Start

Van Levensbrood naar Levend lichaam:
de structuur en dynamiek van het eucharistisch gebed – Joris Polfliet

Ter inleiding

Een vraag: wat is het verschil tussen een eucharistieviering en een woord- en communieviering?  (P. De Clerck heeft er daarstraks al even naar verwezen)  Voor velen is het niet zo eenvoudig om het verschil aan te geven: bij de laatste viering is er geen priester nodig, of: er is geen consecratie.
Er zijn echter meer verschillen aan te wijzen: de vaste gezangen uit de eucharistie (Kyrie, Eer aan God, Heilig, Lam Gods), het aanbrengen van brood en wijn, het klaarmaken van het altaar, het eucharistisch gebed, het breken van het brood.

Het eucharistisch gebed is misschien bij uitstek de plaats waar de eigenheid van het eucharistisch gebeuren aan het licht komt.  Het is dé plaats waarin de laatste gebaren en woorden van Jezus vlak voor zijn dood, waarin hij zijn leven en zending heeft samengevat, geactualiseerd worden.  De eucharistie is de “gedachtenis van Jezus’ Pasen”.  Gedachtenis dan in de bijbelse, sterke zin van het woord: geen herinnering aan het verleden, maar een herbeleven van het verleden, een binnentrekken van het verleden in het “hier en nu”.  De eucharistie actualiseert de overgang van Jezus in zijn dood en verrijzenis, en doet er ons in delen.  Ze is lofprijzing tot de Vader die Jezus  heeft doen opstaan en die ons de Geest geeft.

Deze “handeling”, dit gebeuren, speelt zich bij op een heel gebalde manier af in het eucharistisch gebed (voortaan E.G.) , die het kernstuk is uit de eucharistieviering.  In de huidige beleving van vele gelovigen wordt het E.G. echter helemaal niet zo ervaren.  Het is voor velen nog altijd de zaak van de priester.  Het is “zijn” gebed.  Niet zelden vindt men de tekst te lang en te moeilijk om hem helemaal te volgen.  Nog altijd – zoals in de middeleeuwen – zijn het de misdienaars die met belsignalen aangeven wanneer we er met onze aandacht bij moeten zijn…

Het eucharistisch gebed is een goed voorbeeld van hoe de liturgische hervorming van na Vaticanum II in de praktijk niet altijd zijn weg heeft gevonden.  De concrete liturgische uitvoering ervan is daar waarschijnlijk niet vreemd aan.

Bedoeling van deze inleiding: meer thuis komen in het eucharistisch gebed.

We zullen het daarvoor in eerste instantie benaderen als een tekst, maar wel in het volle besef dat het in het E.G. eigenlijk niet gaat om een tekst.  Doorheen het bidden van de tekst van dat gebed gebeurt er iets, voltrekt zich precies het “heen-en-weer” van Gods liefdesaanbod in Christus, en het antwoord van de kerkgemeenschap daarop in aansluiting bij het antwoord van de levende Heer die de kerk mee betrekt in zijn “eucharistie”.  In het E.G. gaat het dus inderdaad – zoals de vroege traditie het al uitdrukte - om een “actio”, een handeling, waarbij de hele gemeenschap betrokken wordt.

De betekenis van het eucharistisch gebed

De inleiding op het Romeins missaal geeft in de nummer 54 (nr. 78 in Editio typica tertia) een korte omschrijving:

“Nu vangt het centrum en het hoogtepunt van heel de viering aan, namelijk het eucharistisch gebed zelf, dwz. het gebed van dankzegging en heiliging.  De priester nodigt het volk uit om zijn hart tot God te verheffen in gebed en dankzegging en maakt het deelgenoot van zijn gebed, dat hij uit naam van heel de gemeenschap door Jezus Christus in de Heilige Geest tot de Vader richt.  De bedoeling van dit gebed bestaat erin om heel de gemeenschap van gelovigen met Christus te verenigen in het bezingen van Gods machtige daden en in het opdragen van zijn offer.”

“De voorganger spreekt dit gebed uit namens Christus, die zelf de eucharistie aan de Vader opdraagt in naam van het Godsvolk”.  Eigenlijk is er maar één eucharistie, nl. die van Christus zelf.  Als wij eucharistie vieren, sluiten wij ons aan bij dé Eucharistie van Jezus Christus.  Er is maar één Iemand die de eucharistie kan uitspreken.
Het NT zegt dat er maar één is die het hart van God heeft geraakt, er is er maar één die god door de knieën heeft doen gaan, er is er maar één die het voorhangsel van de tempel heeft doen scheuren.

Nummer 55 somt verder de voornaamste elementen op waaruit het E.G. bestaat:

Dankzegging (vooral in de prefatie)
Acclamatie (Heilig): maakt deel uit van het E.G. en gebeurt door heel het volk, samen met de priester.

De epiclese
Het instellingsverhaal en de consecratie
De anamnese “waardoor de Kerk het gebod ten uitvoer brengt dat ze van Christus de Heer door bemiddeling van de apostelen ontving.
De aanbieding: van de offergaven aan de Vader + ook zichzelf leren offeren en van dag tot dag door de Middelaar Christus groeien naar de volmaakte eenheid met God en onder elkaar.
De voorspraakgebeden waardoor wordt uitgedrukt dat de eucharistie gevierd wordt in vereniging met de Kerk, zowel de hemelse als de aardse.
De slotdoxologie waarin de verheerlijking van God wordt uitgedrukt en die door de acclamatie van het volk wordt bekrachtigd en besloten.

De tekst besluit: “Het eucharistisch gebed vereist, dat allen er met eerbied en in stilte naar luisteren en er zich bij aansluiten door de acclamaties die in de ritus zelf zijn voorzien.”

Het is zo dat de gemeenschap haar instemming en deelname uitdrukt bij de inleidende dialoog, in de acclamaties (Heilig, acclamatie na consecratie), en het afsluitende Amen.
De eigenlijke tekst wordt echter voorbehouden voor de priester.  Waarom?  Dat heeft alles te maken met het sacramenteel karakter van zijn ambt.  Waarom gaat de priester voor in de eucharistie?  Om uit te drukken dat het eigenlijk Christus is die voorgaat.  Christus is de enige die de “eucharistie”, de dankzegging tot God kan uitspreken.  Wij sluiten ons als gemeenschap bij Hem aan.  Hij gaat ons voor in de dankzegging.

Het opsommen van deze elementen heeft echter één nadeel: het kan de indruk wekken dat het E.G. een opeenvolging is van verschillende stukjes.  Zo wordt het in onze praktijk vaak ook beleefd.  Het gaat echter om één groot gebed, waarin een lijn en logische dynamiek zit.  De verschillende elementen stuwen de beweging van het gebed verder.  In wat volgt proberen we deze dynamiek te schetsen.  We doen het aan de hand van een analyse van L.-M. Chauvet.

Detailanalyse van een eucharistisch gebed

Volgens Chauvet gaat het in de eucharistie (zoals in elke vorm van liturgie) om de symbolische uitdrukking van de onderlinge dialoog tussen God en de mens: God biedt zijn Volk een Verbond aan, en het gezamenlijke gebed is de rituele uitdrukking van ons “ja” op deze uitnodiging.

Deze dialoog komt in het eucharistisch hooggebed bij uitstek tot uiting.  Chauvet laat dit zien aan de hand van de tweede canon.  Dit gebed heeft als voordeel dat het kort en sober is: het biedt de modelstructuur van het E.G. in alle eenvoud.  Dit model vindt men, met variaties, terug in de andere E.G. 

Chauvet wil niet zozeer de afzonderlijke elementen van het E.G. op zich bestuderen, maar wel de manier waarop zij elkaar opvolgen en in elkaar vasthaken (hij spreekt van een raderwerk, waarin het ene tandwiel het andere in beweging zet).  Hij zoekt naar het “mechanisme” dat de eucharistische handeling opbouwt en doet vooruitgaan.

Chauvet gebruikt hiervoor wat hij noemt een “narratieve analyse”.  Deze gaat er van uit dat elke geschreven tekst vertrekt vanuit een negatieve situatie van “gebrek”, om te eindigen wanneer aan dit “gebrek” is tegemoet gekomen.  Dat gebeurt wanneer het “object” (dat kan een materieel object zijn, maar ook een vorm van informatie, bemoediging, of een relatie met een persoon) waaraan de “ontvanger” nood heeft, hem doorgegeven is door de “uitvoerder”.

Zo ook is de uitgangspositie van het E.G. er één van een “gebrek”, dat doorheen de tekst wordt vervuld.  Hier is het uitgangspunt “Brengen wij dank aan de Heer, onze God”: dat is het programma dat moet worden uitgevoerd.  God is diegene aan wie de dankzegging is gericht, en de kerkgemeenschap (“Wij”) zijn de uitvoerders van deze opdracht.

Wij = uitvoerders
Dank = object
God = ontvanger

Wij ======> Dank -------> God

De uitvoering van dit programma door het “wij” van de kerkgemeenschap is een “perfor­mance”, die een bekwaamheid vereist om het te realiseren.  Het geheel van het gebed, tussen de inleidende dialoog en de einddoxologie, laat zien hoe wij die bekwaamheid verwerven.  Dit gebeurt in drie etappes (of narratieve deel-program­ma's).

1. Dialoog tot het Heilig

De Kerk dankt God voor zijn welbeminde Zoon, zijn eigen Woord waardoor alles is geschapen en dat gezonden is als Heiland en Verlosser.  De dankzegging heeft dus een dubbel motief: de schepping, maar vooral ook de zending van Jezus die redding en bevrijding brengt.  In feite is dit een verdichting van de heilsgeschiedenis.  In andere canons gebeurt dit op een meer uitgebreide manier (met de thema’s van schepping, zondvloed, de verbonden, de zending van de profeten) ook al wordt het paasmysterie van Christus altijd voorgesteld als het brandpunt of sleutelmoment van de geschiedenis.  Dit blijkt ook uit het feit dat regelmatig dit deel (van de prefatie) helemaal geconcentreerd is op één aspect van het Christusmysterie, naargelang het feest (Pasen, Kerstmis) of de lezingen van de dag (Bijv. de Samaritaanse bij de bron).

Twee elementen zijn dus bepalend in dit begin van de dankzegging van de Kerk: 1. De dankzegging slaat altijd op wat God volgens de Schrift voor de mensheid heeft gedaan.  Ook al gaat de aandacht soms alleen naar het Christusmysterie, toch veronderstelt deze aandacht altijd heel het Eerste Testament als achtergrond.  2. Anderzijds vindt de dankzegging haar hoogste reden telkens in het paasmysterie van Christus.  Men dankt vooral om de gave van de Zoon, zoals die verschenen is in de mens Jezus van Nazareth (“zijn historisch lichaam”), en om zijn verheerlijking na zijn kruisdood (zijn “verheerlijkt lichaam”).

Schema van het eerste “deelprogramma”:

“Wij danken U, God, omdat Gij ons de gave hebt geschonken van uw Zoon Jezus van Nazareth.”

God (Vader + Geest) ===> Historisch en verheerlijkt lichaam van Chris­tus ---> Wij

De tekst gaat voort na het Heilig: dit betekent dat het programma nog niet helemaal is vervuld: op een christelijke manier God danken veronderstelt meer, nl. de aanvaar­ding in het heden van het geschenk dat tot nu toe enkel in het verleden werd gesitueerd.  Dit gebeurt in het tweede deelprogramma.

2. Epiclese over de gaven, instellingswoorden, anamnese.

Hier is de gave (het object) dat aan het “Wij” van de kerkgemeenschap wordt aangeboden door God dezelfde als in 1., namelijk Christus, maar er is een dubbel verschil: hier wordt Christus op een andere manier aangeboden, onder de vorm van voedsel en drank, en niet meer op een “historische manier”.  En Hij wordt aangebo­den in het heden, hier en nu.  Dit gebeurt door de Geest, door de Vader gezonden om van het brood en de wijn het lichaam en bloed van Christus te maken

Schema:

“God, zend uw Geest en schenk ons daardoor het eucharistisch lichaam van uw Zoon”.

God (Vader + Geest) ===> Eucharistisch lichaam van Chris­tus ---> Wij 

Ook hier betekent het feit dat dit programma eindigt met dankzegging (Wij danken U omdat Gij ons waardig keurt...) nog niet dat de specifiek christelijke wijze om dank te zeggen gerealiseerd is.  De tekst gaat immers verder.  Er is nog iets nodig: dat “Wij” met de kerkgemeen­schap worden wat we in de eucharistie gaan ontvangen.  Dit blijkt uit het derde en laatste programma.

3. Epiclese over de aanwezigen, dubbele smeekgebed (voor de kerk op aarde, voor de overlede­nen), eschatologisch afsluitend gebed.

Het eerste smeekgebed voor de kerk op aarde ligt helemaal in de lijn van de epiclese die vooraf gaat (het “reeds aanwezige” heil wordt uitgedrukt, waarvan de kerk op aarde al getuigt).  Het tweede smeekgebed voor de overledenen richt de aandacht naar het volgende eschatologische gebed: het drukt het “nog niet” uit van het heil, in afwachting van de ultieme vervulling.

Het object dat in dit laatste deelprogramma wordt overgeleverd, heeft betrekking op de toekomst, die op een eschatologische manier wordt begrepen, d.w.z. gespannen tussen twee polen: het “reeds”, dat gerealiseerd wordt in het feit dat de Kerk, door de kracht van de Geest, en door te delen aan het eucharistisch lichaam van Christus, het “kerkelijk” lichaam van diezelfde Christus wordt.  Anderzijds de pool van het “nog niet”: de voltooiing in de volheid van Gods Rijk van wat nu nog in de toestand van “verwachting” is.  Gezien de twee (eschatologische) dimensies van dit deel krijgen we het volgende schema:

Schema:

“God, maak ons door uw Geest tot het levend Lichaam van uw Zoon, en geeft dat wij eens ten volle mogen delen in zijn verrijzenisleven”

a) God (+ Geest) ===> Kerkelijk lichaam van Christus ---> Wij
b) God                  ===> Eeuwig leven (Voltooid Rijk)   ---> Wij

Besluit:

3 golfbewegingen doorheen het Eucharistisch gebed.

Jezus van Nazareth (historisch lichaam) à Lichaam en Bloed van Christus (eucharistisch lichaam) à De kerkgemeenschap als Levend Lichaam van Christus (kerkelijk lichaam)

Verleden à Heden à Toekomst

Lofprijzing à Dankzegging à Smeekgebed (à Lofprijzing)

Vraag: herken je de geschetste krachtlijnen en dynamiek?

Deze analyse toont dat de christelijke manier van dankzeggen aan God geen “natuurlijke” zaak is: doorheen het Eucharistisch gebed komt er niet alleen een omvorming (heiliging) tot stand, maar wordt ook een “omweg” uitgedrukt, in de zin van een “ommekeer”.  Het realiseren van de dankzegging door de mens vereist niets minder dan het initiatief van God, Vader en Geest.  Hij biedt het geschenk aan van zijn Zoon, op een driedubbele manier (historisch, eucharistisch, kerkelijk), die correspondeert met de driedubbele dimensie van de tijd (verleden, heden, toekomst).  De verwezenlijking door de mens van de “perfor­mance” van het dankzeggen vraagt dus dat God zelf hem ertoe in staat stelt.  De weg die het eucharistisch gebed doet afleggen is als dusdanig exemplarisch voor de weg van bekering die de christen geroepen is af te leggen doorheen gans zijn leven.

Enkele opmerkingen bij de drie kerndelen van het gebed

4.1. Het instellingsverhaal
Dit stuk doorbreekt het verloop van de dialoog in het heden (Wij - U) voor een vertellen in het verleden (Hij).  Op literair vlak lijkt dit een incoherentie te zijn, maar deze breuk heeft een grote theologische betekenis: dit verhaal van de Kerk over Jezus (wat Jezus heeft gedaan op het Laatste Avondmaal) gaat functioneren als een woord dat de Heer tot zijn Kerk richt. 
Het instellingsverhaal doet inderdaad beroep op twee citaten van Jezus.  Wanneer men iemand citeert, haalt men hem of haar aan als een gezagsvolle getuige.  Men haalt er iemand anders bij om de zin of de waarde van wat men doet of zegt een fundament te geven.  Het tweede citaat van Jezus eindigt met: “Blijft dit doen om Mij te gedenken”. 

Na dit citaat volgt in de tekst “Zijn dood en verrijzenis indachtig”.  Er is weer de bruuske overgang van het oproepen van wat er toen gebeurt is naar de herneming daarvan in het heden.  Deze overgang toont aan dat de Kerk zich door het citaat van Jezus aangesproken weet: ze weet zich geroepen om te doen wat Hij haar gevraagd heeft te doen (nl. brood nemen, de dankzegging uitspreken, het brood breken en het uitdelen).  Dit instellingsverhaal vormt voor de Kerk de norm van haar handelen.  Zij “voert” dit verhaal over de laatste momenten van Jezus uit en geeft het daardoor zijn eigenlijke betekenis: die van een opdracht van de Heer Jezus die haar vraagt om ze uit te voeren.

Het gaat in de instellingswoorden dus om een geloofsbelijdenis metterdaad: de Kerk is maar Kerk in de mate dat zij zich afhankelijk weet van Jezus  Het besef van deze afhankelijkheid drukt zij bij uitstek uit wanneer zij opnieuw de woorden en gebaren herneemt die hijzelf heeft gesteld 2000 jaar geleden..

4.2. De anamnese (gedachtenis) 

Deze fundamentele afhankelijkheid van de Kerk ten opzichte van haar Heer, blijkt nog duidelijker in de anamnese.  Deze bestaat uit een bijzin (“Zijn dood en verrijzenis indachtig”) en een hoofdzin (“bieden wij U aan”): de Kerk viert de gedachtenis van Jezus’ dood en opstanding door in het heden aan te bieden wat hem “ver-tegenwoordigt” (of op een nieuwe manier aanwezig brengt, namelijk op een sacramentele manier).

We staan hier voor een paradox: heel het tweede deelprogramma is gericht op het ontvangen in het heden door de Kerk van Christus op sacramentele wijze.  Maar, in plaats van Hem zich toe te eigenen als een waarde-object, opent ze haar handen, geeft ze Hem weer uit handen, en biedt ze Hem aan de Vader aan.  Deze paradox brengt ons bij het hart van de christelijke identiteit.  De gratuïte gave van Gods genade is niet van de orde van de “verdienste”, men kan ze niet vastgrijpen: de Kerk kan het geschenk van God slechts ontvangen door het Hem weer terug te geven.

Dit gebaar van de offerande is niet enkel een ritueel gebaar!  Anders zou het volstaan om naar de mis te gaan, om met God in het reine te komen.  De sacramentele offerande van het lichaam en bloed van Christus is een symbolische handeling waarin de Kerk zichzelf engageert: ze laat zien en ervaren wat het antwoord, het “tegen-geschenk” van de Kerk moet zijn op Gods gave: de existentiële aanbieding van het eigen leven.  Dit wordt duidelijk in de tweede epiclese.

4.3. De epiclese (gebed om de Geest)

De uitdrukking “… bieden wij U aan” is op twee manieren te verstaan: objectief en subjectief.  De Kerk biedt de sacramentele gestalte van Christus aan.  Maar ze biedt ook zichzelf aan “door en met en in Christus”.
Dit is al begrijpelijk vanuit de antropologische observatie: wie iets als geschenk aanbiedt, biedt tegelijk zichzelf voor een stuk aan: door iets te geven, biedt men ook voor een stuk zichzelf.  Het is onmogelijk om een echt gratuït geschenk te geven, zonder zichzelf te geven.

Dit geldt nog bij uitstek voor de eucharistie, omwille van een bijkomende reden: er is maar één Christus, die bestaat uit het Hoofd en het Lichaam.  Men kan de ene niet aanbieden zonder het andere, want ze zijn onafscheidelijk.  Het Hoofd kan niet aangeboden worden zonder dat ook het Lichaam aangeboden wordt, want het Lichaam hangt af van haar Hoofd. 

Cf. Augustinus: “Dit is het offer van de christenen: dat de menigte één lichaam wordt in Christus.  Dit wordt duidelijk in het sacrament van het altaar, goed bekend bij de gelovigen: daar wordt aan de Kerk getoond dat zijzelf wordt geofferd in datgene wat zij offert [nl. Christus].” (De Stad van God, X, 6)

Het gaat dus om nog meer dan om de gehoorzaamheid van de Kerk aan het gebod van Jezus: “Doe dit om mij te gedenken”.  Het gaat erom dat ze Hem volgt in de beweging die Hij heeft gemaakt, in zijn “offer”, zodat haar “gelijkvormigheid”, haar gelijkenis met Hem groeit.  Door het eucharistisch lichaam van Christus aan te bieden, drukt de Kerk uit wat ze moet worden: zijn kerkelijk lichaam.  Dat is precies wat de tweede epiclese uitdrukt: we bidden dat de Geest over de gemeenschap komt, opdat, door de deelname aan het eucharistisch lichaam, zij het kerkelijk lichaam van Christus wordt.

Dit betekent concreet dat de eucharistische communie van de Kerk en de christenen vraagt om aan de verrezen Christus een menselijk en historisch lichaam te geven, een lichaam dat zijn aanwezigheid in de wereld levend houdt door Hem te gedenken.  En dat heeft allereerst te maken met een ethische praktijk, een manier van leven.  Zowel de patristieke als de middeleeuwse traditie hebben voortdurend gesteld: de uiteindelijke bedoeling (veritas) van de eucharistie is de gave van de broederliefde en de eenheid.  Eenheid binnen de huidige Kerk, maar ook in de hele mensheid.  Deze eenheid moet heel concreet gedacht worden: het gaat om rechtvaardigheid, verzoening, vergeving, delen, zowel op grote schaal als in de tussenmenselijke relaties.

Dat de ethische consequenties pas op het einde van het E.G. aan het licht komen, en meerbepaald na het deel dat aan het eucharistisch Lichaam is gewijd, betekent ook dat het specifiek christelijk karakter ervan niet te maken heeft met de graad van edelmoedigheid, maar met hun statuut van “antwoord” op de eerste gave en het eerste engagement van God.  Daarom kan de ethische inzet ook vertolkt worden met het beeld van de “geestelijke eredienst”.

“… geef dat wij door het lichaam en bloed van uw Zoon, vol van de heilige Adem des levens, één lichaam worden en één geest in Christus” (IIIa)”: in het “offer van de Kerk” (vlgs. Augustinus bestaat het erin dat wij één lichaam worden) bereikt het “sacramentele offer van Christus” zijn uiteindelijke waarheid.  De viering blijft dus zonder vrucht als ze de christenen er niet toe brengt om “te worden wat ze ontvangen”.  Wat ontvangen ze?  Het sacramentele Lichaam van Christus.  Wat moeten ze worden?  Zijn kerkelijk Lichaam in en voor de wereld.  Dat is de uiteindelijke “contre-don” (Progr. 3) die nodig is om de “don” van God (Progr. 1) op een gepaste wijze te ontvangen (Progr. 2).  Het ontvangen van de genade als genade (en niet als iets anders wat min of meer magisch zou zijn) kan nooit gebeuren zonder een opdracht die eruit voortvloeit.  Ze veronderstelt de “tegen-gave” van een ethiek van gerechtigheid en barmhartigheid.

Nog enkele belangrijke elementen:

De onlosmakelijke band tussen Christus en de Kerk blijkt zowel uit de traditie van het drievoudige Lichaam van Christus, als uit de theologie van Paulus (1 Kor. 11), als uit de gebaren en woorden bij de communieritus (vredeswens – broodbreking – communie: elk van deze momenten drukken een band uit met Christus én met de andere gelovigen, maar met een verschillend accent).
Het verloop van het E.G. drukt een “proces” of een dynamiek uit die in alle sacramentele vieringen opduikt en die uitdrukking is van de symbolische uitwisseling tussen God en mens:

Gave (Don):

Schrift
Historisch en verheerlijkt Lichaam van Christus
Verleden
“God heeft zijn genade bewezen”

Aanneming van de gave (Reception):

Sacrament
Sacramenteel Lichaam van Christus
Heden
“Wij danken U, Vader, omdat wij delen in uw gaven”

Antwoord op de gave (Contre-don):

Ethiek
Kerkelijk Lichaam van Christus (nu en in de toekomst)
Toekomst: het “reeds” én het “nog niet”
“Daarom willen ook wij vanuit uw genade leven”.

Hoe de betekenis van het eucharistisch gebed ook ervaarbaar maken?

We zeiden reeds dat in onze concrete praktijk de geschetste betekenis en dynamiek van het E.G. moeilijk gerealiseerd wordt.  Dit heeft naar ons aanvoelen ondermeer te maken met een gebrekkige uitvoering ervan.  Er zijn ook een aantal liturgische mogelijkheden die vandaag te weinig worden benut om de betekenis beter aan het licht te doen komen.  We sommen enkele elementen op:

Het besef bij de voorganger dat het niet gaat om het aflezen van een tekst, maar om het uitspreken van een gebed dat helemaal gericht is tot de Vader.  Hoe dit tot uitdrukking brengen?

Door de toon van de stem.  Cf. Rondzendbrief over de eucharistische gebeden (1973) over de voordracht: “Bij het uitspreken van de gebeden, vooral van het eucharistisch gebed, vermijde de priester enerzijds een saaie en eentonige voordracht, anderzijds een wijze van spreken en optreden die te subjectief of pathetisch is.  Als voorganger in de liturgie moet hij door zijn manier van lezen, zingen en optreden de aanwezigen werkelijk helpen om een gemeenschap te vormen die de gedachtenis van de Heer viert en beleeft. (nr. 17)”
De routine waarmee het gebed soms wordt gebeden, nodigt weinig uit tot een houding van lofprijzing en dankzegging.
Het tempo: vaak wordt het gebed te snel gebeden: hoe sneller hoe minder kans dat het beleefd wordt als een gebed…
Het zingen van de inleidende dialoog, de prefatie, het instellingsverhaal, de doxologie: niet alleen om het “plechtiger” te maken…
De houding van het lichaam en de armen: “Hoe staat de priester achter het altaar?  Welke geest en welke gevoelens spreken uit zijn houding?  Drukt de orante-houding die hij aanneemt werkelijk lofprijzing uit?  Hoe wordt deze houding aangenomen?  Welke hoek maken bijvoorbeeld de armen met het lichaam?  Zijn de onder- en bovenarm gestrekt of gebogen?  Hoe houdt hij de handen?  Het gaat hier werkelijk om heel subtiele elementen, die toch werelden van verschil kunnen uitmaken.” (p. 102)
Bijv. ook het gebaar bij de epiclese – de elevaties.
De kijkrichting: het hele E.G. is een gebed tot de Vader.  De spreekrichting bepaalt de kijkrichting…  Tijdens het E.G. kijkt de voorganger dus niet rond naar de mensen.

+ Geen isolering van het instellingsverhaal van de rest van het gebed.
+ Plaats van het missaal: niet in het zicht van brood en wijn…

De houding van de gemeenschap.

Ko Joosse: “Hoe kan de gemeenschap aan dit gebed deelnemen zonder de eigen rol van de priester te verduisteren?  Kan de deelname van de gemeenschap ook nog op andere wijzen gestalte krijgen dan enkel in acclamaties?  Hoe kan er werkelijk een levende dialoog ontstaan?  En hoe blijft het gebed een eenheid, waarin de doorlopende innerlijke beweging niet onderbroken wordt?” (p. 99)
Het rechtstaan van de gemeenschap tijdens het hele Dankgebed (daar waar het mogelijk is – bijvoorbeeld in kleine groepen -  rond het altaar?) 
Hoe dichter men bij het altaar staat en hoe beter men het brood en de wijn kan zien, hoe meer de aandacht bij het gebeuren zal zijn.  Ook de vormgeving van het altaar zelf, en de plaats en het uitzicht van de voorwerpen (kelk en hostieschaal, altaardwaal, kandelaars, bloemen, kleding van de priester,…) kunnen indirect een effect hebben op het de beleving van het E.G.

De actieve deelname van de gemeenschap aan alle acclamaties (het Heilig is niet voor het koor alleen bedoeld…).  Belang van een vlotte aaneenschakeling om de eenheid van het gebed niet af te breken.
+ Het inlassen van bijkomende acclamaties.  Dit biedt kansen, op voorwaarde dat ook hier de aansluiting vlot gebeurt (taak voor de organist of voorzanger!), en dat men ook niet overdrijft.  Anders dreigt de dynamiek van het gebed teveel onderbroken te worden.

Andere elementen buiten het E.G. zelf: communie met hosties die in de viering zelf geconsacreerd zijn (R.S. 89), tenminste een aantal gelovigen een stuk van het gebroken brood geven tijdens de communie (R.S. 49).

5. Terug naar onze beginvraag

Als we nu opnieuw vragen naar het verschil tussen de eucharistieviering en een woord- en communieviering, kunnen we misschien een duidelijker antwoord formuleren.

De gedachtenisviering van de “Maaltijd van de Heer” is iets anders dan een viering waarin de vrucht van die maaltijd opnieuw wordt genuttigd.  Het is juist de hele beweging van het E.G. die de eigenheid van de eucharistische handeling bepaalt: de overgang van de gedachtenis van Jezus van Nazareth, over de dankzegging om zijn aanwezigheid hier en nu in de sacramentele tekens naar het aaneengroeien van de samengekomen gemeenschap tot Lichaam van Christus.  De “Maaltijd van de Heer” vieren is: met Hem aan tafel gaan zoals Hij het deed de avond voor zijn dood met zijn leerlingen, samen met Hem de Vader danken, en Hem volgen in zijn zelfgave.  Het is ook alles doen wat Hij zijn leerlingen gevraagd heeft te doen: brood nemen, het dankgebed erover uitspreken, het breken en ronddelen.  Het communiceren aan het Lichaam van de Heer is natuurlijk een hoogtepunt, maar het is slechts het eindpunt van heel deze beweging.  De communie krijgt ook maar zijn volle betekenis tegen de achtergrond van het hele proces van “heiliging” en “omvorming” dat doorheen het gebed is uitgedrukt.

Hoe nu best werken aan een vernieuwde en brede eucharistische spiritualiteit?  Welke pistes bieden daartoe de meeste kansen?

Het werken aan een vernieuwde en brede eucharistische spiritualiteit, waarin de communie niet het enige aandachtspunt is, maar het hoogtepunt van de geestelijke dynamiek die er aan vooraf gaat, veronderstelt een sterker besef van de weg die het E.G. ons eigenlijk doet doorlopen tijdens de eucharistieviering.
De beste weg daartoe zijn goede eucharistievieringen op bepaalde plaatsen, waarin mensen inderdaad iets kunnen proeven van wat het E.G. tot uitdrukking brengt: doorheen het danken en prijzen van God, in aansluiting met de verrezen Heer, bijeengebracht en opgebouwd worden tot zijn Lichaam.  Liturgische catechese is daarbij een noodzaak, in een klimaat waarin de religieuze kennis en opvoeding in de praktijk vaak verdwenen is.  En dat zowel voor de voorgangers, de medewerkers in de liturgie, als de gewone kerkgangers.
Daarnaast: aandacht voor de beleving van de zondag (gemeenschapsopbouw).
Geen keuze voor een veralgemening van woord-en communiediensten op zondag wanneer er geen eucharistieviering mogelijk is.  De vraag is namelijk of een langdurige praktijk van woord- en communiediensten de gewenste vernieuwing en verruiming van de eucharistische spiritualiteit niet eerder bemoeilijkt dan bevordert.

Als men als plaatselijke parochiegemeenschap toch op zondag wil samenkomen in plaats van naar een naburige plaats te gaan voor de eucharistie, dan is het nog niet vanzelfsprekend dat in zo’n gebedsviering de communie wordt uitgereikt.  De instructie Redemptionis Sacramentum pleit voor wijsheid in het uitdelen van de communie in zo’n vervangende gebedsvieringen. (nr. 164-166).

Het is belangrijk om in deze materie niet alleen de pastorale overwegingen te laten doorspelen, maar ook liturgische criteria aan te wenden (cf. artikel TvL).