De pen wordt ingesteld op vermoedelijke waterdiepte. Het peillood laten we recht omlaag onder de top in het water zakken.
Onder het gewicht van het peillood staat het soepele topje van onze hengel licht gekromd. Als het lood de bodem raakt zal de top weer recht gaan staan.
Wanneer de pen nu onder water blijft, weten we dat de pen omhoog moet. Als de pen daartegen boven water hangt, dan moeten we de pen naar beneden schuiven.
Dit schuiven met de dobber en het telkens weer opnieuw peilen, doen we net zo lang tot alleen nog het puntje van de dobber boven water zichtbaar is.
Indien goed uitgepeild en je verwacht brasem dan is het vaak noodzakelijk om minste een centimeter of 10 maar liever nog ruim 25 centimeter op de grond te gaan vissen.
Als we een zachte bodem vermoeden, doen we er goed aan om nog eens na te peilen, maar nu met een superlicht peillood.
Als je eenmaal de visdiepte vastgesteld hebt, markeer je de visdiepte. Dit doe je door de dobber naast je hengel te houden en met een rekje of streepje te zetten op de plaats waar de bovenkant van de dobber tegen de hengel komt. Mocht om de één of andere reden je dobber verschuiven dan vind je nu gemakkelijk de juiste diepte terug.
Indien goed uitgepeild en je verwacht brasem...schuif niet met de dobber maar met het onderste loodje van de lijn of onderlijn hierdoor zal het aas over de bodem gaan zweven en dit is juist het ideale voor de brasem. Men noemt het ook wel zwevend vissen.
Andere tips zijn steeds welkom en kunnen doorgestuurt worden naar onze mail