, Gij zijt goed en groot.
Niemand anders is zo heilig en zo goed.
Wij eren en danken U samen met paus BENEDICTUS
met onze bisschop LUC, met alle mensen die in U geloven.
Wij eren en danken U met Maria omwille van uw Zoon.
Hij mocht van U zijn weg gaan: de weg naar armen om hun lot te verlichten,
de weg van goedheid voor de mensen, de weg totterdood
Nu wij dit mysterie in tekenen herdenken, bidden wij:
beadem dit brood en deze wijn met Uw heilige Geest (+)
zodat zij worden het Lichaam en Bloed van Christus Jezus.
Op de avond voor zijn lijden en dood was Hij aan tafel met zijn leerlingen.
Hij nam het brood in zijn handen, sprak een gebed om U, God, zijn Vader te danken,
verdeelde het brood en zei :
Neemt en eet hiervan gij allen, want dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt.
Daarna nam Hij een beker met wijn, bracht U opnieuw dank
en gaf de beker aan zijn leerlingen met de woorden :
Neemt deze Beker en drinkt hier allen uit,
want dit is de beker van het nieuw en eeuwigdurend verbond.
Dit is mijn Bloed dat voor u en alle mensen wordt vergoten tot vergeving van de zonden.
Blijft dit doen om Mij te gedenken.
Verkondigen wij het mysterie van ons geloof.
‘Heer Jezus, wij verkondigen …’
God onze Vader, wij doen samen wat Jezus heeft gedaan.
Dankbaar gedenken wij Hem en wij bieden U zijn levensoffer aan.
Hij heeft vreugde en liefde gebracht.
Hij heeft ons geleerd hoe wij elkaar gelukkig kunnen maken.
Voor ons gestorven, hebt Gij hem uit de dood geheven
en tot nieuw leven gebracht als de Verrezene.
Door zijn Geest is Hij onder ons nu aanwezig.
God, wij bidden U, zend de heilige Geest ook over ons, zoals eertijds over Maria.
Adem ons open, opdat wij ontvankelijk worden
voor Uw mysterie en voor het geheim van iedere mens.
Wij prijzen ons gelukkig dat Gij naar Maria 'omgezien' hebt.
Bij haar kunnen mensen met zorgen terecht,
bij haar worden mensen terug eenvoudig, bij haar vinden we wegen naar elkaar,
bij haar weten we dat het leven vasthouden en loslaten is.
Leer ons naar haar voorbeeld te leven.
Dan zal er vreugde zijn op aarde, vrijheid en vrede in Jezus' naam.
Door Hem en met Hem en in Hem zal uw naam geprezen zijn,
Heer onze God, almachtige Vader, in de eenheid van de heilige Geest,
hier en nu en tot in eeuwigheid. Amen.
Pater Johan Van Calbergh, oblaat van Maria, Pastoor te 9700 Mullem
Mullemstraat, 11 en wonend : Processiestraat, 1 - 8790 Waregem - 0477 66 37 62