| Start |
|
SCHOONHEID ALS VINDPLAATS VAN GOD
(Geschreven op het feest van de apostel Johannes, 27 Dec. 2000, voor het Tijdschrift “ Catechetische Informatie ” en bij deze opgedragen aan diegenen die als titel voor de pastorale map bovenstaand onderwerp kozen.)
Iedereen neemt aan dat er een mysterieuze
band is tussen het schone en het religieuze.
Wie ontroerd is door een mooi landschap of een kunstwerk, voelt die band aan.
Het is echter niet gemakkelijk te zeggen wat het schone en het religieuze met
elkaar gemeen hebben en waarin ze verschillen.
Het is misschien goed eerst die band wat te verhelderen om daarna de vraag te
stellen in welke zin één dimensie van het schone, namelijk de kunst, ook voor
de catecheten, een bron voor religieuze ervaring en geloof kan zijn.
De band tussen de schoonheid en het religieuze.
Schoonheid en het religieuze worden vanouds als aanverwante ervaring
beleefd. Steeds hebben religies kunstenaars te hulp geroepen om hun overtuigingen
en perspectieven uit te drukken. Tevens blijkt dat de wederzijdse aanraking
en doordringing van religie en kunst ook kortsluitingen in zich kan dragen:
denk maar aan de vele beeldenstormen.
De vraag is: wat schoonheid en religie met elkaar hebben.
Wat willen wij uitdrukken als wij zeggen: “ het” heeft mij geraakt.
Het
raakvlak is niet zozeer de inhoud.
Bij religieuze schoonheid denken velen spontaan aan madonna’s, piëta’s,
artistieke kruisbeelden, schilderijen met bijbelse taferelen en personages,
aan gewijde teksten op gregoriaanse muziek. Hangt het religieuze echt van de
inhoud af? Is bijvoorbeeld een landschap, verstild in de avondschemering, religieuzer
van stemming, wanneer daarin het silhouet van een veldkapel ontwaard wordt?
Zijn de altaarstukken van Rubens religieuzer dan de zeer vergelijkbare stukken
die hij maakte voor Catharina de Medici?
Wat is er zo religieus aan Michelangelo’s naakte David, of aan zijn naakte verrezen
Christus met het kruis in de hand?
Hieruit blijkt toch dat het religieuze niet kan vastzitten aan het feit dat
een thematiek uit de christelijke en bijbelse traditie verbeeld is. Het religieuze
werkt veel breder en dieper dan de inhoudelijke opstap. Toen ik tijdens een
reis gedropt werd tussen de piramiden van Cheops en de Sfinx van Gizeh, was
ik meer overweldigd dan toen ik voor de eerste maal de gelegenheid kreeg om
te bidden op de Litostrotos in Jeruzalem waar Jezus veroordeeld en gegeseld
werd. Ik werd dieper geraakt door de natuur en de entourage van de Pythia
te Delphi dan wel tijdens mijn eerste wandeling in de tuin van Gethsemane.
De lichtstralen in het Romaanse verzoeningskerkje van Taizé hebben me veel meer
ontroerd dan de basiliek van Koekelberg. De mooie Sint - Pieterskerk te Leuven
geldt als een staaltje van religieuze bouwkunst, het prachtige gotische stadhuis
ertegenover noemt iedereen dan profane architectuur?
Waarom?
In een geseculariseerd opgevat christendom is reeds de opsplitsing van de werkelijkheid
in een sacraal en profaan domein onhoudbaar. Alles wat door God geschapen is,
is door Hem geheiligd. Religieuze kunst kan wel degelijk zonder godsdienstige
inhoud.
Kunst hoeft geen godsdienstige onderwerpen te behandelen om religieus te zijn.
Zij zal religieus zijn voor zover in haar een ervaring van een bepaalde zingeving
tot uiting komt.
Herman - Emiel Mertens omschrijft dat diepere als een sterk ontroerende, diep
ingrijpende ervaring, waarbij we als toeschouwer zo grondig betrokken raken
dat er zich een andere werkelijkheid aan ons openbaart en dat we daardoor ook
zelf enigszins veranderen.
Het
raakvlak ligt in de ervaring
Op de vraag waarom ze iets mooi vinden, antwoorden veel mensen: omdat
het me raakt, omdat het mij iets doet, omdat er iets met mij gebeurt. We worden
blijkbaar geraakt, ‘geroerd’ (erregt), ontroerd, d.w.z. aangeraakt op een wijze
dat we daarna anders in de werkelijkheid komen te staan. De ervaring van schoonheid
legt de werkelijkheid open op een wijze die nog niet de onze is. Zij maakt
onze eigen wereld opnieuw en anders toegankelijk.
Wanneer schoonheid ons raakt breekt iets vreemds binnen in onze vanzelfsprekendheden,
iets wat van buiten af nieuw perspectief biedt om onze wereld te bewonen. Schoonheid
heeft te maken met die vervoering, met die verrukking naar wat boven of buiten
onze kleine horizon valt. Het tilt ons boven onszelf uit.
Schoonheid bestaat natuurlijk niet abstract want zij kan niet buiten het concrete
object dat wij mooi vinden. Er is bij schoonheid ook meer aan de hand dan de
waarneming van het particuliere ding dat we mooi vinden. Het is juist in dat
bijzondere dat we mooi vinden dat we aangeraakt worden door een sfeer van het
hogere, het grotere, het algemene, het andere, het ongrijpbare, het onvoorstelbare.
Schoonheid neemt de mens mee in een transcenderende beweging, zij overstijgt
de gewone structuren zonder die evenwel te verloochenen. De bestaande wereld
wordt in deze ervaring helemaal niet ontkend; de dingen krijgen een nieuwe dimensie
en worden getransformeerd. Deze beweging (emotie) is eigenlijk datgene waardoor
wij op een nieuwe wijze in de wereld komen te staan, een wijze waar we vaak
spontaan mee instemmen en denken: ja, dit is beter, zo moet het zijn, ‘ laten
we hier drie tenten bouwen ’.
Deze ervaring is de landingsplek, de aanlegplaats voor iets nieuws.
Schoonheid als bron van religieuze ervaring
Geen muziek, geen dans, geen bouwwerk, geen sculptuur, geen literaire
tekst is op zichzelf religieus, zoals ook geen feit, geen situatie, geen handeling,
geen plaats, geen tijd ‘op zich ‘ sacraal of religieus is. Wel kan alles als
religieus worden ervaren. De kwalificatie van religieuze ervaring heeft betrekking
op een bepaalde wijze van zien, horen, gewaarworden, kennen, interpreteren en
genieten. Religieus wordt hier dus in zeer brede zin opgevat.
Hiervoor kunnen we ons inspireren op de drievoudige etymologische verklaring
van het Latijnse religio: re-legere (her-lezen), re-ligare (her-binden) en
re-eligere (her-kiezen).
Het gaat hier om een opnieuw lezen en interpreteren van sociale en kosmische
bindingen om deze opnieuw te duiden als nieuwe mogelijkheid tot ontplooiing.
De mens in aanraking met de schoonheid in een concreet kunstwerk wordt vervoerd,
dat wil zeggen ‘meegevoerd’ naar een volheid, naar een zin, naar een nieuwe
samenhang, hij wordt geheeld, heel en gelukkig gemaakt. We zien een andere
wereld, voorbij de verbrokkeling en het fragmentarische. ‘ Alles valt op zijn
plaats ’zeggen wij; ‘ ik ben weer diegene die ik eigenlijk moet zijn’. Waarom
gaan sommige mensen zo graag op reis? Wellicht om, door de hoop op verwachte
en onverwachte schoonheidservaringen boven onze sleur verheven te worden om
nieuw leven te verwerven (een pint vers bloed).
Heeft die overstijging dan ook iets met God te maken?
We moeten ons natuurlijk hoeden voor een simplicisme dat we eerst op zoek gaan
naar een transcendentie-plek en die dan met “ God ” gaan invullen! Dat is
een god maken naar eigen beeld en gelijkenis en dat is dus nooit God.
In mijn noviciaat was in de refter onder het kruisbeeld een tekst van Ruusbroec
geschilderd: “ God is ons inwendiger dan wij ons zelve zijn ”. Dat betekent
voor mij dat wij in onze benadering van het Schone reeds ingehaald zijn door
Diegene die ons meer nabij is dan wij onszelf zijn. Het is dus mogelijk de
vervoering door schoonheid mee te maken als een bekering van het hart (want
een nieuw perspectief), als een aanraking door de Ene Levende om ‘in’ deze wereld
toch niet van hier, maar van ‘elders’ te zijn.
Op dit domein kunnen catecheten bestaansverheldering brengen via de kunst.
Via
de dichters: woordkunstenaars bij uitstek.
Als geen anderen munten taalvirtuozen uit door de bekwaamheid tot
aanvoelen, tot fantaseren, tot uitdrukken. Zonder ingewikkelde gedachtenkronkels
of ellenlange bespiegelingen, met slechts enkel kleur- en klankrijke woorden
en sterk suggestieve beelden, lukken poëten er soms in, bondig en gevat, de
blik te richten naar het onzichtbare om het onuitsprekelijke zinvol ter sprake
te brengen Valt een dergelijke expressiekracht niet bijzonder op in de meer
poëtische fragmenten van de Bijbel?
Zijn deze niet a.h.w. in dubbele zin ‘geïnspireerd’? Denk bijvoorbeeld aan
het lyrische ‘Hooglied’ waarin de naam van God niet eens genoemd wordt.
De onthulling van het transcendente is echter geen monopolie van bijbelse of
andere gewijde teksten. De openbaring van het goddelijke kan ook gebeuren in
zogenaamde profane gedichten. Alle ‘religieus’ ervaren literatuur kan het mysterie
van ons bestaan onthullen.
Deze ontsluitingsfunctie, uiteraard afhankelijk van de gedachteninhoud, is in
hoge mate medebepaald door woord- en beeldkeuze, vorm en stijl. Kitsch en rijmelarij
blijven meestal aan de oppervlakte, maar zoals Guillaume van der Graft het uitdrukte,
‘ als men de spade der taal diep in de aarde zou steken, dan zou men de goden
bereiken ’.
Wat Huub Oosterhuis in ons taalgebied bereikt heeft is ‘goddelijk’ te noemen.
Ook
beeldende kunsten boeien de catecheet
Catechese is dikwijls een taalgebeuren en haar belangrijkste vindplaatsen,
bijbel en traditie, zijn literatuur. Maar ook de plastische kunsten kunnen
een ‘locus theologicus’ zijn.
Een voorbeeld van goddelijke relevantie van ‘religieus ervaren’ beeldende kunsten
is het werk van Henri Nouwen: Eindelijk Thuis. Gedachten bij Rembrandts ‘ De
terugkeer van de verloren zoon. Wie bewonderend opgaat in dit doek krijgt de
meest ontroerende exegese te zien. (Lannoo, Tielt 1994)
Ook is het bekend dat Paul Claudel zich zou bekeerd hebben na het meemaken van
de uitvoering van het Magnificat, tijdens de vesperdienst in de Notre Dame de
Paris.
Zulke bekeringsprocessen leken ouderwets en toch zien we dat ‘nieuwe’ katholieken
zich in eerste instantie door het katholicisme worden aangetrokken door de fascinatie
van het mooie. Men vindt deze hang naar esthetiek onder meer in het drame van
de liturgie.
Daar wordt niet alleen sacraliteit ervaren, maar men voelt zich ook opgenomen
in een hoger geheel, een nieuwe gemeenschap. De herleving van de esthetiek
en de postmoderniteit worden wel vaker met elkaar in verband gebracht. In
deze fascinatie gaat het ook niet louter om het schone als dusdanig. Het schone
geeft in de huidige cultuur van ordening, beheersing en functionele rationaliteit
éérder toegang tot ‘ het godsgeheim’ dan het ware en het goede.
De postmoderne aandacht voor het esthetische herinnert ons aan een wezenlijke
benadering van godsdienst(onderwijs): gaat het in godsdienst niet gewoon om
God?
Schoonheid als andere naam voor God.
Bij het beluisteren van de literatoren en het bewonderen van
de beeldende kunsten is het de catecheet uiteindelijk te doen om op een of andere
manier God zinvol ter sprake te brengen.
God te doen weerklinken is zijn meest wezenlijke taak. Maar hij is er zich
van bewust dat geen enkele poging honderd procent lukt. De bijbel waarschuwt
trouwens voor zulke illusies.
De God van Mozes is voor de stervelingen onzichtbaar en er is trouwens het oudtestamentische
beeldverbod.
De God van Jezus Christus is evenmin te ervaren. Onvoorstelbaar. Ondefinieerbaar.
Vandaar de grote zorg van de catecheet: ‘Wat zeg ik, als ik god zeg?’ (Qu’est-ce
que je dis, quand je dis Dieu? - Alain Pohier, Gooi en Sticht, Hilversum 1974).
de geschiedenis van de theo-logie is dan ook die van het namen zoeken, het beelden
uitdenken. Tot voor kort noemden wij God vooral de ‘gans andere’, maar op heden
zijn er een aantal nieuwe namen in omloop, meer aangepast aan onze moderne cultuur
dan de meest traditionele namen: moeder, vriend, metgezel, minnaar, grond, diepte,
toekomst, vrijheid. Waarom ook niet schoonheid!?
Misschien is het mogelijk een godsbewijs af te leiden vanuit de ervaren schoonheid,
in het genre dan van de klassieke vijf wegen van Thomas, maar dan een kosmisch
of kosmologisch bewijs.
Maar zulke godsbewijzen zeggen niet veel in de mate dat ze willen bewijzen.
In zoverre deze bewijzen God ter sprake brengen, zeggen ze veel meer. Beter
is het te spreken van goddelijke signalen: natuurgegevens, diepmenselijke gebaren,
gebeurtenissen en situaties die boven zichzelf uitwijzen.
Een beeldhouwwerk is meer dan een blok steen, arduin of hout met hamer en beitel
bewerkt, zelfs meer dan de figuur die het voorstelt. De Denker van Rodin geeft
te denken. Een schilderij is meer dan een geverfd doek, meer dan de tekening
van een landschap. Dat ‘meer’ verschijnt slechts voor het oog van de kunstminnaar,
die stil en rustig, aandachtig en verheugd van het schone geniet, er bewonderend
in opgaat. In de schoonheid van het kunstwerk is de Schoonheid zelf.
Het is een belangrijke vaststelling dat schoonheid vele van onze tijdgenoten
meer aanspreekt dan waarheid en goedheid. Om in onze geseculariseerde cultuur
zinvol te zijn, moeten de godsbeelden in de catechese denkbaar, voorstelbaar,
ervaarbaar en werkbaar zijn.
Ik denk dat dit vier criteria zijn waaraan schoonheid als metafoor ongetwijfeld
beantwoordt.
Evenwel blijft iedere ervaren schoonheid vergankelijk, biedt zij slechts een
voorspel van de zuivere Schoonheid. Deze blijft toekomstmuziek. ‘ Thans zien
wij nog in een spiegel ’
(1 Kor. 13,12).
“ Het schone vormt slechts een voorsmaak van de komende waarheid. In de schoonheid
is de waarheid slechts bemiddelend aan het werk. Daarmee draagt schoonheid
wel de belofte in zich van een toekomstige ontmoeting met de Waarheid ” E. Jüngel,
Theologie van de aanvechting, Zoetermeer 1991, blz 75.
Johan Van Calbergh
Frans Maas, Schoonheid vraagt om
goed gezelschap, Radboudstichting, Vugt 1997
Frans Maas, Kunst, schoonheid en religie. Speling 5O, 3/98 blz 5 - 12
Herman - Emiel Mertens: Schoonheid is uw naam. Acco, Leuven 1997
Veerle Draulens en Henk Witte: Identiteit in meervoud (II) , Collationes 3.
28(1998) blz 265 - 28O
G.J. Hoenderdaal: Het estethische, een weg tot geloof? Ten Have Baarn 1982