| Start |
|
Ze keken voor zich uit
verder dan de aardse horizon.
En samen droegen ze een diep verlangen naar de nieuwe morgen.
In hun ogen leefde het verlangen om samen
hand in hand te leven
hun toekomst op te bouwen.
Ze legden hun hand in elkaar
en staken het meer over, samen op weg naar de overkant.
Met de hand over de schouder waren ze veilig en zeker.
Ze leefden in elkaars geborgenheid.
Maar in de verte ontdekte ze een schim, die op een mens geleek.
Ze kenden zijn naam niet
Hij noemde ziekte, ongeval, geweld
En in het voorbijgaan raakte de vreemdeling de geliefde aan
Heel eventjes maar
Hier raakten ze beiden los van elkaar.
Hun armen grepen nog naar elkaar, maar ook hun vingers konden elkaar niet meer
houden.
Rustig is de vreemde verder gegaan en de ruimte tussen de geliefden werd groter
en wijder.
Toen begrepen ze dat de vreemde man een naam had de dood
en de ruimte van het heengaan werd vervuld met een eindloos verlangen om elkaar
eens weer te zien.
Misschien herkennen we dit verhaal
We staan aan deze oever van het meer.
Jonge mensen, een gezin, een bejaarde vader of moeder
We weten dat er een overkant is, maar die lijkt zo ver.
En dan die fatale tijding, het resultaat van een doktersonderzoek, een verkeersongeval
of de gevreesde wending.
De dood is soms dichterbij dan wij durven vermoeden.
De geliefde ging in de boot
Een kus op het koude voorhoofd of een zachte streling door het haar.
Vaarwel en tot ziens.
En wij blijven op deze kant van de oever
Wij blijven achter met vele, vele herinneringen die wij in stilte bewaren.