Start

WIJ ZIJN MAAR KLEINE MENSEN

Luc. 1,39-56
Zij moest haar geluk met iemand kunnen delen,
er met een vrouw kunnen over spreken
die de taal verstond van haar lichaam
en haar zou inwijden in zoveel nieuwe gewaarwordingen.
Na een lange tocht over het bergland van Juda
was het witte huisje van Elisabeth een verademing,
met de koele dronk en de lieve woorden van welkom. Elisabeth was zoveel ouder.
Bij haar kon zij terecht met al haar vragen,
met alles waarover zij de laatste tijd had nagedacht...
Zij hebben uren met elkaar gepraat
onder de oude olijfboom.
In de verte de silhouetten van Jeruzalem,
de muren en de tempel...
en voor hen het wijde land, zonovergoten.
- 'Weet ge waarom ik zo gelukkig ben, Elisabeth?
We zijn maar kleine mensen,
we hebben nooit iets te vertellen,
we zijn arm, we zijn vrouwen.
Als God mij nu uitkiest om moeder te worden,
als God met mij iets voorheeft,
dan toont Hij daarmee dat Hij aan onze kant staat.
Hij roept geen koningin en geen kasteelvrouw,
maar Hij vraagt mij.
Eigenlijk moet ons dat niet verbazen
want zo is het altijd geweest in ons volk.
Als ze honger leden of verslagen waren,
als ze klein werden,
dan vooral liet Hij hen voelen dat Hij niet veraf was. Daarom ben ik zo gelukkig.
Het zal veel mensen moed geven, als ze dat horen,
ook later, wie weet, vele eeuwen later.'

EEN NIEUW GELUID IN DE NACHT
Luc. 2,6-20
Zij betastte de kille grond van Bethlehems heuvels
en strekte haar moede leden onder de warme adem van de dieren.
Maar heviger ging haar eigen adem.
Zij kromde haar lichaam, voelde de weeën
en verlangde naar huis.
Zij zocht de hand van Jozef, groot en onbeholpen,
maar vol menselijke warmte.
Zij dacht weer aan de dag van de belofte:
'Gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen...' Toen scheen alles zo licht en zo helder.
Nu was alles donker en pijnlijk.
Maar toen zij het kind hoorde met een plotse schreeuw
- een nieuw geluid in de nacht -
schoten haar ogen vol tranen:
'God, ik wil U bedanken.'
'Dank u, dank u.'
Als een echo bleef haar dank nazinderen in al haar gebaren. Zou dit kind het teken uit de hemel zijn?
Zij keek door de open staldeur naar buiten.
De nacht leek niet meer zo donker.
Zou hij vrede kunnen brengen
in deze wereld van machthebbers en soldaten,
van slokkoppen en profiteurs?
Zou hij dat aankunnen?
'Jongske toch,' Zij koosde zijn trillend lichaampje.
De oude herder in het deurgat schudde met z'n hoofd.
"t Is wonder' herhaalde hij voortdurend
'hoe we allemaal ineens wakker geworden zijn...
D'er zal nog over gesproken worden.'
Maria zei niet veel.
Zij strekte zich uit, zij was moe
en viel met haar kind in slaap.
Zij droomde zich een hemel vol engelen.

IN HET DUISTER VAN DE TEMPEL
Luc. 2,22-35
In het duister van de tempel
sloeg de priester het mes
in de twee jonge duiven.
Maria keek naar het donker bloed
en huiverde bij de stuiptrekkingen
van de dieren.
Zij drukte haar kind
dichter tegen zich aan
met een vage angst
als om het te beschutten
tegen wie dan ook.
Zij wilde weer naar buiten,
werd misselijk van de geur
van het bloed en van de ingewanden
op de offertafels.
Zij wilde de zon zien en het licht.
Zij wilde naar huis...
'Mag ik even?'
Een oude man stak zijn handen uit.
'Of hij het kind even mocht vasthouden?'
Toen sprak hij als een profeet.
Maria stond een ogenblik versteld.
Haar kind zou een teken van tegenspraak worden? En velen zouden door hem ten val komen
of ten onder gaan?
Zij huiverde bij die woorden
en dacht onwillekeurig terug
aan de angstige ogen van de duiven
toen ze geslacht werden.
En dat haar eigen ziel
door een zwaard zou doorboord worden.
Deze woorden zouden haar achtervolgen
op weg naar huis en nog lang daarna...

HET HUIS VAN ZIJN VADER
Luc. 2,41-52
Weer viel de avond
en de angst werd groter.
Overal hadden zij gezocht en navraag gedaan:
'Of zij geen jongen gezien hadden van twaalf jaar, die alleen ronddoolde?'
Toen Maria zich ten einde raad
en ten einde krachten, te slapen legde,
kwamen de voorstellingen als spoken in haar geest. Zij zag haar kind uitgehongerd,
of geslagen door rovers, langs de weg.
Zij zag hem gevallen, gekwetst,
verminkt voor altijd.
Morgen zouden zij terug in de tempel zijn
en als zij hem dan nog niet gevonden hadden, zouden zij terugkeren
terug naar Nazareth
en thuiskomen zonder hem.
De pijn sloeg haar rond het hart.
Was dit nu het zwaard
dat die oude man had voorzegd,
twaalf jaar geleden?
Zij liepen met afwezige blik
langs de zuilenrijen van de tempel
en daar grijpt Jozef haar bij de arm:
'Daar Jezus!'
Wel en gezond,
alsof er niets aan de hand is,
zit hij geboeid te luisteren
naar een schriftgeleerde.
Hij stelt vraag en wedervraag.
'Jongen toch.'
Zij greep haar Jezus met beide handen vast. 'Waarom hebt gij ons dit aangedaan?'
Zij snikte van vreugde en van woede.
'Wist gij dan niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?'
Was zij dan toch die verre lentedag vergeten
in haar lemen huisje?
Toen zij door God gegrepen werd,
toen de hemel zo voelbaar was",
Maria kon niet antwoorden.
'Het huis van zijn Vader?'
Zij wilde naar huis,
naar haar eigen kleine huisje in Nazareth.
Jezus begreep toen reeds meer dan zij begreep
en hij ging mee.
Hij zou haar nooit meer pijn doen op die manier.

KANA
Joh. 2,1-11
In Kana was er feest: het feest om twee gehuwden: feest om het wonder van de liefde
waarin ieder zich herkent.
Het dorpje lag veilig gehurkt op een heuvelrug:
de witte huisjes met de groene wijnstok aan de deur, uitnodigend als een glimlach.
Het was een feest met zoveel mensen
met zang en dans, en overvloed van spijs en drank. En toen het avond werd
en de mensen bij elkander hurkten
en hun verhaal vertelden
onder de gouden sikkel van de maan...
Toen gebeurde het: de wijn was op!
Op het terras stonden de zes zware kruiken
leeg, als open monden in de nacht.
Maria kwam bij Jezus:
"t Zou zonde zijn, de mensen nu naar huis te sturen.' In haar ogen was het feest pas nu begonnen
met de liederen hier en daar,
onder 't ritmisch stampen van de tamboerijn,
en de vertelsels van de oudjes
en het dansen van de jongens.
'Kunt gij daar niets aan doen?'
'Och, vrouwe, moeder, is dat nu uw zaak?
Is dat nu het ogenblik?'
Maar Jezus dacht:
'Als zij zo begaan is met het geluk van die mensen, hoe zou het mij dan niet ter harte gaan?'
Zes kruiken in de nacht,
de open monden van de mensheid,
dorstend naar een beetje geluk.
'Doe er water in' zei jezus,
vul ze tot boven toe en laat de tafelmeester proeven.' Maria sloeg hem gade en zag wat er gebeurde.
Een stil geluk vulde haar hart tot boven toe.
Het feest zou dus niet gedoofd worden.
Aan de deur van de jonggehuwden bloeide,
elk jaar opnieuw, de wijnstok.
En hij droeg rijke vruchten.

HIJ ZAL NOOIT MEER TERUGKEREN
Luc. 4,16-30
Een buurvrouw was haar komen vertellen
dat Jezus in de synagoge was.
Men zou hem laten voorlezen
en daarna zou hij het woord mogen nemen.
En of zij niet nieuwsgierig was
naar wat hij zou vertellen?
Of hij daarna niet bij haar zou komen?
Maria keek de andere kant uit, antwoordde nauwelijks. Men had haar al zoveel verteld...
Dat hij wekenlang de woestijn was ingetrokken
en dat hij zo mager was geworden
met een verre, vreemde blik in zijn ogen,
en dat hij zieken genas en duivels uitdreef
en een nieuwe leer verkondigde,
maar dat hij moeilijkheden ging krijgen met de schriftgeleerden.
Zij was bang: het was ook zo akelig stil.
Door het venster kon zij net de witte gevel van de synagoge zien.
Daar was hij nu aan 't voorlezen.
Zij kon vermoeden wat hij ging zeggen
aan die mensen die hij eigenlijk ontvlucht was
omdat ze zo bekrompen waren,
zo alleen bekommerd om zichzelf.
Plots werd de stilte verscheurd door gejouw en geroep. Felle kreten verscheurden de stilte van de sabbat.
Maria wachtte, machteloos, en probeerde te bidden.
'Zij hebben hem uit de synagoge gejaagd.
Hij heeft lelijke dingen gezegd aan zijn eigen dorpsgenoten Zij hebben hem van de rots willen stoten
maar, als het er op aan kwam,
was er niemand die een hand naar hem dierf uitsteken.
Hij had weer die verre, vreemde blik in zijn ogen
en zij hebben hem laten gaan.
Maar hij zal nooit meer terugkeren...'
Diezelfde buurvrouw kwam alles fluisterend vertellen
en verdween dan heel vlug.
Maria bleef achter met dezelfde schrik en dezelfde vragen, 'Uit de synagoge gestoten...'
Dat was in haar familie nog nooit voorgevallen.
Er was een schande over haar huis gekomen.
Zij voelde een vreemde pijn,
een pijn die nooit meer zou overgaan.

MIJN MOEDER EN MIJN BROERS
Luc. 8,19-21

Als Maria bij de bron kwam, vielen de gesprekken stil... Zij liet haar kruik vollopen
en voelde de blikken van de andere vrouwen
als steken in de rug.
Wat vroeger het mooiste uurtje van de dag was,
werd nu een pijnlijke karwei.
Iedereen vermeed haar of glimlachte slechts van ver.
Was het medelijden? Was het spot?
Zij voelde zich nog het best in haar eigen kleine huisje. Maar op een dag kwam één van haar verwanten...
'Maria, we moeten Jezus terug naar huis halen.
Het moet, want ze zeggen dat hij zot geworden is.
We zullen er met de familie eens voor bijeenkomen.'
Die woorden bleven nabonzen in haar hoofd,
als doffe slagen die onheil voorspellen.
Wat de mannen beslist hadden, gebeurde.
En zij moest meegaan.
Zij zouden Jezus terug naar Nazareth brengen
en Hij zou zich moeten aanpassen
aan het gewone leven in het dorp.
Maria ging mee, met haar eigen gedachten
en haar eigen voorgevoelens:
zij was er zever van dat Wij nooit zou meekomen.
Zij had er de laatste dagen veel over nagedacht.
Alsof Jezus bij haar was... Zo had zij met Hem gesproken. En zij begon te begrijpen dat Hij zijn taak moest vervullen dat geen mens hem daarvan zou kunnen weerhouden.
Het groepje mensen uit Nazareth stond wat onwennig toe te zien naar de drukte aan de overkant van de straat.
In dat huis was Jezus bezig met zijn onderricht.
Zij konden er onmogelijk bij.
Daarom vroegen zij iemand van ter plaatse
om tot bij Hem te gaan met een boodschap:

'Uw moeder en uw broeders staan buiten
en vragen naar u.'
Jezus hoorde de boodschap.
Hij keek naar de mensen rond hem...
'Mijn moeder en mijn broers?
Dat zijn alle mensen die het woord van God willen horen en er naar handelen.'
En hij ging gewoon verder met zijn onderricht.
Toen Maria dit antwoord van Jezus vernam,
glimlachte zij fijntjes in haar binnenste.
Zo had zij het ook aangevoeld.
Maar hij kon het zo fijn uitdrukken.
'Kom laat ons terugkeren' zei ze
en zij sprak nu met een groot gezag,
hoewel zij maar een vrouw was in dat gezelschap.

LEERLING VAN HAAR ZOON
Luc. 11,27-28
Vele weken later hoorde Maria in haar huisje
dit gebeuren vertellen:
Jezus was aan het onderrichten, heel boeiend.
Iedereen zat sprakeloos te luisteren...
Een vrouw uit zijn gehoor staat plots recht,
keert zich om en roept met opgeheven armen, uitzinnig bijna:
'Zalig de schoot die u gedragen heeft
en de borsten die u hebben gevoed.'
Als wilde zij de heel de menigte meeslepen
in een denderende ovatie.
En die Jezus, die het nooit moet hebben van uiterlijkheden, die elke verering schuwt als de pest, zegt heel nuchter: 'Veeleer gelukkig, die naar het woord van God luisteren
en het onderhouden.'
Nu hadden de mensen geen goesting meer om te applaudisseren.
Ze stonden ogenblikkelijk weer met hun voeten op de grond.
Als Maria dat hoorde vertellen, lachte ze hartelijk.
'Dat was hem weer helemaal.'
Met één woord kon hij de aandacht wegtrekken van valse bijkomstigheden en richten naar de gezonde kern van de zaak.
Bij haar zelf, viel dit woord in een goede grond.
Stilaan had zij begrepen
dat de lichamelijke rol van haar moederschap was uitgespeeld,
dat de navelstreng voorgoed was doorgeknipt.
Nu was zij leerling van haar zoon geworden.
Nu moest zij door Hem gedragen worden
en door zijn woorden worden gevoed.

DE ZOMER IS IN AANTOCHT
Luc. 21,29-30
Er stond een vijgeboom in hun kleine wijngaard.
Een heerlijk plekje om er tegenaan te rusten.
Het was de boom die in de lente als eerste uitliep.
Uit zijn zachtgeworden knoppen sprong plots de tover van een glanzend, groen vijgenblad.
Hoe dikwijls had Jezus haar niet gezegd:
'Kijk, de vijgenboom loopt uit. De zomer is in aantocht.'
Elk jaar bleef hij stilstaan bij dit wonder:
'De zomer begint en geen mens kan dit verhinderen.'
Maria keek verrast naar een nieuw jong blad op de vijgenboom
en dacht aan de voorbije jaren en aan zijn lachend gezicht toen hij telkens zei:
'De zomer is in aantocht... en geen mens kan dat tegenhouden.'
Als in een verre echo keerden zijn woorden weer
in de wilde geruchten die zij opving uit Jeruzalem.
Hij had ginder de ondergang voorspeld van de tempel en de stad...
'Geen steen zal op de andere gelaten worden.
Alles zal verwoest worden.'
De mensen waren bezorgd en angstig naar huis gegaan. De schriftgeleerden en de hogepriesters waren woedend en wilden hem er uit gooien - gewapenderhand -
maar zij dierven niet.
Maria leunde tegen de vijgenboom aan.
Zij dacht aan het wonder van het stijgende sap
onder de grijze bast:
onzichtbaar, maar even onafwendbaar.
Wat er in Jeruzalem gebeurde was het eerste teken van de lente...
Er was een zomer in aantocht
en wie zou die kunnen tegenhouden?

ALS EEN LAM NAAR DE SLACHTBANK
Luc. 19,45-48
' Ik denk dat we hem dit jaar niet zullen zien.
Hij durft Jeruzalem niet meer binnenkomen,
want dan riskeert hij zijn leven.'
Maria zat stil te luisteren bij het vuur naar één van haar neven.
Zij zat in de grote groep van de Nazareeërs
op pelgrimstocht naar Jeruzalem om daar,
naar jaarlijkse gewoonte, het paasfeest te vieren.
'Sinds hij het tempelplein heeft schoongeveegd,
heeft hij het voorgoed verkorven.
Men spreekt van heiligschennis, verstoring van de eredienst.
Hij moet geweldig te keer gegaan zijn.
Hij sloeg maar waar hij raken kon
en de opgezweepte dieren deden de rest.'
Eigenlijk waren ze fier op hun Jezus van Nazareth,
maar ze kwamen er niet voor uit.
Een mens moet voorzichtig zijn.
'ja, wie aan de tempel raakt...'
ging hij verder en hij maakte een veelzeggend gebaar
als om te zeggen, die raakt ook aan de tempelschat
en daar hangen heel veel profijten aan vast.
'Neen, ik denk dat Hij het nooit zal overleven
als hij het nu waagt naar Jeruzalem te gaan.
Maar met hem weet men nooit...'
Maria droomde weg.
Zij liet de mensen maar bazelen...
De stilte van de nacht werd hier en daar verscheurd door het weemoedig blaten van een lam.
Ze waren meegebracht om geslacht te worden, zoals elk jaar:
als zovele schakels in de tijd,
schakels naar die andere nacht in Egypte,
toen alles anders werd, de nacht van de uittocht.
Zij keek over de maanverlichte heuvels van juda. Zou hij zich ergens ophouden?
Zou hij op een eenzame hoogte aan het bidden zijn? Weer blaatte een lam dat de slaap niet kon vinden. Maria huiverde ...

ZOON VAN DAVID
Luc. 19,37-38
Naarmate de pelgrims uit Nazareth
de stadsmuren van Jeruzalem naderden,
werd ook de menigte rondom, steeds talrijker.
Van overal kwamen zingende, kleurrijke groepen.
Zij riepen mekaar toe als oude bekenden op een familiefeest.
Toen kwam een jongetje opgewonden toegelopen:
'Hij komt toch! Hij komt! Jezus komt naar het paasfeest!' Dit nieuws kwam als een verrassing,
als een onverwacht geschenk aan de stadspoort.
De vermoeidheid en de dorst waren op slag vergeten.
Zij trokken palmbladeren van de bomen.
'We gaan hem inhalen.
Hij wordt koning gekroond in de Davidsstad.'
En toen begon het: een ritmisch, obsederend klappen in de handen. Eén denderende begeestering, één onophoudend scanderen:
'Zoon van David! Zoon van David!... Hosanna!'
Op de Antoniaburcht werden de wachtposten verdubbeld. Het woord David zoemde hen als een steekvlieg om de oren.
Maria stond toe te kijken, stil en onbeweeglijk.
Maar haar hart bonsde in haar keel.
Zij begreep niet... zou het geen vergissing zijn?
Haar Jezus ging zich nooit tot koning laten uitroepen,
zo maar in het zicht van de Romeinen.
Hij vluchtte altijd elke massa en elke verering van zijn persoon.
En toch, toen het gejoel plots crescendo ging,
zag zij hem en meteen verdween de onrust en zij verstond. Zij zag hem zitten op een tenger ezelsveulen,
zoals de jongens dat doen...
zoals zij hem zo dikwijls als knaap
door de straatjes van Nazareth had zien rennen.
Zij zag hem zonder lijfwacht, zonder wapens
en in zijn ogen een mateloos medelijden.
Op de Antoniaburcht was de spanning geweken.
De soldaten keken geamuseerd toe...
Toen het aan de stadspoort even stil geworden was, kwam Jezus met zijn hand aan de grote stenen van de muur,
en die er omheen stonden konden horen hoe hij zei: 'Zij zullen u, met uw kinderen die in u wonen, neersmakken...
Geen steen zal op de ander blijven.'
Het volksgewoel verstomde.
Maria zag Jezus verdwijnen onder de menigte.
Zij moest uitwijken voor een nieuwe golf aankomende pelgrims.
De palmbladeren werden vertrapt tot vuilnis.

NACHT OVER JERUSALEM
Luc. 21,36-38
Maria had zich nog nooit zo klein,
nog nooit zo hulpeloos gevoeld
als die nacht.
Wat er met Jezus ging gebeuren wist zij niet.
Zij voelde zich zo machteloos.
Zij lag tussen haar verwanten op een dakterras
en tuurde over de slapende stad.
Zij zag de grijze silhouetten in het licht van de volle maan, als een spookachtig decor,
opgetuigd voor een luguber spel.
Zij had de wildste geruchten opgevangen...
Dat de tempelwacht was uitgestuurd om hem aan te houden.
Anderen zegden dat hij de macht ging grijpen.
Zij staarde doelloos in de nacht
en liet haar verdriet zien aan God in de hemel...
Maar Hij leek zo ver als de einder
en zo onwezenlijk als de sterren.
Zij prevelde zijn naam: 'Jahweh - God'.
Zij fluisterde: 'Mag ik 'Vader' zeggen?'
Als de zachte lentewind kwamen de herinneringen:
hoe zij Jezus het leven had gegeven
en hoe hij haar leven had veranderd...
Hoe zij hem gekoesterd en verzorgd had met een warme liefde
en hoe hij haar ogen had geopend
op de diepe zin van alle dingen.
Er bleef iets van hem dat zij meedroeg in haar hart
en dat niemand haar kon ontnemen.
Tegen de morgen, viel zij toch in slaap
en als ze wakker schrok,
hoorde zij paardengetrappel: een Romeinse patrouille!
Zij kromp ineen,
als trapten die paarden op haar hart.

MESSIAS!
Luc. 22,70-71
Maria keek in de wijdopen ogen van een radeloze jongen, -'Wat is er gebeurd, Johannes?'
- "t Is allemaal zo snel gegaan.
We zagen Judas en voelden ons verloren.'
- 'Waar is Jezus?' vroeg Maria zacht.
- 'Nu op weg naar de romein en daarjuist nog voor het Sanhedrin.
Hij is veroordeeld.
Hij heeft bevestigd dat Hij de gezalfde is... de Messias.'
Hoe vreemd klonk dit woord
in de mond van een op de vlucht geslagen leerling.
Dat woord hadden zij altijd gehoord in de gezangen
en in de lezingen, in plechtige bijeenkomsten,
als een triomfkreet.
Nu klonk dat woord als de schreeuw van een gekwetste.
- 'Heeft hij dat gezegd?'
-'ja, daarop is hij veroordeeld.'
Maria stond op en sloeg zich een hoofddoek om.
-'Kom, wij gaan zien.'
Zij gingen de stad in.
De nacht was voorbij...
Een nacht, even geladen als die andere nacht in Egypte,
lang geleden,
toen het wachtwoord werd doorgegeven van deur tot deur, met ingehouden geestdrift.
'Pascha! Overtocht!... nog deze nacht!'
Johannes keek in de ogen van Maria
en zag de ingehouden hoop die geen van beide dierf uitspreken:
'De Messias!'

AFSCHEID
Luc. 23,33-34
Toen zij hoorde dat de doodstraf was uitgesproken
kon niemand haar nog tegenhouden.
Zij vluchtte de straat op:
radeloos, tussen een krioelende massa pelgrims,
huilend, tussen een menigte in opgewonden kermisstemming.
Zij liep haastig en schichtig, baande zich een weg doorheen een traag slenterende massa.
Zij ontdekte plots een rode bloedvlek op de weg
op de weg naar Schedelplaats.
Zij liep als een wilde furie
duwde met haar handen de mensen opzij
en stond plots op de open plek,
even buiten de stadspoort.
Mensen stonden in groepjes toe te zien.
Zij hoorde nog enkele doffe slagen van de hamer
en toen vielen alle gesprekken stil.
Iedereen keek toe hoe het eerste kruis werd opgericht
met een van pijn verkrampte Jezus erop vastgenageld. Maria bleef maar toekijken,
zocht met haar ogen naar de trekken van zijn gezicht, zocht naar zijn ogen.
Dat was haar afscheid,
als streelde zij een laatste maal zijn aangezicht.
Het was een pover afscheid
midden een menigte die onverschillig en cynisch toekeek. Zij keek naar de hemel die haar zo duister werd.
Zij keek naar de aarde die zo vijandig leek.
Tussen haar wanhoop en haar angst keek zij in zijn ogen, in zijn blik, als altijd vol vrede.
Hij had haar zo dikwijls verteld
dat mensen niet mogen terugslaan, niet mogen haten.
Nu wist zij dat dit meer was dan een boodschap. 1-lij wás die boodschap
en, zij fluisterde zijn naam: 'Jezus',
als een gebed,
een nieuw gebed om vrede,
om kracht tot vergeving.

ONDER HET KRUIS
Joh. 19,25-27
Samen met Johannes was zij tot onder het kruis geraakt: een schamel groepje
dat zich als verwanten en vrienden van de terechtgestelde had aangediend.
De honderdman liet hen de wachtposten voorbijgaan. Hijzelf was geboeid door de aanblik van die Ene terechtgestelde.
Hij bleef een zeker gezag uitstralen,
ook al was zijn gezicht en zijn lichaam
nu vertrokken van de pijn.
Zijn doorbloede ogen richtten zich strak op die vrouw
die blijkbaar zijn moeder was,
alsof hij haar iets wilde zeggen.
En toen hoorde de honderdman heel duidelijk:
'Vrouw, daar is uw zoon'
en zijn blik richtte zich strak op de jongen naast haar.
En weer: 'Daar is uw moeder'.
Geen van beide antwoordde
alsof de betekenis van die woorden
nog niet tot hun bewustzijn was doorgedrongen.
Alsof zij nog niet beseften
dat een nieuw soort verwantschap tussen mensen
mogelijk was geworden,
een verwantschap zo innig, als tussen moeder en kind. Zo'n verwantschap is voor het eerst ontstaan
op die berg van verdriet,
en zo dikwijls herhaald
telkens mensen lijdende mensen opzoeken.
Toen de soldaat de dood van Jezus kwam bevestigen
door de speerstoot in zijn hart,
heeft Johannes Maria naar zijn huis gebracht.
Alles was anders geworden.
Een wereld zonder Jezus  ...
maar met de tederheid en de liefde die Hij hun geleerd had:
een liefde zonder mate.

SJALOOM SABBAT
Luc. 23,53-56
Maria was al zo dikwijls de Sabbat ingegaan
en telkens had zij met toegewijde zorg
de nodige voorbereidingen getroffen
zodat niets de sabbatrust zou verstoren.
De Sabbat binnengaan was voor haar
als een gewijde ruimte betreden,
een tempel binnengaan, uitgehouwen in de tijd,
om daarin stil bij God te zijn.
En elke Sabbat was een nieuwe kracht geweest in haar leven.
Alsof God pas in ons werkt, als wij de handen laten rusten, alsof God pas iets nieuws begint
als wij geen stap meer kunnen zetten.
Dit was de grote Sabbat,
de grootste uit haar leven...
Zij was de voorname man uit Arimatea dankbaar
dat hij zijn graf had afgestaan
en die vrouwen
die al kruiden en balsem hadden bijeengebracht
om zijn lichaam te balsemen.
Het waren zorgzame toebereidselen
om de Sabbatrust niet te verstoren.
In de stilte van de avond,
legde Maria de handen in haar schoot
en bracht haar gedachten tot rust.
Dit was het uur van Jezus. Zijn Uur!
Hij bouwde de nieuwe tempel in de geschiedenis van de mensen,
een ruimte in de tijd om ons nabij te zijn.
Hij sloeg een brug tussen de hem--1 en de aarde,
legde een weg aan om ons te vinden;
Het was haar grote Sabbat.
God laten betijen
en wachten op de nieuwe dageraad!

TERUG IN DE BOVENZAAL
Hand. 1,14
Maria keek uit het kleine raampje van de bovenzaal,
richting Olijfberg.
'Ze zullen zo dadelijk allemaal weer binnenstuiven...' dacht ze.
Al die vrienden van Jezus
waarmee ze nu zo vertrouwd was geworden.
Elke dag vonden ze mekaar in dezelfde bovenzaal.
Het was hun stamcafé geworden.
Ook de Olijfberg was zo een plek waar ze vaak bijeenkwamen.
Vanaf het begin had Johannes Maria meegebracht
en zij vond er haar vreugde in.
Zij voelde iets van de geest
die Jezus in die groep had teweeggebracht.
De jongens hielden van elkaar.
Op die bewuste nacht hadden ze wel allen de vlucht genomen,
maar nu zouden ze voor elkaar door een vuur gaan. Ineens kwamen ze binnen.
Zij had hen niet horen aankomen.
Ze bleken allen zo stil en zo ontdaan...
'Is er iets?'
Simon dronk even van de kruik,
die in een koele hoek van de zaal stond...
'Wij hebben Jezus gezien, wellicht voor de laatste keer.
Hij is nu, waar Hij eigenlijk thuishoort:
bij de Vader waar Hij zo vaak over gesproken heeft.
Hij heeft ons de Geest beloofd,
want, zegde hij, gij moet veel verder gaan dan Jeruzalem. Hij sprak over Samaria, evengoed als over Judea,
ja, tot het einde van de aarde moet gij gaan.
Gij zijt mijn getuigen...'
De mannen luisterden instemmend naar Petrus' woorden, als las hij een testament voor,
en keken dan bezorgd naar Maria.
Het zou dus gedaan zijn met dit gezellig onder-onsje. 'Toen Jezus, enkele jaren geleden uit mijn huis wegging,' zei Maria, 'heb ik hem nagekeken.
Toen begreep ik het allemaal niet,
toen dacht ik: het loopt allemaal op niets uit.
Maar nu weet ik beter: Hij moest weggaan.
Zo is het ook met u allemaal.
Wij moeten mekaar durven verlaten, telkens weer
en van niets bang zijn.
Voelt ge niet dat Hij bij ons is en ons samenhoudt, waarheen we ook gaan?'
Het werd stil in de bovenzaal.
Goed, dat Maria er was om de angst af te weren
en hen te behoeden voor ontmoediging.

PINKSTEREN
Hand. 2,1-41
Zij hebben dagen lang geaarzeld en getwijfeld.
Zij hebben Jezus' laatste woorden overwogen en besproken, keer op keer.
Zij snapten wel de zin ervan,
de boodschap die Hij had gegeven,
maar misten eigenlijk de moed om ze in daden om te zetten.
Maria was dagelijks bij hen om de al te scherpe hoeken tijdig af te ronden.
Het mocht geen ruzie worden.
Toen werd het Pinksteren. Het was de tijd van de eerste oogst.
De mannen trokken naar de tempel met twee broden, gebakken uit de eerste tarwe,
en meisjes deelden kwistig bloemen uit.
Een dag dat geen mens in Jeruzalem binnenshuis bleef.
In de bovenzaal was de spanning te snijden.
Zelfs Maria liep er bezorgd bij.
Iedereen voelde dat het zo niet verder kon.
'Gij zult mijn getuigen zijn.'
Die woorden achtervolgden deze schuchtere jongens
tot in hun slaap.
Discuteren hielp niet meer...
Gods Geest heeft hen op die dag dooreengeschud.
Heel hun kleine wereld, stortte als een kaartenhuisje in mekaar.
Naderhand spraken zij van een stormwind en van een
vuur,
geweldig en onweerstaanbaar.
Zij weten nog hoe Maria bij dit geweld heel rustig bleef
en hen moederlijk toelachte als om te zeggen:
'Niet bang zijn... Doen!'
Simon Petrus is het eerst naar beneden gelopen,
de straat op.
De mannen die daar toevallig samentroepten
kregen de eerste lading:
een stortvloed van woorden zodat ze dachten dat hij dronken was.
Met z'n allen hebben zij over Jezus gesproken.
Wat zij dagen en weken hadden overdacht en overwogen, waarmee zij zelf hadden geworsteld,
was nu eindelijk boodschap voor de wereld geworden. Toen zij 's avonds diep gelukkig, bij Maria terugkeerden, had zij brood gebakken van de nieuwe tarweoogst.
De geur vulde het hele huis.
Nu was het echt Pinksteren.
De eerste oogst was binnengehaald.

DE JONGE KERK
Hand. 2,42-47
De Galileeërs? Speciaal volkje!
Ze blijven hier in Jeruzalem rondhangen
en houden zeer sterk aan mekaar.
Zij zijn vriendelijk en dienstvaardig voor iedereen.
Hun groep wordt met de dag talrijker.
Men zegt zelfs dat er Jerusalemmers bijkomen
die hun bezittingen verkopen
en het geld in een gemeenschappelijke pot leggen.'
Als een vuurtje liepen de geruchten
door de straatjes en steegjes van de stad.
Elke dag zag men hen in groepjes optrekken naar de tempel.
Daarna gingen ze binnen in één of ander huis.
Verwonderd sloegen de mensen hun doen en laten nauwkeurig gade.
Ook Maria was verwonderd dat zij elke dag
nieuwe gezichten
zag binnenkomen in het huis van samenkomst.
Voor elk van hen had zij een bijzondere aandacht.
Met veel moederlijke zorg vroeg zij aan ieder van hen
hoe het hen ging?
Zij luisterde naar hun kleine en grote noden.
Die samenkomsten waren voor haar sublieme ogenblikken. Als het brood gebroken werd
en 'zijn' woorden weer werden uitgesproken,
was Jezus weer bij haar aan tafel.
Dan was Hij, - anders dan vroeger - nog dichterbij dan toen.
Maria mocht de kleine kudde bevestigen en bemoedigen. Zij zorgde ervoor dat niemand van hen
enig gebrek moest lijden,
dat niemand, die het moeilijk had, ongetroost naar huis ging.