Start

‘Waarom nog huwen?’

Hfst. 7 “ Huwelijkstrouw en persoonlijke vrijheid ” Herwig Arts, Davidsfonds 2002.

Na het belang te hebben onderlijnd dat het christendom hecht aan een vaste structuur in het liefdesleven, nog een woord over de deugd van de trouw. Voor de christen is trouw geen facultatieve morele kwaliteit, maar het wezen zelf van de liefde. Trouw is dus geen 'accident' of versiersel, maar de substantie of kern van wat mensen onder een liefdesrelatie verstaan.

Mensen hebben het geloof in God verloren, zo hoort men wel eens klagen. Veel duidelijker echter blijkt dat zij hun geloof in de mens - inclusief in zichzelf - verloren hebben. Steeds minder mensen geloven nog in de mogelijkheid van echtelijke trouw of duurzame liefde. Wie zich in onze dagen zou wagen aan een boek 'Over de waardigheid van de mens', zoals de humanist Pico della Mirandola tijdens de renaissance, zou waarschijnlijk op een hoongelach worden onthaald.

Predikanten hebben het reeds eeuwen bovenal over de mondigheid van de mens. Cineasten ontmaskeren steeds weer de menselijke schijnheiligheid en brutaliteit. Biologen leggen er de nadruk op dat de mens in vergelijking met het dier de enige soort is die zijn soortgenoten systematisch vermoordt en het hele leven op aarde bedreigt. De massamedia, ten slotte, overstelpen ons met berichten g"ver terrorisme, oorlog en politieke leugens.

De moderne mens is een expert geworden in het catalogeren van zijn eigen onheilsdaden tegenover de natuur en tegenover zijn medemens. De mens staat laag gequoteerd op de beurs van de waarden. Men kan zich moeilijk voorstellen dat de meeste dieren iets anders zouden voelen tegenover de mens dan wel een diepe vrees. De tragiek van dat alles ligt in het feit dat een mens uiteindelijk altijd begint te gelijken op het beeld dat hij van zichzelf in zich draagt. Hij wordt diegene die hij denkt te zijn. Een mens bouwt immers doorgaans zijn leven op in het kader van de mogelijkheden die hij zichzelf toeschrijft. Naar buiten toe schijnt hij zijn mogelijkheden meestal te overschatten. In zijn binnenste daarentegen onderschat de mens meestal zichzelf. Daarom is een mens dikwijls zo pessimistisch, zo agressief en zo jaloers. De meeste mensen raden niet eens tot welk een geluk zij in staat zouden zijn, mochten zij hun koers niet louter afstemmen op 'wat iedereen tegenwoordig doet'.

Vooral de westerse mens blijkt te lijden aan een soort collectief schuldgevoel over zijn recente verleden en aan een minderwaardigheidsgevoel betreffende zijn verdere toekomst. Sinds Spengler voorspellen steeds meer blanken de 'ondergang van het avondland'. Niets herhaalt de westerse mens zo graag als zijn defaitistische overtuiging dat vele 'zogenaamd primitieve culturen' in feite veel beschaafder zijn dan de zijne. Hij gelooft niet meer in zijn eigen toekomst, noch op collectief vlak noch inzake zijn persoonlijk geluk. Zich pessimistisch uitlaten over de mensheid in haar geheel is een statussymbool geworden van luciditeit en realisme. 'De intellectueel komt ons vertellen dat de krankzinnigen eigenlijk de enige normale mensen zijn, dat de vrijheid bestaat in het zuiver instinctieve, dat het leven eigenlijk zinloos is, dat alleen onze fantasieproducten authentiek zijn en dat het enige wat ons overblijft een aantal vraagtekens zijn op een onbeschreven blad papier.’

En toch blijft die moderne mens in het diepst van zijn hart dromen van een echt geluk en hunkeren naar een liefdesband die tegen de tijd is bestand. Hij zou zijn leven als mislukt beschouwen indien hij in die wens mocht falen. Naar buiten toe is hij volkomen pessimistisch, maar in zijn binnenste blijft hij wachten op een wonder. Zonder een fundamenteel geloof in de mogelijkheid van een duurzame liefde is elke relatie van meet af aan inderdaad 'hopeloos'. Men begint er beter niet aan, al ware het dan maar om nodeloze ontgoochelingen te vermijden.

De woorden trouwen en trouw hebben zoals bekend dezelfde stam. ook begrippen als liefde, verloving en belofte hebben een identieke etymologie. De belofte is de kern van de liefde. Hoe duidelijker die belofte werd geformuleerd en hoe explicieter ze juridisch werd vastgelegd en gestaafd, des te diepgaander blijkt die liefde. Gabriel Marcel heeft de menselijke vrijheid ooit omschreven als 'het vermogen om te beloven en om te bedriegen'. Beloven en bedriegen zijn dan ook de positieve en negatieve maatstaf van de echtheid van de liefde.

Wat moet men nu precies onder huwelijkstrouw verstaan? Welk soort trouw wordt er van christelijk gehuwden verwacht? Waarom iemand trouw blijven wanneer het hart spontaan reeds in een andere richting zoekt of gedeeltelijk iets beters gevonden meent te hebben? Kan morele trouw niet tot een schizofrene situatie leiden? Is morele trouw dan belangrijker dan existentieel geluk? In hoeverre is een wilskrachtig volhouden zinvol wanneer de hoop op een harmonie reeds definitief verloren is gegaan? Zijn principes dan belangrijker dan feiten? Ziedaar enkele vragen waarop wij hier willen ingaan. Vooraf onderzoeken wij ten eerste wat moderne christenen meestal onder 'trouw' verstaan, ten tweede wat men er zeker niet onder mag verstaan, en ten derde welke definitie men er in de klassieke christelijke traditie en spiritualiteit aan geeft.

Een recente enquête wees uit dat 45% van enkele duizenden ondervraagde katholieken de huwelijkstrouw begrijpt als de mogelijkheid voor echtgenoten om steeds op elkaar te kunnen rekenen'; 21,5% als 'de plicht om bij elkaar te blijven wat er ook gebeurt'; 19% als 'het blijven streven 'om elkaar meer en meer te beminnen'; en 12,5% als 'het verbod om de echtgenoot of echtgenote te bedriegen'. Verder vindt meer dan 50% van de groep beneden de 21 jaar en 43% van de leeftijdsgroep 21-35 jaar de plicht tot huwelijkstrouw,'moeilijk of zeer moeilijk'."

 Franse en Belgische sociologische enquêtes hebben bovendien uitgewezen dat ondanks het hedendaagse vlotte praten over echtbreuk, partnerruil, driehoeksverhoudingen of permissiviteit (bijvoorbeeld in de massamedia en in populaire ontspanningsliteratuur) verreweg de meeste mensen blijven hunkeren naar trouw, welke dan ook de precieze betekenis is die zij aan dat woord hechten. 1Youw in de liefde wordt door de absolute meerderheid van de ondervraagden als de voornaamste waarde in het huwelijksleven beschouwd. ontrouw wordt bovendien door de meerderheid naar voren geschoven als de meest valabele reden tot echtscheiding (veel meer bijvoorbeeld dan gebrek aan seksuele overeenstemming of gebrek aan inzet in het gezinsleven). Uit dat alles blijkt dat trouw de gehuwden zeer na aan het hart ligt en in onze dagen dus geenszins als streefdoel heeft afgedaan.

Drie misvattingen over het begrip trouw hebben die deugd nochtans bij vele mensen enigszins in diskrediet gebracht. Trouw wordt dikwijls begrepen als een soort economisch contract: Do ut des. ik geef mij aan u, op voorwaarde dat gij het beste van uzelf intussen niet aan iemand anders schenkt. Ik blijf slechts geven, zolang ook gij geeft. Van meet af aan is de liefde hier slechts voorwaardelijk en aan een aantal beperkingen gebonden. Het betreft hier dus een liefde die niet veel meer is dan een variante van een egocentrische bezitsdrang. Men bemint weliswaar, maar niet zonder een voorafgaand veilig stellen van een aantal elementen van eigenbelang. Zwakheden worden hier nauwelijks geduld of althans dadelijk afgestraft 'met gelijke munt'. Over een dergelijke relatie moet men dus zeggen wat men wel eens over een ketting zegt: ze is nooit sterker dan de zwakste van haar schakels.

Ten tweede wordt trouw dikwijls gereduceerd tot een louter fysieke of seksuele aangelegenheid, waarmee dan alles staat of valt.  Trouw wordt dan een beperking van alle seksuele contacten tot de persoon van de partner. Dat een mens niet op de eerste plaats een seksueel wezen is, en dat er ook zoiets bestaat als geestelijke contacten, die dikwijls veel dieper en belangrijker kunnen zijn dan lichamelijke aanrakingen, wordt hier dus over het hoofd gezien.

Ontrouw kan immers ook bestaan in het systematisch ontwijken van elk gesprek onder vier ogen met de partner of in het voortdurend van hem of haar afwezig blijven (bijvoorbeeld vanwege langgerekte beroepsbezigheden en de hieruit achteraf voortvloeiende overdadige nood aan ontspanning, sportactiviteiten, sociale verplichtingen of welke andere uitvluchten dan ook). Er kan immers ook sprake zijn van ontrouw wanneer er tijdens die litanie van 'noodzakelijke afwezigheden' geen enkel seksueel contact met derden mocht hebben plaatsgevonden. Vooral vele mannen beschouwen hun echtgenote in feite als een soort 'buitenverblijf of 'tweede woonplaats', waar zij zich periodiek terugtrekken voor zover de tijd, het werk, de fysieke conditie, de zorgen, de televisieprogramma's en vele andere 'noodzakelijke contacten' dat toelaten. De vrouw wordt dan in feite een plaats waar men even herademt en tot rust komt, maar die met de jaren buiten de actieradius en het immediate interesseveld van de man kwam te liggen. (Vanzelfsprekend treft men ook vrouwen aan die slechts periodiek naar hun buitenverblijf terugkeren.)

Wat verstaat men hier precies onder 'seksuele contacten met een derde'? ofwel beperkt men dat begrip tot de eigenlijke geslachtsdaad en datgene wat er onmiddellijk aan voorafgaat, ofwel beweert men met Freud dat de hele mens seksueel geladen is en dat bijgevolg elke vorm van afzonderlijk contact met een derde moet worden vermeden. in het eerste geval meet men de graad van intimiteit louter aan bepaalde biologische bewegingen of gedragingen, wat een simplificerende abstractie is. In het tweede geval is men zozeer behept met vrees voor brandgevaar dat men zelfs elk onooglijk lucifertje weert uit de vriendschapsrelaties van zijn partner. Wie trouw en ontrouw uitsluitend met een biologische maatstaf beoordeelt, zal hiermee nooit te weten komen wat ér in het hart van zijn partner leeft (of niet meer leeft). Hij doet denken aan iemand die de temperatuur in zijn tuin wil meten met een koortsthermometer. Uit zijn gedrag blijkt in ieder geval dat hij zijn partner als een louter seksueel object beschouwt waarvan hijzelf het exclusieve eigendomsrecht bezit.

Een derde misvatting bestaat hierin dat men trouw als een wezenlijk statische, defensieve en conservatieve deugd beschouwt. 'Trouw wordt dan een soort 'elektronische beveiligingsinstallatie' die erover moet waken dat niets van wat men met veel moeite in zijn bezit gekregen heeft door een buitenstaander zou worden gestolen. De partner wordt hier gezien als een soort fragiel museumstuk, dat men zo onaangeroerd mogelijk probeert te behouden en met dat doel voorzichtig verzorgt.

Trouw is echter veel meer dan het bestendigen van een status quo of het conserveren van een reeds bestaande kwaliteit. ‘Trouw is het dynamisch voortzetten van een samen begonnen proces. Beter gezegd: trouw is het aandurven van een geschiedenis vol onverwachte gebeurtenissen en onvoorziene wendingen. Een proces verloopt altijd volgens een enigszins voorspelbaar schema, terwijl een geschiedenis steeds uniek en daarom 'buitengewoon' is.

Een proces volgt bepaalde wetmatigheden, een geschiedenis daarentegen schept telkens nieuwe precedenten. Een proces evolueert gestadig, terwijl in een geschiedenis plotse en ogenschijnlijk toevallige sprongen afwisselen met lange periodes waarin 'niets vermeldenswaardigs' blijkt te gebeuren. Welnu, een huwelijksrelatie is altijd een love story vol verrassende peripetieën. Ze heeft niets van een biologisch of psychologisch proces.

Wat men op intellectueel gebied moet zeggen over"de plicht tot het blijven verder zoeken naar de waarheid (die immers niemand in pacht heeft), dat geldt ook voor de liefde. Trouw blijven aan de waarheid betekent niet het leerproces voor afgesloten verklaren, omdat men meent alles te weten, maar wel de tocht naar de waarheid onverminderd verder zetten, omdat men weet dat die alle menselijke inspanningen en verwachtingen zal blij - ven overstijgen. Zoals van de waarheid een magnetische aantrekkingskracht uitgaat op de menselijke geest, zo is de liefde een magnetische pool die fascinerend werkt op het menselijk hart.

Toch heeft trouw ook iets te maken met continuïteit. Een liefde is trouw wanneer ze een gelijkenis blijft vertonen met haar vertrekpunt, ongeveer zoals een schilderij uit een latere periode van een kunstenaar meestal onloochenbare gelijkenissen blijft vertonen met de eerste schetsen uit zijn beginperiode.

Waarin bestaat echter de kern van de christelijke trouw in het huwelijksleven?

'Trouw betekent de verbintenis op zich nemen dat men de begonnen relatie altijd zal laten primeren boven welke nieuwe mogelijkheden dan ook.Trouw zijn aan zi)n verbintenis betekent: nooit ophouden te geloven in de mogelijkheid van haar verdere groei en verdieping. Trouw zijn betekent niet dat men bij zijn partner blijft bij gebrek aan beter (ofschoon dat bij de aanvang misschien even zo leek), noch dat men zich gelaten neerlegt bij het onvermijdelijke (naar het spreekwoord: gedane zaken hebben geen keer). De trouwe mens blijft veeleer bij zijn partner - ook in ogenblikken van desolate ontmoediging - omdat hij in hem zoveel geïnvesteerd heeft, en omdat hij het beste van zichzelf voor hem heeft blootgelegd. De gelovige mens blijft bovendien bij zijn partner omdat hij aanneemt dat er uiteindelijk geen betere optie bestaat dan de persoon die God zelf voor hem bestemd heeft.

Ontrouw zijn betekent eigenlijk wanhopen aan zijn relatie. Het is de dialoog afbreken en zijn relatie prijsgeven aan immobilisme en geleidelijke slijtage, zoals men ervan afziet nog langer geld te investeren in zijn wagen wanneer men in stilte reeds droomt van een nieuwe. Betekent geestelijk leven iets anders dan 'uit zichzelf treden'? En betekent een christelijk huwelijk in dat perspectief iets anders dan definitief zijn intrek nemen in de andere?

, Volharden is dus een kwestie van vindingrijk en actief blijven. De natuur geeft hierin het voorbeeld. In leven blijven betekent zich blijven vernieuwen. Een levend organisme is een continu gebeuren waarin cellen steeds weer afgebroken, vervangen en vernieuwd worden. Wat in de natuur niet langer groeit, dat sterft. Darwins vaststelling in de biologische evolutie geldt ook in de liefdesrelatie: ofwel verder evolueren ofwel verdwijnen. Ofwel complexer worden door onvoorziene maar zinvolle mutaties, ofwel uitsterven.'Troostend is hierbij het reeds vermelde feit dat kiemen van ontluikende ontevredenheid altijd iemand nopen tot nieuwe creativiteit. De uitdaging is de noodzakelijke voorwaarde tot vooruitgang. 'Schoonheid veronderstelt altijd een dosis asymmetrie...

Het anderszijn is een creatieve provocatie. De liefde toont de vruchtbaarheid van het zich uitgedaagd voelen door de andere. Een probleem plaatst een mens altijd voor een alternatief: ofwel vernieuwen en verdiepen, ofwel wanhopen en berusten. Alleen waar alles reeds bereikt is, sterft het verdere verlangen. Het verlangen nu is de kern van de liefde.

Dat alles betekent geenszins dat een huwelijk maar geslaagd kan worden genoemd wanneer het dramatische conflicten wist te overwinnen. Het is aanlokkelijker de tragiek van een Romeo en Julia te verwoorden dan een echtpaar te bezingen dat in zachtheid oud geworden is (en dat nochtans doorgaans grotere problemen wist te overwinnen dan de meeste helden van onze filmen en feuilletons). 'De grootste eer van een man is één vrouw en de grootste eer van een vrouw is één man', schreef Romain Gary. Intussen blijft het moeilijker om een geslaagd toneelstuk te schrijven over twee gelukkige mensen dan om een tragikomedie uit te denken met een mallemolen van steeds wisselende en met elkaar interfererende acteurs.

De grote objectie tegen de trouw is vanzelfsprekend het steeds weer opgeëiste recht tot vrije zelfontplooiing en het ideaal van een zo groot mogelijke onafhankelijkheid. in zijn roman"De Steppewolf heeft Hermann Hesse de gevaarlijke eenzijdigheid van dat streefdoel ontmaskerd door te wijzen op sommige onvermijdelijke psychologische consequenties ervan.

'Hij [de steppewolf Harry] bereikte inderdaad zijn doel: hij werd nu alsmaar onafhankelijker. Niemand had hem nog een bevel te geven, met niemand diende hij nog rekening te houden. Hij alleen besliste nu over zijn doen en laten... Maar temidden van die bereikte vrijheid werd Harry nu plotseling gewaar dat zijn vrijheid eigenlijk een dood was, dat hij nu alleen stond, dat de hele wereld hem op een huiveringwekkende wijze met rust liet, dat de mensen hem niets meer aangingen, ja niet eens zijn eigen lot ging hen nog ter harte; maar in een steeds dunner wordende lucht van relatieloosheid en eenzaamheid werd hij nu bedreigd door een langzame verstikkingsdood... Het hielp nu niets meer dat hij vol verlangen en goede wil zijn armen begon uit te strekken naar binding en gemeenschap: men liet hem voortaan met rust en alleen.'

In zijn veel genoemde boek Parole d'Homme schrijft R. Garaudy dat een echte, trouwe huwelijksliefde vermoedelijk even weinig voorkomt als een genie van het slag van Shakespeare of Beethoven. Afgezien van het feit dat een dergelijk pessimisme wel meer voorkomt bij mensen wier eigen huwelijksleven geen onverdeeld succes was, overziet Garaudy nochtans het feit dat Shakespeare en Beethoven tot in onze dagen een onafgebroken rij van literaire en muzikale volgelingen en uitvoerders mogelijk gemaakt hebben. Wat die genieën in het leven riepen, blijft inderdaad nog steeds tot nieuwe producties aanleiding geven. Niet elk huwelijksleven hoeft een gloednieuwe creatie te zijn, zolang de 'uitvoering' ervan maar blijk geeft van een originele regie en van een inspirerende interpretatie. Wanneer men de kunst ooit gedefinieerd heeft als een poging om het vergankelijke te bestendigen of om een blijvend karakter te geven aan een voorbijgaande inspiratie, dan is echte huwelijksliefde inderdaad een kunst. Zelfs een kunst waarvan het ultieme slagen door God zelf gegarandeerd is, indien dat huwelijk althans iemands roeping was.

Nu zal men opwerpen dat huwelijkstrouw op zich weliswaar een edel streefdoel is, maar dat de poging om te allen prijze een huwelijk in stand te houden wanneer de kern hopeloos verziekt werd, nogal zinloos lijkt. Wanneer men trouw de kern van de liefde genoemd heeft, wat dan te doen zodra er van liefde helemaal geen sprake meer is? Waarom een dode struik hardnekkig blijven begieten en verzorgen?

Naast de huwelijksrelatie bestaan er heel wat andersoortige persoonlijke vriendschapsbanden, die alle gebaseerd zijn op een duidelijke wederzijdse preferentie en keuze en die voor belde partners een affectieve voldoening betekenen. Drie factoren zijn in elke vriendschap wezenlijk: een - toevallige of providentiële - ontmoeting, een bewuste keuze of voorkeur en een trouwe band in goede en kwade dagen. Meer nog dan vele andere menselijke initiatieven zijn persoonlijke vriendschapsrelaties echter broos en kwetsbaar. Vele van die relaties ebben vroeg of laat weg wegens de menselijke wispelturigheid en frivole exploratiedrang naar het steeds nieuwe en andere. in het evangelie lezen wij niet dat menselijke relaties per se onscheidbaar zouden zijn of moeten zijn. Het enige wat men volgens het woord van Christus nooit mag (of kan) scheiden, is 'wat God verbonden heeft'. Nu is het zeer de vraag of al wat mensen elkaar op dat stuk in een vlaag van acute verliefdheid of passie beloofden en meteen in een juridisch huwelijkscontract vastlegden, ipso facto ook 'door God verbonden' mag heten. Zou God een bindende kracht en sacramentele genade verlenen aan onvolwassen en lichtzinnige menselijke beslissingen? Kunnen wij er werkelijk zeker van zijn dat al wat men een juridisch legitiem huwelijk noemt op een onherroepelijke wijze door God zelf samengeroepen en verbonden mag heten? Zeker, er zijn democratische landen waar men elke ministeriële beslissing" een 'koninklijk besluit' noemt (zelfs wanneer die koning helemaal geen initiatief nam in die richting of wanneer hij zelfs persoonlijk helemaal anders dacht). Gods almacht reikt echter verder dan de macht van een constitutionele monarch.

De Zwitserse mysticus en theoloog Maurice Zundel schrijft behoedzaam:'Er bestaan niettemin echtparen die hun liefdesroeping waarmaken tot op het punt waar deze de naam van sacrament verdient.  Anders geformuleerd: maar er zijn helaas vele echtparen die hierin helemaal niet slagen en waar men dus volgens hem niet over een sacrament of onuitwisbaar merkteken kan spreken.

Om over een christelijk huwelijkssacrament in de volle zin van dat woord te kunnen spreken, is wellicht toch nog iets meer nodig dan een officieel jawoord, de handtekening van twee getuigen, de zegen van een priester en het invullen van een huwelijksregister. Het huwelijkssacrament is - om met Karl Barth te spreken -'een roeping, een genade Gods en daarom Zijn Mysterie'. Van dat sacrament zegt men terecht dat het onherroepelijk is, 'want God kent geen berouw over zijn genadegaven noch over zijn roeping' (Rom. 2, 29). Mensen kunnen 'hun ambt wel neerleggen', maar daarmee maken zij hun roeping nog niet ongedaan (als die er tenminste ooit geweest is). Niet eens de Kerk kan een goddelijke roeping ongedaan maken, laat staan tegenspreken, al is die Kerk wel een van de wegen waarlangs God zijn roeping aan mensen soms duidelijk maakt. immers: 'Wie U hoort, hoort Mij' (Lc. 10: 16).

Het staat dan ook onomstootbaar vast dat wat God verbonden heeft, door geen mens ooit kan of mag worden gescheiden. Maar God verbindt lang niet alles wat mensen Hem met veel feestelijk vertoon op lichtzinnige wijze komen voorleggen.

Met die restrictie voor ogen keren wij nu terug tot onze vraag: waarom trouw blijven aan een relatie die zowel liefdeloos als hopeloos is geworden? Allereerst moet men natuurlijk een onderscheid maken tussen trouw aan een goddelijk gebod en trouw aan een menselijk streefdoel. waar het vaststaat dat iemand door God geroepen werd tot een welbepaalde levensstaat (priesterschap, kloostergeloften of huwelijk) daar bestaat voor die mens geen andere of betere weg naar zijn uiteindelijke geluk dan die welke hij in geloof eens ingeslagen is. Hier geldt het woord van Christus:'Wie de hand aan de ploeg slaat, kijke niet om' (Lc. 9:62).

Om te weten of het inderdaad 'vaststaat' dat hij hiertoe geroepen werd, beschikt de mens in laatste instantie slechts over zijn eigen eerlijk geweten, al kan het woord van een raadgever, een vriend of een priester hierin soms wel wat meer klaarheid brengen.

Wetenschappelijke bewijzen of absolute zekerheid bestaat echter in deze materie nooit (zoals overigens in geen enkele menselijke relatie). Vandaar dat uiterste omzichtigheid hier altijd geboden is: 'On ne badine pas avec l'amour', om met de Musset te spreken. Overhaaste beslissingen zijn hier altijd uit den boze, omdat liefde geen spelletje is. Liefde is veeleer de kern zelf van het christelijke leven.

Waar het voor iemand in geweten helemaal niet vaststaat of de roepingssituatie waarin hij terechtgekomen is wel degelijk in geloof en vrijheid aangevat werd - hoe klein en onvolmaakt dat geloof en die vrijheid ook geweest mogen zijn - daar moet die mens letterlijk alles in het werk stellen om te volharden in wat hijzelf - zij het dan misschien op enigszins voorbarige wijze - ooit begonnen is.  Trouw ligt immers, zoals reeds vermeld, in het wezen zelf van de vriendschap. Zonder van meet af aan de evidentie van trouw in een menselijke verhouding in te bouwen, kan men zelfs niet spreken van een vriendschapsband, laat staan van een huwelijk. De reden hiervoor is eenvoudig. Wie van een mens houdt, accepteert die mens in zijn geheel. Hij aanvaardt het verleden waaruit die mens gegroeid is en dat hem gemaakt heeft tot de persoonlijkheid die hij nu geworden is, met zijn littekens, kwaliteiten, dromen en eventuele frustraties. Bovendien maakt hij ook aanspraak en neemt hij een optie op de toekomst van die mens. Een mens is immers geen eendagsvlieg, maar een wezen met een verleden en een toekomst. Meer nog: met een providentieel verleden en een oneindige toekomst.

Ofschoon het aanvaarden en beminnen van de hele mens met zijn verleden en met zijn toekomst (en dus niet alleen met de aantrekkelijke kwaliteiten die hij nu tentoonspreidt) wezenlijk is voor elke vriendschapsverhouding, is dat in de huwelijksrelatie op een heel bijzondere wijze het geval. Het huwelijk heeft immers diepgaande gevolgen voor derden, bijvoorbeeld voor kinderen, maar ook voor ouders en verwanten.

Bovendien krijgt het door zijn publieke juridische vormgeving zelfs een uitgesproken maatschappelijk karakter.

Het huwelijk is een eenheid tussen twee mensen die zowel hun voorbije herinneringen als hun diepste toekomstverwachtingen tegenover elkaar uitspraken en op elkaar afstemden. De aldus ontstane huwelijksband zal zich verder verdiepen vanuit die gemeenschappelijk gemaakte herinneringen en gedeelde verwachtingen. De rijkdom en de diversiteit van die herinneringen en van die toekomstdromen bepalen trouwens de diepte van de huwelijksband.

Abstractie maken van de toekomst, onder het motto: 'Wij blijven bij elkaar zolang dat psychologisch mogelijk blijkt' of erger nog 'zolang wij zelf er iets aan hebben', is dus de kern zelf van het huwelijk ondermijnen.

In zijn studie 'Rouw en Melancholie' wijst Freud erop dat het lijden en de pijn die men in het verleden meegemaakt heeft, moet worden onthouden en vooral uitgesproken, zoniet blijven die negatieve ervaringen een mens op onbewuste en ongezonde wijze afremmen in zijn verder doen en laten. Hetzelfde geldt ook voor iemands toekomstverwachtingen en levensidealen. ofwel spreekt de mens datgene wat hij hoopt en nastreeft duidelijk uit, en dan wordt dat alles tot een gemeenschappelijk toekomstperspectief met de partner, ofwel blijven die zaken op een heimelijke wijze in zijn binnenste gisten, en dan glijden ze langzaam af naar de vergaarbak van het onbewuste. Zoals elke echte vriendschapsband, zo omvat dus ook het huwelijk de hele mens met zijn verleden, zijn heden en vooral zijn toekomst. Men trouwt dus met de hele mens en niet alleen met zijn huidige verschijningsvorm of tegenwoordige stand-van-zaken.

'Tussen beide partners bestaat er in het huwelijk een soort geestelijke porositeit inzake verleden en toekomst. Wie een kei uit een bergriviertje neemt en stukslaat op een rots, zal merken dat de steen binnenin poederdroog gebleven is, ondanks zijn vele jaren in het water van de bedding. Wanneer men het hart van de echt gehuwde mens echter kon openen, dan zou men vaststellen hoezeer dat hart doordrongen is van de andere (alleen ongelukkige, gesloten harten blijven immers 'keihard' en daarom ook poederdroog).

Om het te zeggen met de woorden van psychiater en dichteres M. Vasalis:

In de oudste lagen van mijn ziel,
waar zij van stenen is gemaakt,
bloeit als een gaaf, ontkleurd fossiel de stenen bloem van uw gelaat.
Ik kan mij niet van u bevrijden, er bloeit niets in mijn steen dan gij.

En de dichteres gaat verder:
Er zijn dingen die alleen het oppervlak beroeren,
daaronder blijft de ziel gelijk en blinkt ...
Maar er zijn soorten van verdriet, die iets veranderen aan het lied.
Men wordt bespannen met heel andere snaren en wie dit niet ervoer,
die weet het niet.

Na te hebben gewezen op de noodzaak van een omlijnde structuur en op het belang van de blijvende trouw in de huwelijksrelatie, ten slotte nog een woord over het huwelijk als een tegelijkertijd gesloten en open gemeenschap', in de betekenis die Bergson gaf aan die begrippen in zijn boek Les deux Sourees de la Morale et de la Religion.

Bergson toont daarin aan dat elke gemeenschap of sociale structuur uit twee verschillende bronnen moet putten, indien ze althans in leven wil blijven. (Al stelt hij dadelijk vast dat het water uit de tweede bron veel edeler en leven-wekkender is.) Die twee bronnen van sociaal leven zijn voor hem ten eerste een element van stabiele of statische vormgeving en ten tweede een element van creatieve inspiratie. Zo heeft men in de Kerk altijd een groep min of meer trouwe ambtsdragers gehad, die zorgden voor een vlotte en nuchtere gang van zaken, naast een groep van meer profetische persoonlijkheden, die ieder op zijn manier aan het geheel geregeld een nieuwe Schwung gaven, maar die zich eigenlijk weinig inlieten met de verdere organisatie van de Kerk. Naast een structuur en kader heeft elke gemeenschap volgens Bergson ook nood aan een creatieve bron van inspiratie. Wanneer het eerste element ontbreekt, ontaardt het tweede element al dadelijk tot een strovuur. Waar echter de tweede factor uitvalt, daar krijgt men verzuiling of geestelijke sclerose.

Systeembouwers zweren altijd bij het eerste element; romantici daarentegen houden het exclusief bij het tweede.

Wat Bergson zegt over cultuurgemeenschappen en religieuze groepen of Kerken geldt ons inziens ook voor elke huwelijksgemeenschap. Elke groep (volksstam, Kerk, partij, kloosterorde, huwelijk ... ) houdt zich allereerst aan een aantal vastgelegde normen of statische gedragspatronen. In het ene land rijdt men bijvoorbeeld rechts, in het andere daarentegen links. Het betreft hier dus geen diepzinnige waarden, maar veeleer praktische schikkingen zonder welke elk menselijk verkeer onmogelijk zou worden. Elke gemeenschap beschouwt inderdaad bepaalde gewoonten, praktijken, instellingen en zelfs ideeën als vanzelfsprekend.

In de gewone dagelijkse omstandigheden schikken mensen zich naar die normen, zonder het waarom ervan steeds weer kritisch te gaan onderzoeken. Zij beseffen immers dat elk samenleven onmogelijk wordt, wanneer iedere beslissing persoonlijk doordacht en verantwoord zou moeten worden.

Wij schikken ons in het dagelijkse leven doorgaans naar de heersende en afgesproken gewoonten, zonder voortdurend de vraag naar de zin van dat alles na te pluizen.

Wij beseffen dat die gebruiken niet toevallig zijn ontstaan en daarom ook niet zinloos mogen worden genoemd. Bergson spreekt in dat verband van een 'gesloten gemeenschap' omdat dergelijke gewoonten, structuren en instellingen een statisch, vastleggend, beveiligend en daarom onveranderlijk karakter hebben. De gesloten gemeenschap of de statische structuur verdedigt het individu tegen de plicht van de constante improvisatie en onafgebroken creativiteit. Van de gewone burger verwacht men inderdaad geen nieuwe initiatieven inzake verkeersregeling, belastingbetaling of straatverlichting.

De Kerk en vooral het burgerlijk gezelschapsleven hebben het huwelijk in het verleden wel eens afgesloten van elke drang naar vernieuwing en inspiratie, om er een zo veilig en stabiel mogelijke structuur van te maken. Men achtte het veiliger aan jonge huwelijkspartners niet alleen op gedetailleerde wijze voor te schrijven hoe zij zich moesten gedragen en hoe niet, maar zelfs wat ze mochten voelen of denken en wat niet. Om zogenaamde ongelukken te vermijden, werd het hele leven meteen in zo vast mogelijke banen geleid.

Daarom is de begrijpelijke reactie van vele jongeren tegen een dergelijke statische en gesloten huwelijksmoraal soms zo hevig geworden, dat zij het belang van praktische conventies en sociale normen totaal gingen negeren. Omdat de weegschaal te lang overhelde naar het statische karakter van het huwelijksleven, is de balans nu weer overgeslagen naar het element van vernieuwing en verandering. De conservatieve tendens die in het verleden heerste, heeft tegenwoordig de rijkdom en het belang van de traditie in diskrediet gebracht.

In verschillende opzichten zijn heersende normen en stabiele afspraken echter wezenlijk voor een huwelijksgemeenschap. Tussen echtgenoten groeit bijvoorbeeld al vlug een aantal gewoonten. Denk aan taakverdeling, uur van respectievelijke thuiskomst, familiale levensstijl, opvoeding van kinderen en beheer van de financiën. De plooien die men in die dingen aanneemt, zijn een belangrijke factor voor de verdere ontwikkeling van het huwelijksleven. Bovendien leeft elk echtpaar altijd binnen een ruimere sociale context of cultureel milieu. Dat geldt zowel voor bijvoorbeeld het zogenaamde 'non-conformistische punkkoppel' (dat zich grondig schikt naar de heersende conventies van de punkcultuur, tot en met een welbepaalde haartaal, klederdracht en piercings) als voor het meer klassieke echtpaar uit de gegoede bourgeoisie.

In steeds meer gevallen komt het huwelijk tegenwoordig echter tot stand tussen partners uit twee onderling sterk verschillende milieus en zelfs uit verschillende rassen.

Dat nieuwe fenomeen kan weliswaar een verrijkend effect hebben, zij het dan niet zonder bijkomende problemen inzake aanpassing, onderlinge afspraken en wederzijdse plicht tot sociale integratie in een enigszins nieuwe omgeving. Elke sociale klasse, elke taalgemeenschap, elke streek, elke religieuze groepering of Kerk heeft immers bepaalde normen en praktijken waarvan de leden zich niet zonder meer kunnen desolidariseren, indien zij althans niet uitgesloten of geïsoleerd willen geraken. Vooral wanneer de eerste jaren van onderlinge aanpassing aan elkaar afgelopen zijn, wordt de relatie die men ontwikkelt tot het ruimere societyleven of het sociale kader waarin men zijn vrienden zoekt van heel groot belang.

Nu heeft elke gemeenschap iets totalitairs in zich. Iedere maatschappij (Kerk, sociale klasse of familie) staat inderdaad van nature huiverig tegenover al te veel nieuwe initiatieven, ongewone gedragswijzen en onconventionele praktijken. Xenofobie is een diep ingeworteld instinct zowel in diersoorten als in menselijke groeperingen. (Die drift van xenofobe intolerantie wordt zelfs des te sterker naarmate de groep meer twijfels in zich voelt nopens haar reële superioriteit. Met andere woorden, radicale intolerantie is altijd een gevolg van inwendige onzekerheid. Niets maakt een mens zo agressief als angst.)

Vroeg of laat verzet ieder mens zich - en daarom ook ieder paar dat in 'eenklank' leeft - tegen de soms wurgende greep van de grotere gemeenschap op de eigen vrijheid en op het recht van 'anders zijn'. Men aanvaardt niet langer de publieke opinie als laatste censor van het eigen doen en laten.

Het persoonlijke geweten treedt in de plaats. Dat laatste maakt natuurlijk niet zonder meer abstractie van de maatschappij waarin men leeft, maar het beschouwt de heersende normen en gewoonten als slechts een van de diverse factoren - zij het dan lang niet meer de voornaamste - waarmee de gehuwde mens rekening dient te houden.

Dergelijke crisissen of botsingen met de gemeenschap waarbinnen men leeft, komen vanzelfsprekend niet alleen voor in een huwelijksrelatie. Ook op artistiek, religieus, politiek of wetenschappelijk gebied ontdekken mensen soms plots iets nieuws, waardoor zij hun aanvankelijke inzichten wijzigen en hun oorspronkelijke koers rectificeren. Men relativeert, ontgroeit en overstijgt dan de conventies van het eigen milieu, zonder die nochtans klakkeloos overboord te werpen. Men gaat op zoek naar nieuwe inspirerende normen en naar een persoonlijke levensstijl. De bron die aan de basis ligt van een dergelijk vernieuwd inzicht in de huwelijksrelatie kan van veelvoudige aard zijn. Men ontmoet andere echtparen of ziet ze aan het werk; men leest een boek, men ziet een film of men luistert naar het woord van een vriend of raadgever. Hoe dan ook: men schikt zich niet langer zonder meer naar bestaande conventies en heersende gewoonten, maar men wordt geboeid door een nieuw inspirerend model. Dat laatste wordt echter niet zonder meer nagebootst of 'ingeslikt', het wordt veeleer op originele wijze in de persoonlijke huwelijks - roeping ingebouwd.

Het huwelijksideaal wordt bijgevolg niet langer gezien als het onkreukbaar bewaren van een aantal waarden die men ooit meekreeg of waarin men opgroeide. Het wordt nu veeleer begrepen als een persoonlijke levensdroom die geïnspireerd werd door een aantal concrete voorbeelden en die gedragen blijft door het besef van een eigen unieke roeping. Wat Bergson schreef over de 'open godsdienst', die zich dus niet beperkt tot het onderhouden van een aantal religieuze riten en het in acht nemen van een aantal morele geboden en verboden, maar die gegroeid is uit het inspirerende voorbeeld van een aantal markante persoonlijkheden en mystici, geldt op analoge wijze voor het 'open huwelijk'.

Met 'open huwelijk' wordt hier vanzelfsprekend niet bedoeld wat de beruchte psycholoog O'Neill hieronder verstond. Voor hem is een 'open huwelijk' immers 'een zelfstandig leven van beide partners, vrijheid voor elk afzonderlijk en een niet uitsluitend op elkaar gericht zijn. Voor Bergson daarentegen betekent een 'open huwelijk' een gezinsleven dat niet van meet af aan vast gekluisterd ligt aan de in een bepaalde maatschappij heersende gewoonten en stereotiepe gedragspatronen, maar dat openstaat voor verdere ontwikkelingen vanuit een enthousiasmerende inspiratie en vanuit sommige geslaagde voorbeelden.

Bergson besluit zijn beschrijving van de twee noodzakelijke bronnen van de moraal als volgt:'Indien de maatschappij voor iemand alles begint te betekenen, dan wordt zij in feite het supreme gezag. indien zij echter één van de determinanten van iemands leven blijft, dan merkt men dat uit het leven zelf, in elk stadium van de evolutie der mensheid, nieuwe impulsen uitgaan voor sommige geprivilegieerde persoonlijkheden. Deze laatsten putten uit de nieuwe impulsen verse kracht om de maatschappij verder te doen evolueren... Alles blijft obscuur wanneer men zich beperkt tot het onderhouden van sociale mechanismen, maar alles klaart helemaal op, indien men naast en boven die noodzakelijke mechanismen vooral aan het leven zelf een kans blijft geven.

Dat 'leven zelf' heeft voor de christen een concrete naam: het is de nieuwe kracht die in de wereld komt met de Persoon van Jezus Christus.

Het is Gods genade, welke ieder mens die zich geroepen weet door God vroeg of laat te beurt valt. Een 'open huwelijk' is daarom voor de christen een huwelijk dat vatbaar blijft voor groei, ontwikkeling, verandering en ver  dieping. Bovendien is een christelijk huwelijk ook in die zin open dat de noodzakelijke intimiteit naar binnen toe nooit de gastvrijheid voor derden naar buiten toe in de weg hoeft te staan. Al bestaat dan voor het juiste evenwicht tussen die twee waarden geen pasklaar recept. Niet alle echtparen zijn tot een even grote openheid naar buiten toe in staat zonder daardoor hun eigen intimiteit schade te berokkenen. De christen vermijdt echter eenzijdige opties en excessen. Enerzijds verwerpt hij het erkende burgerlijke adagium van de angstige veiligheid: 'Pour vivre heureux vivons cachés.'Anderzijds laat hij zijn huwelijksintimiteit niet verwateren door van zijn huiskring een soort psychologisch opvangcentrum of geestelijke jachthaven te maken, waar om het even welk plezierbootje kan komen aanleggen voor een kortstondig avontuur zonder verdere consequenties.

De slogan 'Nodig een eenzame uit' mag derhalve geen dekmantel worden om het stilgevallen gesprek tussen de echtgenoten zelf te verdoezelen of af te leiden. De geregelde inbreng van vrienden, gasten en zelfs 'eenzamen' kan in veel gevallen immers een echte bevruchting betekenen. Een ononderbroken stroom van 'derden' kan echter ook ontaarden in een voorwendsel om niet langer aan de uitbouw van de eigen relatie te moeten werken. Wat men als paar aan derden geeft, kan maar vruchtbaar en waardevol blijven, zolang het enigszins gevoed wordt door wat men getweeën beleeft. Misschien is niets in onze dagen zo kostbaar en belangrijk voor die derden als het getuigenis van een eenvoudig huwelijksgeluk. Het woord van Weremeus Buning is inderdaad wellicht meer dan ooit waar:

Zij zijn niet velen Heer, die zo te zamen
wisten te dragen de vlam van hun aards lijf.
Zij zijn niet velen Heer, herinner U de namen.
Zij wisten saam den weg tot uw beschenen boven;
Daar zeide hun de stem, die gij aan d' inqang stelt:
Leer bier beseffen boe de wijsheid welt
Uit aardse lust tot alle lust daarboven.