| Start |
|
PROLOOG
“De wereld verandert totaal na 11 september 2001”
Bijbels vertrekpunt
Jozef als “ziener” in Egypte. Genesis 1-8 en 25-35
“Twee jaar later kreeg de farao de volgende droom. Hij stond bij de Nijl en zag uit de Nijl zeven koeien omhoog komen, mooie, vette dieren, die gingen grazen in het oevergras. Daarna kwamen zeven andere koeien uit de Nijl omhoog, lelijke, magere dieren; zij gingen bij de andere staan aan de oever van de Nijl. En de lelijke,magere dieren vraten de mooie, vette op. Toen werd de farao wakker.
Toen hij weer ingeslapen was, had hij opnieuw een droom. Uit één halm kwamen zeven zware, prachtige aren. Maar daarna schoten zeven andere aren op, spichtig en door de oostenwind verschroeid. En de spichtige aren slokten de zeven zware, volle aren op . Toen werd de farao wakker en hij begreep dat het een droom was geweest.
De volgende ochtend was de farao in alle staten en liet alle geleerden van Egypte en alle wijzen uit het land bijeenroepen. Hij vertelde hun wat hij gedroomd had maar er was niemand die uitleg kon geven.
Toen sprak Jozef tot de farao: De twee dromen van de farao betekenden hetzelfde.
God heeft de farao aangekondigd wat Hij gaat doen. De vette koeien zijn zeven jaren; de zeven volle aren zijn eveneens zeven jaren. De dromen betekenen hetzelfde. Ook de zeven magere lelijke koeien, die daarna omhoog kwamen, zijn zeven jaren, en de zeven spichtige, door de oostenwind verschroeide aren zijn eveneens zeven jaren, jaren van hongersnood.
Ik heb al gezegd dat God daarmee aan de farao meedeelt wat Hij gaat doen. Eerst komen er zeven jaren van overvloed in heel Egypte. Dan komen zeven jaren van hongersnood, waarin heel de overvloed in Egypte vergeten raakt en hongersnood het land opslokt. Zo groot zal de hongersnood zijn, dat er dan van de overvloed niets meer te bekennen valt. Dat de farao het twee keer gedroomd heeft, betekent dat Gods besluit onwrikbaar vaststaat en dat Hij het binnenkort ten uitvoer zal brengen.
Laat de farao dus uitkijken naar een verstandig en wijs man, en die aanstellen over heel Egypte, om tijdens de zeven jaren van overvloed in heel het land een vijfde van de opbrengst te vorderen. Al het voedsel van de komende goede jaren moeten zij verzamelen. Onder het beheer van de farao moeten zij het koren opslaan in de steden en het goed bewaren. Dat voedsel kan dan in de behoefte van het land voorzien tijdens de zeven jaren van hongersnood die Egypte te wachten staan; zo zal het land niet van honger omkomen.”
In deze tekst gaat het voortdurend over het getal zeven. Het getal zeven heeft
in de Bijbel een symbolische betekenis. Het gaat hier over meer dan enkele jaren,
maar over een afgebakende volheid van tijd.
Hier wordt een systeem in vraag gesteld!
Waarom is de farao angstig? In zijn droom wordt het hart van de Egyptische
economie geraakt:
veeteelt en landbouw.
Dankzij het economisch systeem waarbij de grote massa arm blijft, kunnen tempels en piramiden gebouwd worden en een machtig leger in stand gehouden worden.
Vanuit dit verhaal is het niet zo moeilijk de stap te maken naar wat recent in Amerika is gebeurd… Men heeft het hart willen raken van dit machtige land: zijn economie (WTC), zijn leger (Pentagon).
Zonder iets af te doen van het onmenselijke van deze aanslagen, mag dit ons
toch aanzetten tot diep nadenken.
Het antwoord ligt zeker niet in de vraag. Als we de weg opgaan van oog om oog,
worden we allemaal blind.
Kan het nog, mag het nog ooit dat 850 000 000 mensen op onze wereld onder de armoedegrens leven en dat iedere dag 40 000 kinderen sterven van ontbering?
Mag het nog, dat dagelijks 10 000 mensen door ziektes (“Aids, Ebola, Anthrax, Lepra en TBC”), getroffen worden terwijl de farmaceutische holdings voor 95% investeren in cosmetica…
Alleen door te erkennen dat die bevolkingsgroepen recht hebben op een menswaardig bestaan en daar ook iets voor te doen, zal kunnen vermeden worden dat onze wereld nog decennia lang in een escalerende spiraal van terreur en vergelding beland.
Vandaar mijn betoog om vanuit het ruggenmerg van Jezus’ boodschap, zijn bergrede, een politiek van barmhartigheid voor te staan.
Barmhartigheid is de eigenschap om zijn levenswijze in te richten naar de kwetsbaarheid van de medemens.
UIT
DE BERGREDE VOLGENS MATTHEÜS
Mt. 5 : Gelukkig zij die… EN
MARCHE… !
Jezus, il monte sur la montagne et s’assoit là. Ses adeptes s’approchent de
lui.
Il ouvre la bouche, les enseigne et dit :
En marche, les humiliés du souffle ! Oui, le royaume des ciels est à eux !
En marche, les endeuillés, Oui, ils seront réconfortés !
En marche, les humbles ! Oui ils hériteront la terre !
En marche, les affamés et les assoiffés de justice ! Oui, ils seront rassasiés !
En marche, les MATRICIELS ! Oui, ils seront MATRICIES !
En marche, les cœurs purs ! Oui, ils verront Elohîm !
En marche, les faiseurs de paix ! Oui ils seront criés fils d’Elohîm
En marche, les persécutés à cause de la justice ! Oui, le royaume des ciels
est à eux !
En marche, quand ils vous outragent et vous persécutent,
en mentant vous accusent de tout crime, à
cause de moi.
Jubilez, exultez ! Votre salaire est grand aux ciels !
Oui, ainsi ont-ils persécuté les inspirés,
ceux d’avant vous.
Vous, vous êtes le sel de la terre. Mais si le sel devient fou, avec quoi le
saler ?
Il n’est plus assez fort pour rien,
sinon pour être jeté dehors et piétiné par les hommes.
Vous, vous êtes la lumière de l’univers ; une ville située sur une montagne
ne peut être cachée.
Op de goede weg de barmhartigen : zij zullen barmhartigheid ondervinden !
Jo Tigheler
Volmaakt zijn … soyez INTEGRES…
48. Ainsi, vous, soyez intègres comme votre père des ciels est intègre.
Barmhartigheid als politiek
Situatieschets
De hedendaagse sociale etiquette adviseert: 'Vermijd gesprekken over religie of politiek’. Hier zullen we het over beide hebben. Er is een groter verband tussen deze twee onderwerpen dan wij vaak denken. Evenals de manier waarop we over God denken invloed heeft op ons denken over de natuur, over sekseverschillen, Jezus, spiritualiteit en de interne dynamiek van het christelijk leven, heeft het ook gevolgen voor ons politieke denken.
Sommige manieren van denken over God rechtvaardigen de bestaande politieke orde en beweren daarbij dat koningen bij 'goddelijk recht' regeren of bij 'de genade van God', en dat de bestaande machten verordonneerd zijn door " Gehoorzaamheid aan God de hemelse koning”, vereist eveneens gehoorzaamheid aan de aardse koning. Het resultaat is een sociale orde die geïdentificeerd wordt als 'Gods wil'.
Andere denkwijzen over God rechtvaardigen niet expliciet de politieke orde, maar laten deze ongemoeid door haar te beschouwen als irrelevant voor het godsdienstige leven. Dit gebeurt wanneer het christendom (of religie in het algemeen) beschouwd wordt als in de eerste plaats betrekking hebbend op de relatie van het individu met God, of het nu gaat om het leven na de dood of om gemoedsrust in dit leven.
De vraag 'Waar breng je de eeuwigheid door?' zal iemands aandacht van deze wereld afbrengen en daardoor zullen politieke kwesties van weinig belang zijn. Vormen van spiritualiteit (christelijke en post-christelijke) die allereerst het zelf en zijn vervulling benadrukken, doen hetzelfde. Het leven wordt onderverdeeld in twee sferen: een privé-rijk van religie en een algemeen rijk van economie en politiek. Verplichtingen in het ene rijk worden apart gehouden van verplichtingen in het andere.
En sommige denkwijzen over God leiden tot een passie voor een andere sociale orde. In onze eigen eeuw hebben we dit gezien in figuren als Mahatma Gandhi, Martin Luther King en Desmond Tutu en in bewegingen als de bevrijdingstheologie en christelijke 'basisgemeenschappen' in Latijns-Amerika. De overtuiging dat God zich betrokken voelt in het lijden leidt tot een protest tegen onrechtvaardige sociale ordes en een pleidooi voor een alternatieve sociale visie.
Deze verschillende denkwijzen over het verband tussen het heilige en de wereld van de politiek staan voor de zeer dubbelzinnige relatie tussen godsdienst en cultuur in de geschiedenis van de mens. Godsdienst functioneert soms als de ultieme wereldbeheersende kracht, door te verklaren dat de orde en de structuur van de cultuur de wil van God weerspiegelen - en soms als de ultieme wereldomkerende kracht door te verkondigen dat God het anders wil.
Beide visies op God en de sociale orde komen voor in de bijbel zelf. In feite is de tegenstelling tussen deze twee visies een centraal spanningspunt dat de hele bijbelse traditie doorloopt, van het ontstaan van het oude Israël tot het boek Openbaringen. Visie op God en sociale visie gaan samen.
A. DE DROOM VAN GOD
Een van deze visies is 'de droom van God'. De uitdrukking is overgenomen uit de titel van een recent boek dat geschreven is door Verna Dozier. In brede zin is de gehele bijbel het verhaal van de droom van God, beginnend in Genesis met het paradijs en eindigend met het herstelde paradijs in het laatste grote visioen in het boek Openbaringen. Het eerste paradijs bestaat uit twee personen in een hof, en het tweede is een gemeenschap en heeft een stedelijk karakter - het nieuwe Jeruzalem, de stad van God.
Toch is de droom van God niet de gehele bijbelse geschiedenis, want de bijbel
bevat ook de nachtmerrieachtige elementen als gevolg van wat zich in
de geschiedenis van de mens heeft voorgedaan. De bijbel spreekt over de verwerping
van de droom èn over de droom zelf. In een beperktere betekenis is de droom
van God dus een sociale en politieke visie van een rechtvaardige en vredige
wereld waarin mensen elkaar niet pijn doen of vernietigen, onderdrukken of uitbuiten.
Het is deze droom die in de bijbel met veel beelden voorgesteld en door veel
personen verwoord is:
“Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom,
zonder dat iemand hen opschrikt.” (Micha)
“Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren.” (Jesaja)
De droom van God is een visie van shalom, een rijk Hebreeuws woord dat vaak vertaald wordt met vrede, maar dat veel meer betekent dan de afwezigheid van oorlog. Het betekent welzijn in eenheid van positieve dingen zoals gezondheid, overvloed en veiligheid. Shalom omvat dus een sociale visie: de droom van een wereld waarin iedereen een dergelijk welzijn kent.
Als het verhaal over de wisselwerking tussen de droom van God en de verwerping van die droom door wat er in de geschiedenis gebeurt, is de bijbel een vertelling over twee koninkrijken: het koninkrijk van God en de koninkrijken van deze wereld.
B. DE SOCIALE WERELD VAN DE BIJBEL
Om de spanning te zien tussen deze twee koninkrijken, deze twee manieren van zijn en leven in een gemeenschap, beginnen we met een beeld te geven van de meest voorkomende soort samenleving (sociale, economische en politieke dimensies daarbij inbegrepen) in de wereld waarin het oude Israël en de bijbel zijn ontstaan.
Dit was de sociale wereld van de 'pre-industriële agrarische samenleving', soms afgekort tot 'plattelandssamenleving'. Dit type samenleving is makkelijk voor te stellen wanneer we het plaatsen binnen de volgorde van de sociale ontwikkeling van de mens. Pre-industriële agrarische samenlevingen ontstonden ongeveer zesduizend jaar geleden. Daarvoor waren er eenvoudige tuinbouwkundige samenlevingen met een matige agrarische productie (waarbij met stokken en schoffels gegraven werd), en alleen een kleine bevolkingsconcentratie (hoogstens dorpen en kleine steden) kon zich op een plaats voordoen. Pre-industriële agrarische samenlevingen ontstonden toen de landbouw voldoende productief werd (door het gebruik van de ploeg) om overschotten op te brengen waardoor grotere concentraties van mensen onderhouden konden worden. Kortom, er ontstonden steden.
Pre-industriële steden waren naar moderne maatstaven klein. Gemiddeld leefde tien procent van de bevolking in steden, terwijl de overige negentig procent op het platteland bleef wonen. De plattelandsbevolking bestond voornamelijk uit agrarische producenten. In dergelijke samenlevingen was de landbouw de belangrijkste bron van voorspoed. Er was toen nog geen industrie; naaien gebeurde met de hand en op kleine schaal. Dit type samenleving bleef in verschillende vormen tot het begin van de industriële revolutie bestaan, en bestaat tot op de dag van vandaag nog steeds in sommige ontwikkelingslanden.
Voor ons doel is de sociale structuur van pre-industriële agrarische samenlevingen het belangrijkst. De scheiding tussen stad en land komt overeen met een klassenscheiding van macht en rijkdom tussen de stedelijke elite en de boeren op het platteland. De stedelijke elite bestond uit twee groepen. Ten eerste de eigenlijke elite, die gewoonlijk een tot twee procent van de totale bevolking uitmaakte: de heerser, aristocraten, hoge regeringsfunctionarissen en kerkleiders en hun uitgebreide families. Ten tweede bestond er, verbonden aan de elite, een dienstverlenende klasse, vazallen genoemd, waartoe gewoonlijk vijf tot acht procent van de bevolking behoorde: laag geplaatste regeringsfunctionarissen, soldaten, priesters, klerken, stadskooplieden, enzovoort.
De economische kloof tussen de stedelijke elite en de boeren op het platteland was enorm groot. De elite en haar vazallen (samen minder dan tien procent van de bevolking) hadden ongeveer tweederde van de jaarlijkse productie van de welvaart van de samenleving in bezit, waarbij ongeveer de helft van het totaal naar de bovenste een tot twee procent ging. De plattelandsbevolking (negentig procent van de bevolking) moest het doen met het resterende een derde deel.
Hoe kreeg de stedelijke elite dit voor elkaar? Zij produceerde niets. Ze verleende maar enkele diensten (waarvan het aangaan van oorlog een van de belangrijkste was). In plaats daarvan verkreeg zij haar welvaart van de enige bron van welvaart die er was: de agrarische productie van de boeren. De elite gebruikte twee hoofdmiddelen om welvaart af te dwingen: schatting van de productie van de boeren en het bezit van landbouwgronden (die dan gehuurd konden worden door de boeren, of bebouwd konden worden met gebruik van arbeiders of slaven). De elite was er zeer goed in precies te berekenen hoe ver ze kon gaan zonder dat de boeren zouden verhongeren of in opstand zouden komen.
Dit hoeft ons niet te verbazen, want haar welvaart hing van deze relatie van economische uitbuiting af. Bovendien werden er vaak oorlogen gevoerd tussen de verschillende elites om meer boeren onder zich te krijgen; dit was de enige manier waarop hun welvaart kon toenemen. Het uiteindelijke gevolg voor de boeren was vreselijk. Het boerenbestaan kwam in gevaar bij aanhoudende ondervoeding, droogte, ziekte, oorlog, zelfs door de dood van een dier. De levensverwachting was zeer laag.
In deze samenlevingen diende de godsdienst meestal als rechtvaardiging van de sociale orde: God had verordonneerd dat dit de manier was. De godsdienst van de elite functioneerde in ieder geval op die manier, zoals we weten door hun vazallen van priesters en klerken. Voor het grootste gedeelte hebben wij geen toegang tot de godsdienst van de boeren, die weinig of geen geschreven verslagen achter hebben gelaten.
De 'plattelandssamenleving' gold dus als de algemene sociale structuur in de wereld toen de bijbel ontstond. Vanaf ongeveer 4000 jaar v. Chr. ontstonden stadstaten en uiteindelijk agrarische koninkrijken. Tegen de tijd dat het oude Israël ontstond, was dit type samenleving vast verankerd in het oude Midden-Oosten. Dergelijke samenlevingen, die geregeerd werden door elites, waren intrinsiek hiërarchisch, economisch uitbuitend en politiek onderdrukkend.
C. DE UITTOCHT EN DE DROOM VAN GOD (Exodus)
De droom van God is paradigmatisch verwoord in de basisgeschiedenis van Israël, het verhaal van de uittocht uit Egypte.
Het belangrijkste verhaal dat het oude Israël kende, het exodusverhaal, werd verteld en opnieuw verteld in heilige geschriften, gevierd in gezangen, en jaarlijks herbeleefd in het feest van Pascha. Het was niet alleen het verhaal van het ontstaan van Israël, maar ook een verhaal over God. Als een epifanie, een openbaring, van Gods betrokkenheid bij geschiedenis en leven, toonde het het karakter en de wil van God.
Opvallend genoeg was de basisgeschiedenis van Israël een verhaal over bevrijding
uit het overheersingssysteem van een plattelandssamenleving. Het Egypte
waarin zijn voorouders slaven waren geworden, was een klassiek agrarisch koninkrijk.
Walter
Brueggemann zegt het als volgt: de heerschappij van Farao weerspiegelde een
'koninklijk bewustzijn', een manier van het leven zien en organiseren vanuit
het voordeel van de elite. Egypte werd gekenmerkt door een economie van uitbuiting,
een politiek van onderdrukking en een godsdienst van rechtvaardiging.
Volgens het exodusverhaal van Israël echter, was God niet onder de indruk van de heerlijkheden van het koninklijke hof, maar eerder bewogen met het lijden van de Hebreeuwse slaven en wilde hij hun vrijheid. God hoorde hun klagen:
“De Israëlieten zuchtten onder de slavernij en schreeuwden het uit, zodat hun hulpgeroep over de slavernij omhoog steeg tot God. En God hoorde hun klacht."
God voelde hun ellende: 'Ik ken hun smarten'. Bewogen tot handelen, bevrijdde God hen uit Egypte onder leiding van Mozes, ging een verbond met hen aan op de Sinaï, en bracht hen naar het Beloofde Land. (Start van de GRENSOVERSCHRIJDING…)
Daar wilden ze, in overeenstemming met hun opvatting van Gods wil, een overheersingsvrije
sociale orde creëren die radicaal anders was dan die van Egypte. De eerste
paar eeuwen hadden de Hebreeuwse stammen geen gecentraliseerde regering en dus
geen monarchie en geen elites. In plaats daarvan was God koning. Bovendien kreeg
elke familie een stuk land toegewezen dat tot in
eeuwigheid hun bezit zou zijn. Geen centralisatie en de garantie van land betekende
dat er geen stedelijke elite of grootgrondbezitters waren die onderhouden werden
door de agrarische productie van anderen. De oude Israëlieten zagen deze poging
een egalitaire samenleving zowel politiek als economisch te creëren, als het
verwerkelijken van Gods wil wat betreft een menselijk sociaal leven. (CEARA
= tienden voor de tempel).
De gebeurtenis waarin het oude Israël onstond, hield dus een bevrijding van economische en politieke onderdrukking in en het instellen van een niet-hiërarchische en niet-uitbuitende sociale orde onder God. Het exodusverhaal is tegelijkertijd religieus en politiek, gaat over twee heerschappijen en twee sociale visies: de heerschappij van Farao en de heerschappij van God, het overheersingssysteem van Egypte en de alternatieve sociale visie van Mozes.
Als een epifanie van de droom van God heeft het verhaal van de uittocht de bijbelse, joodse en christelijke tradities een vaak ontkende, maar uiteindelijk onmiskenbare sociale en politieke dimensie gegeven.
D. BOEREN EN PROFETEN, KONINGEN EN ELITES
Israëls ervaring met deze sociale visie duurde een paar honderd jaar. Toen ontstond in Israël zelf rond het jaar 1000 v. Chr. het koningschap. In minder dan honderd jaar werden de Israëlitische koning en de opkomende elite het middelpunt van een nieuw overheersingssysteem. De koning werd in feite een nieuwe farao, een ontwikkeling die al in volle gang was onder de regering van Salomo (965-922 v. Chr.). De sociale structuren van een pre-industriële samenleving werden weer hersteld in Israël.
Het conflict tussen het koninklijk bewustzijn van Farao en het alternatieve bewustzijn van Mozes was nu een conflict binnen het oude Israël zelf. Twee verschillende theologieën werden ontwikkeld, die beide beweerden te spreken voor dezelfde God en die beide gevonden worden in de Hebreeuwse bijbel. Aan de ene kant stonden de koning en de elite; aan de andere, profeten en boeren. (Amos)
1. DE ELITAIRE THEOLOGIE (Samuel).
De theologie van de elite is beschreven in de koninklijke theologie van de Hebreeuwse bijbel. Volgens deze theologie was de koning een gave van God. Gezalfd door God was hij 'Gods zoon', en aan hem en zijn nakomelingen had God het eeuwige koningschap beloofd:
“Ik [God] zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen. Ik zal hem tot een vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn ... Uw huis, uw koningschap en uw troon zullen vast staan voor altijd.”
Het middelpunt van de koninklijke theologie was zowel de tempel als de koning. God had beloofd dat hij voor altijd in de tempel zou wonen, en de aanwezigheid van de tempel in Jeruzalem (de woonplaats van de koning en de stedelijke elite) was een goddelijke garantie voor de veiligheid van Jeruzalem en de heersende orde. (Tempelberg)
2. DE PROFETISCHE THEOLOGIE
In de naam van dezelfde God vielen de klassieke profeten van het oude
Israël het overheersings-systeem en de theologie van de elite waarin
dit gerechtvaardigd werd, aan. Zij waren de stemmen van het religieuze sociale
protest. Als Geestpersonen begiftigd met God werden ze door hun ervaring van
het heilige aangezet om de elite aan te klagen vanwege hun uitbuiting van de
armen. Ze vulden ook de verbeeldingskracht van hun hoorders met visies van een
andere sociale orde. Ze waren dragers en woordvoerders van de droom van God.
Hun sociale hartstocht was onmiskenbaar, hun gave voor taal buitengewoon. Ze
spraken op publieke plaatsen in krachtige en indrukwekkende woorden en gaven
radicale kritiek op de heersende elite in naam van de gerechtigheid van God.
In de achtste eeuw v. Chr. zei Amos tot de elite:
Wee degenen die zelfingenomen en onbekommerd
liggen te luieren op hun praalbed, onderuit gezakt in de pluche –
die naar believen lamsvlees, kalfsvlees uit eigen stal voor het pakken hebben
–
die tokkelen op de harp en liedjes kwelen
en denken dat ze David zelf zijn, -
die opgemaakt, geparfumeerd, scheutig en met een breed gebaar klinken met elkaar,
-
die aan de ondergang van een medemens geen boodschap hebben.
Geloof me; Het is gedaan met hun feestjes
en partijtjes…
Als allereersten worden ze van hun bed gevoerd en weggevoerd in ballingschap.
Zo spreekt God.
Hij bespotte de elite die zich beriep op de koninklijke theologie om haar macht
te rechtvaardigen: 'Stelt uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: “Des HEREN
tempel, des HEREN tempel, des HEREN tempel is dit!” Godsvrucht en het opzeggen
van vrome theologie zal geen goed doen.
Wat wilde God dan? Amos zei in naam van God en namens God:
De hartstocht voor sociale rechtvaardigheid die we bij de profeten zien, is een protest tegen het systematische kwaad. Het systematische kwaad is een belangrijk begrip: het verwijst naar de onrechtvaardigheid die in de structuur van het systeem zelf ingebouwd is. Ingebed in een onderdrukkende en uitbuitende sociale structuur is het systematische kwaad een belangrijke bron (wellicht de enige, grote oorzaak) van menselijk lijden.
Het is belangrijk te onderstrepen dat het hier niet gaat om de goedheid of verdorvenheid van elitaire individuen. De elite kan bestaan uit goede mensen: vroom, verantwoordelijk, moedig; vriendelijk, aardig, charmant, verstandig; toegewijd aan gezin, trouw aan vrienden, enzovoort. Bovendien is het systematische kwaad niet noodzakelijk opzettelijk bedoeld, zelfs niet door hen die ervan profiteren. Het gaat hier dus niet om karakterfouten onder de elite. Nee, het gaat hier om een systeem waarin sommige mensen slapen op een ivoren bed, terwijl anderen verkocht worden voor de prijs van een paar sandalen.
(Het gaat mij hier onder andere om de zeer dure cadeautjes die verkocht worden in de super-souvenirwinkel in het UNO-gebouw (N.Y.) die gemaakt worden door de onder betaalde, uitgebuite, paria kinderen in Zuid-Oost Azië.)
De hartstocht voor sociale rechtvaardigheid richt zich dus niet op een individuele verandering, maar op een structurele. Natuurlijk kunnen individuele personen bekeerd worden tot een hartstocht voor rechtvaardigheid (en een dergelijke bekering is belangrijk), maar wanneer dit gebeurt, is hun zorg niet om zoveel mogelijk barmhartigheid te bewijzen binnen de bestaande structuren, maar om de structuur zelf te veranderen. De profeten zeiden niet slechts tot de elite: 'Wees goede mensen, barmhartiger voor de armen, en eer de juiste God.' Zij zeiden, met de woorden van Amos: 'Zoek gerechtigheid en leef'.
Het probleem was niet de zonde van het individu, maar een sociaal systeem waarin de armen van het land tot de ondergang gebracht werden. (Collectivistisch socialisme & absoluut neo-liberalisme = implosie).
E. JEZUS EN DE DROOM VAN GOD
De droom van God werd in Jezus weer nieuw leven ingeblazen. Hij leefde in een plattelandssamenleving onder het koningschap van Herodes en het koningschap van Caesar.
De sociale wereld van het joodse thuisland in de eerste eeuw was een tweeledig overheersingssysteem: een 'eigen' overheersingssysteem gecentreerd in de elite van Jeruzalem en de tempel, en het keizerlijk overheersingssysteem van Rome, waaraan deze elite trouw zweerde èn een geldelijke bijdrage leverde (die afkomstig was van de agrarische productie van de boeren).
Tegen deze achtergrond was Jezus, behalve een Geest-persoon, genezer en wijsheidsleraar,
ook een sociaal profeet. Er lag passie in zijn taalgebruik. Veel van zijn uitspraken
(evenals zijn handelen) zetten vraagtekens bij het overheersingssysteem van
zijn dagen. Zij winnen aan betekenis wanneer we ze zien in de context van de
sociale kritiek op een plattelandssamenleving. Zijn kritiek op de rijken was
een aanklacht tegen de sociale klasse die boven aan het overheersingssysteem
stond. Zijn profetische dreigementen tegen Jeruzalem en de tempel sprak
hij niet uit omdat deze het centrum van een 'oude religie' (het jodendom) waren,
die weldra vervangen zou worden door een nieuwe religie (het christendom),
maar omdat zij het centrum van het overheersingssysteem waren. Zijn kritiek
op advocaten, schriftgeleerden en Farizeeërs gold niet het feit dat zij geen
rechtschapen personen waren, maar dat hun toewijding aan de elite ertoe leidde
dat zij de
sociale orde door elitaire lenzen zagen. (Eigen volk eerst. Genetic Modified Organisms.)
Jezus verwierp de scherpe sociale grenzen van de gevestigde sociale orde en daagde de instellingen die deze rechtvaardigden, uit. In zijn onderwijs verwierp hij het onderscheid tussen rechtvaardige en zondaar, rijke en arme, man en vrouw, Farizeeër en onreine. In zijn genezingen en optreden OVERSCHREED hij sociale grenzen van reinheid, geslacht en klasse. In zijn manier van maaltijd houden, die wezenlijk was voor waar hij voor stond, belichaamde hij een grensoverschrijdende inclusiviteit. (Lucas in deze zondagen van de liturgie, is daar de meest schitterende getuige van)
Tijdens zijn rondreizen verwierp hij het begrip van een bemiddelbaar koninkrijk van God en liet hij zien dat God direct toegankelijk was zonder institutionele tussenkomst. Zijn profetisch handelen tegen de geldwisselaars in de tempel in het centrum van het overheersingssysteem was, in de ogen van de meeste wetenschappers, de aanleiding tot zijn arrestatie en executie.
Het is belangrijk dat we niet lief en aardig doen over Jezus' sociale hartstocht. Het gaat er niet om dat Jezus een goeie vent was die iedereen accepteerde en dat wij dat daarom ook moeten doen (hoewel dat wel goed zou zijn). Nee, zijn onderwijs en optreden laten een alternatieve sociale visie zien. Jezus vertelde niet boe je goed handelt en boe je je moet gedragen binnen het kader van een overheersingssysteem. Hij had kritiek op het overheersingssysteem zelf. In feite is dat de beste verklaring waarom hij gedood werd. Hij was niet slechts een aardige, inclusieve kerel, maar een religieuze sociale profeet wiens onderwijs, optreden en sociale visie de elite en het overheersingssysteem van zijn dagen radicaal aan de kaak stelde.
De droom van God zoals we die zien in Jezus - zijn alternatieve sociale visie - is op drie manieren die elkaar aanvullen zinvol uitgekristalliseerd.
1. In de eerste plaats noem ik de droom van God een 'politiek van barmhartigheid'. Voor Jezus was barmhartigheid meer dan een persoonlijke deugd. Zij was de basis van zijn kritiek op de sociale orde: voor Jezus stond de barmhartigheid van God tegenover het overheersingssysteem van zijn dagen. Barmhartigheid was ook het paradigma of de kernwaarde van zijn sociale visie: Jezus' begrip van God als barmhartig leidde tot een sociale visie die gegrond was op barmhartigheid. Het stond in scherp contrast met de kernwaarde van de sociale visie van de elitaire theologie, die een politiek van heiligheid en reinheid was die om de tempel draaide en die de sociale orde rechtvaardigde. Barmhartigheid als een politiek kernparadigma duidt op een politieke orde die levendmakend en inclusief is en de mensen voedt en nabij is. (Deze nieuwe orde staat diametraal tegenover de “nieuwe” politieke cultuur van paars-groen.)
2. In de tweede plaats is de meest effectieve niet-bijbelse uitdrukking die ik ken voor de droom van God, zijn tegenstelling met de elitaire theologie en politiek. Elitaire theologie en politiek leiden tot 'overheersingssystemen' (Walter Wink). Het tegenovergestelde is ‘GODS OVERHEERSINGSVRIJE ORDE’. Deze “Gods overheersingsvrije orde” is de droom van God. Het exodusparadigma, dat weer opgang deed bij de profeten en bij Jezus, is bedoeld voor ons allen. Wij zijn niet bedoeld om te leven onder de overheersing van Farao of Caesar, welke vorm die ook aanneemt.
In de derde plaats kan Jezus' sociale visie aangeduid worden met een van zijn meest gebruikte uitdrukkingen: 'het koninkrijk van God'. Hoewel de uitdrukking verschillende betekenisnuances had, was een daarvan een theo-politieke. Zijn luisteraars kenden andere koninkrijken, met name die van Herodes en Caesar. Het koninkrijk van God is hoe de wereld zou zijn als God koning was in plaats van Herodes of Caesar. In een dergelijke wereld zouden de armen rijk zijn, de machtigen van hun troon gestoten worden, de rijken met lege handen weggestuurd. Overheersingssystemen zouden vervangen worden door Gods overheersingsvrije orde.
Het is opvallend dat we elke keer dat we het Onze Vader bidden, vragen of dit koninkrijk - Gods koninkrijk - op aarde komt: 'Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.' Maar we missen vaak het verband vanwege het ritme waarmee we dit gebed meestal bidden: 'Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede' wordt door een maat rust gescheiden van 'op aarde zoals in de hemel'. Maar het zin-s-verband is duidelijk: we bidden om de komst van Gods koninkrijk op aarde. Zoals Dominic Crossan opmerkt: de hemel is al in vorm; waar we om bidden is dat het koninkrijk van God ook op aarde mag komen Dat is de droom van God.
Door de hele bijbelse traditie loopt dus een conflict tussen twee verschillende sociale visies, twee verschillende begrippen van God, twee verschillende theologieën. Beide eisten dezelfde religieuze traditie op, vertelden dezelfde verhalen en spraken in dezelfde taal. Maar elk vertelde de verhalen en gebruikte de traditie anders. De theologie van de elite gebruikte de traditie om de bestaande orde te rechtvaardigen. De hartstochtelijke uitblinkers van Gods barmhartigheid daagden de bestaande orde uit en droomden de droom van God.
F. DE DROOM VAN GOD IN DE CHRISTELIJKE GESCHIEDENIS
Het is de droom van God niet goed vergaan in de christelijke geschiedenis. Te beginnen met de Romeinse keizer Constantijn in de vierde eeuw, is de droom van God meestal aangepast aan de bestaande sociale orde. Constantijn legaliseerde in het jaar 313 het christendom niet alleen, maar werd ook in aanzienlijke mate zijn sponsor. Nog voor het eind van diezelfde eeuw, onder een van zijn opvolgers, was het christendom de officiële godsdienst van het keizerrijk geworden.
Deze ontwikkeling wordt vaak beschouwd als een overwinning van het christendom op het rijk dat zijn vervolger is geweest. Maar er kan evengoed gesteld worden dat het rijk de kerk overwon, in plaats van dat de kerk het rijk overwon. Dominic Crossan beweert iets soortgelijks. Hij citeert de vroege kerkhistoricus Eusebius in zijn beschrijving van een keizerlijk banket, dat gegeven werd door Constantijn in een van zijn paleizen voor de bisschoppen van de kerk:
“Afdelingen van de lijfwacht en het leger omringden de ingang van het paleis met getrokken zwaarden, en tussen hen door liepen de mannen Gods [de bisschoppen] zonder vrees naar het binnenste van de Keizerlijke verblijven, waar sommigen van het keizerlijk, gezelschap aan tafel zaten, terwijl anderen achterover leunden op kussens die aan beide zijden geschikt waren. Je zou kunnen denken dat het een voorafschaduwing was van het koninkrijk van Christus, en een droom in plaats van werkelijkheid. ”
Crossan merkt op: de inclusieve maaltijdpraktijk van Jezus, de sociale profeet,
is vervangen door een keizerlijk banket waarvan 'de deelnemers alleen de mannelijke
bisschoppen zijn, en zij leunen achterover, evenals de keizer zelf, om te worden
bediend door anderen. Droom of werkelijkheid? Droom of nachtmerrie?
De meeste eeuwen daarna is het christendom in landen waar het de belangrijkste
godsdienst was, meestal verbonden geweest met de gevestigde orde. De droom van
God is niet geheel afwezig geweest; deze was nu en dan zichtbaar in de levens
van heiligen en hervormers en bewegingen. Maar Gods droom is niet het overheersende
geluid in de traditie geweest.
G.
DE DROOM VAN GOD EN DE HEDENDAAGSE
AMERIKAANSE EN WESTEUROPESE SAMENLEVING.
In de moderne tijd is het verband tussen het christendom en de politieke orde nog steeds enigszins zichtbaar. Maar ondanks dat heeft het individualisme dat een groot deel van de westerse cultuur kenmerkt de droom van God doen verdwijnen. De droom van God verschilt nogal van hedendaagse Amerikaanse dromen. De droom van God - een politiek van barmhartigheid en rechtvaardigheid, het koninkrijk van God, een overheersingsvrije orde - heeft een sociaal, gemeenschappelijk en gelijkwaardig karakter. Maar onze dromen - de dromen die we vanuit onze cultuur meekrijgen - zijn individualistisch: een goed leven, er goed uitzien, opvallen.
Het bewijs voor deze bewering is in zekere zin overal voorhanden. We hoeven maar om ons heen te kijken om de dromen te zien die ons bewegen. Dit zijn ook de conclusies van onderzoeken naar de centrale waarden van de Amerikaanse en de Westeuropese samenlevingen.
Zij beweren dat er twee hoofdstromingen zijn in deze culturele tradities. De ene stroming benadrukt het belang van de gemeenschap, gebaseerd op bijbelse en klassieke gedachten van verbond en deugden van de burgers. De andere stroming benadrukt het individu. Beide stromingen zijn belangrijk en kunnen samengaan, zoals soms het geval is geweest in de Westerse geschiedenis en nog is in de bijbelse tradities.
Maar volgens hen is de individualistische stroming gaan overheersen in onze recente geschiedenis, zodat de kernwaarde of -ethos van de hedendaagse Amerikaanse samenleving het individualisme is. Onze zoektocht - in ons werk, onze relaties, families, ambities, organisaties, en vaak onze religieuze praktijken - is de persoonlijke vervulling van het individu, hoe we die vervulling ook definiëren.
Amerikaanse en West-Europese conventionele wijsheden:
Het zijn centrale boodschappen die we ontvangen door eenvoudig in onze cultuur
op te groeien.
Hoewel de volgende lijst niet volledig is, is die wel kenmerkend:
Ga tot het uiterste.
Gewoon doen.
Never be a loser!
Quid pro quo.
Do ut des!
Degene met de meeste speeltjes wint.
Je leeft maar een keer.
Ga ervoor.
Kijk uit voor nummer één.
Werk hard en je zult slagen.
Alles moet kunnen!
Plan je pensioen.
Het leven is hebben en nemen.
De regering is waardeloos.
Wees slank (gezond, sterk, gevoelig). Geniet van het leven.
Lieve jongens komen laatst.
Zoek roem en rijkdom.
Eigen volk eerst.
Geen enkele van deze uitspraken heeft gemeenschapswaarde. Eens in de zoveel tijd noemen mensen soms de gouden regel: “heb je naaste lief als jezelf”, maar dat is ook alles. Ze geven geen boodschappen over werken voor een rechtvaardige samenleving, of iets verplicht zijn aan volgende generaties, of bouwen aan het koninkrijk van God op aarde. Deze woorden zijn een bevestiging van één individualistische ethiek.
Het individualisme van onze hedendaagse cultuur beïnvloedt ons op vele manieren. Het heeft ook grote invloed op de manier waarop het christendom begrepen wordt. Voor veel christenen betreffen de belangrijke religieuze onderwerpen het individu, of deze nu gaan over behoud in een leven na dit leven, of over individuele rechtvaardigheid, gemoedsrust, of persoonlijke geestelijke ontwikkeling in het heden.
Individualisme leidt tot een individualistische interpretatie van de bijbel. Passages zoals 'de armen hebt gij altijd bij u' of 'wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten' zijn veel beter bekend dan profetische passages over rechtvaardigheid. Jezus' uitspraak 'Geeft dan de keizer wat des keizers is, en God wat Gods is' wordt vaak begrepen als het instellen van twee rijken - een publiek rijk van politiek en economie en een privé-rijk van God en godsdienst.
EEN POLITIEK VAN INDIVIDUALISME (USA & E.U.)
Wanneer hedendaagse christenen politiek gaan bedrijven, hebben zij de neiging individualistisch te blijven in hun denken. Onder 'religieus rechts', de meest zichtbare vorm van de christelijke politiek van vandaag, betreffen de centrale politieke onderwerpen het individuele gedrag. Vaak gaat het dan over seksualiteit: abortus, pornografie, homoseksualiteit. Het onderwerp 'bijstandmoeders' wordt vaak een onderwerp van seksuele moraal, en het bijstandsdebat wordt een debat over familiewaarden. De politieke visie van religieus rechts is voor het grootste gedeelte een individualistische politiek van rechtvaardigheid, geen gemeenschappelijke politiek van barmhartigheid.
Buiten christelijke kringen heeft ons ethos van individualisme een diepgaande invloed op ons politieke leven. Wanneer we over politiek nadenken, denken we individualistisch. De armen zijn arm, omdat zij individueel tekortkomen, niet vanwege het sociale of politieke beleid. De oplossing is ook individualistisch: de armen moeten een arbeidsethiek ontwikkelen en familiewaarden aannemen. Anti-regeringsgevoelens en protesten tegen belastingheffingen laten ook zien dat de individuele waarden het winnen van gemeenschapswaarden: we denken dat we geen belasting zouden moeten betalen voor het welzijn van de gemeenschap in haar geheel. Wie is er voor Tobintaks?
Ons ethos en onze politiek van individualisme hebben gevolgen voor ons economische leven, doordat deze een samenleving voortbrengen met steeds scherpere sociale grenzen, gebaseerd op rijkdom. Er zijn ook andere belangrijke sociale grenzen, zoals ras, geslacht, seksuele geaardheid, leeftijd en fysieke gesteldheid. Maar we hebben in de tweede helft van deze eeuw op al deze gebieden voortgang geboekt. Hoewel ze alle blijvende aandacht en waakzaamheid vragen, ken ik niemand die zou zeggen dat we op deze gebieden nu slechter af zijn dan halverwege deze eeuw.
Maar sociale grenzen die gebaseerd zijn op rijkdom, hebben zich scherper afgetekend. De Verenigde Staten hebben de laatste dertig jaar een kloof zien groeien - een kloof die steeds dieper werd - tussen rijk en arm.
Het individualistische ethos van onze cultuur genereert dus een politieke ideologie waarvan in het bijzonder de elite profiteert. Het rechtvaardigt haar plaats in de samenleving: als je geslaagd bent, komt dat omdat je hard gewerkt hebt en je mogelijkheden goed hebt benut; je verdient wat je krijgt. Het rechtvaardigt het sociale en economische beleid waardoor de privé-rijkdom toeneemt en de publieke armoede toeneemt. Het is gerechtvaardigd dat de armen de schuld wordt gegeven. De conclusie is in mijn ogen onvermijdelijk: we hebben een sociaal en economisch beleid dat drijft op de elite. (“Wie zijn wij, dat wij schulden zouden vergeven die de armen ons toch nooit zouden kunnen terugbetalen?!”)
Deze aanklacht tegen een sociaal beleid dat drijft op de elite is geen aanklacht tegen de middenklasse. Ik wil niet zeggen dat er iets moreel verkeerd is aan het bezit van een comfortabel huis, twee auto's, een jaarlijkse vakantie, een cd-verzameling, of een pensioen. Je zou wensen dat iedereen een dergelijk comfort en zekerheid had (met natuurlijk een passende bedachtzaamheid aangaande het milieu). Het punt is niet dat er iets moreel fout is met een middenklasse levensstandaard. Nee, het gaat om de politieke waarden en houdingen die algemeen gangbaar zijn in onze cultuur (ook onder de middenklasse) en de noodzaak om onze politiek van individualisme te veranderen in een politiek die erkent hoe onontbeerlijk de gemeenschap is. Het passende antwoord is niet 'je schuldig voelen om wat je hebt" maar een andere politieke visie.
EPILOOG
CHRISTENEN, DE KERK EN DE DROOM VAN GOD
Wat is de relevantie van de droom van God - het koninkrijk van God op aarde - in onze situatie? Wat zou het betekenen wanneer het geheel van getuigenissen van Mozes, Jezus en de profeten serieus wordt genomen? Wat zou een politiek van barmhartigheid en rechtvaardigheid voor ons betekenen?
De droom van God serieus nemen zou betekenen dat het christelijk leven een politieke dimensie krijgt. Gebaseerd op Gods barmhartigheid voor lijdende mensen, ook hen die onderdrukt worden en gemarginaliseerd worden door de structuur van de samenleving, leidt een politiek van barmhartigheid tot een andere visie op het menselijk leven in een gemeenschap.
Een politiek van barmhartigheid
Ik begin met een verhelderende opmerking over barmhartigheid. Sommige mensen
denken dat het een 'zwakke' waarde is, in het bijzonder in politieke context.
Het is dus belangrijk te onderstrepen dat barmhartigheid niet eenvoudig betekent
'aardig' zijn. Evenmin betekent het 'mensen uit de puree halen', alsof je in
elke situatie zegt 'ik begrijp het' en nooit iemand verantwoordelijk houdt.
De kracht van barmhartigheid als waarde kan gezien worden door te kijken naar
haar tegengestelden: haat, misbruik, wreedheid, onrechtvaardigheid; onverschilligheid,'zelfzucht,
zelfgerechtigheid (in een religieuze of seculiere vorm), een verhard hart; racisme,
seksisme, klassenscheiding, militant nationalisme, enzovoort. Een voorstander
van barmhartigheid is hiertegen. Het is dus geen 'zwakke' waarde die alles verdraagt.
BARMHARTIGHEID IS DE EIGENSCHAP OM ZIJN LEVENSWIJZE IN TE RICHTEN NAAR DE KWETSBAARHEID VAN DE MEDEMENS.
Welk verschil maakt het een politiek van barmhartigheid toe te passen die gebaseerd is op de barmhartigheid van God? Het koninkrijk van God op aarde brengen is een utopische visie, een ideaal. Toch heeft het in mijn ogen wat de Amerikaanse theoloog en sociaal ethicus Reinhold Niebuhr in de eerste helft van deze eeuw 'de relevantie van een onmogelijk ideaal' noemde. Het doel is de egalitaire en inclusieve sociale visie van het koninkrijk van God in de geschiedenis te benaderen; het feit dat we het niet volmaakt kunnen belichamen, wil niet zeggen dat het geen ideaal meer moet zijn.
Het is belangrijk te realiseren dat barmhartigheid als een politieke waarde een paradigma is. Paradigma's zijn geen beleidsvormen; in plaats daarvan beïnvloeden paradigma's de manier waarop we de dingen zien en geven ze een kader voor ons denken.
Barmhartigheid als een politiek paradigma is zowel een 'lens' om doorheen te
zien als de 'kernwaarde' van een alternatieve manier van denken over de samenleving.
Een politiek van barmhartigheid bestaat dus niet uit een bepaald stel specifieke
economische en sociale beleidsvormen, maar uit een sociale visie die ons hele
politieke denken beïnvloedt. Hoe we het beste die visie kunnen uitvoeren en
vorm geven is voor een groot deel een pragmatische vraag van wat het best werkt
om dat doel te bereiken.
Wat zal barmhartigheid als politiek paradigma ons laten zien? Wat zal een
politiek van barmhartigheid, in de bijbelse visie van een overheersingsvrije
orde, als de droom van God, het koninkrijk van God op aarde, impliceren voor
een christelijke beschouwing van en verhouding tot de sociale orde?
BESLUIT
Het laat ons de impact van sociale structuren op het leven van mensen zien.
Het laat zien dat het economische lijden van de armen niet in de eerste plaats
te wijten is aan individueel falen. Het laat zien dat de categorieën van 'marginaal',
'inferieur' en 'paria' menselijke noemers zijn. Het leidt tot boosheid jegens
de bron van menselijk lijden, of die nu individueel is of systematisch.
Het leidt tot het verdedigen van een andere sociale visie.
Zoals het woord barmhartigheid zelf al oproept, wil een politiek van barmhartigheid een levengevende, inclusieve sociale orde. Het richtpunt van een politiek van barmhartigheid is de verlichting van het lijden dat veroorzaakt wordt door sociale structuren. Het leidt tot een minimalisering van sociale grenzen, wat ook de basis mag zijn om die te trekken (status, rijkdom, geslacht, ras, seksuele geaardheid, enzovoort). Positief gezien, wil het sociale structuren scheppen die een voedingsbodem zijn voor de samenleving in haar geheel, in plaats van kanalen die de opbrengsten naar een relatief klein aantal voeren.
Als een ideaal dat getemperd wordt door realisme ten aanzien van de menselijke
conditie, wil een politiek van barmhartigheid niet zeggen dat hiërarchie
en autoritaire structuren geheel afwezig zijn. Zonder deze structuren zouden
we niet in groepen kunnen samenleven. Evenmin betekent het, gezien de omstandigheden
in het verleden, dat er geen inkomensverschillen zijn.
Maar een politiek van barmhartigheid zou onze denkwijze over dergelijke zaken
beïnvloeden.
Twee paar vragen laten zien welk verschil het zou maken wanneer zich een verschuiving van paradigma's zou voordoen en er in plaats van een politiek van individualisme een politiek van barmhartigheid gevoerd zou worden.
- Ten eerste, hoe draagt men zorg voor de slachtoffers van het systeem? Voorstanders van een politiek van individualisme antwoorden gewoonlijk: 'Door individuele liefdadigheid' - wat een van onze vroegere presidenten 'duizend lichtpuntjes' noemde. Natuurlijk is individuele liefdadigheid belangrijk, maar dit antwoord gaat voorbij aan het feit dat in de moderne Amerikaanse samenleving, met het verdwijnen van de traditionele gemeenschappen, het sociale regeringsbeleid de belangrijkste manier is om te zorgen voor mensen die we niet kennen. Voorstanders van een politiek van barmhartigheid zouden dan vragen: 'Hoe kunnen we de structuren zo veranderen dat er niet zoveel slachtoffers zijn?'
- Ten tweede, hoe brengt men beloningen voor individueel initiatief in evenwicht met een barmhartige sociale orde? Voorstanders van een politiek van individualisme zouden er zo over denken: Hoe wordt er, binnen een politiek van prikkels en beloningen, een plaats gevonden voor barmhartigheid? Voorstanders van een politiek van barmhartigheid zouden aan de andere kant beginnen en in plaats daarvan vragen: Hoe wordt binnen een politiek van barmhartigheid het belang erkend van prikkels en beloningen voor individueel initiatief?
De kerk als de gemeenschap van Jezus is geroepen om de inclusieve en egalitaire sociale visie van Jezus in haar innerlijk leven vorm te geven. In haar eigen bestuur moet het een gemeenschap van barmhartigheid zijn. Het moet de inclusieve sociale visie belichamen waarvan Paulus sprak en waarin de grootste sociale grenzen van zijn tijd teniet werden gedaan: 'In Christus is er geen Jood of Griek, slaaf of vrije, mannelijk of vrouwelijk'. Paulus' opsomming moet niet worden beschouwd als uitputtend of allesomvattend, maar als voorbeelden van grenzen die 'in Christus' worden overwonnen.
Bovendien is de kerk als de gemeenschap van Jezus niet alleen geroepen tot een bestuur van barmhartigheid, maar ook tot een politiek van barmhartigheid. De kerk moet de zuurdesem van barmhartigheid in de wereld zijn. In onze tijd betekent dit dat de plaatselijke gemeenten zich bewust worden van de belangrijke geluiden in de bijbelse traditie, van de manier waarop sociale structuren gevolgen hebben voor het leven van mensen, en van de tegenstelling tussen barmhartigheid als een sociale visie en het dominante politieke ethos van vandaag.
ERNSTIGE VRAGEN
- Wat
doet een gemeenschap die toegewijd is aan een ander paradigma (barmhartigheid)
en aan een leven volgens een andere orde (de droom van God), in een culturele
situatie als de onze?
-
Durven we in onze tijd en in de kerk te praten over een door de elite
gestuurde politiek?
-
Zijn we ervan overtuigd dat dit het geval is?
-
Durven we te zeggen dat sociale beleidsvormen van wezenlijk belang zijn
om een barmhartigere samenleving te worden?
-
Willen we toegeven dat het economische beleid de belangrijkste politieke
kwestie is van onze tijd?
-
Hoe groot denken we dat de kloof tussen de rijkste tien procent van onze
bevolking en de armste tien procent zou moeten zijn?
-
En is dat een beslissing die de gemeenschap, het politieke lichaam moet
maken, of een beslissing die overgelaten moet worden aan de elite?
Zoals we als christenen moeten leren bidden, moeten we ook leren op een
barmhartige wijze te zien, te denken en te leven. Het christelijke leven
is een reis naar binnen (het uitbroeden van het hart) en een reis naar buiten.
Onze reis naar buiten als volgelingen van Jezus, als voorstanders van de droom
van God, als kerk, roept ons op om een gemeenschap van barmhartigheid te zijn
en de zuurdesem (we zijn niet de deeg) van barmhartigheid in de wereld. We zijn
tot barmhartigheid geroepen, niet slechts als een individuele deugd, maar tot
barmhartigheid in ons politieke denken.
Dat is de droom van God: een politiek van barmhartigheid, het koninkrijk van
God op aarde. Ik ben realistisch genoeg om te denken dat we het koninkrijk van
God op aarde nooit zullen bereiken - maar het is te BENADEREN. Het is
die droom waarvan zoveel personen in de bijbelse traditie spreken: rechtvaardigheid
die neerstroomt als water; het lam dat neerligt met de leeuw; de aarde als de
weide van God; een tijd waarin we onze zwaarden tot ploegscharen zullen smeden,
waarin de heuvels zullen druipen van honing, en de bergen van wijn zullen vloeien,
waarin het verbond met God in onze harten geschreven zal worden, en waarin alle
tranen afgewist zullen worden, en geen rouw of verdriet meer zal zijn. (Jesaja)
Uiteindelijk zal, zoals de laatste regel van de vorige alinea uit het laatste
grote visioen in het boek Openbaringen laat zien, de droom van God ons meenemen
over de tijd heen. Maar ik ben ervan overtuigd dat de droom van God ook voor
deze tijd geldt. Het is een droom voor DEZE aarde.
De ETHIEK van het HAALBARE
1. De verandering van de verandering
Door de communicatie- en informatietechnologie zal in deze eeuw de democratie
minder representatief , maar meer rechtstreeks worden. Als tegengewicht zal
die democratie meer leiderschap en meer verantwoordelijkheiduitoefening vereisen.
Tevens zal zij via de versterking van de rechtsstaat het recht en de rechtvaardigheid
op een geloofwaardige manier moeten nastreven.
Al die evoluties zijn a fortiori toepasselijk op de EU en haar bewegingsleven.
Bij dit alles zullen de burgers, naarmate de democratie
meer rechtstreekse vormen aanneemt, een belangrijk recht veroveren. Hierover
wordt angstvallig gezwegen, omdat de uitoefening ervan , soms nare en tragische
gevolgen kan hebben : het recht zich te vergissen. “ The cost
of failure is much greater than the price of victory ” zeggen de Engelsen terecht.
Ondanks haar grote waarde, volstaat de pluralistische
democratie niet als maatschappelijk ordeningsbeginsel. Ze moet ingebed worden
in een ETHISCH ordenbeginsel.
Deze meta-politieke stelling is van groot belang.
Hieruit volgt dat de democratie in de geavanceerde betekenis
van het driespan :
‘ democratie + markteconomie + rechtsstaat ’ een noodzakelijke , maar niet voldoende
voorwaarde is om te komen tot een humaan en medemenselijk bestuurde maatschappij.
Een ethische conditionering van de democratie dwingt tot een benadering die
het politieke overschrijdt.
De overleving van de democratie in de 21ste
eeuw zal afhangen, niet van de intellectueel sterksten, maar van de moreel besten.
Wat we nodig hebben met het oog op het behoud van een leefbare aarde én een
menswaardige samenleving is niet een verandering van de ethiek, maar een ethiek
van de verandering.
Slechts een ethiek van de verandering kan de volgende
generatie de moed en de kracht geven
om de goede veranderingen te bevorderen en de slechte te bestrijden. Als het
niet nodig is te veranderen is het nodig niet te veranderen. Is het wel nodig
te veranderen moet niet vernieuwing, maar verbetering de norm zijn.
2. Christenen als mensen van de WEG
Ethiek is eigenlijk een bergtocht maken. Het is voortdurend de top in het oog
houden. Soms is hij goed zichtbaar, soms ook niet. Maar er is altijd een top
en die top is het ZINVOLLE.
Om een bergtocht tot een goed einde te brengen heb je een gids of een
kaart nodig. Dat zijn de tien geboden of de fundamentele waarden die de richting
aangeven. Maar je hebt ook een uitrusting nodig : bergschoenen met dikke zolen,
twee paar sokken, proviand enzovoort.
Bij het vertrekt blijkt dat een aantal mensen de top niet ziet. Voor hen ligt
hij in de mist. Anderen denken dat hij op een andere plaats ligt en hebben dan
ook een andere visie op ede weg naar de top. Bovendien zijn er wel mensen die
het goed menen, maar geen bergschoenen hebben of slechts één paar kousen. Dat
zijn mensen die door omstandigheden niet goed voorzien zijn in het leven. Ook
zij zijn geroepen om een bergtocht te maken en mens te worden.
Sommigen van deze mensen zullen de top nooit bereiken. Moeten ze dan onderaan
blijven staan en zeggen dat ze niets kunnen. Mogen ze in de steek gelaten worden
en zeggen dat ze niet meetellen ? Of moeten ze uitgenodigd worden om TOCH aan
de tocht te beginnen en aangespoord worden om in de richting van de top te groeien
door hen een kaart en de middelen te bezorgen ?
Sommigen slagen er misschien in tot aan de voorlaatste blokhut te klimmen. Ze
zijn al ver geraakt, maar nog niet aan de top. Toch hebben ze al een panorama
ofwel een zekere kwaliteit bereikt. Voor sommige mensen is dat zeer goed, meer
dan goed zelfs, al is het niet ten volle.
Anderen komen slechts halverwege, wat ook al heel wat is. Deze mensen kan men
niet laren staan aan de eerste blokhut of het eerste oponthoud. Ze kunnen immers
méér : ze hebben enkel aansporing en een duw in de rug nodig.
Dàt is groei-ethiek ! Deze ethiek hanteert – met perspectief op het zinvolle
– de barmhartigheid om dit zinvolle niet in alle omstandigheden radicaal op
te eisen. Mensen moeten niet afhaken omdat ze niet méér kunnen , omdat ze geneigd
zijn aan de kant van het bergpad te gaan zitten
de tocht willen opgeven of er zelfs niet eens aan beginnen. Dat wordt dramatisch.
Het is precies in naam van het evangelie dat verlossing
brengt, dat wij ook op ethisch vlak mensen moeten verlossen. Daarom kunnen we
pleiten voor een ethiek van het haalbare.
Christenen zijn mensen van de Weg. Het doel aan het eind
van de weg is zeer belangrijk,
maar even belangrijk is de kwaliteit van de weg die men kan afleggen. ( Hand.
9,2 ; Johannes : passim ; – Lucas 24 – Boek Tobias )
3. De ethiek van het haalbare
Een evenwichtige en genuanceerde benadering van een dergelijke ethiek van het haalbare vereist dat wordt ingegaan op de mogelijke verhouding tussen het ethisch goede en het geweten, tussen norm en vrijheid, tussen het menselijk wenselijke en het menselijk mogelijke.
De encycliek ‘ Splendor Veritatis ’ gaat de strijd aan tegen het hedendaags ethisch relativisme en subjectivisme. Vanuit de grondslagen van de moraal wordt hier onderzocht of de mens wel zèlf kan bepalen wat ethisch goed of kwaad is.
De uitwerking van een ethiek van het haalbare en het ongeoorloofde , in het perspectief van de evangelische waarden, is een opdracht bij uitstek van de Kerk.
Het zal een grote opgave zijn deze ethiek van het haalbare aan de mensen in concrete situaties te presenteren zonder opnieuw te vervallen in een autoritaire benaderingswijze.
Het vertrekpunt van deze ethiek is steeds de concrete mens met zij n mogelijkheden en beperktheden. Het aanbieden van dergelijke ethiek zal dan ook niet zozeer bestaan in het aanbrengen van een model dat voor de mensen in kwestie haalbaar is, als wel eerder een binnentreden in hun feitelijke handelwijze vanuit de evangelische radicaliteit.
Het ligt niet in de bedoeling met de mensen in te stemmen, maar door middel van assistentie in kritische vragen en suggesties hen te stimuleren. Wanneer assistentie of aanwezigheid door mee te gaan ( is niet mee-gaand ) het vertrekpunt is, zal er onvermijdelijke ruimte gecreëerd worden voor de levensnoodzakelijke confrontatie. Dan wordt een eigen inzicht aangeboden als appel aan het geweten van de anderen. Hieruit kan een gewetensbeslissing volgen dat ‘ ik niet mijn zin doe ‘ of mijn impulsen volg ‘ , maar dat ik een verantwoord gewetensoordeel vel.
Deze inbreng zal zich afstemmen of grote geleidelijkheid en empathie.
Deze moeilijk opdracht zal dé pastorale opdracht van de kerk zijn in de nabije
toekomst.
Deze vloeit rechtstreeks voort uit het evangelie waarvan de kern precies de
‘ verlossing ’ is.
Mensen worden niet verlost vanuit normen, maar door , zoals Jezus, rond te trekken, bij de mensen aanwezig te zijn en hen te bevrijden vanuit hun concrete situaties. Het eerste en het laatste woord van het evangelie is niet ethiek maar verlossing. Hiermee wordt geen ethiek à la carte geboden, noch een ontsnappingsethiek. Men maakt immers nier persoonlijk uit wat haalbaar is.
Vanuit de verlossing die genade is , ontwikkelen we een ethiek die mensen oproept om echt als bevrijde mensen te leven en dit zo zinvol mogelijk en in volle kwaliteit waar te maken.
P. Johan Van Calbergh o.m.i.
Diocesaan Proost BB.-LG.-KVLV
Lezing voor de proostendag van 23 OKT 2001 in Boerenhof Oostakker
PARADIGMA
SHALOOM
EGYPTE - MOZES - FARAO
TENACH : TORAH - NEBIIEM - CHETOUBIEM
DUALISME - DUAAL WERELDBEELD
HETERONOOM - AUTONOOM - THEONOOM
Aan te bevelen lectuur :
* Schillebeeckx Edward, Jezus een eigentijds verhaal Meiema
2001
* Borg Marcus , Nooit kenden wij God aldus Meinema 1998
* Borg Marcus , Als met nieuwe ogen bekeken. De historische
Jezus en waar het op aan komt voor het geloof van vandaag Meinema 1995
* Eyskens Marc, Leven in tijden van godsverduistering”
Lannoo 2001
* Lenaers Roger, De droom van Nebukadnezar. Het einde van een
middeleeuwse kerk TGL, Speciaal nummer Maart 2001
* Meerdere auteurs, Het zindert en knispert. Over de toekomst
van de religie. TGL 2001 Mei-Juni.
* Den Dulk Maarten, Pastoraat in cultuur-filosofisch perspectief.
Meinema 2001
* Meerdere auteurs, Overgeleverd aan de toekomst. Christendom
in een na-traditionele tijd. Meinema 2001.
* Theissen Gerd, De godsdienst van de eerste christenen. Averbode
2001.
* Merrigan Terrence, Verleden openen naar heden en toekomst.
Averbode 2001.
* Chiappo Michele, De radicaliteit van de liefde. Averbode
2001.