Start

Waarom water niet wil branden

Het was om de vingers bij af te likken: een symposium over God in de 21e eeuw. Op het programma veelbelovende titels als 'een getuigenis van hoop' en 'geloven in de toekomst'. Trekker was natuurlijk 'het pastoraat op nieuwe wijze uitgedacht' door de secretaris-generaal van de bisschoppenconferentie, prof.dr. Piet Stevens. Zou het dan eindelijk komen, een visie op de toekomst van de Kerk in Nederland?

Jan Peeters

Als aftrap voor de opening van de 'week van vuur' organiseerde het bisdom Roermond met het Comité 2000 een symposium over God in de 21e eeuw. De aangekondigde lezingen beloofden heel wat. De hoop vervloog echter al snel, daarginds in kasteel Hoensbroek. Want hoe de ambiance ook haar best deed, het Pinkstervuur wilde maar niet ontvlammen. Het wilde nog niet smeulen. Het getuigenis van hoop, door de Waalse hoogleraar dogmatiek prof.dr. A. Gesché, kwam niet erg uit de verf. De spreker was helaas verhinderd door ernstige gezondheidsproblemen en werd vervangen door prof.dr. Johan van der Vloet, directeur van de Roermondse Katechistenopleiding Kairos. Deze opleiding vierde tegelijk met het symposium haar vijfjarig bestaan.

Het gedachtegoed van Gesché was door zijn landgenoot Van der Vloet bewerkt en bleek niet zozeer een getuigenis van de hoop. Het ging over de hoop. Hij sprak over de mens die tijdens zijn leven op weg is naar zijn eeuwige bestemming. Op die weg wordt de mens getroffen door de "fataliteiten" van de dood, de geschiedenis en de zonde. Vooral de hedendaagse mens, die dag in dag uit wordt ondergedompeld in de onaflatende stroom van ellende van de mensengemeenschap, ervaart dit als een loden last, zegt Gesché. Maar uiteindelijk is er de bestemming van heil, de belofte "die gedragen wordt door de man aan het kruis die er met zijn leven garant voor is gaan staan". Hij heeft het "knechtschap van het kwaad" weggenomen. Omdat mensen als Paulus, Augustinus, Luther en Pascal dit als bevrijdend hebben ervaren, zegt Gesché, is "het ultieme godsbewijs de mens". Hij stelt voor om "in de diepste aspiraties van de mens te geloven".

Bestemming

De uitwerking van deze gedachten strandde uiteindelijk in vaagheid. Steeds meer werd het de taal van de theoloog die niet zozeer zelf homo viator - 'mens onderweg' - is, maar van een ambtenaar die vanuit de berm de gedragingen van de verkeersstroom observeert en in wiskundige formules probeert te vangen.

Dat is jammer omdat de diepste aspiraties van de mens natuurlijk niets anders zijn dan het verlangen in gemeenschap te zijn met God. Hoe meer de mens aan zijn beeld en gelijkenis van God zijn beantwoordt, hoe sterker hij als Godsbewijs wordt. Christus, als de nieuwe Adam, wacht in zekere zin op de mens tot deze vlees van zijn vlees en been van zijn gebeente wordt. Aldus wordt de mens voor zijn omgeving steeds herkenbaarder als teken van hoop.

Het zijn wellicht niet zozeer de genoemde 'fataliteiten' die de mens het zicht op God benemen, maar het onvermogen te geloven een alter Christus te kunnen zijn. Waar men bij de eerste op weg naar de heilsbestemming zou kunnen blijven steken in een zekere overzichtelijke berusting in eigen zwakheid, leidt de tweede onherroepelijk tot een onvoorwaardelijke overgave aan het 'Ongewisse'. Niet de eigen onvolkomenheid is onverdraaglijk, maar de schuld die ontstaat door de liefde van God die mateloos werd en alleen met een volmaakt 'amen' voldaan kan worden.

Getuigen van een hiernamaals is niet zo opzienbarend, maar getuigen dat de hoop gelegen is in het overgeven van de persoonlijke autonomie aan Christus, da's andere koek.

Geloven in de toekomst

De voordracht van Maria Martens als voorzitter van het bisschoppelijk comité 2000 bracht niet veel nieuws onder de zon. Als voorzitter van een comité dat vooral inventariseert wat er zoal in het land gebeurt, heeft zij de ietwat genante taak feitelijk te pronken met andermans veren. Het comité organiseert immers niet, maar inventariseert en coördineert zonodig. "We hoeven over de resultaten niet ontevreden te zijn: er gebeuren dingen."

Toekomst van het pastoraat

Een flinke teleurstelling was evenwel de inleiding van prof.dr. Stevens over 'het pastoraat op een nieuwe wijze uitgedacht'. Iemand bleek de secretaris-generaal van de bisschoppenconferentie niet helemaal goed te hebben verstaan: het woordje 'uitgedacht' had 'uitgedaagd' moeten zijn. Vreemd genoeg was de ondertitel 'gedachten over toekomstig kerkelijk leiderschap' dezelfde gebleven.

Uitgangspunt was de vraag hoe het pastoraat moet inspelen op de situatie waarin de Kerk in Nederland zich nu bevindt om de weg naar de toekomst te maken. Hoewel de secretaris-generaal allerminst pretendeerde volledig te zijn, vertoonde zijn verhaal wel heel forse hiaten. Het meest opvallende was het ontbreken van een heldere doelstelling. Wie spreekt over de toekomst van het pastoraat in deze barre tijden, komt onvermijdelijk te spreken over consolidatie, over het veiligstellen van het 'kapitaal' dat nodig is om überhaupt pastoraat te kunnen uitoefenen. Stevens deed het niet.

Analyse

De secretaris-generaal van de bisschoppenconferentie is vooral geraakt door het "verschijnsel dat de Kerk niet meer relevant zou zijn voor antwoorden op grote levensvragen". Hij meent dat steeds meer mensen er zo over denken terwijl "we een zending hebben die juist wel het hele leven diepte en genezing biedt". Stevens constateert dit tegen de achtergrond van een samenleving waarin velen verdrinken in het teveel aan kansen en mogelijkheden ofwel helemaal geen kansen meer hebben. "Zwaarmoedigheid was vroeger het lijden van een elite, in onze dagen het lijden van de gewone mens. Mensen leven overwegend in de sfeer van de maakbaarheid van het leven, typisch voor het vooruitgangsgeloof. Bij ziekten of tegenslagen is de spontane reactie 'daar moet toch iets aan te doen zijn'. Mensen zijn geestelijk minder weerbaar en niet gewend aan het feit dat sommige zaken niet te veranderen zijn."

Daar staat volgens hem tegenover dat mensen de laatste jaren meer open staan voor religieuze riten en symbolen die men zelf creëert, zoals de 'stille tochten' naar aanleiding van zinloos geweld of rampen. Volgens Stevens is secularisatie "niet het kwijtraken van godsgeloof en religie, maar het afstand nemen van religieuze organisaties zoals de kerken. De term secularisatie betekent feitelijk kerkvervreemding."

Ook constateert Stevens een algehele "bestaansangst". "Het is de grote contradictie: mensen willen vrij zijn maar worden feitelijk vaak door angst beheerst. Zij stellen zich te weer. Agressiviteit is sterk toegenomen. Er is een enorme onzekerheid. Mensen vertrouwen elkaar steeds minder."

Je kunt het!

Om de mensen die aan de Kerk geen boodschap meer hebben toch aan te kunnen spreken, moet de Kerk niet enkel normatief spreken, vindt Stevens. Het gaat om de vraag hoe zij de bevrijdende boodschap kunnen bemiddelen aan de mensen van vandaag. De Kerk moet mensen niet meer zeggen dat ze verkeerd bezig zijn, maar juist aanmoedigen in de trant van 'Je kunt het!'.

Om dat te bereiken neemt Stevens de 'pedagogie van de weg' over van mgr. Van Luyn, bisschop van Rotterdam, ontleend aan het Emmausverhaal. (Mgr. A. v. Luyn, Modern en devoot. Geloven in de Randstad, Baarn 1999, blz. 18-23, besproken in KN 37, 11 juni 1999) Het gaat om een individuele benadering van luisteren, samen optrekken en dialoog.

Waar de mensen naar toe moeten, stelt Stevens, is de weg naar de innerlijke vrijheid. Ofschoon hij daar volkomen gelijk in heeft, en daarmee de draad oppakte die Van der Vloet had laten liggen, ging dat wel via een enorme omweg. Stevens was er voor wezen shoppen bij de Zwitserse theoloog Maurice Zundel (1897-1975). Het resultaat was zo'n specifiek en ingewikkeld verhaal dat je je bijna af begon te vragen wat er toch mis is met het evangelie dat hetzelfde in veel eenvoudiger termen zegt.

De pot en de ketel

Prof.dr. Stevens' betoog bevatte vele behartenswaardige dingen en kon per definitie alleen maar een greep zijn uit de vele complexe facetten van deze tijd. Het treffendst was zijn constatering van de algehele bestaansangst. De vraag rijst of de houding van de Kerk naar buiten toe niet meer moet zijn dan luisteren, mee optrekken en dialoog aangaan. Maar wie lijdt aan existentiële angst wordt heus niet aangetrokken door een club met een luisterend oor waar je altijd even goeie vrienden bent. Dat biedt niet de geborgenheid of houvast die zo node wordt gemist.

Uiteraard gaat er evenmin aantrekkingskracht uit van een Kerk die het imago heeft van zielloze regeltjes en wetten. Maar is dat niet wat rest als men de ziel uit de Kerk trekt? De door Stevens geopperde vertaling van secularisatie als kerkvervreemding is misschien wel heel raak. Maar dan wel in de zin dat de Kerk(en) zelf vervreemd zijn geraakt van God, doordat God uit de harten van de mensen is verdwenen.

Die godsvervreemding wordt al kort na de oorlog geconstateerd en in 1950 gepubliceerd in het boekje Onrust in de zielzorg, dat de massale geloofsafval voorspelde die nog geen twee decennia later zou inzetten.

Wie kijkt naar de tientallen jaren aanhoudend aarzelende houding van de kerkelijke leiding, ontkomt niet aan de indruk dat de godsvervreemding tot in de hoogste regionen van de Kerk is doorgedrongen. Tegenover de bestaansangst van de samenleving lijkt een angst te staan om te besturen en te getuigen. Niet zozeer individueel, maar als organisatie.

Aantrekkingskracht van de angst

De organisatie Kerk is overduidelijk zelf bang. Haar wordt van links tot rechts verweten kool-en-geit te sparen. Die houding vloeit niet alléén voort uit bezorgdheid om mensen te verliezen: men is bang dat intern het zaakje implodeert en probeert daarom structureel bonje te vermijden.

Dat levert onder meer de volstrekt onbegrijpelijke situatie op dat de bisschoppen zich zorgen maken over de bijna voltooide verdamping van geloofskennis maar tegelijkertijd de opleidingsinstanties blijven steunen die voor die erosie medeverantwoordelijk zijn. Er heerst een alles verlammende angst om grote in naam katholieke instituties te verliezen. Tekenend is de reactie van één van de bisschoppen op een enkel kritisch artikel in deze krant over het katholiek onderwijs: "Wilt u soms het katholiek onderwijs kapotmaken?"

Het model dat secretaris-generaal Stevens presenteerde en dat vele goede facetten in zich heeft, ademt dezelfde angst. Achter de zelf uitgesproken vrees 'op te leggen', voor het 'van bovenaf normatief spreken', schuilt een fundamentele onzekerheid die niet onderdoet voor die van de gemiddelde Nederlander.

Het model Stevens geeft het beeld van de herder die, als zijn kudde door de wolven wordt aangevallen, niet de wolven te lijf gaat, maar aan de zijkant de schaapjes toefluistert dat het bij hem beter is. Dat is exact dezelfde zielloosheid die men zo graag Romeinse letterknechten verwijt.

Vind je het gek dat het heilig vuur maar niet wil ontbranden?