| Start |
|
Overdenking
(integrale tekst van de overdenking van Paul De Witte)
Wie met open ogen kijkt naar onze wereld, die kan zich herkennen in de
woorden waarmee D.H. Lawrence zijn roman, Lady Chatterley’s lover, opent:
“Ons tijdperk is in wezen tragisch,
dus weigeren we het tragisch op te vatten.
Het cataclysme heeft plaatsgegrepen,
we zitten tussen de puinhopen,
we beginnen nieuwe kleine woonplaatsen te bouwen,
nieuwe kleine verwachtingen te koesteren.
’t Is nogal zwaar werk, er is geen effen weg naar de toekomst:
maar we lappen het hem,
of struikelen over hinderpalen.
We moeten leven, hoeveel hemels er ook gevallen zijn.”
Ik kan mij voorstellen dat velen
van onze tijdgenoten de wezenlijke tragiek van onze tijd weigeren te onderkennen.
Deze tragiek kan vele gezichten aannemen.
Laat ik er een paar noemen.
In het rijke land België blijft het aantal arme mensen toenemen.
In het Oosten van Kongo gaat het moorden verder. We weten het en er wordt nauwelijks
wat aan gedaan.
Patrick vraagt zich in zijn kerstbrief af: wat is er toch in onze samenleving
aan de hand, dat
de zorg om de stervende mens ondergeschikt gemaakt dreigt te worden aan harde
economische en dus individualistische wetmatigheden.
We worden zo door tragiek overweldigd dat we uit zelfbehoud weigeren om die
tragiek als tragisch op te vatten. Maar komen we daarmee wel een stap vooruit?
Worden we daardoor wel gelukkiger? Vrijer? Opener?
Ik kan mij voorstellen dat de
Wijzen uit het Oosten de tragiek wél onderkenden.
En wat deden ze?
Laat ik uit het verhaal enkele stappen opdelven, die ons in dit nieuwe jaar
2005 wat verder op de been kunnen houden en vooruithelpen.
Eerste stap.
Ze vluchtten niet weg in een of andere al dan niet religieuze
drug, maar ze gingen op weg en lieten alles achter zich. Volgens de dichter
Eliot: hun zomerpaleizen, de overvloedige wijnen en de mooiste meisjes die hen
zomaar ter beschikking stonden.
Wat dreef hen?
Het bijbelverhaal zegt: ze hebben een ster gezien.
Laten we dat vertalen met: een droom, een visioen, een groot verlangen. Groot
in de zin van: een verlangen dat hun eigen kleine zelfbetrokken verlangens te
boven ging. Dat maakte hun verlangen groot. Groter dan ons hart.
Geconfronteerd met het cataclysme, de grote ramp, is er dus maar één weg, en
dat is: op weg gaan, zomaar te gaan met een stok in de hand, altijd maar hopen.
Dat brengt ons bij een tweede
stap.
En ze gaan samen, niet alleen.
En al gaande de weg “beginnen ze nieuwe kleine woonplaatsen te bouwen en
nieuwe kleine verwachtingen te koesteren”.
Van ontmoetingen mogen we veel verwachten. Daar valt veel te ontvangen,
vaak gratis en voor niets. Andere mensen worden ons gegeven. Maar willen wij
dat gegeven worden zien en ervaren, dan moeten we onze angsten afleren. Niet
vrezen voor de ander, wie die vreemde of zelfs nabije ander ook moge zijn: vader,
moeder, zoon of dochter, partner, vriend, voorganger of bisschop. Uit die, aan
de vrees ontworstelde ontmoetingen, kan vertrouwen groeien, waardoor we die
nieuwe kleine verwachtingen mogen koesteren.
Een klein economisch voorbeeld: door de volgehouden inzet van vele mensen heeft
de Europese fruitsappen federatie beslist om voortaan geen appelsiensap meer
aan te kopen in landen waar kinderen in de pluk tewerkgesteld worden. En zo
worden kleine nieuwe woonplaatsen gebouwd, ook voor de kleinen der aarde.
In het prachtige gedicht van T.S. Eliot wordt de geboorte van het kind niet
uitdrukkelijk genoemd, alsof de dichter ons wil uitnodigen om verder te kijken
dan die geboorte van Jezus uit een ver verleden. Hij daagt ons uit om die geboorte
hier en nu te zien geschieden: overal dus waar ook vandaag nieuwe kleine
woonplaatsen worden gebouwd en nieuwe kleine verwachtingen worden gekoesterd.
Want ook onze God is klein begonnen. Met name in een weerloos mensenkind.
Zo komen we aan de derde stap.
En die heeft te maken met ons antwoord. Er wil ook gegeven worden, liefst
het beste van onszelf: goud, wierook en mirre.
Ontvangen nodigt ons uit om zelf ook te geven. De gemeenschap kan niet zonder
mij, zonder ons. En dat kan soms “nogal zwaar werk zijn, want er is geen
effen weg naar de toekomst”.
We denken allemaal wel eens op moeilijke momenten: och was ik maar bij moeder
thuis gebleven.
Maar dan sta je daar toch, omdat je het niet laten kunt. Omdat er diep in jou
iets als een heilig, ja misschien wel goddelijk, moeten is: ik moet erbij zijn,
ook al is de weg naar morgen oneffen. Er wordt op mij, op ons, gerekend.
En daarover zegt Eliot in zijn gedicht: “was het doel dat ons dreef geboorte of dood? Wij waren
getuigen van een geboorte, zeker, daar is geen twijfel aan. Maar als ik vroeger
geboorte of dood zag, dacht ik dat ze tegenstellingen waren. Deze geboorte echter
was een onverbiddelijk einde voor ons, een dood, onze dood.”
Vat de dichter hier niet de kern samen van wat christelijk geloven
is: als de graankorrel niet in de aarde sterft, kan hij geen vruchten voortbrengen.
Anders gezegd: als ik in de stroom ga staan van dit tegendraads verhaal, dan
word ik boven mijzelf uitgetild, zodat ik in staat ben mij met de tragiek van
deze wereld te confronteren en toch stand te houden en rechtop te blijven.
En dan te zeggen: “we lappen het hem, ook al struikelen we over hinderpalen.
En we moeten en zullen leven, hoeveel hemels er ook gevallen zijn.”
Dat doet mij voor een laatste maal terugkeren naar het gedicht van Eliot: We keerden terug naar ons land, onze koninkrijken, maar voelden ons niet
meer thuis in de oude orde tussen vreemde mensen die hun goden omklemmen.
Geloven speelt zich niet af in de goed beschermde ruimte van kerkgebouw
of bezinningshuis. Maar wel op de straten en pleinen en huizen waar de mensen
vertoeven. Daar keren ze naar terug. Geloven moet gebeuren midden in de oude
orde van vreemd geworden mensen die hun goden omklemmen. De vraag die op ons
als christelijke gemeenschap afkomt, is dan ook: hoe gaan wij om met die oude
orde, rondom ons, maar misschien meer nog in ons eigen vege lijf en leden?
Ik besluit:
laten we het hem dit jaar maar lappen.
En doorgaan dus.
Samen onderweg.
Elkaar niet loslaten.
Een hart onder de riem.
Geen zilveren sleeën, geen goud in de grond,
enkel een hart op mijn hart en een mond op mijn mond.
Anders gezegd: Jezus achterna, uit Egypte vandaan.
Het moge zo zijn.