AAls het visioen verdwijnt, verwildert het volk@

Beschouwingen over de identiteit van de katholieke school

 

In onderwijskringen hoort men wel eens zeggen dat heden ten dage de ouders er niet meer in slagen hun kinderen op te voeden en vervolgens van de school verwachten dat zij deze taak van hen zal overnemen. Een dergelijke opmerking las ik de voorbije week zowel in Tertio als in Humo. Ik denk dat deze opmerking zeker een graad van waarheid bevat, maar tegelijkertijd toch onrechtvaardig is tegenover ouders, die hun kinderen een katholieke opvoeding willen geven. Ik ben namelijk van oordeel dat zij effectief redenen hebben om van de school een opvoeding te verwachten die beter aansluit bij wat zij thuis doen dan thans het geval is. Iemand als de huidige vice-rector van de KULeuven, Herman De Dijn, heeft daar o.a. in een interview in het boek Het onverwachte perspectief uit 1994 ook al op gewezen, maar dit interview is hem niet overal in dank afgenomen.

Wat er in het katholiek onderwijs aan de hand is wil ik illustreren met enkele voorbeelden. Een jongen uit het vierde jaar ASO moet in de les van Nederlands een spreekbeurt houden over een maatschappelijk probleem. Omdat zijn grootvader juist daarvoor gestorven is en er bij diens levenseinde in het katholieke ziekenhuis, o.a. inzake de ziekenzalving die door de familie was gevraagd, nogal wat verkeerd was gelopen wegens de therapeutische hardnekkigheid die er aan de dag was gelegd, kiest hij ervoor te spreken over palliatieve zorgen. Tijdens zijn spreekbeurt behandelt hij de verschillende standpunten i.v.m. euthanasie, maar laat wel duidelijk zijn sympathie blijken voor het standpunt van zuster Leontine, wier boek hij gelezen heeft. De leraar bestrijdt echter fel dit standpunt, dat ook dat van de bisschoppen en van de Kerk is, en verdedigt in alle ernst (dus niet om de leerlingen tot nadenken te prikkelen) de vrijzinnige visie. Een meisje, wier ouders bij de Marriage Encounter zijn, laat in een klasgesprek horen dat huwelijkstrouw voor haar een grote waarde heeft. De lerares, een gescheiden vrouw, verwijt haar echter dat ze naïef is en zegt dat het leven haar wel beter zal leren. Een sportploeg van een katholieke school neemt deel aan een kampioenschap in het buitenland. Er valt een weekend in de periode dat ze op reis zijn. De begeleidende leerkrachten geven er tijdens de vrije zondagvoormiddag de voorkeur aan samen met de hele ploeg leerlingen een bezoek te brengen aan een markt, veeleer dan een Eucharistieviering bij te wonen. De ouders van een meisje uit die groep, die er nog steeds in slagen samen met hun kinderen >s zondags naar de kerk te gaan, maar er de laatste tijd wel wat moeilijkheden over hebben met een jongere broer, zijn door wat zij beschouwen als >de afwijzende houding van de katholieke school tegenover de wekelijkse kerkgang= enigszins ontredderd.

Historische schets

Dergelijke conflicten tussen het katholiek verwachtingspatroon dat nog altijd leeft bij een aantal ouders, en het antwoord dat de katholieke school in het algemeen biedt, moeten begrepen worden tegen de achtergrond van de evolutie van het katholiek onderwijs en van de verhouding school - gezin in de laatste decennia. Tot in de jaren zestig was onze maatschappij verzuild. Voor de katholieken betekende dit dat zij van de wieg tot het graf (be)geleid werden door katholieke instituties en organisaties. Op deze wijze verwezenlijkte de Kerk in de moderne maatschappij het middeleeuwse ideaal van de christenheid misschien nog wel beter dan het in de Middeleeuwen zelf gerealiseerd was. De christelijke levensbeschouwing doordrong de samenleving binnen de zuil volledig en beheerste het hele leven van degenen die behoorden tot het katholieke volksdeel. Bepaalde gedragingen en levenswijzen werden binnen die zuil min of meer dwingend opgelegd. Het was gevaarlijk daarvan af te wijken want dat kon uitsluiting bv. onder de vorm van broodroof tot gevolg hebben. Door de verzuiling werd wel de katholieke opvoeding van kinderen en jongeren danig vergemakkelijkt. De ouders, die hun kinderen als katholieken wensten te 'socialiseren', werden gesteund door Kerk, school en jeugdbeweging. Onder leiding van de Kerk wezen alle opvoedingsinstanties in dezelfde richting.

Door de toegenomen welvaart, de grotere mobiliteit, de televisie en ook door het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), kwam er in de jaren zestig binnen de katholieke Kerk een veel grotere openheid voor de moderne wereld, zodat er vrij plots een einde kwam aan de kunstmatig in stand gehouden situatie van 'christenheid'. In vele landen, Nederland bv., stortte de katholieke zuil in elkaar. Vlaanderen kende een merkwaardige en ietwat speciale ontwikkeling: de zuil bleef weliswaar bestaan, maar werd grotendeels van zijn specifieke godsdienstige inhoud ontdaan. Om redenen die m.i. in hoge mate te maken hebben met de wijze waarop het geloof werd voorgesteld in de preconciliaire periode - nl. als een tamelijk levensvreemde aangelegenheid -, kwam na Vaticanum II alle nadruk te liggen op het christen-zijn als waardenbeleving. Voor de meeste hedendaagse katholieken die actief zijn in de geseculariseerde zuilorganisaties of ook in nieuw opgerichte organen en werkgroepen, zijn op de eerste plaats de christelijke waarden op het sociaal-ethische vlak van belang. Alles wat te maken heeft met wat men wel eens de verticale dimensie van het christendom noemt - ik denk aan sacramenten, liturgie en gebed en een specifiek religieuze verkondiging waarin men het heeft over een goddelijk heilshandelen, over Jezus Christus als het mensgeworden Woord van God, over zonde, verlossing, genade, eeuwig heil e.d. - verglijdt naar de achtergrond. Katholieke instellingen en organisaties richten zich thans niet meer tot hun leden of cliënten om uitdrukkelijk de christelijke boodschap en godsdienstige praktijken ingang te doen vinden of om bepaalde aspecten van het leven op een specifiek christelijke wijze vorm te geven, maar ze beperken er zich toe een kwalitatief hoogstaande service te bieden, eventueel vanuit een ietwat vage christelijke inspiratie. Dat heeft er zelfs toe geleid dat de specificiteit van het katholiek onderwijs in haar hogere kwaliteit werd gelocaliseerd.

Met de secularisering ging een pluralisering gepaard: in levensbeschouwelijk opzicht is er sinds de jaren zestig een relatief grote pluriformiteit gekomen onder de gezinnen die een beroep doen op de 'diensten' van de katholieke school. Om te kunnen beantwoorden aan de zeer diverse verwachtingen van de gezinnen heeft die school zich van een opvoedingsinstantie meer en meer omgevormd tot een (modern) centrum voor overdracht van technisch-rationele kennis, die zogezegd neutraal en waardenvrij is. Voor zover het levensbeschouwelijk aspect nog aan de orde kwam, neigde de school er steeds meer toe om zich af te stemmen op de >grootste gemene deler= (kardinaal Danneels), d.w.z. op de (sociaal-)ethische kern die men in alle acceptabele levensbeschouwingen aanwezig acht. Zodoende blijft het ook in de katholieke school vaak bij een waardenopvoeding die niet veel verschilt van wat men in het officiële onderwijs op dit vlak probeert te doen. In 1992 gewaagde Johan Van der Vloet, toenmalig medewerker van de dienst Katholiek Opvoedingsproject van het Nationaal Verbond van het Katholiek Onderwijs, van een "huiver van de katholieke school om haar confessioneel karakter in te vullen" (God thuis. Geloofsopvoeding in het gezin, p. 20) en van "een groeiende onrust wanneer men de vraag stelt hoe de school haar christelijk opvoedingsproject ziet" (p. 23). Wat dit laatste betreft is er ondertussen op papier althans wel wat veranderd. Er zijn sindsdien in Vlaanderen twee congressen van het katholiek onderwijs geweest (In Uw woorden wonen en Kiemkracht) en alle scholen van het katholieke net hebben een opvoedingsproject geformuleerd waarin de religieuze opvoeding ruim aandacht krijgt. Doch in de praktijk blijkt er van de realisatie van dat katholiek karakter toch niet veel in huis te komen. Er blijft een huiver merkbaar om zich uitgesproken katholiek te profileren. Wat de godsdienstsocioloog Theo Schepens voor Nederland vaststelde geldt ook voor Vlaanderen: ADe katholieke school is in het algemeen even katholiek als de gemiddelde katholiek en dat wil zeggen: nogal weinig katholiek!@ Het is in deze context dat de voorbeelden uit mijn inleiding thuishoren.

Reactie

Vanuit een minderheid is er een duidelijk afwijzende reactie gekomen tegen de feitelijke interne secularisering en pluralisering van de katholieke school, vooral wanneer die zich zelfs in de godsdienstlessen doen voelen. Doch men reageert dikwijls vanuit een soort nostalgie naar de tijd van de verzuiling, omdat men meent dat de gestalte van de Kerk in de preconciliaire periode, dus de Kerk als christenheid, eeuwigheidswaarde heeft en moet in stand gehouden of eventueel zelfs moet hersteld worden. Men verwacht dat in de katholieke school een bepaalde min of meer eenvormige godsdienstpraktijk en -beleving kan opgelegd worden en men verwacht bovenal dat de leerkrachten zich zelf daaraan houden, ook in hun privé-leven. Een dergelijke terugkeer naar de situatie van de verzuiling is in de huidige maatschappij echter niet mogelijk. Het is immers onmogelijk om de vele ouders die, ook als ze niet kerkelijk of zelfs niet christelijk zijn, hun kinderen toch naar het katholiek onderwijs willen sturen, te verplichten voor hun kinderen een andere school te kiezen. Een terugkeer naar de situatie van verzuiling is ook niet wenselijk, al was het maar omwille van de reeds vermelde fenomenen van uitsluiting.

Er is dus geen andere mogelijkheid dan de geseculariseerde levenshouding van het merendeel van de leerlingen en eventueel zelfs van een aantal leerkrachten en bijgevolg de pluralistische samenstelling van de schoolbevolking ook binnen het katholiek onderwijs te aanvaarden als een onontkoombaar gegeven dat inherent is aan de maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste decennia. Ik ben niettemin van oordeel dat de katholieke school ook in deze situatie verplicht is te beantwoorden aan de rechtmatige verwachtingen van die groep ouders die hun kinderen een katholieke opvoeding willen geven en daarin door de katholieke school gesteund willen worden. Het is onmiskenbaar dat dergelijke opvoeding bedreigd is door de veelheid van boodschappen die zelfs kleine kinderen in de huidige katholieke school te verwerken krijgen. Dit betekent dat de school, die zich katholiek wil noemen, ondanks de pluralistische samenstelling van haar leerlingenpopulatie en eventueel zelfs van haar lerarencorps toch een expliciet en herkenbaar katholiek karakter moet bewaren. Vooraleer aan te geven hoe dat kan gebeuren, moet ik eerst nog omschrijven waarin die identiteit bestaat.

Waarin bestaat de katholieke identiteit?

Ik denk dat men slechts over een katholieke school kan spreken wanneer er een relatie is met de katholieke Kerk. Men zou kunnen stellen dat een school katholiek is in zoverre zij participeert aan het vervullen van de taken van de Kerk. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft deze taken (het zogenaamde >drievoudige ambt=) van de Kerk omschreven als: de verkondiging van het Woord Gods, de viering van de sacramenten en de beleving van een hoogstaand ethos door het ter harte nemen van het tweevoudige liefdegebod. Het Geloofsboek van de Belgische bisschoppen spreekt van: het geloof belijden (verkondiging), het geloof vieren (liturgie) en het geloof beleven (liefde tot de naaste en tot God of ethisch handelen en gebed). Als op de website van het VSKO i.v.m. schoolpastoraal sprake is over Ade vier wezenlijke uitzichten van elke pastoraal (koinonia, kerugma, diaconia en leitourgia)@, wordt m.i. eveneens het drievoudig ambt van de Kerk bedoeld (de liefdebeleving wordt hier uitgesplitst over twee dimensies, nl. gemeenschapsvorming en dienstbaarheid). Als student heb ik in 1966 van de toenmalige bisschop van Antwerpen, mgr. Daem (een vroegere directeur-generaal van het NVKO) eens een voordracht gehoord, waarin hij weergaf wat juist de boodschap was van het concilie, dat hij in de voorgaande jaren had bijgewoond. Ook hij sprak toen over die drie taken, maar legde er de nadruk op dat het concilie die telkens in een welbepaalde volgorde genoemd had: verkondiging en liturgie hebben prioriteit op de moraal omdat zij in een christelijke optiek de grondslag vormen van het ethisch handelen: de boodschap van het evangelie en de heilswerking van de sacramenten stellen de gelovige juist in staat tot een leven in gerechtigheid en liefde. Mgr. Daem wees er ook op dat verkondiging en liturgie de specifieke taken van de Kerk zijn. Wanneer deze taken verwaarloosd worden dan is er volgens hem een groot gevaar dat de dienst van de liefde (voor zover die nog blijft bestaan!) vormen van clericalisme of secularisme aanneemt (m.i. was dit resp. het geval in de tijd der verzuiling en in de post-conciliaire periode); in beide gevallen vervaagt de katholieke identiteit. Deze profetische visie van mgr. Daem (en van het concilie) is nog steeds actueel. In zijn recentste kerstbrochure Instapkaart voor een nieuw millennium heeft kardinaal Danneels Ade taak van de Kerk in de eenentwintigste eeuw@ behandeld. Hij omschrijft die als het vervullen van het drievoudig ambt van Averkondigen, vieren en dienen@ (p. 28). In deze opsomming is de volgorde van belang!

In het licht hiervan kan men dan op grond van mijn historisch overzicht vaststellen dat de christelijke identiteit verdampt is omdat het christendom de laatste decennia meer en meer als een (sociale) moraal werd opgevat. Zo is ook de identiteit van het katholiek onderwijs niet goed uit de verf gekomen omdat de nadruk nogal eenzijdig kwam te liggen op de niet-specifieke taak van de dienstverlening en op de (sociaal-)ethische dimensie van het christen-zijn. In het godsdienstonderricht of (voor zover die nog voorkwamen) in de liturgievieringen werd nogal veel gemoraliseerd. Sommige beleidsmensen bepalen het specifieke karakter van de katholieke school vanuit de ethische dimensie en zeggen dan bv. dat de liefde er tot het uiterste beleefd wordt (ondanks alle goede bedoeling om de tegenovergestelde indruk te maken, misschien toch een rijkelijk pretentieuze uitspraak; bovendien denk ik dat men ook in het katholiek onderwijs eerlijk moet toegeven dat ze in tegenspraak is met de realiteit!). Overigens moet men met waardering erkennen dat er voor het op touw zetten van acties zoals Welzijnszorg en Broederlijk Delen in een hedendaagse katholieke school nog altijd wel mensen te vinden zijn. Het probleem is echter dat er verlegenheid ontstaat rond het meest eigene van het christen-zijn: de boodschap over heil van Godswege, die in de liturgie gestalte krijgt. De voorbeelden die ik in mijn inleiding heb aangehaald, hebben hierop betrekking.

Hoe kan men gestalte geven aan de katholieke identiteit?

Uit dit alles is duidelijk wat moet gedaan worden om (opnieuw) duidelijk gestalte te geven aan de katholieke identiteit. In de terminologie van het document over schoolpastoraal moet men zeggen dat er in de katholieke school moet gewerkt worden niet alleen aan koinonia en diaconia, maar ook en zelfs vooral aan kerugma en leitourgia. Ik wil onmiddellijk met alle nodige nadruk stellen dat het hierbij steeds moet gaan om een aanbod, d.w.z. dat niemand verplicht is er zich in geloof bij aan te sluiten. (Welke implicaties dit heeft voor de godsdienstlessen, hoop ik elders nog eens uit te werken.) Het aanbod van expliciete verkondiging moet er echter in een katholieke school wel zijn opdat degenen die het willen er zich zouden kunnen bij aansluiten. Wanneer, zoals thans al te dikwijls het geval is, dit aanbod door secularisme en pluralisme verwaterd is, verdwijnt de mogelijkheid er positief voor te kiezen. Maar hoe kan dit aanbod gebeuren wanneer, zoals boven al vastgesteld is, in de huidige katholieke school zelfs het leerkrachtencorps pluralistisch is samengesteld. Kan men van leerkrachten die zelf niet kerkelijk of gelovig zijn, een bijdrage op het vlak van de verkondiging of liturgie verwachten? Ik denk dat dit wel degelijk kan, namelijk wanneer men die leerkrachten aanspreekt niet op hun geloofsovertuiging, maar (zoals de Nederlandse theoloog Henk Witte voorgesteld heeft in een van zijn lezingen voor het Vlaams Verbond van het Katholiek Onderwijs) op hun professionaliteit als personeelslid van een katholieke school. Dit betekent dat leerkrachten wanneer ze gaan werken in een katholieke school, beter dan nu het geval is op de hoogte zouden moeten zijn van wat het christendom en meer bepaald het katholicisme juist inhoudt. Hier ligt een belangrijke taak voor de directies: zij zouden op studiedagen aan hun leerkrachten daaromtrent de broodnodige vorming moeten geven, zodat deze laatsten weten waaraan ze zich in bepaalde situaties te houden hebben en welk standpunt ze in te nemen hebben (zulks gebeurt thans in bepaalde scholen wel inzake het anti-drugbeleid!).

Zo zou duidelijk moeten zijn voor leerkrachten van een katholieke school dat ze, wanneer ze tijdens een weekend op reis zijn met leerlingen, voor de leerlingen die het willen, ruimte moeten maken voor het bijwonen van een Eucharistieviering en dat ze dit eigenlijk alleen kunnen doen door die zelf bij te wonen. Als dat i.v.m. toezicht te regelen is, moet men de leerlingen m.i. geenszins verplichten om mee te gaan. Maar die leerkrachten moeten door hun aanwezigheid bij de zondagse Eucharistieviering een duidelijk signaal geven dat een katholieke school die wel degelijk belangrijk vindt, zelfs al denkt de overgrote meerderheid van de schoolpopulatie daar anders over. Het is wel zo dat die leerkrachten de Eucharistieviering moeten bijwonen omdat ze tijdens die reis optreden namens de katholieke school; wat die leerkrachten in hun privéleven buiten schoolverband doen, moet aan hun persoonlijk geweten overgelaten worden.

Het kan ook niet dat leerkrachten van een katholieke school tegenover de boodschap van de Kerk steeds maar weer hun daarvan afwijkende Apersoonlijke mening@ plaatsen, alsof die minstens evenveel waard is. Wanneer religieuze of morele kwesties ter sprake komen, moeten leerkrachten van een katholieke school in staat zijn het standpunt van het kerkelijk leergezag (d.w.z. dat van paus en bisschoppen en niet dat van elkaar bestrijdende theologen) op een correcte wijze weer te geven als zijnde het standpunt dat door de school zelf geaccepteerd is. (Ik wil hier onmiddellijk bij aantekenen dat het officiële kerkelijke standpunt inzake geboorteregeling niet alleen dat van >Rome= is, maar wel dat van de pauselijke encycliek uit 1968 in samenhang met de toelichting van o.a. de Belgische bisschoppenconferentie daarop; het is dus niet zo dat de officiële kerkelijke leer alleen natuurlijke middelen tot geboorteregeling zou toelaten; ook volgens deze leer is uiteindelijk de gewetensbeslissing van de echtgenoten doorslaggevend voor de keuze van de methode.) Wel kunnen leerkrachten eventueel te kennen geven dat ze problemen hebben met bepaalde kerkelijke standpunten, maar dan moet dat in alle bescheidenheid gebeuren, d.w.z. zonder hun eigen mening op hetzelfde niveau te stellen als het kerkelijk standpunt, dat ze in ieder geval vóór hun eigen bedenkingen respectvol moeten weergeven. Iets dergelijks moeten overigens in het algemeen historici of literatuur- en kunstwetenschappers doen als ze geloofsopvattingen die ze zelf niet delen of artistieke uitbeeldingen daarvan interpreteren. Wat zeker moet vermeden worden is dat de katholieke opvattingen die het sociaal-ethische vlak overstijgen, systematisch worden voorgesteld als voorbijgestreefd, repressief en niet meer van kracht in de huidige maatschappij. Het zal ondertussen wel duidelijk zijn dat ik hier niet uitga van een recente (post)modernistische misvatting van godsdienst als een expressie van persoonlijke religieuze gevoelens; een godsdienst in het algemeen en het katholicisme in het bijzonder moet, zoals kardinaal Newman zegt in de eerste zin van zijn studie over de dogmaontwikkeling, beschouwd worden als Aeen objectief gegeven in de wereldgeschiedenis@.

Op het voorbeeld van het huwelijk wil ik hier nog wat nader ingaan omdat kardinaal Danneels daarover onlangs in zijn preek op de trouw van prins Filip en prinses Mathilde enkele dingen gezegd heeft die ook voor een katholieke school behartenswaardig zijn. In het eerste gedeelte van zijn homilie heeft de kardinaal realistisch en openhartig erkend dat we leven "in een tijd waar lange schaduwen vallen over huwelijk en gezin ... Er is veel pijn tussen man en vrouw, veel onmacht en zelfs schuld". Hij is echter van oordeel dat de erkenning van de moeilijkheden in vele huwelijken en gezinnen geenszins mag leiden tot een verzwijgen van de christelijke boodschap over het verbond tussen man en vrouw, want "als het visioen verdwijnt, verwildert het volk" (citaat uit het bijbelboek Spreuken, 29,18). Volgens de kardinaal zou dit "veel erger zijn dan al het overige". Thans blijft de christelijke boodschap over het huwelijk ook in het katholiek onderwijs dikwijls achterwege, o.a. omdat nogal wat leerkrachten i.v.m. hun eigen levensomstandigheden er moeilijkheden mee hebben of omdat men meent dat die boodschap kwetsend is voor kinderen uit gebroken gezinnen. Zo komt men terecht in de fameuze zwijgspiraal: omdat de huidige cultuursituatie de verkondiging van de boodschap moeilijk maakt, zwijgt men erover, zodat de cultuursituatie verder verslechtert. Nu blijkt uit enquêtes onder jongeren dat het huwelijk hoog scoort op hun waardenschaal, maar uit de statistieken van de echtscheidingen blijkt evenzeer dat velen er desalniettemin niet in slagen hun verlangen naar een harmonisch gezinsleven in vervulling te doen gaan. Men kan zich echter afvragen of een meer expliciete verkondiging van de christelijke boodschap over het huwelijk voor veel jongeren geen hulp zou kunnen zijn om te bereiken wat ze ten diepste verlangen. Ik denk dat de katholieke school er niet onderuit kan om, wat ook de huidige problematiek rond huwelijk, gezin en seksualiteit zij, (evenals de kardinaal met behulp van een rijke beeldspraak zelf gedaan heeft in zijn preek op het prinselijk huwelijk) het visioen te blijven verkondigen van de levenslange trouw van man en vrouw aan elkaar: deze trouw is een symbool van de trouw van God aan zijn volk en van Christus aan zijn Kerk en wordt a.h.w. door de kracht van dit symbool mogelijk gemaakt. Deze boodschap mag niet zoals thans veelvuldig gebeurt verzwakt worden door een verhullend spreken over Akwaliteitsvolle relaties@ e.d.

Een transcendentie-ervaring: de erkenning van de afstand tussen visioen en realiteit

Wanneer ik een onderscheid maak tussen het optreden van leerkrachten uit hoofde van hun beroep en hun gedragingen als privépersoon, wijk ik op het eerste zicht af van wat de kardinaal in zijn kerstbrochure gezegd heeft over verkondigers die zouden moeten zijn Abegaafd met een absolute harmonie tussen hun zijn en hun zeggen@ (p. 31). Misschien kan wat ik voorstel zelfs de indruk wekken een pleidooi te zijn voor het permanent institutionaliseren van een vorm van hypocrisie in het katholiek onderwijs. Natuurlijk hoop ik echter dat verkondigers zoals de kardinaal bedoelt in grote getale in het katholiek onderwijs actief zijn en zullen zijn. Maar evenzeer denk ik dat de erkenning van een onderscheid tussen boodschap en leven in de huidige cultuursituatie de enige mogelijkheid is om de feitelijke secularisering en pluralisering te verzoenen met de rechtmatige verwachting dat van de katholieke school een meer eenduidige katholieke boodschap uitgaat. Overigens gaat het in die erkenning van een mogelijke discrepantie tussen woord en leven van de verkondigers m.i. ook om iets dat eigenlijk wezenlijk is voor het christen-zijn, nl. om de erkenning van een tekort dat ons allen als mens gemeenschappelijk is en dat ons moet aanzetten tot barmhartigheid. In een preek over de brief van Johannes heeft Sint-Augustinus eens aangetoond dat ware, authentieke en spontane naastenliefde alleen maar kan voortspruiten uit de erkenning dat wij, naar Paulus= woord, allen schuldig staan voor God en allemaal Zijn genade nodig hebben. Door het aanvaarden van de spanningsverhouding tussen het verkondigde visioen en de geleefde realiteit maken we duidelijk dat het christendom een boodschap brengt die ons allen te boven gaat of zoals men dat met een meer technische term zegt: een boodschap die transcendent is. Voor allen die werken in de katholieke school evenals voor alle verkondigers van het Woord Gods geldt wat de dichter-dominee Guillaume van der Graft zei: "Ik ben altijd kleiner dan mijn lied". Dat wij allen ten opzichte van het visioen tekortschieten mag geen reden zijn om de verkondiging van het visioen achterwege te laten, want het visioen (en het lied) zijn er nodig opdat we er ons allen zouden kunnen aan optrekken.

Marcel Gielis - 13 maart 2000