Sint-Andrieskerk

Antwerpen













De augustijnen, de inquisitie

en het ontstaan van de Sint-Andriesparochie





Tentoonstelling

16 juni - 31 oktober 2006















Concept en realisatie

Marcel Gielis, Universiteit van Tilburg

VZW Sint-Andries 2000



Bruikleengever

Bibliotheek van de Universiteit van Tilburg



Teksten catalogus

Gert Gielis

Marcel Gielis





Houtsnede

De marteldood van de twee Antwerpse augustijnen,

de eerste martelaars van de Reformatie,

op de Grote Markt te Brussel op 1 juli 1523

I. Laatmiddeleeuws geloofsleven





In tegenstelling tot Italië waar de bisdommen uit de Oudheid stammen en klein van omvang zijn, had West-Europa over het algemeen grote bisdommen die uit de Merovingische en Karolingische tijden stammen. Ten tijde van de Ottonen kregen vele bisschoppen ook wereldlijke overheidsmacht, wat het ontstaan gaf aan de prinsbisdommen. De bisdommen waren verdeeld in aartsdiaconaten en dekenaten. Aan de oudste en belangrijkste kerken (o.a. de kathedralen) waren doorgaans meerdere geestelijken verbonden die een kapittel van kanunniken vormden. Naast het gemeenschappelijke vermogen van het kapittel, bestonden er de afzonderlijke prebenden, die voor elke kanunnik persoonlijke inkomsten leverden. Ook in later tijd gebeurde het soms dat vorsten of hoge edelen in kerken waar zij het patronaatsrecht hadden een kapittel oprichtten.

De plattelandsparochies zijn meestal ontstaan in de feodale tijd als eigen kerk van een heer. O.i.v. de gregoriaanse hervorming die het eigenkerkenrecht fel bestreed, schonken vele kerkheren in de 12de en 13de eeuw hun kerken aan kloosters en kapittels, die dan de nieuwe kerkheren werden. In deze tijd wijzigde zich het eigenkerkenrecht tot het patronaatsrecht over het pastoreel beneficie van die kerk, d.i. het recht om een kandidaat voor de benoeming tot pastoor aan de bisschop of aartsdiaken voor te dragen (presentatierecht) en het recht het beneficie (de inkomstenbron die bij een kerkelijk ambt hoorde) te vergeven (collatierecht). Gewoonlijk werd aangenomen dat het beneficie van een pastoor bestond uit de 'jura stolae' (de rechten die de gelovigen moesten betalen voor bepaalde sacramenten en rituelen), de opbrengst van de pastorele goederen en een derde deel van de tienden. Degene die het patronaatsrecht bezat, genoot over het algemeen de twee derde delen die in principe resp. voor het onderhoud van de kerk en voor de armen bestemd waren, maar die de leken-kerkheren in de voorgaande periode zich doorgaans toegeëigend hadden als waren ze een voor hen bestemde belasting.

De overdracht van een kerk (of van het patronaatsrecht) aan een geestelijke instelling betekende gewoonlijk dat de kerk geïncorporeerd werd in die instelling, d.w.z. de instelling werd zelf pastoor of 'pastor primitivus' van de kerk en werd dus bezitter van het beneficie. Zij kon een van haar eigen priesters de pastorale taken in de geïncorporeerde parochie laten vervullen ofwel voor een gedeelte van de opbrengsten van het beneficie een priester huren: een deservitor of mercenarius. Ook allerlei andere instanties zoals paus, vorsten, bisschoppen, universiteiten probeerden rechten te laten gelden op beneficies om een inkomen te verstrekken aan clerici die een taak vervulden in de curies of professor waren of van hun mecenaat afhankelijk waren. Iemand die slechts in naam pastoor was noemde men 'persona personatus': hij streek de inkomsten op van een beneficie, maar resideerde niet ter plaatse (absenteïsme) en betaalde een deservitor om de pastorale taak te vervullen.

Nadat het eigenkerkenrecht was omgevormd tot het patronaatsrecht, kwam het bezit van de kerk aan de parochie. Het beheer van de kerk en van de kerkelijke goederen werd toevertrouwd aan de kerkmeesters (beheerders van de kerkfabriek), zoals het beheer van goederen waarvan de opbrengst moest voorzien in het onderhoud van de armen, werd toevertrouwd aan de H. Geestmeesters (beheerders van de Tafels van de H. Geest). Meestal bestonden er op een parochie behalve het pastoorsbeneficie, waaraan de zielzorg verbonden was, nog meerdere 'simpele beneficies', waaraan geen zielzorg verbonden was. Zulke beneficies werden opgericht door rijke individuele gelovigen of door broederschappen vooral om missen te lezen aan een altaar in een (zij)kapel (of gebeden te doen) tot lafenis van de ziel van de stichters. De collator van dergelijk beneficie (kapelanij) werd aangeduid door de stichter. De beneficiant (kapelaan) moest zelf de goederen die aan zijn beneficie waren verbonden beheren. De lasten van een beneficie moesten in verhouding zijn tot de inkomsten. Dit beneficiënstelsel is rond 1300 voltooid wat betreft de pastorele beneficies, terwijl het wat betreft de simpele beneficies in de late middeleeuwen nog sterk uitgebreid wordt door steeds nieuwe fundaties.



Volgens het ideaalbeeld van de bisschop zoals het o.a. door Jean Gerson werd ontworpen, was het de belangrijkste taak van de bisschop te zorgen voor bekwame priesters door alleen waardige en goed gevormde kandidaten tot het priesterschap toe te laten, door regelmatig op een synode de instructies van de priesters te vernieuwen en door op zijn visitatiereizen de resultaten van het werk van zijn priesters te onderzoeken. In werkelijkheid echter waren vele bisschoppen al te zeer door wereldlijke beslommeringen in beslag genomen om deze taak aan te vatten. Bovendien liet het patronaatsrecht aan de bisschop slechts een negatieve macht bij benoemingen, en ontnam het hem de mogelijkheid om priesters die zich niet naar behoren van hun functie kweten te sanctioneren. Met het beneficiënwezen, dat in sterke mate de status en het functioneren van de seculiere geestelijkheid bepaalde, waren nog andere, de pastoraal ongunstig beïnvloedende elementen praktisch onverbrekelijk verbonden. Wegens de economische depressie brachten vele beneficies te weinig op zodat clerici die zich een behoorlijk inkomen wilden verschaffen gedwongen waren meerdere beneficies te cumuleren. Samen met het misbruik van de beneficies in dienst van functionarissen van bisdommen en vorsten e.d., was de cumul de oorzaak van het absenteïsme.

De overgrote meerderheid van de priesters had geen aangepaste opleiding genoten. De enkelingen die theologie of canoniek recht hadden gestudeerd kwamen niet in de pastoraal terecht maar werden bv. aan een bisschoppelijke curie verbonden. De doorsnee priester was naar een Latijnse school, die in praktisch alle steden was te vinden, geweest en had enige praktische vorming gekregen als koster of misdienaar. Een minderheid (in Nederland: 10%, in enkele bisdommen: bijna 50%) had de artesfaculteit doorlopen. Het examen voor de wijding stelde geen hoge eisen. Om te verhelpen aan de gebrekkige vorming van de priesters waren er heel wat boeken in omloop waardoor de pastoor op de hoogte kon komen van zijn taak: boeken van het type Speculum curatorum, die een samenvatting van de christelijke leer, moraal en praktijk, een uiteenzetting van de ars retorica om te leren preken, een biechtspiegel en een verklaring van de riten van de Mis en de sacramenten bevatten; vervolgens armenbijbels, preekboeken, catechetische traktaten, devotionele literatuur en zelfs meditatieboeken. Het valt echter ten zeerste te betwijfelen of de doorsnee-plattelandspriester na zijn wijding nog studeerde.

Zeer vele priesters nl. de kanunniken en de kapelaans hadden eigenlijk geen pastorale taak. Alleen de pastoor van een parochie (of zijn vervanger) was belast met zielzorg. De taak van pastoor bestond uit het leiden van de liturgische plechtigheden (mis op zon- en feestdagen, soms getijden, processie op sommige feestdagen), het bedienen van de sacramenten (doop, biecht, viaticum en oliesel voor zieken/stervenden, huwelijk) en lijkdiensten. Over het algemeen werden in de loop van de late middeleeuwen de getijden in de parochies beperkt tot de vespers op feestdagen en schakelden de priesters over op het stil bidden van het brevier.

Het zedelijke leven van de seculiere geestelijkheid liet nogal veel te wensen over. Ongeveer een derde van de priesters leefde in concubinaat (clerici uxorati of focaristen, te onderscheiden van losbandige vrouwenlopers of fornicatores. Door de boeten die de officialiteiten voor de overtreding van de celibaatswet inden werd het concubinaat in feite gelegitimeerd. Drankmisbruik was een veel voorkomende kwaal onder clerici, waarschijnlijk wegens de vele vrije tijd.

Uit dit alles blijkt dat het beneficiënwezen zoals het in de late middeleeuwen functioneerde, verantwoordelijk was voor een priesterstand die slecht tegen zijn taak was opgewassen en leed aan vele kwalen.



Van oudsher, nl. sinds de 6de eeuw, bestond in de christenheid de benedictijnerorde met grote en machtige abdijen die veelal op het platteland waren gelegen. Rond 1100 waren daar de cisterciënzers (eigenlijk een hervormingsbeweging binnen de benedictijnerorde), de kartuizers en de norbertijnen (waarvan er velen pastoor werden in de in hun abdijen geïncorporeerde parochiekerken) bijgekomen. In de 13de eeuw verschenen dan de bedelorden ten tonele (dominicanen, franciscanen, karmelieten en augustijnen) die zich vestigden in meer bescheiden kloosters in de steden en zich toelegden op de prediking. De priesters onder de bedelmonniken hadden meestal een betere vorming genoten. Af en toe waren er conflicten tussen de seculiere en de reguliere geestelijkheid over de rechten om sacramenten te mogen toedienen.

Meerdere kloosterorden werden in de late middeleeuwen geconfronteerd met een beweging van 'observanten', die in reactie op het verval dat zich her en der voordeed streefden naar een striktere naleving van de regel. Een geestesstroming die vooral voor het kloosterwezen in de Nederlanden in deze tijd van groot belang was, is de Moderne Devotie. De vader van deze beweging was Geert Grote (1340-1384) die als predikant vooral het priesterconcubinaat en het eigenbezit van kloosterlingen bestreed. Onder zijn invloed en die van zijn leerling Florens Radewijns kwamen gemeenschappen van broeders en zusters van het gemene leven tot stand. Omdat dergelijke leefgemeenschappen waarin geen geloften afgelegd werden moeilijk aanvaard werden, stichtten de broeders het klooster van Windesheim, waarrond zich een congregatie van observante reguliere kanunniken ontwikkelde. De fraters hadden een dertigtal huizen in de Nederlanden en Duitsland en maakten zich vooral verdienstelijk door zielzorg onder de schoolgaande jeugd, voor wie zij convicten oprichtten. De Windesheimers waren talrijker (een 100-tal kloosters in de Nederlanden en Duitsland) en konden door toedoen van Johannes Standonck ook in Frankrijk doordringen.



De prediking werd in de late middeleeuwen verzekerd door de pastoors die voor of tijdens de hoogmis hun parochianen gedurende een half tot één uur cnderrichtten. De stof was nogal eens ontleend aan verzamelingen 'legenden en exempelen'. Meestal handelden de preken over de christelijke moraal en devotionele praktijken. Vele pastoors waren niet genoeg gevormd om goede predikanten te zijn. Voor bijzondere gelegenheden werden dikwijls bedelmonniken uitgenodigd. De catechese werd overgelaten aan de ouders. De minderheid van de leken die school had gelopen had daar ook catechese gekregen. Sporadisch werd een zondagsschool georganiseerd. Voor degenen die het lezen machtig waren, was er een vrij uitgebreide catechetische literatuur. Voor het niet of weinig geletterde volk speelden waarschijnlijk de mysteriespelen en de religieuze kunst een belangrijke rol in de overdracht van de christelijke boodschap.

Sinds Petrus Lombardus (12de eeuw) is algemeen aanvaard dat er zeven sacramenten zijn. Sinds Thomas van Aquino (13de eeuw) ligt ook de leer betreffende de sacramenten in grote lijnen vast. Het doopsel gebeurde sinds de 12de eeuw niet meer door onderdompeling maar door begieting. Het werd zo vlug mogelijk na de geboorte toegediend omdat het beschouwd werd als een noodzakelijke voorwaarde om in de hemel te komen. Algemeen verspreid was het gebruik dat de jonge moeder kort na de bevalling haar kerkgang deed. Het vormsel was een slecht begrepen en weinig populair sacrament. Het is onwaarschijnlijk dat alle gelovigen gevormd waren. Het huwelijk moest in drie achtereenvolgende verplichte missen afgekondigd en door een priester ingezegend worden, maar clandestiene huwelijken kwamen vrij veel voor. Aan de laatste sacramenten (viaticum en H. Oliesel) werd zeer veel belang gehecht, alhoewel misverstanden betreffende het H. Oliesel de gelovigen ertoe aanzetten het ontvangen van dit sacrament zo lang mogelijk uit te stellen. Ter gelegenheid van de berechting hielpen de pastoors dikwijls bij het opstellen van het testament, dat ook de fundaties bepaalde. Het geloof aan het bestaan van het vagevuur is sinds ongeveer 1300 in het Westen algemeen verspreid en is sterk bepalend voor de praktijken i.v.m. levenseinde, begrafenis en hiernamaals.

De jaarlijkse biecht en de paascommunie waren verplicht gesteld door het Vierde Concilie van Lateranen (1215). De kerkelijke geboden hadden bovendien nog betrekking op het mishoren en het zich onthouden van slafelijke werken op zon- en feestdagen en op het vasten en het vleesderven. Op het einde van de middeleeuwen werd in geheel de westerse christenheid de mis gedaan volgens de Romeinse ritus. Ieder bisdom had toch nog een eigen missaal want de feestkalender verschilde van bisdom tot bisdom. Het valt te betwijfelen of alle gelovigen inderdaad de verplichte mis op zon- en feestdagen bijwoonden. De gelovigen waren tijdens de mis slechts passief aanwezig of lazen in hun gebeden- of getijdenboek. Goede Vrijdag was de meest populaire feestdag, gevolgd door Pasen, Kerstmis, Pinksteren, Allerheiligen, Lichtmis en O.-L.-Vrouw Tenhemelopneming. Dat de gelovigen zo weinig communiceerden hangt samen met de grote eerbied voor Christus' lichaam: dit te ontvangen stelde te hoge eisen voor de meeste gelovigen. Uit het grote aantal votief- en gefundeerde missen blijkt dat men de mis beschouwde als een middel om bepaalde gunsten te verwerven. De verering van de hostie nam in de 14de en 15de eeuw een hoge vlucht, zoals blijkt uit elevatie (er werd groot belang gehecht aan het zien van de hostie), monstrans, lof, Sacramentsdag en -processie en de vele sacramenten van mirakel.

De jaarlijks verplichte biecht werd als een zware last ervaren. Voor een elite, die meer dan eens per jaar biechtte, kon de biecht als middel tot geloofsopvoeding fungeren. Uit de strenge boetewerken van de christelijke oudheid waren via redempties de aflaten ontstaan, die in de late middeleeuwen zeer populair werden. Een aflaat is een vorm van penitentie, die volgens de katholieke leer deel uitmaakt van het boetesacrament. In dit sacrament worden na de absolutie aan de berouwvolle gelovige de zonden vergeven, maar de straffen voor de zonden moeten hetzij hier door goede werken en boetedoeningen, hetzij in het hiernamaals door het lijden in het vagevuur uitgeboet worden. De paus kan evenwel door te putten uit de verdiensten van Christus en de heiligen 'aflaat' verlenen, d.w.z. een zwaar werk van boetedoening, bv. een langdurige periode van vasten en zelfkastijding of een verre bedevaart, vervangen door een lichter werk, bv. het geven van een kleine geldelijke bijdrage voor de bouw van een kerk. Omdat sommige gelovigen dachten dat zij door een aflaatbrief te kopen vergeving van al hun zonden en zondestraffen konden krijgen, kon de aflaathandel moreel wangedrag bevorderen. De aflaten werden verleend voor allerlei werken, aanvankelijk voor kruistochten, later voor gebeden, bedevaarten, verering van relikwieën, aalmoezen, geld voor kerkenbouw en werken van openbaar nut. Heel bekend uit de jaren juist vóór het optreden van Luther is de aflaat ten voordele van de bouw van Sint-Pieterskerk te Rome. In de Nederlanden is deze aflaat bekend als de dijkaflaat omdat (de latere) Karel V met de paus overeengekomen was dat een deel van de opbrengst zou gebruikt worden voor het herstel van dijken.



Voor het geloofsleven van de leken waren broederschappen, die vooral ontstonden uit solidariteit ten opzichte van de dreiging van dood en hiernamaals, uitermate belangrijk. De broederschap verzorgde de lijkdiensten van de overleden leden en liet zielenmissen doen en bad voor hen. De ambachtsgilden, die allereerst sociale organisaties waren, vervulden dikwijls ook de taken van een broederschap. Sommige broederschappen ontstonden in verband met een klooster, andere streefden ook de religieuze vorming van hun leden na of richtten zich op boetepraktijken.

Onder invloed van Bernardus, Franciscus en andere heiligen kreeg Christus' mens-zijn op het einde der middeleeuwen meer de aandacht dan daarvoor. Zoals blijkt uit de viering van Goede Vrijdag, de verspreiding van de kruisweg in deze tijd, de kunst en de mysteriespelen werd vooral zijn lijden een belangrijk thema in de volksdevotie (daarnaast ook de kindsheid van Jezus). Behalve Maria, wier onbevlekte ontvangenis een punt van discussie was tussen de theologische scholen en tot wier ere men in de 15de eeuw in geheel de westerse christenheid het angelus en de rozenkrans begon te bidden, waren populaire heiligen: de verwanten van Jezus, de apostelen en andere nieuwtestamentische figuren zoals Maria Magdalena, pestheiligen zoals Antonius, Christoffel, Sebastiaan en Rochus en de veertien noodhelpers (o.a. Barbara en Catharina). De clerus stelde de heiligen voor als voorbeelden ter navolging, doch het gewone volk zag hen vooral als wonderdoeners.

De verering van de relikwieën van Jezus en van heiligen of van miraculeuze heiligenbeelden gaf aanleiding tot bedevaarten, waarvan de meest populaire waren die naar Jeruzalem, Rome, St.-Jakob van Compostela en de Mont-Saint-Michel. De processies zijn oude smeek- en zoenriten (kruisdagen). In sommige parochies werden processies gehouden naar niet al te ver gelegen bedevaartsoorden. Tenslotte kwamen algemeen in gebruik: de processies met het H. Sacrament op het feest van de patroonheilige van de kerk (kermis) en op Sacramentsdag.

Het publieke gebed van de Kerk, de getijden, werd in kloosters en collegiale kerken en in sommige parochiekerken in ere gehouden. Voor het privé-gebed of voor de geestelijke lezing van de elite van leken waren in omloop: bijbelbewerkingen, heiligenlevens, gebedenboeken, ook getijdenboeken, traktaten over het geestelijke leven en natuurlijk ook de geschriften van de grote mystici uit het Rijnland (Suso, Tauler) en de Nederlanden (Ruusbroec). Door de boekdrukkunst kon zulke lectuur sinds het einde van de 15de eeuw meer mensen bereiken.

I.v.m. het kloosterwezen kwam de Moderne Devotie reeds ter sprake. Deze beweging is natuurlijk ook van belang voor het geloofsleven van de leken. Kenmerkend voor deze beweging is het streven naar verinnerlijking. In reactie op de veruitwendiging die het laatmiddeleeuwse geloofsbeleving kenmerkt, wezen de moderne devoten erop dat het niet volstond om de uiterlijke riten en praktijken louter mechanisch toe te passen. Zij raadden aan de teksten ervan (evenals de geestelijke lectuur) te bemediteren ('ruminare') om zodoende tot een innige vereniging met God te komen. De uiterlijke riten werden door hen dus niet verworpen maar eerder gezien enerzijds als uitdrukkingen van een ware, innerlijke vroomheid, en anderzijds als hulpmiddelen om die vroomheid te voeden. De schrijvers van de Moderne Devotie hebben een belangrijke bijdrage geleverd tot de ontwikkeling van meditatietechnieken. Het meest bekende werk van de Moderne Devotie is natuurlijk de Imitatio Christi, praktisch zeker van de hand van Thomas a Kernpis.



Ondanks al deze uitingen van christelijke vroomheid bleef in de late middeleeuwen zeker op het platteland de aloude animistische wereldbeschouwing, die vanuit kerkelijk standpunt als bijgelovig moet veroordeeld worden, wijd verspreid. Uit de strafwet van keizer Karel V uit 1530 blijkt dat zelfs de hoogste wereldlijke overheidsorganen nog behept waren met bijgelovige opvattingen want de auteurs van deze wet gaan ervan uit dat schadelijke toverij werkelijk voorkomt en vooral dat ze efficiënt is. Iemand die dergelijke misdaad op zijn geweten heeft moet volgens deze wet gestraft worden overeenkomstig de aangerichte schade. Eigenlijk wordt niet zozeer de toverij op zich gestraft maar de diefstal, de aanslag op de gezondheid of de doodslag die door magische middelen bewerkt is. Overeenkomstig deze opvattingen zijn er in de 15de en 16de eeuw nogal wat processen aangespannen tegen zogezegde heksen die ervan verdacht werden de melk betoverd te hebben. Deze processen liepen meestal uit op een compositie, waarbij de verdachte een vergoeding voor de zogezegd door hem of (meestal!) haar veroorzaakte schade betaalde aan de aanklager.

De kerkelijke overheid keek tegen magische praktijken enigszins anders aan dan de wereldlijke overheid. Met het volkse hekserijgeloof, dat eigenlijk een waan is, liet de Kerk zich niet in, maar zij keerde zich wel tegen de praktijken van waarzeggers en tovenaars. Waarzeggers werkten bv. met een spiegel - of met een spiegelend vlak zoals een 'waterspiegel' - om allerlei verborgen, gestolen of verloren voorwerpen te laten zien of om een dief of een zogezegde heks te ontmaskeren. Ook kon gebruik gemaakt worden van een draaiende zeef. Met de term 'tovenaars' doelt het kerkelijke spraakgebruik in de eerste plaats op belezers van ziekten en van ander onheil, die geen orthodoxe gebeden gebruiken, verder ook op de heksenmeesters of bezweerders van hekserij die zogezegd diegenen die zich het slachtoffer van schadelijke toverij wanen, kunnen 'onttoveren', en tenslotte nog op de beoefenaars van magische kunsten die geleerd werden uit toverboeken. Vanuit de taal- en cultuurfilosofie die Augustinus in De doctrina christiana uiteengezet had, hadden de theologen i.v.m. het bijgeloof de leer van het duivelspact ontwikkeld: zoals iedere cultuuruiting een overeenkomst of een pact tussen mensen wat betreft de betekenis van tekens en woorden veronderstelt, ligt ook aan magie een pact ten grondslag, maar in dit geval zijn er demonen bij betrokken, die aan op zich ijdele bijgelovige praktijken eventueel een uitwerking geven.

De wereldlijke overheid steunde de Kerk in de strijd tegen het bijgeloof en zij vervolgde dus eveneens waarzeggers en tovenaars (de beoefenaars van rituele magie) als zijnde bedriegers én overtreders van het eerste gebod van God. Doch een misverstand aangaande de leer over het duivelspact bij enkele theologen (zoals de auteurs van de Malleus maleficarum van 1487) en bij nogal wat juristen en gerechtsofficieren leidde ertoe dat ook heksen ervan verdacht werden een pact met de duivel gesloten te hebben en dit zelfs bezegeld te hebben met een seksuele relatie. Aldus zijn de demonologische heksenprocessen die meestal eindigden met de terechtstelling van de (onschuldige!) verdachte op de brandstapel mogelijk geworden.

Behalve op bijgelovige praktijken had het kerstenings- of beschavingsoffensief dat de Kerk in de late middeleeuwen onmiskenbaar ingezet had, vooral betrekking op de seksualiteitsbeleving. Zij wilde de gelovigen brengen tot een betere naleving van het zesde gebod (over de kuisheid) en van de kerkelijke huwelijkswetgeving. Om nog altijd niet met zekerheid gekende redenen verhinderde de Kerk huwelijken binnen een vrij grote kring van bloed- en aanverwanten: huwelijken met een verwant tot in de 5de of soms zelfs in een hogere graad waren verboden door wetten die de bisschoppen uitvaardigden op synoden. De vele kinderen die we (in latere eeuwen, wanneer dit allemaal in de parochieregisters zal genoteerd worden) zien geboren worden in de eerste vier of vijf maanden na het huwelijk, leveren er een aanwijzing voor dat volgens de volksgebruiken een jongen en een meisje die verloofd waren, het recht hadden met elkaar geslachtsgemeenschap te hebben. Het was geen bezwaar dat het meisje in verwachting was op het ogenblik dat zij trouwde. Integendeel was dit bewijs van haar vruchtbaarheid waarschijnlijk vaak juist het motief waarom de jongen met haar trouwde. De Kerk echter wilde niet weten van een dergelijke test vóór het huwelijk. Bruid en bruidegom moesten wachten tot na de inzegening van het huwelijk om met elkaar naar bed te gaan en zodoende het huwelijk te consumeren, zoals de Kerk dat noemde. Vanaf het ogenblik dat een geldig gesloten huwelijk geconsumeerd was door geslachtsgemeenschap, was het onverbrekelijk, of er nu kinderen van kwamen of niet.

De aartsdiaken, een medewerker van de bisschop die in principe ieder jaar de parochies van het hem toegewezen aartsdiaconaat inspecteerde, deed bij zijn visitatie navraag naar publieke zondaars op het domein van de seksuele moraal. Met wat in het kerkelijk jargon 'simpele ontucht' genoemd werd, nl. seks tussen personen die niet gehuwd waren of toegetreden tot de geestelijke staat, liet hij zich maar alleen in wanneer het de spuigaten uitliep. Veel inspanningen getroostte zich de kerkelijke overheid om aan de gelovigen - vooral aan de mannen - duidelijk te maken dat het christelijke huwelijk levenslange en bestendige trouw aan de partner behelst. Iemand die publiekelijk aanstoot had gegeven door overspel, d.i. seks met een andere partner dan de wettige echtgeno(o)t(e), liep groot gevaar door de aartsdiaken voor de kerkelijke rechtbank gedaagd te worden. Seksuele betrekkingen met iemand waarmee men verwant was in een graad die een huwelijksbeletsel vormde, werden als incestueus beschouwd. Ontucht, overspel en overtreding van de celibaatswet konden dus nog verergerd worden door het incestueus karakter van de verboden seks.



In de 12de eeuw was tegelijk met de universiteiten een vorm van filosofie- en theologie-beoefening opgekomen die zich kenmerkte door de toepassing van logische analyse en bijgevolg door een hoge abstractiegraad: de scholastiek. In de late middeleeuwen werd deze scholastiek beheerst door de strijd tussen de 'via antiqua' en de 'via moderna' of tussen realisten en nominalisten, die zich van elkaar onderscheidden door het al dan niet aanvaarden van het reële bestaan van abstracte concepten zoals de menselijke natuur en door de grotere of kleinere rol die ze het kerkelijke instituut en de sacramenten lieten spelen in het heilsproces van de gelovigen. In reactie op de wereldvreemde scholastiek bepleitten de humanisten zoals Desiderius Erasmus van Rotterdam (1469-1536) een meer levensnabije theologie. Zijn levenstaak, namelijk de hervorming van theologie en Kerk door een herbronning aan de Schrift en de kerkvaders, ontdekte Erasmus in 1499 tijdens een reis naar Engeland, waar hij behalve met Thomas More ook kennis maakte met John Colet, die de brieven van Paulus uitlegde met behulp van een methode die aan het Italiaanse humanisme ontleend was. Na heel wat omzwervingen in Frankrijk, Engeland, de Nederlanden, Italië en tenslotte ook Duitsland en na vele jaren van studie van zowel de Grieks-Latijnse literatuur als de christelijke geschriften uit de Oudheid kwam Erasmus toe aan de uitvoering van zijn levenstaak: in 1516 bezorgde hij bij de drukker Froben in Basel de eerste uitgave van het Nieuwe Testament in de Griekse grondtekst en vervolgens, in de twintig jaren die hem nog restten, een hele bibliotheek kerkvaderedities. Daarnaast heeft hij door vele publicaties, waarvan de belangrijkste zijn het Enchiridion militis christiani uit 1503 en de Ratio verae theologiae uit 1518, gepoogd om, in reactie op het nogal uitwendige christendom van zijn tijd, een meer innerlijke en zijns inziens ook meer authentieke geloofsbeleving ingang te doen vinden, zoals hij die bij de kerkvaders en vooral bij Origenes (eerste helft van de 3de eeuw) vond.

Het ware christendom bestaat volgens Erasmus niet uit ritualistisch-magische praktijken en devoties, waar de laatmiddeleeuwse Kerk zo rijk aan was, maar wel uit het vervullen van de evangelische liefdewet en dit wordt mogelijk gemaakt door de genade die gegeven wordt door in het geloof deelachtig te worden aan de heilskracht van Jezus' leven en dood. De sterke klemtoon op het morele handelen van de christen gaat bij Erasmus gepaard met een zeer positieve waardering voor alles wat buiten het christendom ethisch hoogstaand is. Dat is de diepere reden van zijn levenslange interesse voor de Grieks-Romeinse literatuur. In het ritualisme dat in de Kerk van zijn dagen hoogtij vierde, ziet Erasmus een ernstige bedreiging voor de bereidheid van de christen tot ethische inzet. Uiterlijke dingen zoals sacramenten en andere ceremonieën zijn geen oorzaken van genade, maar uitingen van geloof en hulpmiddelen om goed te leven, zegt hij in een van zijn parafrasen van de nieuwtestamentische boeken. Erasmus verzet zich tegen de opvattingen van de scholastieke theologen, die de sacramenten min of meer voorstellen als mechanismen waardoor genade in de ziel gegoten wordt. In Erasmus' eigen leer over de sacramenten houden die duidelijke morele aansporingen in. Bv. in de eucharistie drukken wij onze bereidheid uit om met onze medemensen, met wie wij samen aanzitten aan de tafel des Heren, in liefde en eendracht samen te leven, en wanneer wij dit teken voor en met elkaar stellen, bevestigen wij elkaar in deze bereidheid en zo worden wij geholpen om de liefdesgemeenschap te verwezenlijken. Voor Erasmus ligt de klemtoon duidelijk op de ethische dimensie van het christendom.





Bibliografie: Ch. Caspers, 'Kerkelijk en godsdienstig Brabant tot aan de komst van de Reformatie, 1450-1521', in: Geschiedenis van Brabant van het hertogdom tot heden, o.red.v. R. van Uytven e.a., Leuven: Davidsfonds, 2004, p. 252-261; Marcel Gielis, 'Kerkelijk leven en de devoties van de lekengelovigen in de laat-middeleeuwse Zuidelijke Nederlanden', in: Peter Nissen e.a., Geloven in de Lage Landen. Scharniermomenten in de geschiedenis van het christendom, Leuven: Davidsfonds, 2004, p. 59-73; over het geloofsleven in de 16de eeuw verschenen heel recent enkele zeer informatieve overzichten in een cataloog van een tentoonstelling in de Bibliotheek van de Theologische Faculteit van Leuven: Jürgen Mettepenningen, 'Een Luikse enclave in Brabant. De zestiende eeuw en Hoegaarden' en Wim François, 'Het gelovige volk in de zestiende eeuw', De palezelprocessie. Een (on)bekend West-Europees fenomeen?, o.r.v. Luc Knapen & Patrick Valvekens, Leuven: Maurits Sabbebibliotheek - Faculteit Godgeleerdheid - Uitgeverij Peeters, 2006, p. 1-30 en 31-82.



Kerkelijke instellingen



* 1. Plattegrond van Antwerpen

Fotokopie van een burijngravure uit: Carolus Scribanius, Origines antverpiensium, Antwerpen, 1610.



* 2. Zicht op de stads- en kapittelkerk van O.-L.-Vrouw en op de cisterciënzerabdij van Sint-Salvator

Fotokopie van een fragment uit: Zicht op de rede van Antwerpen, houtsnede, 1515 (Antwerpen, Stedelijk Prentenkabinet).



* 3. Zicht op de norbertijnerabdij van Sint-Michiel

Fotokopie van: Albrecht Dürer, Portret van een jonge vrouw met de Sint-Michielsabdij op de achtergrond, tekening, 1520 (Chantilly, Musée Condé).



* 4. Zicht op de cisterciënzerabdij van Sint-Salvator (abdij van Pieter Pot)

Fotokopie van: J. Harrewijn, Abdij van Sint-Salvator of Pieter Pot, gravure, tweede helft van de 17de eeuw (Antwerpen, Stedelijk Prentenkabinet).



* Voor de nrs. 1-4: zie paneel 'Topografie'.



5. Een laatmiddeleeuwse pastoor en zijn vele kwelduivels

Fotokopie van: Epistola de miseria curatorum, seu plebanorum, s.l.n.d. (het ingeplakte impressum 'Auguste Vindelicorum: Erhard Ratdolt, 12. Kal. Aprilis 1489' is foutief) (Tilburg UB: TF INC 8).



6. Het altaar van de muntersgilde in de Sint-Andrieskerk

Maarten de Vos, Drieluik van het muntmakersambacht, schilderij op hout (Antwerpen KMSK; herkomst: Sint-Andrieskerk van Antwerpen).

Een reconstructie van het altaar is te zien in de noorderdwarsbeuk van de Sint-Andrieskerk. Niettegenstaande dit altaar, geschilderd door Maarten de Vos (1532-1603), dateert uit de tijd van de beginnende Contrareformatie (uit de periode van activiteit van de schilder tussen zijn terugkeer uit Italië in 1558 en zijn dood), wordt er hier de aandacht op gevestigd om het principe van de stichting van een altaar (= een simpel beneficie 'sine cura' of een sinecure, volgens Van Dale een "ambt waaraan weinig of geen werk vastzit, maar wel een bezoldiging") te belichten.

Edelen en rijke burgers konden een kapitaal (eventueel in natura) vastzetten, bv. op een gemeente of een kerkfabriek, om uit de rente een priester te laten bezoldigen, die missen moest lezen en / of bepaalde 'goede werken' verrichten tot lafenis van de ziel van de stichters. Ook gilden, broederschappen en religieuze instellingen deden gelijkaardige stichtingen of fundaties. De stichters van een beneficie (= de inkomstenbron die bij een kerkelijk ambt hoort) zorgden meestal ook voor de versiering van het altaar waaraan de missen moesten gelezen worden, met een retabel of altaarstuk.

De Munt lag vlak bij Sint-Andries en het ambachtsgilde van de munters koos dan ook deze kerk in de nabijheid van hun werkplek uit om er hun altaar op te richten. De muntmakers lieten de kunstenaar op de binnenkant van de luiken enkele tekstpassages uit het evangelie uitbeelden, die te maken hebben met munten: op het middenpaneel De keizerspenning (Mt. 22,15-22 en par.), op het linkerluik De tolpenning of de tempelbelasting (Mt. 17,24-27) en op het rechterluik Het penningske van de weduwe (Mt. 12,41-44 en Lk. 21,1-4). Op de buitenkant van de zijluiken is De aankoop door Abraham van een akker met een grot om Sara te begraven uitgebeeld.

Vgl. Quinten Matsijs, De Nood Gods, het altaarstuk van de schrijnwerkers in de O.-L.-Vrouwekerk, 1508-1511, en Bernard van Orley, Het Laatste Oordeel met de werken van barmhartigheid, het drieluik voor de aalmoezeniers van de Antwerpse armenkamer, ca. 1524, thans allebei in het KMSK van Antwerpen.





Het kerkelijk leven



7. De synodale statuten van het bisdom Kamerijk

Statuta synodalia Cameracensia, handschrift dat in het bezit is geweest van J.F. Foppens (ex-libris) en de benedictijnerabdij van Saint-Jacques te Luik (boekband) (Tilburg UB: TF HS 15).

Antwerpen behoorde in de middeleeuwen tot het bisdom Kamerijk. Zoals in andere bisdommen werd het kerkelijk en religieus leven in Kamerijk geregeld door statuten die de bisschop uitvaardigde op diocesane synoden.





Het kerkelijk leven: catechese en verkondiging



8. De eerste officiële catechismus in de Nederlanden

Fotokopie van: Jean Gerson, Opusculum tripertiticum de praeceptis, confessione et scientia mortis, handschrift afkomstig uit de benedictijnerabdij van Saint-Jacques te Luik, 15de eeuw (UBTilburg: TF HS 13).



9. Een Antwerpse druk van een bekende laatmiddeleeuwse exempelverzameling

Fotokopie van: Der zielen troost, Antwerpen: Adriaan van Berghen, 1509 ('s-Gravenhage KB).

Getoond wordt het titelblad met de houtsnede, waarop afgebeeld is hoe voor de troon van God de Vader Jezus met het bloed uit Zijn zijdewond en Maria met de melk uit haar moederborst tezamen een kelk vullen, waarvan de inhoud lafenis betekent voor de zielen in het vagevuur. Vgl. voor lactatie door Maria de iconografie van de H. Bernardus, die een grote devotie voor O.-L.-Vrouw had (zie het uit de abdij van Sint-Bernards afkomstige hoogaltaar van de Sint-Andries).



* 10. Voorbeelden van schilderkunst en grafiek over de betekenis van de zijdewond van Christus

a. Christus in de wijnpers, muurschildering, ca. 1108 (Kleincomburg: kloosterkerk).

b. De Sint-Gregoriusmis en de 'arma Christi', Nederlandse houtsnede, 15de eeuw.

c. Meester van 1473, Gregoriusmis, buitenzijde van de rechtervleugel van het 'Sippenaltar', 1473 (Soest: Wieskirche).

d. Heilstrap: voorbede door Maria (moederborst) bij Jezus en door Jezus (zijdewond) bij de Vader, houtsneden in: Spiegel der menschlichen behaltnisze, Basel: Bernhard Richel, 31 augustus 1476 (Nürnberg: Germanisches Nationalmuseum).



* 11. Typologische exegese in de plastische kunsten in verband met de zijdewond van Christus

a. Adam en Eva als voorafbeelding van Christus en de Kerk, miniaturen in een Bible moralisée, 1240 (Oxford).

b. De schepping van Eva uit de rib of zijde van Adam (Gen. 2,21), De lanssteek (Joh. 19,34) en Mozes slaat water uit de rots (Ex. 17,6), nr. 29 uit een Biblia Pauperum (Armenbijbel) in de vorm van een randversiering in een Frans getijdenboek uit de 15de eeuw.

Ook in het overzicht van de heilsgeschiedenis in het Speculum humanae salvationis werd veelvuldig gebruik gemaakt van de typologische exegese, bv. de oprichting van de koperen slang (Deut. 21,8) werd gezien als een voorafbeelding van de kruisiging (Joh. 19,17-24).



* Voor de nrs. 10-11: zie paneel 'Iconografie'.





Het kerkelijk leven: liturgie en sacramenten



** 12. Een missaal van het bisdom Kamerijk

Missale Cameracense completissimum, nouissimeque impressum & emendatum, Parisijs: Apud Ambrosium Girault, 1542 (Tilburg UB: TF PRE 35).
** Zie kolomkast.



13. Een uitleg van de H. Mis (het eerste te Antwerpen gedrukte boek!)

Simon van Venlo, Boexken van der Officien, ofte: Dienst der missen, ed. Ludo Simons, Antwerpen: De Schutter, 1982; facsimile van: Simon van Venlo, Boexken, Antwerpen: Matthias van der Goes, 1481.



14. Het biechtboek van de Leuvense theologieprofessor Godschalc Rosemondt van Eindhoven

Fotokopie van: Godschalc Rosemondt, Dit is een seer profitelick boexken vander biechten en van die seven dootsonden, Tantwerpen: Henrick Eckert van Homberch, 6 maart 1517 (NK, 1812; BCNI, 618).

Getoond wordt het titelblad (fol. 1) met een houtsnede met afbeelding van een biecht.



* 15. Adriaan van Utrecht, pauselijk commissaris voor de dijkaflaat in de erflanden van Karel V (de latere paus Hadrianus VI).

Fotokopie van: Bernart van Orley (zeer onzekere toeschrijving!), Profielportret van paus Hadrianus VI, olieverf op paneel (Hannover: Niedersächsische Landesgalerie).

* Zie paneel 'Portrettengalerij'.



16. Uitleg over de aflaatbulle van paus Leo X door Johannes Huybrechts van Lommel, plaatsvervanger van de aflaatcommissaris Adriaan van Utrecht, ten behoeve van ondercommissarissen en biechtvaders

Fotokopie van: Jan Hubertsz van Loemel, Interpretatio & declaratio Bulle Jndulgentiaru[m] Ac breuium expost co[n]cessorum Reuere[n]di patris d[omi]ni Joa[n]nis de Loemel: archidiaconi fame[n]ne in eccl[es]ia Leodien[sis]: Nuncij & co[m]missarij ap[osto]lici Jn locu[m] Reuere[n]di patris d[omi]ni p[re]positi sancti Saluatoris Traiecten[sis]: p[er] sanctissimu[m] d[omi]n[u]m nostru[m] d[omi]n[u]m Leonem Papam modernum surrogati: ad instructionem sub commissariorum et confessorum simpliciu[m], [Antwerpen : Michiel Hillen van Hoochstraten, 1515] (Brussel KB: RP - Magazijn Kostbare werken, Niv. -2, III 69.285 A; NK 4363).



17. De laatste sacramenten volgens een 15de-eeuwse Ars moriendi

Reproductie van een houtsnede uit: Ars moriendi, Leipzig: Konrad Kachelofen, 1496, in: Florence Bayard, L'art du bien mourir au XVe siècle: étude sur les arts du bien mourir au Bas Moyen Age à la lumière d'un Ars moriendi allemand du XVe siècle, Paris: Presses de l'Université de Paris-Sorbonne, 2000 (Tilburg UB: CBM TF A 39016).





Devotie, spiritualiteit en moraliteit



18. Een boek ten behoeve van de devotie tot het leven, lijden en dood van Jezus

Fotokopie van: Tboeck vanden leven ons Heeren Iesu Christi, ed. Luc Indestege, Antwerpen: De Nederlandsche Boekhandel, 1952; facsimiledruk van de houtsneden uit: Tboeck vanden leven ons Heeren Iesu Christi, Antwerpen: Geeraert Leeu, 1487 (Tilburg UB: CBM TF A 13855).

Getoond wordt een bladzijde met een afbeelding van het Laatste Oordeel; let op de lelie en het zwaard aan weerszijden van Christus' hoofd als symbool resp. van zijn barmhartigheid en zijn rechtvaardigheid.



19. De Legenda aurea, de belangrijkste middeleeuwse verzameling van heiligenlegenden

Die legende van Sinte Willebroert, ed. E. Lagerwey, inl. door B. Kruitwagen, Maastricht: Leiter-Nypels, 1940; facsimile van een gedeelte uit: Jacobus de Voragine, Passionael, gedrukt door Gerard Leeu (Tilburg UB: CBM 219 G 06).



20. Het boek van Bernhard von Breydenbach over zijn bedevaart naar Jeruzalem in 1483-1484

Hugh Wm. Davies, Bernhard von Breydenbach and his journey to the Holy Land, 1483-4: a bibliography, Utrecht: Haentjes Dekker & Gumbert, 1968 (repr. of the ed. London: Leighton, 1911) (Tilburg UB: CBM TF D 1643).



21. De imitatione Christi of De navolging van Christus, het belangrijkste spiritualiteitsboek van de Moderne Devotie

Fotokopie van: Thomas a Kempis, Dit is een schoen boecken en is gheheten 'Qui sequitur me', Gheprent Tantwerpen: binnen die camer poerte bi mi Henric eckert van homberch, 1512, met handschriftfragmenten (Tilburg UB: TF PRE 59).



22. Een satirisch traktaat over het bijgeloof (parodie op magische recepten)

Die Evangelien vanden spinrocke metter glosen bescreven ter eeren van den vrouwen, ed. G.J. Boekenoogen, 's-Gravenhage: [Nijhoff, 1910]; facsimile van: Die Evangelien vanden spinrocke, Antwerpen: Michiel Hillen van Hoochstraten, ca. 1520) (Tilburg UB: TFK B 8400).





Scholastiek en humanisme



23. Het in de late middeleeuwen algemeen verspreide handboek van scholastieke theologie

Petrus Lombardus, Sententiarum libri IV, Venetiis: apud Bartholomaeum Rubinum, 1570.



* 24. De Antwerpse humanist Pieter Gillis op een uitbeelding van het raamverhaal van de Utopia van Thomas More

Fotokopie van een houtsnede van Ambrosius Holbein uit: Thomas More, De optimo reipublicae statu deque nova insula Utopia, Basel: Froben, maart 1518.

* Zie paneel 'Portrettengalerij'.

Op de houtsnede is te zien dat Pieter Gillis in zijn huis te Antwerpen de wereldreiziger Raphaël Hythlodeus, die juist in de grote havenstad is toegekomen, voorstelt aan Thomas More, die in 1515 een reis naar de Nederlanden maakte. Hij was toen vergezeld van zijn jonge dienaar John Clement, die ook op de afbeelding te zien is. Ten huize van Pieter Gillis deed Hythlodeus zogezegd het relaas van zijn verblijf op het eiland Utopia.

In dezelfde Frobendruk komt ook de beroemde voorstelling van het eiland Utopia voor. Vgl. Thomas More, Utopiae libri II, in: Lucubrationes, ab innumeris mendis repurgatae, Basileae: Episcopius, 1563, p. 53 (Tilburg UB: TF PRE 58).

* 25. Desiderius Erasmus van Rotterdam, de belangrijkste vertegenwoordiger van de vroeg-zestiende-eeuwse humanistische vernieuwingstheologie

Fotokopie van: Quinten Matsys, Profielportret van Erasmus, penning in brons, 1519.

* Zie paneel 'Portrettengalerij'.

Quinten Matsys had in 1517 reeds het dubbelportret van Erasmus en Pieter Gillis geschilderd, dat beide laatsten aanboden aan hun gemeenschappelijke vriend Thomas More.



26. De eerste uitgave van het Nieuwe Testament in de oorspronkelijke taal

Novum instrumentum, ed. Desiderius Erasmus van Rotterdam, inleiding door Heinz Holeczek, Stuttgart: Frommann-Holzboog, 1986; facsimile van: Novum instrumentum, ed. Erasmus, Basel: Froben, 1516.





Laatmiddeleeuwse geloofsopvattingen in beeld



27. De genadetroon: een laatmiddeleeuwse voorstelling van de Verlossing

Hugo van der Goes, Altaarstuk met Genadetroon (Bonkilpanelen), ca. 1478 (Edinburgh: National Gallery of Scotland).

De H. Drievuldigheid wordt op dit schilderij op een karakteristieke wijze voorgesteld: God de Vader toont aan de mensheid het dode lichaam van Jezus Christus, die is het geïncarneerde Woord Gods of Zoon Gods; de H.Geest zit in de gedaante van een duif op de schouder van Christus, zodat Hij zich juist tussen de hoofden van de Vader en de Zoon bevindt. De Vader laat hier a.h.w. zien dat Hij barmhartigheid zal betonen omwille van Jezus' kruisdood. Jezus toont Zijn zijdewond, die blijkens de middeleeuwse theologie, catechese en didactische grafiek beschouwd wordt als de bron waaruit het nieuwe leven in de genade ontspringt (vgl. ook het beroemde gezang voor het lof Ave verum: "latus perforatum fluxit aqua et sanguine"). Dergelijke afbeelding van de Drievuldigheid staat dan ook bekend als een genadetroon. De theologische achtergrond van afbeeldingen van de genadetroon en andere voorstellingen van de Verlossing moet tot op zekere hoogte gezocht worden in de zogenaamde satisfactieleer die de H. Anselmus (11de eeuw) in zijn traktaat Cur Deus homo heeft uiteengezet: God de Zoon moest mens worden om genoegdoening te geven voor de zonde, die - als zijnde een belediging van de oneindig grote God - zo oneindig groot was dat zij alleen door een mens die tegelijk ook God was, kon uitgeboet worden.



28. De muizenval: een laatmiddeleeuwse voorstelling van de Verlossing

Meester van Flémalle of Robert Campin, Altaarstuk met de boodschap aan Maria (Meroderetabel), olieverf op hout, ca. 1427 (New York: Metropolitan Museum of Art).

Dit schilderij van de boodschap aan Maria (middenpaneel) is hier vooral opgenomen omwille van wat er te zien is op het rechterzijpaneel: Sint-Jozef aan het werk in zijn timmermansatelier. Op dit tafereel zijn diverse voorwerpen te zien die verwijzen naar de passie van Jezus, nl. hamer, nagels en tang, en waarschijnlijk ook de houtblok (het kruis!), de stok of staaf die ertegen ligt, en de zwaardvormige zaag. God de Zoon is immers volgens de toenmalige theologie mens geworden om de mens te verlossen en die verlossing is vooral voltrokken doordat Jezus door Zijn lijden en kruisdood voldoening geschonken heeft voor de zonde van de mens (vgl. Cur Deus homo van de H. Anselmus).

Zo goed als zeker houdt ook de muizenval die Jozef blijkbaar juist heeft gemaakt of aan het voltooien is, een symbolische verwijzing naar de verlossing in; een tweede muizenval zou te zien zijn op de vensterbank. Volgens een theorie over de verlossing die vooral op Sint-Augustinus (354-430) teruggaat, heeft de duivel zich door de menswording van (de Zoon van) God laten beetnemen op dezelfde manier als een muis zich door het lokaas in een muizenval laat verleiden en aldus beetgenomen wordt. Door de zonde was het menselijke geslacht in de macht en in de gevangenschap van de duivel gekomen; deze had a.h.w. het recht verworven de mensen de dood aan te doen en ze vervolgens mee te slepen naar de hel. De mensgeworden Zoon van God leidt echter een volkomen zondeloos leven. Maar omdat Hij overigens in alles gelijkgeworden is aan de mensen, denkt de duivel dat Hij slechts een gewone mens is en laat hij Hem door zijn handlangers, de boze mensen, ter dood brengen. Door dit te doen vergrijpt hij zich aan iemand waarover hij geen recht heeft, want hij laat op een zondeloze de straf voor de zonde toepassen. Omwille van deze onrechtmatige daad kan God de Vader in Zijn opperste rechtvaardigheid van de duivel de vrijlating van het menselijk geslacht eisen; door de onschuldige Zoon van God, die mens geworden was, te laten doden heeft de duivel zijn recht over het schuldige mensengeslacht verspeeld.

Op het linkerzijpaneel staan de schenkers, d.w.z. de stichters van het 'beneficie' die ook het retabel hebben laten vervaardigen, om het op het altaar te plaatsen, waar de missen voor hun zielenrust gedaan werden.



29. De kruisdood van Jezus en de zeven sacramenten

Rogier van der Weyden, Triptiek van de zeven sacramenten, olie op paneel, 1445-1450 (Antwerpen: Koninklijk Museum van Schone Kunsten).

Centraal op het middenpaneel staat de eucharistie, die evenwel slechts op de achtergrond wordt voorgesteld. We zien het ogenblik in de mis waarop de priester na het uitspreken van de woorden "Hoc est enim corpus meum" en tussen twee kniebuigingen in de zopas geconsacreerde hostie opheft. Op de voorgrond is de kruisiging (ook nog binnen het kerkgebouw!) uitgebeeld. Dit is tekenend voor de relatie die in de toenmalige theologie gelegd werd tussen het bloedige kruisoffer en de onbloedige 'hernieuwing' ervan in het misoffer.

Van der Weyden heeft de sacramenten ingedeeld min of meer volgens het moment waarop ze ontvangen worden in het menselijke leven: op het linkerzijpaneel het doopsel, het vormsel en de biecht; op het rechterzijpaneel het priesterschap, het huwelijk en de ziekenzalving.



30. Het Laatste Avondmaal met oudtestamentische typologieën

Dirk Bouts, Altaarstuk van het H. Sacrament, olieverf op hout, 1464-67 (Leuven: Sint-Pieterskerk).

Voor de niet of weinig geletterde meerderheid van de bevolking speelde het beeld een belangrijker rol in de geloofsoverdracht dan het woord. In navolging van de kerkvader Gregorius de Grote schreef de 14de-eeuwse theoloog Dirc van Delf in zijn Tafel vanden Kersten Ghelove: "Die beelden sijn der leken boeken". De kerkelijke kunst (beelden, muurschilderingen, schilderijen, afbeeldingen op gewaden, liturgisch vaatwerk, ornamentiek en het kerkgebouw zelf) had dus een belangrijke catechetische functie. Sommige boeken waren zo overvloedig geïllustreerd, dat ze gemakkelijk gebruikt konden worden bij het geloofsonderricht van niet of weinig geletterden en als voorbeeld konden dienen voor beeldende kunstenaars. Dat is het geval met de armenbijbels, die zowel in handschrift als in druk voorkomen. Onder de eerste producten van de boekdrukkunst in de Nederlanden, de zgn. blokboeken, die niet gedrukt zijn met losse letters die door de zetter in een raam zijn geperst, maar met blokken waarin een bladzijde ineens is gegraveerd, is een armenbijbel. Een dergelijke armenbijbel of Biblia pauperum geeft een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen uit het Nieuwe Testament. Volgens het principe van de typologische exegese die sinds de kerkvaders algemeen aanvaard is, worden daar dan de voorafbeeldingen uit het Oude Testament aan toegevoegd. Zo wordt de instelling van de eucharistie tijdens het Laatste Avondmaal voorafgebeeld door de aanbieding van brood en wijn door Melchisedek, de koning van Salem, aan Abraham, en door de mannaregen voor het volk van Israël in de woestijn. Dat deze gebeurtenissen voorafbeeldingen zijn van de eucharistie is een gedachte die resp. teruggaat op de Romeinse canon en op de sequentia Lauda Sion, die Thomas van Aquino dichtte voor het feest van Sacramentsdag. Dergelijke bijbelverklaring kan ons vreemd voorkomen, maar ze heeft een grond in de Schrift zelf: Jezus begreep zichzelf immers in het licht van het Oude Testament en uiteindelijk deden zijn leerlingen dat ook.

Een ander rijk geïllustreerd overzicht van de heilsgeschiedenis, dat in vele handschriften is overgeleverd, en in zijn gedrukte vorm behoort tot de prototypografie, waarin het gebruik van gegraveerde houtblokken samenging met dat van losse letters, is het Speculum humanae salvationis. Het is eveneens gebaseerd op bijbelse typologieën. Van de prototypografische edities van het Speculum zijn er twee in het Latijn en twee in het Nederlands. Bij iedere gebeurtenis uit het Nieuwe Testament komen hier drie voorafbeeldingen uit het Oude Testament voor. Bijvoorbeeld bij de instelling van de eucharistie is er een derde voorafbeelding bijgekomen, nl. het paaslam (dat ook in het Lauda Sion als zodanig vermeld wordt).

Het veelluik Het Laatste Avondmaal van Dirk Bouts is gebouwd op deze exegese. Bij de voorafbeeldingen van de eucharistie is er nog een bijgekomen: de spijziging van Elia in de woestijn door de engel.





II. Maarten Luther





Maarten Luther werd op 10 november 1483 geboren te Eisleben in een mijnwerkersfamilie en 's anderendaags - op de feestdag van de H. Martinus van Tours! - werd hij gedoopt. Na enkele jaren op de Latijnse school te Mansfeld, Maagdenburg en Eisenach, werd hij in mei 1501 ingeschreven aan de universiteit te Erfurt en begon hij te studeren aan de artesfaculteit (te vergelijken met ons hoger middelbaar). In mei 1505 begon hij met de studie aan de faculteit van de rechten, maar nog hetzelfde jaar brak hij zijn studies af en trad hij binnen in het augustijnenklooster. In september 1506 sprak hij zijn gelofte uit als augustijner eremiet en begin april 1507 werd hij priester gewijd. In 1508 vatte hij zijn theologiestudie aan de universiteit van Wittenberg aan, terwijl hij filosofie doceerde aan de artesfaculteit. Hij promoveerde in oktober 1512 tot doctor in de theologie ('doctor in de Heilige Schriften'). Ondertussen had hij omwille van ordesaangelegenheden in 1510-1511 een reis naar Rome gemaakt; hij was een naaste medewerker van de provinciaal Johan von Staupitz. In de jaren 1513-1518 gaf Luther colleges over de Psalmen, de Romeinen-, Galaten- en Hebreeënbrief en andermaal de Psalmen

In 1517 werd Luther als biechtvader geconfronteerd met biechtelingen die in de naburige Brandenburgse landen een aflaat waren gaan kopen. Hij vernam dat er nogal wat misbruiken bestonden bij de 'aflaathandel' en merkte ook dat vele gelovigen verkeerde opvattingen hadden over de aflaten. Om de juiste opvattingen ingang te doen vinden besloot Luther een academisch dispuut te organiseren en op 31 oktober 1517 bevestigde hij 95 stellingen over de aflaat 'ad valvas' op de deur van de slotkerk van Wittenberg. Dit veroorzaakte de zgn. aflaatstrijd die ertoe zou leiden dat Luther als zijnde een notoire ketter door paus en keizer in de ban werd geslagen.

In deze strijd over de aflaat speelde de Leuvense faculteit van theologie een voorname rol. Rond de jaarwisseling 1518-1519 kwam in Leuven een bij Johann Froben in Basel gedrukte bundel aan met Latijnse traktaten van Luther, o.a. over het boetesacrament en over de aflaat. Toen de professoren van de theologische faculteit hierdoor kennis kregen van Luthers opvattingen, vonden ze dat ze dringend moesten ingrijpen. Zij verdachten ook Erasmus, die in de zomer van 1518 in Basel had verbleven, van medewerking. Na een eerste kritisch onderzoek weerhielden de Leuvense magistri een reeks stellingen, de zogenaamde Errores excerpti. Omdat ze niet overhaast te werk wilden gaan, wonnen ze eerst het advies in van hun Keulse collega's, die eveneens een onderzoek naar Luthers geschriften instelden. Ook namen zij contact op met de Luikse prins-bisschop Everard van de Marck, die door een roddel van Erasmus even verdacht werd van Lutherse sympathieën; de bisschop trad echter de theologen bij en raadde hen aan om bij hun oud-collega (en voor velen vroegere leermeester) Adriaan van Utrecht, op dat moment bisschop van Tortosa en kardinaal, te rade te gaan. Ook de Keulse theologen vonden Luthers geschriften naar ketterij ruiken en gingen over tot een veroordeling op 30 augustus 1519. De Keulse veroordeling werd naar Leuven overgebracht door de dominicaan Jakob van Hoogstraten, oud-artesprofessor in Leuven, maar op dat ogenblik theologieprofessor en inquisiteur in Keulen. De Leuvense theologen veroordeelden op 7 november 1519 Luthers stellingen in de kapittelzaal van de Sint-Pieterskerk. Daags daarna werden op de Grote Markt tientallen boeken verbrand en stak de karmeliet en theologieprofessor Nicolaas Egmondanus een vlammende preek af tegen Erasmus en Luther. Door deze veroordeling werd de frontlijn tussen 'orthodoxen' en 'heterodoxen' langzaam maar zeker gevormd. Beide partijen namen hun posities in en bereidden zich voor op een schriftelijke oorlog. Na de doctrinele veroordeling door de theologische faculteiten van Keulen en Leuven, ging in 1520 paus Leo X met de bulle Exsurge Domine over tot een jurisdictionele veroordeling. Nadat hij Luther op de rijksdag in Worms verhoord had, sprak ook de pas verkozen keizer Karel V de rijksban uit over Luther.

Deze laatste was ondertussen in de loop van de aflaatstrijd tot zijn zogenaamde reformatorische ontdekking van "de rechtvaardiging door het geloof alleen" gekomen en had die vooral in zijn belangrijke theologische geschriften Von der Freiheit eines Christenmenschen (of, in de aan paus Leo opgedragen Latijnse vertaling: De libertate christiana) en De captivitate Babylonica uit de herfst van 1520 verwoord. Het eerstgenoemde geschrift is zowat de samenvatting van Luthers theologie. Het tweede, dat over de sacramenten handelt, betekende volgens vele tijdgenoten en historici eigenlijk de breuk van Luther met de katholieke Kerk. Nadat Luther in Worms voor de keizer verschenen was, maar nog voor op 26 mei 1521 het edict van Worms gepubliceerd was, liet zijn vorst, Frederik de Wijze van Saksen, hem in veiligheid brengen op de Wartburg bij Eisenach, waar hij op basis van Erasmus' editie het Nieuwe Testament in het Duits vertaalde. Later vertaalde hij ook het Oude Testament uit de Hebreeuwse grondtekst. Na zijn terugkeer van de Wartburg hervormde hij de eredienst; in 1524 werd het eerste Lutherse gezangboek gepubliceerd. Een cruciaal jaar was 1525. Luther trouwde toen met de vroegere kloosterzuster Catharina von Bora, hij keerde zich tegen de opstandige boeren die zich op zijn leer beriepen en tegen hun leider Thomas Münzer en hij beantwoordde Erasmus' verdediging van de vrije wil De libero arbitrio met het felle De servo arbitrio, waarin hij ontkent dat het ethische handelen van de mens betekenis heeft voor het eeuwig heil. Na 1525 werkte Luther mee aan de organisatie van nationale kerken (Landeskirchen) met visitaties en kerkorden. Heel invloedrijk ook voor de katholieke Kerk was de publicatie door Luther van een grote en een kleine catechismus. Luther stierf in 1546, het jaar na de opening van het concilie van Trente, in zijn geboortestad Eisleben, waar hij naartoe was gereisd om te bemiddelen in een ruzie tussen adellijke heren. Hij werd begraven in de slotkerk van Wittenberg.



Evenzeer als voor Erasmus gaat het er voor Luther in het christendom om dat mensen met elkaar in liefde, in oprechte, ongeveinsde goedheid voor elkaar samenleven. De liefdegemeenschap is hier op deze wereld het begin van het heil dat in het hiernamaals zijn voltooiing zal vinden. Luther verschilt echter wel met Erasmus van mening over de wijze waarop het heil, het samenleven in liefde, bereikt kan worden. Bij Erasmus zijn verkondiging en sacramentsbeleving daar duidelijk rechtstreeks op georiënteerd. Bij Luther is dat niet zo. Integendeel, volgens hem veroorzaakt het 'moralisme', dat hij bij een theoloog als Erasmus ontwaart, dat het samenleven in liefde een onmogelijke opgave blijft en dat het christelijke heil derhalve onbereikbaar wordt. Immers, door zich al te zeer bezig te houden met de ethische aspecten van het christen-zijn, verwaarloost Erasmus het meest fundamentele, nl. dat de zondige mens - en ook de christen is en blijft een zondaar - door God 'gerechtvaardigd' moet worden opdat hij in oprechte liefde met zijn medemensen zou kunnen omgaan. Volgens eigen zeggen is Luther in de loop van de aflaatstrijd, dus rond 1518, gekomen tot de fameuze 'reformatorische ontdekking' dat de zondige mens volgens Rom. 1, 17 door het geloof alleen gerechtvaardigd wordt, dus door God in genade aangenomen wordt. Aan dit thema van de rechtvaardiging door het geloof, dat zoals Rom. 10, 17 zegt uit het gehoor is, heeft Luther in 1520 zijn beroemde geschrift voor paus Leo X, De libertate christiana, gewijd. Daarin luidt het: "De mens wordt niet door het werk van de wet maar door Gods Woord (d.i. door Zijn belofte van vergeving) en het geloof rechtvaardig en heilig".

Karakteristiek voor Luthers opvatting over de rechtvaardiging is dat het ethische handelen van de mens nooit voorwaarde is opdat God hem Zijn genade zou schenken, omdat het heil integraal Gods gave is en bijgevolg alleen afhangt van de verkondiging van het Woord en de deelname aan de sacramentele vieringen. Hierover gaat het in de polemiek over de vrije wil, die Luther met Erasmus gevoerd heeft. Niet het al dan niet gedetermineerd zijn van de wil is volgens Luther in het geding, maar wel de macht van de vrije wil met betrekking tot het eeuwige heil. Luther ontkent dat de activiteit van de wil op die gebieden waarop hij inderdaad vrij en verantwoordelijk handelt en macht heeft (ethiek en politiek), iets bijdraagt tot de realisatie van het heil. Al heeft bij Luther het ethische handelen dus geen betekenis voor de rechtvaardiging, het omgekeerde, nl. dat de rechtvaardiging op het morele vlak geen gevolgen zou hebben, is niet waar. Volgens Luther zijn Woord en Sacrament immers werkzaam of werkdadig. In de Invocavitpredigten van 1522 zegt hij: "Het Woord is almachtig: het neemt het hart gevangen en wanneer dat gevangen is komt het werk daarna vanzelf tot stand". Op dezelfde wijze zijn de sacramenten, volgens Sint-Augustinus 'verba visibilia', 'zichtbare woorden' of uitbeeldingen van de Schrift, werkzaam. Over de mis zegt Luther in het grote traktaat over de sacramenten uit 1520, De captivitate Babylonica: "De eucharistie is de samenvatting van het Evangelie en heel het Evangelie is anders niet dan de goede boodschap van de vergeving van onze zonden. De eucharistie is dus een geschenk van Godswege aan ons door de dienst van de priester". In het boetesacrament komt het aan op datgene wat God doet, de zonden vergeven door absolutiewoorden, en niet op datgene wat de mens doet, zijn boetedoening, berouw en zondenbelijdenis. Wanneer de biechteling maar vast gelooft dat zijn zonden door de absolutiewoorden vergeven zijn, dan heeft het geen belang hoe het met zijn berouw gesteld is, zegt Luther in 1518 in een preek over het boetesacrament. Ook stelt hij daar dat de biechteling slechts klaarblijkelijke en zware zonden hoeft te belijden, om zo te laten zien dat hij besef heeft van zijn algehele zondigheid. Volgens Luther maken Woord en Sacrament de zondaar rechtvaardig en heilig, omdat ze bij deze zondaar een veranderingsproces bewerken, dat in dit leven weliswaar nooit voltooid zal zijn, maar waardoor noodzakelijkerwijze toch echte goede werken en daden van oprechte, ongeveinsde liefde tot stand zullen komen. In De libertate christiana zegt Luther het zo: "Alle werken zullen gericht zijn op het goed van de naaste, juist wanneer eenieder voor zichzelf genoeg heeft aan zijn geloof en alle werken en de rest van zijn leven hem overbodig zijn, zodat hij die uit vrije liefde in dienst van de naaste kan stellen".

Omdat de rechtvaardiging en een leven in christelijke liefde volgens Luther alleen bewerkt kunnen worden door het leven gevende woord van het evangelie dat weerklinkt in de verkondiging en in de sacramenten, heeft hij felle polemieken gevoerd tegen allerlei andere theologen en geestesstromingen die, zoals hij dat zegt, evangelie en wet verwarren: de scholastieke theologen en vooral zijn nominalistische leermeesters, de humanistische theologen zoals Erasmus, de Zwitserse reformatoren zoals Zwingli, de 'dwepers' die achter de opstand van de boeren in 1525 zaten, en tenslotte de wederdopers. Volgens Luther ontnemen theologen die vanuit hun ethische interesse het evangelie als een wet opvatten, aan de mens de mogelijkheid om het heil te verkrijgen en tot echte liefde te komen. Zowel de mogelijkheid om gerechtvaardigd te worden als die om ethisch te kunnen handelen, worden in de optiek van de reformator immers slechts door de bevrijdende boodschap van Gods genade aan de mens geschonken.

We moeten vaststellen dat Luthers opvattingen zowat diametraal tegengesteld zijn aan die van Erasmus. Dat ligt echter heel anders bij de Zwitserse refomatoren (Zwingli, Oecolampadius, Bucer, Capito, ook Calvijn), waarvan er enkele nauwe vriendschapsrelaties met Erasmus hebben gehad en die in het algemeen nogal humanistisch georiënteerd zijn. Zij waren veel sterker dan Luther geïnteresseerd in het ethische handelen van de mens. Zij vatten daarom de sacramenten op als symbolen. In dit verband wil dit zeggen: als tekens die verwijzen naar een werkelijkheid die de mens zelf moeten bewerken. Zoals Erasmus, wiens invloed op hen overduidelijk is, hebben de Zwitserse reformatoren weinig sympathie voor de leer dat sacramenten uit zichzelf werkdadig zijn, zoals we die zowel bij Luther als bij Thomas van Aquino aantreffen. Zwingli kwam er zelfs toe de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie te verwerpen, wat hem de bittere 'Avondmaalsstrijd' met Luther opleverde.





Bibliografie: Marcel Gielis, 'Erasmus, Luther en de theologen van Leuven', in: Peter Nissen e.a., Geloven in de Lage Landen. Scharniermomenten in de geschiedenis van het christendom, Leuven: Davidsfonds, 2004, p. 83-97 en de daar opgegeven literatuur; Oswald Bayer, Martin Luthers Theologie: eine Vergegenwärtigung, 2., durchges. Aufl., Tübingen: Mohr Siebeck, 2004, 1ste uitg. in 2003; Lutherforschung im 20. Jahrhundert: Rückblick - Bilanz - Ausblick, hrsg. von Rainer Vinke, Mainz: von Zabern, 2004; Albrecht Beutel, Luther Handbuch, Tübingen: Mohr Siebeck, 2005.





Portretten van Maarten Luther



* 1. Eerste 'portret' van Luther (ter gelegenheid van de Leipziger Disputation in 1519)

Fotokopie van de houtsnede op de titelbladzijde van: Martin Luther, Ein Sermon geprediget tzu Leipss(i)gk uffm Schloss am tag Petri und pauli im XVIIIJ. Jar (29 juni 1519), Leipzig: Wolfgang Stöckel, 1519.



* 2. Luther als strijdbare monnik

Fotokopie van: Lucas Cranach, Portret van Maarten Luther als augustijnermonnik, koperets, 1520 (Nürnberg: Germanisches Nationalmuseum).



* 3. Luther als monnik en door H. Geest geïnspireerde hervormer

Fotokopie van: Hans Baldung Grien, Maarten Luther onder de duif, houtsnede, 1521 (Nürnberg: Germanisches Nationalmuseum).



* 4. Luther als theologieprofessor (ter gelegenheid van de Rijksdag van Worms)

Fotokopie van: Lucas Cranach, Portret van Maarten Luther met de doctorshoed, koperets, 1521 (Coburg: Kunstsammlungen der Veste Coburg).



* Voor de nrs. 1-4: zie paneel 'Portrettengalerij'.





De aflaatstrijd



5. Afbeeldingen van de aflaathandel in reformatorische pamfletten

Hellmut Diwald; Karl-Heinz Jürgens, Martinus Luther D.: Lebensbilder, Bergisch Gladbach: Lübbe Verlag, 1982 (ook in Tilburg UB: CBM TF C 3422).



6. Thesen van Luther tegen de aflaat (31 oktober 1517)

Facsimile van de aflaatthesen in: Luthers Werke in Auswahl, ed. Otto Clemen, Bd. 1: Schriften von 1517 bis 1520, unter Mitw. von Albert Leitzmann hrsg. von Otto Clemen, Berlin: De Gruyter, 1950.



7. De Allerheiligen- of slotkerk van Wittenberg

Fotokopie van een houtsnede van Lucas Cranach uit het Wittenberger Heiligtumsbuch van 1509.



8. De latere visie op het aanslaan van de thesen

Fotokopie van een houtsnede op een Flugblatt uit 1617.



9. Een reformatorisch pamflet tegen de aflaathandel

Fotokopie van: On Aplas von Rom kan man wol selig werden, Augsburg: Melchior Ramminger, 1520.

Op de titelhoutsnede is de verkoop van de Sint-Pietersaflaat afgebeeld.



10. Uitgave in druk van de veroordeling van Luther door de theologische faculteit van Leuven (1519)

Fotokopie van: Epistola reverendiss. domini cardinalis Dertusensis, ad facultatem theologiae Lovaniensem. Eiusdem facultatis doctrinalis doctrinalis condemnatio qua condemnatur doctrina Martini Lutherii doctoris theologiae universitatis Wittenbergensis ... Condemnatio facultatis theologiae Coloniensis, adversus eiusdem Martini doctrinam, Excusum Lovanii: apud Theodoricum Martinum Alustensem, 1520 (Leuven UB: CaaA1302; een latere herdruk zonder plaats, drukker of jaar: Tilburg UB: Flugschriften op MF, nr. 2605).



11. Een pamflet over de Leuvense Lutherveroordeling

Fotokopie van: Acta Academiae Lovaniensis contra Lvthervm, s.l.n.d. (Tilburg UB: Flugschriften op MF, nr. 680).



12. Het antwoord van Luther op de Leuvense veroordeling (1520)

Fotokopie van: Condemnatio doctrinalis librorum Martini Lutheri, per quosdam Magistros nostros Lovanienses & Colonienses facta. Responsio Lutheriana ad eandem condemnationem, Wittenbergae: apud Melchiorem Lottherum Iuniorem, 1520 (Leuven UB: CaaA815).



13. Uitgave in druk van de bulle met de veroordeling van Luther door de paus (1520)

Fotokopie van: Bulla contra errores Martini Lutheri et sequacium, Rome: Jacobus Mazochius, 1520.





Geschriften van Luther



14. Een traktaat over de rechtvaardiging door het geloof alleen

Fotokopie van: Martin Luther, Von der freyheyt eynes Christen menschen, Wittenberg: [Johann Rhau-Grunenberg], 1520 (= Streitschriften, nr. III).



15. Een traktaat over de sacramenten

Martin Luther, De captivitate Babylonica, in: D. Martin Luthers Werke: kritische Gesamtausgabe, Bd. 6, bearb. von J.K.F. Knaake, Weimar: Böhlau, 1888 (Tilburg UB: TFL 276"1483" LUT-W 6).

16. De Duitse vertaling van de H. Schrift door Maarten Luther

D. Martin Luther Die gantze Heilige Schrifft Deutsch Auffs new zugericht; letzte zu Luthers Lebzeiten erschienene Ausgabe [Wittenberg 1545], hrsg von Hans Volz unter Mitarbeit von Heinz Blanke, München: Rogner und Bernhard, 1972, 3 bdn.

Getoond wordt een titelbladzijde met een facsimile van de houtsnede Wet en Genade van Lucas Cranach of zijn atelier.



17. De kleine catechismus van Luther in Nederlandse vertaling

Fotokopie van: Martin Luther, Dye hooftstucken des Christen gheloofs, [Antwerpen, ca. 1566].

Rond 1565 was er in Antwerpen een zeer belangrijke Lutherse gemeente.



18. Een lied van Luther over de rechtvaardiging door het geloof

Fotokopie van de uitgave in: Etlich Cristliche lyeder Lobgesang, vnd Psalm, dem rainen wort gotes gemess, Augsburg: Melchior Ramminger, 1524 (Nürnberg: Germanisches Nationalmuseum).





De theologie van Luther in beeld



19. Een uitbeelding van de theologie van Luther

Lucas Cranach (atelier), Wet en genade: de rechtvaardiging van de zondaar, schilderij op beukenhout, ca. 1535 (Nürnberg: Germanisches Nationalmuseum).

'Wet' en 'genade' zijn uitgebeeld resp. links en rechts van de boom, die in het midden van de houtsnede staat en die links dor is en rechts in bloei staat, want het woord van de wet is dodend, maar het genadevolle evangeliewoord maakt levend. Deze boom kan herinneringen oproepen aan de boom des levens uit het aards paradijs en aan de kruisboom.

Links van de boom staat Mozes met de tafelen van de wet; deze wet veroorzaakt dat de zondige mens - in de achtergrond is de zondeval van Adam en Eva te zien - door de gepersonifieerde dood en door de duivel naar de eeuwige dood in de hel (uiterst links) gedreven wordt; bovenaan is Jezus als rechter (met de lelie en het zwaard als symbolen van resp. zijn barmhartigheid en zijn gerechtigheid naast zijn hoofd en met Maria en Sint-Jan-de-Doper aan zijn voeten) afgebeeld (vgl. iconografie van het Laatste Oordeel).

Rechts van de boom zien we het tentenkamp van de Israëlieten in de woestijn met de aan een paal opgehangen koperen slang die degenen die door slangen gebeten waren, genas en een voorafbeelding van Christus is. Uiterst rechts bovenaan staat Maria die het Jezuskind in haar schoot ontvangt, zoals het Credo zegt, "van de H. Geest", die in het midden van de rechterhelft te zien is (vgl. afbeeldingen van de Boodschap aan Maria, moment van de maagdelijke ontvangenis van de Verlosser in de schoot van Maria). Het centrale motief is de verlossende kruisdood van Jezus Christus; Sint-Jan-de-Doper wijst Christus aan als "het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt" (Joh. 1,29; vgl. Jes. 53,7) en dit Lam Gods is te zien onderaan het kruis (vgl. het beroemde veelluik van Van Eyck); uit de wonde in Jezus' zijde ontspringt een bron van water, dat leven (gesymboliseerd door de H. Geest in de gedaante van een duif) geeft en dat de zondige, maar gelovige (biddende!) mens van zijn zonde reinigt en 'rechtvaardig' maakt (vgl. iconografie i.v.m. zijdewond van Christus die sterft aan het kruis, zoals de gregoriusmis en de uitbeeldingen van het ontstaan van de Kerk uit de zijde van Christus, op dezelfde wijze als Eva geschapen is uit de zijde van Adam); uiterst rechts zien we de verrezen Christus die dood en duivel overwonnen heeft en zoals het Lam Gods een zegebanier draagt (vgl. de iconografie van de nederdaling ter helle en van de verrijzenis).



20. Een uitbeelding van de rechtvaardiging door het geloof

Lucas Cranach, Jezus en de overspelige vrouw (Joh. 8), schilderij op lindenhout, 1532 (Budapest: Museum van Schone Kunsten); schilderijen van Cranach, zijn zoon of zijn atelier met hetzelfde thema zijn er ook elders, bv. Sint-Petersburg: Hermitage.

Luther had de leer over de rechtvaardiging door het geloof vooral in Paulus' Romeinenbrief ontdekt. Maar hij ondervond dat de gewone gelovigen het moeilijk hadden om die leer van Paulus te verstaan. Daarom maakte Luther in zijn populaire verkondiging gebruik van het verhaal van Jezus en de overspelige vrouw om duidelijk te maken wat met rechtvaardiging van de zondaar bedoeld is. Hij liet in het atelier van zijn vriend, de kunstschilder Lucas Cranach, vele schilderijen en gravures produceren die dit verhaal tot thema hadden. Predikanten konden de schilderijen als illustratie bij hun betogen gebruiken en door de op grote oplagen gedrukte gravures kon Luthers boodschap zelfs bij ongeletterden doordringen.

Om te begrijpen wat rechtvaardiging is kunnen ook wij misschien best een blik werpen op het gebeuren in de tempel rond de overspelige vrouw, zoals Johannes dat verhaalt en Cranach dat uitbeeldt. In meerdere passages van het Johannesevangelie staat een vrouw symbool voor de gelovige: de Samaritaanse vrouw in het vierde hoofdstuk en Maria Magdalena in het verhaal van de verrijzenis. Ook de overspelige vrouw beeldt de gelovige uit. Op Cranachs schilderij houdt ze de ogen neergeslagen als teken van spijt en berouw: zij erkent haar zondigheid. Door zijn antwoord aan de schriftgeleerden en farizeeën confronteert Jezus hen met hun eigen zondigheid. Voor God staan alle mensen schuldig. Dit besef zou ons moeten aanzetten tot grote mildheid in ons oordeel: eigenlijk zijn wij mensen solidair in de zonde. Door zijn lichaamstaal maakt Jezus op Cranachs schilderij duidelijk dat hij, hoewel hij zelf zonder zonde is, solidair is met de overspelige vrouw: met zijn linkerhand neemt hij haar bij de arm. Zijn rechterhand is niet belerend opgeheven, maar wijst naar de berouwvolle zondares en schijnt haar zelfs tot voorbeeld te stellen aan haar belagers.

Het essentiële van het gebeuren lijkt te zijn dat Jezus de zondares niet veroordeelt, maar haar vertrouwen betoont. Zoals we ook weten uit de menselijke ervaring heeft het een scheppende kracht wanneer men iemand vertrouwen schenkt - denken we bijvoorbeeld maar aan de psychiatrische theorie van de bevestiging of aan wat vertrouwen kan bewerken in de opvoeding. Vertrouwen geven kan iemand die zich dit vertrouwen in het verleden niet waardig heeft getoond, omvormen tot een beter mens. Dit is dan ook wat met de overspelige vrouw uit het evangelie gebeurt: als zij zich weet los te rukken uit haar zonde, dan is het omdat Jezus tegenover haar niet een moraliserende preek heeft afgestoken, maar haar vertrouwen heeft betoond. Volgens Luther gaat het in het evangelie wezenlijk hierom: in verkondiging en liturgie wordt aan ons zondige mensen de boodschap gebracht dat God ons ondanks onze zondigheid niet veroordeelt, maar ons vergeving schenkt. Uit dit evangelie, uit deze blijde boodschap putten wij dan kracht om het in de toekomst beter te doen. Dit is het ook wat Paulus in een voor hedendaagse mensen nogal moeilijke theologische terminologie in de Romeinenbrief verkondigt.



21. Uitbeelding van de verkondiging en van de sacramentsbediening

Lucas Cranach en zijn atelier, Reformationsaltar, olieverf op hout, 1547 (Wittenberg: Maria- of stadskerk).

Op de zgn. predella (het onderstuk) zien we rechts Luther als predikant voorgesteld die de gemeente (voor de toeschouwer links) wijst op het kruis dat in het midden staat.

Op het linkerluik wordt een kind gedoopt. Het is opvallend dat Philipp Melanchthon, die nooit tot priester was gewijd of als pastor was aangesteld, de bedienaar is van de doop. Naast hem staan duidelijk herkenbaar Lucas Cranach zelf en de keurvorst Johann der Beständige; de dame in de pelsmantel zou dan Cranachs vrouw zijn.

Het rechterluik is gewijd aan het boetesacrament of de biecht; hier staat Johann Bugenhagen, de pastoor van Wittenberg, afgebeeld als biechtvader. Opvallend zijn de sleutels die hij in zijn hand houdt: één is naar onder gericht en een andere naar boven, als symbool van zijn macht resp. om te binden en te ontbinden.

(Met dank aan prof. dr. Jos Vercruysse.)



22. Een uitbeelding van de verlossende kruisdood van Jezus

Lucas Cranach, Altaarstuk met allegorie van de verlossing, tweede helft 16de eeuw.

Naast het kruis staan Luther en zijn vorst; zij worden besproeid door bloed en water die uit de zijdewond van Christus vloeien, als allegorisch teken van de verlossing.





De overeenkomsten van de Lutherse en de katholieke iconografie



* 23. Een lutherse prent van de Christusbron

Fotokopie van: De oorsprong van de sacramenten aan de zijdewond van Christus met de keurvorstelijke familie van Saksen en met Luther en Hus als bedienaars van de sacramenten, houtsnede, tweede helft van de 16de eeuw.



* 24. Een katholieke prent van de Christusbron

Fotokopie van: De oorsprong van de sacramenten aan de zijdewond van Christus, houtsnede, Turnhout: Brepols, 19de eeuw, prent nr. 213.



* 25. Een titelpagina van een katholieke Antwerpse bijbeleditie

Fotokopie van de titelpagina (met houtsnede) van: Den Bibel, Antwerpen: Hans de Laet, 1565.

De iconografie van deze titelprent stemt volledig overeen met die van de Lutherbijbel (nr.16) en die van de schilderijen Wet en genade (nr. 19).



* Voor de nrs. 23-25: zie paneel 'Iconografie'.





De actualiteit van de theologie van Luther



26. De bespreking van de verhouding Luther - Erasmus in een seminarie van Jacques Lacan

Jacques Lacan, Le séminaire, ed. Jacques-Alain Miller, Livre 7: L'éthique de la psychanalyse, 1959-1960, Paris: Seuil, 1986 (Tilburg UB: CBM TF B 53588/7; CIF K2 1901 LACA 1/7).



27. De commentaar van de Leuvense filosoof Paul Moyaert op dit seminarie van Lacan

Paul Moyaert, Ethiek en sublimatie: over De ethiek van de psychoanalyse van Jacques Lacan, Nijmegen: SUN, 1994 (ook in Tilburg UB: CIF K2 1901 LACA MOYA 1994).





III. De H. Augustinus, de augustijnerorde en het Antwerps klooster





Sint-Augustinus is de belangrijkste en invloedrijkste kerkvader van het westerse christendom. Zijn leer betekende een mijlpaal in de ontwikkeling van het dogma. Hoewel zijn moeder Monica christen was, kreeg Augustinus, geboren in 354 te Thagaste in Noord-Afrika, een grotendeels heidense vorming tot professor in de retorica. Als student leefde hij samen met een vrouw; uit dit concubinaat had hij een zoon: Adeodatus. Hij sympathiseerde in deze tijd met de beweging van de manicheeërs, die in de lijn van de gnosis een dualistische wereldbeschouwing voorstonden. Na de voltooiing van zijn opleiding ging Augustinus, die naar een meer platoonse levensvisie evolueerde, naar Rome en Milaan. In de laatstgenoemde stad bekeerde hij zich onder invloed van de H. Ambrosius tot het christendom. Na een 'retraite' te Cassiciacum, werd hij op Pasen 387 te Milaan gedoopt. In 388 keerde hij terug naar zijn geboorteplaats om daar met enkele vrienden in een kloostergemeenschap te gaan samenleven.

In 391 werd hij door de aandrang van het volk te Hippo tot priester gewijd en enkele jaren later werd hij bisschop van die stad. Als priester en bisschop bleef hij in een kloostergemeenschap leven. Hij preekte heel veel en dat leidde ertoe dat hij meer en meer bijbels werd in zijn denken. Nadat hij reeds in het eerste decennium na zijn bekering het manicheïsme bestreden had, is zijn verdere activiteit als zielenherder vooral getekend door de strijd tegen het donatisme en (vanaf 410) het pelagianisme. De donatisten waren van oordeel dat ambtsdragers die zwak geweest waren tijdens de vervolgingen, geen geldige sacramenten konden toedienen en maakten dus de werkzaamheid van de sacramenten afhankelijk van de morele gesteltenis van de bedienaar; in zijn antidonatistische geschriften verdedigde Augustinus de objectieve werkzaamheid van de sacramenten, krachtens het voltrekken van de ritus ('ex opere operato'). De pelagianen schatten de natuurlijke vermogens van de mens nogal hoog in en meenden dat Jezus alleen een voorbeeld en een leraar was; in zijn antipelagiaanse geschriften werd Augustinus de 'leraar van de genade' en wees hij er op dat Jezus allereerst de Verlosser is. Aldus legde Augustinus de basis van de kerkelijke leer dat de gelovigen bij Christus ingelijfd worden door het Woord van de verkondiging en door de sacramenten en zodoende de genade ontvangen die hen in staat stelt het goede te doen.

Behalve traktaten tegen ketterijen schreef Augustinus ook nog heel belangrijke theologische werken: De doctrina christiana over de methode van de bijbelstudie; De Trinitate, waarin hij het mysterie van de H. Drie-eenheid zoveel mogelijk poogt te doorgronden met behulp van analogieën uit de 'natuurlijke' leefwereld van de mens, bv. diens vermogens geheugen, verstand en wil (vgl. de legende over Sint-Augustinus aan de zee en het kind of de engel; deze legende werd o.a. door Benozzo Gozzoli geschilderd); het geschiedtheologische werk De civitate Dei en het Enchiridion sive de fide, spe et caritate, een samenvatting van de kerkelijke leer onder de vorm van een uiteenzetting over geloof, hoop en liefde (resp. besproken aan de hand van het Credo, het gebed en het tweevoudige liefdegebod). In zijn Confessiones, die opgevat zijn als een lofprijzing van God beschrijft hij zijn leven tot aan zijn bekering. In het begin van dit boek komt de beroemde zin voor: "Fecisti nos ad Te, et inquietum est cor nostrum donec requiescat in Te", "Gij hebt ons voor U gemaakt en onrustig is ons hart tot het rust vindt in U"; deze uitspraak is zeer karakteristiek voor de overtuiging van Augustinus dat het mens-zijn als zodanig integraal op God is gericht. Na Augustinus' dood op 28 augustus 430 beschreef zijn leerling Possidius zijn leven als zielenherder, kerkleider en theoloog.



Anders dan in de legendarische voorstelling van Gozzoli heeft Augustinus zelf niet de augustijnerorde gesticht. Wel heeft hij een regel geschreven voor de kloostergemeenschappen die hij te Thagaste en te Hippo oprichtte. In de vroege middeleeuwen waren er naast de benedictijnerabdijen altijd kloostergemeenschappen die de regel van Augustinus bleven volgen. Rond 1100 werd de regel van Augustinus aanvaard door de orden van koorheren die toen werden gesticht (reguliere kanunniken van Sint-Augustinus en norbertijnen; ook vrouwelijke orden zoals de kanunnikessen van het H. Graf). Toen in 1256 verschillende kluizen en groeperingen van eremieten zich verenigden en de regel van Augustinus aannamen, kwam de augustijnerorde tot stand. Hoewel het koorgebed bij hen een belangrijke plaats bleef innemen, legden de augustijnen zich zoals de andere bedelorden (franciscanen, dominicanen en karmelieten) toe op prediking en verkondiging; daartoe lieten zij nogal wat leden aan universiteiten studeren. De theologie van de orde kenmerkte zich door het streven om de mens steeds in relatie tot God te beschouwen.

Reeds in de 13de eeuw werden in Brugge, Ieper, Mechelen, Leuven, Edingen, Maastricht en Hasselt augustijnenkloosters gesticht. In 1295 of 1296 kwam in Gent een belangrijk klooster tot stand. Vóór 1500 ontstonden in de Noordelijke Nederlanden nog augustijnenkloosters in Appingedam, Dordrecht, Enkhuizen, Haarlem en Middelburg; in 1319 was er een klooster gekomen in Doornik en in 1489 tenslotte in Luik. Al deze kloosters waren sinds het begin van de 14de eeuw met een aantal kloosters in West-Duitsland verenigd in de Keuls-Belgische provincie.



Het is zeer aannemelijk dat de augustijnen ernaar streefden ook in de belangrijkste stad van de Nederlanden, Antwerpen, een vestiging te hebben. In 1513 stuurde Jan van Mechelen, prior van het augustijnenklooster van Enkhuizen, enkele medebroeders naar Antwerpen om daar een klooster te stichten. Dit gaf aanleiding tot een conflict met het kapittel van O.-L.-Vrouw dat in heel Antwerpen de parochierechten bezat. In dit conflict speelde Adriaan van Utrecht, deken van St.-Pieters van Leuven, een belangrijke rol omdat hij op dat ogenblik ook deken van het Antwerpse kapittel was (weliswaar niet onbetwist). Op 22 juli 1514 kwamen de augustijnen met het kapittel tot een overeenkomst, die in september bekrachtigd werd door paus Leo X en in oktober door Johann von Staupitz, vicaris-generaal van de Saksische observante augustijnenprovincie, waartoe het klooster van Enkhuizen en bijgevolg ook dat van Antwerpen behoorden.

Uit de matrikel van de universiteit van Wittenberg blijkt dat nogal wat leden van de Antwerpse augustijnengemeenschap studeerden aan deze universiteit, waar medebroeders doceerden uit de Saksische provincie, o.a. Maarten Luther, die in heel de westerse christenheid bekend werd door zijn stellingen tegen de aflaat van 31 oktober 1517. Zo is het gemakkelijk te begrijpen dat de Antwerpse augustijnen eveneens ten strijde trokken tegen de aflaathandel. Het verhaal dat we hierover vinden bij Emanuel van Meteren, dat o.a. de verpachting van de aflaatverkoop aan Antwerpse kooplieden vermeldt, lijkt zeer geloofwaardig, niettegenstaande het dateert van een eeuw na de feiten. Bij de prediking tegen aflaathandel treedt te Antwerpen vooral de opvolger van Jan van Mechelen als prior, Jakob Proost of Jacobus Praepositus, op de voorgrond.





Bibliografie: een goede oriëntatie over Augustinus en de augustijnerorde wordt geboden door resp. de website van het Augustijns Instituut van Eindhoven ( http://www.augustijnsinstituut.nl/ ; met o.a. reproducties van de prachtige reeks fresco's van Gozzoli over het leven van Augustinus) en die van het Augustijns Historisch Instituut van Heverlee ( http://www.osabel.be/ ); voor de geschiedenis van het Antwerps augustijnenklooster: M. Gielis, 'Augustijnergeloof en predikherengeloof. Het conflict tussen de reformatorische verkondiging van de Antwerpse augustijnen en de scholastieke leer van de Leuvense theologen (ca. 1520)', in: Provinciale Commissie voor Geschiedenis en Volkskunde. Provincie Antwerpen. Jaarboek 1993-1994, 6 (1996), p. 198-205, en in: Lutherbulletin, 6 (1997), p. 46-57; Jos Vercruysse, '"Was haben die Sachsen und die Flamen gemeinsam ...?" Wittenberg von aussen gesehen', in: Wittenberg als Bildungszentrum 1502-2002. Lernen und Leben auf Luthers Grund und Boden, [Wittenberg]: Wittenberger Sonntagsvorlesungen, Evangelisches Predigerseminar, 2002, p. 9-32.





Sint-Augustinus



1. Een in de Sint-Andrieskerk aanwezige reproductie van een schilderij over de H. Augustinus

Reproductie van: Antoon van Dyck, Extase van Sint-Augustinus, altaarstuk voor een zijaltaar in de Sint-Augustinuskerk, 1628.



** 2. Een oude Baselse uitgave van de verzamelde werken van Augustinus

Aurelius Augustinus, De civitate Dei libri XXII, in: Omnivm opervm D. Avrelii Avgvstini Hipponensis episcopi primvs [-decimus] tomvs: ad fidem uetvstorvm exemplarivm, post omnivm in hunc usq; diem editiones denuo summa uigilantia repurgatorum à mendis innumeris, Basileae: Ex officina Frobenia, 1541-1543 (dit deel: 1543) (Tilburg UB: CBM TF D 81).

Getoond wordt het deel met een van Augustinus' hoofdwerken, nl. De civitate Dei; de editie van dit werk werd bezorgd door de Spaans-Nederlandse humanist Juan Luis Vives en maakte deel uit van Erasmus' kerkvaderedities uit de jaren 1516-1536.

** Zie kolomkast.



3. De standaardeditie van Augustinus' Opera omnia door de Mauristen

Aurelius Augustinus, Sancti Aurelii Augustini Hipponensis Episcopi Vita ex ejus potissimum scriptis concinnata: nec non indices generales tum in opera S. Doctoris, tum in alia quæ in appendices rejecta sunt; index quoque alphabeticus operum S. Augustini; distributio nova eorundem operum comparata cum editione Lovaniensi; nonnulla denique addenda & corrigenda, Sancti Aurelii Augustini Hipponensis Episcopi Opera, ed. Ordo Sancti Benedicti, Congregatio Sancti Mauri, Tomus XI, Parisiis: Excudebat Franciscus Muguet, 1700 (Tilburg UB: TFH D 363/11).



4. Enkele werken van Augustinus in de huidige standaardeditie van kerkvaderteksten door uitgeverij Brepols te Turnhout

Aurelius Augustinus, Sancti Aurelii Augustini De doctrina christiana, De vera religione, ed. Iosephus Martin, Turnhout: Brepols, 1962 (Corpus Christianorum, 32) (Tilburg UB: TFL C CC-SL 32).



5. Oude vertaling van traktaten van Augustinus, Anselmus en Bernardus door de reguliere kanunnik Anthonius van Hemert

Sinte Avgvstinvs vierighe meditatien oft aendachten. Ende die alleenspraken der ziele tot God. Ende dat hantboecxken vander aenschouwinghe Christi. Item noch S. Bernardus devote aendachten. Ende een boecxken van S. Ancelmus, ghenaemt: De strale der godlijcker liefden, met sommighe van zijnen ghebeden, vert. Anthonius van Hemert, T'Antvverpen: by my Symon Cock, [1547] (Approbatie: maart 1547) (Tilburg UB: CBM TF A 2782)



6. Recente vertalingen van werken van Augustinus in het Nederlands

a. Augustinus, Enchiridion: handleiding voor Laurentius over de deugden van geloof, hoop en liefde, Carel Bloemen, Roermond: Romen, [1930] (ook in Tilburg UB: TFH A 37).

b. Aurelius Augustinus, Wat kunnen wij voor de doden doen? Vert. van: De cura pro mortuis gerenda, door Jan den Boeft, Budel: Damon, 2004 (ook in Tilburg UB: TFL L 02 AUGU 0004)

c. Aurelius Augustinus, Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar, vert. [uit het Latijn] door Joost van Neer e.a., ingel. en van aantek. voorzien door Martijn Schrama, Baarn: Ambo, 1996.



7. Uitgave van moraaltheologische traktaten van Augustinus met Franse iuxtavertaling

Saint Augustin, Problèmes moraux: texte de l'édition bénédictine ( = De bono conjugali; De conjugis adulterinis; De mendacio; Contra mendacium; De cura gerenda pro mortuis; De patientia; De utilitate jejuni), ed. Gustave Combès, Paris: Desclée de Brouwer, 1937 (Bibliothèque augustinienne, 2) (ook in Tilburg UB: TFH A 1890/2).



8. Werkinstrumenten voor de studie van Augustinus door het Augustijns Instituut van Eindhoven

a. Hans van Reisen, Met Augustinus aan de slag: hulpboek voor de studie van Augustinus, Eindhoven: Augustijns Instituut, 2002; eerste uitgave, 1995 (ook in Tilburg UB: CBM TF B 52303).

b. Hans van Reisen, Augustinus, bisschop van Hippo: beknopt overzicht van zijn leven en werk, 4de druk, Eindhoven : Augustijns Instituut, 2002; eerste uitgave, 1995.





De Augustijnerorde



9. De regel van Sint-Augustinus

Augustinus; Benedictus; Franciscus; Basilius en Hieronymus, Sanctorum patrum regulae monasticae, Lovanii: Velpius, 1571 (Tilburg UB: TFH A 11969).



10. Levensbeschrijving van beroemde figuren uit de Augustijnerorde

Cornelius Curtius, Virorvm illvstrivm ex ordine eremitarvm D. Avgustini elogia: cvm singvlorvm expressis ad vivvm iconibvs, Antverpiææ: apvd Ioannem Cnobbarvm, 1636 (Tilburg UB: TFH A 10021).

Getoond wordt het portret van Aegidius van Viterbo, generaal van de orde in het begin van de 16de eeuw.



11. Bibliografie van auteurs uit de Augustijnerorde

Joannes Felix Ossinger, Bibliotheca augustiniana historica, critica, et chronologica : in qua mille quadringenti Augustiniani Ordinis scriptores, eorumque opera tam scripta, quam typis edita inveniuntur, simulque reperitur, quo saeculo vixerint, et de plurimis, quo anno obierint, nec non cuius nationis, patriae, provinciae, et coenobii fuerint, quos e variis, et plusquam ducentis ac septuaginta octo scriptoribus tam exteris, quam huius ordinis, e diversis bibliothecis, catalogis, atque manuscriptis collegit, et in ordinem alphabeticum secundum cognomen, et nomen a religione impositum, Torino: Bottega d'Erasmo, 1963; Anastatische herdr. van de uitg.: Ingolstadii et Augustae Vindelicorum: impensis Joannis Francisci Xaverii Craetz, 1768 (Tilburg UB: TFL 271 OSA OSS).



* 12. Kaart van de verspreiding van de Augustijnerorde in de Nederlanden

Fotokopie uit: Zeven eeuwen Augustijnen: een kloostergemeenschap schrijft geschiedenis (tentoonstellingscataloog), eds. Werner Grootaers en Marc Mees, Gent: Snoeck, 1996, p. 32; zie ook p. 115.

* Zie paneel 'Topografie'.





De vestiging van de Saksische augustijnen in Antwerpen



13. Het verhaal van de stichting van het klooster in een 18de-eeuwse Antwerpse kerkgeschiedenis

Jean Charles Diercxsens, Antverpia Christo nascens et crescens per quinque secula, seu, Acta ecclesiam Antverpiensem ejusque Apostolos et Viros pietate conspicuos concernentia, Antverpiae: apud J. F. van Soest, 1747-1760, 3 dl. (4 bd.) (Tilburg UB: TFH A 10794/1-3).



14. Notitie over Adriaan van Utrecht als kapitteldeken in Antwerpen op basis van het kapittelarchief

Petrus Franc. Xav. de Ram, Synopsis actorum ecclesiae Antverpiensis et ejusdem dioeceseos status hierarchicus ab episcopatus erectione usque ad ipsius suppressionem: liber prodromus tomi tertii Synodici Belgici, Bruxellis: Hayez, 1856, p. 144 (ook in Tilburg UB: TFH B 1131).



* 15. Adriaan van Utrecht, theologieprofessor en kapitteldeken te Leuven en korte tijd ook deken van het Antwerps kapittel (de latere paus Hadrianus VI)

Fotokopie van: Daniel Hopfer, Paus Hadrianus VI, ijzerets (naar een medaille), 17de-eeuwse heruitgave van een 16de-eeuwse ets (Nürnberg: Germanisches Nationalmuseum).



* 16. Johann von Staupitz, vicaris-generaal van de observante Saksische augustijnen

Portret van Johann von Staupitz, anoniem schilderij, Salzburg, Erzabtei Sankt Peter.

Op het einde van zijn leven ging Staupitz, die katholiek bleef, over naar de benedictijnen en werd hij abt in Salzburg.



* Voor de nrs 15-16: zie paneel 'Portrettengalerij'.



17. De door Staupitz opgestelde constituties van de observante Saksische augustijnen

Johann von Staupitz, Constitutiones OESA pro reformatione Alemanniae, bearb. von Wolfgang Günter, in: Gutachten und Satzungen, Berlin [etc.]: Walter De Gruyter, 2001 (Spätmittelalter und Reformation) (Tilburg UB: CBM TF B 51109).





De Saksische augustijnen van Antwerpen (1514-1522)



* 18. Zicht op het pas gebouwde augustijnenklooster

Fotokopie van een fragment uit: Zicht op de rede van Antwerpen, houtsnede, 1515 (Antwerpen, Stedelijk Prentenkabinet).



* 19. Zicht op het muntatelier in de nabijheid van het augustijnenklooster

Fotokopie van: Achilles Kas, Het Muntatelier aan de Oever, hertekening uit 1916 van een in de Eerste Wereldoorlog beschadigde tekening uit de 16de eeuw (Antwerpen, Stadsarchief).



* Voor de nrs. 18 en 19: zie paneel 'Topografie'.

Zie i.v.m. de topografie ook de permanent in de Sint-Andrieskerk tentoongestelde panelen: De eerste, gotische toren van de Sint-Andrieskerk, voltooid in 1559.



20. Een boek uit de kloosterbibliotheek van de Antwerpse augustijnen

De Gutenbergbijbel van het Museum Plantijn-Moretus is afkomstig uit het klooster van de Saksische augustijnen.

Zie website: http://museum.antwerpen.be/plantin_Moretus/collectie_18.html



21. De matrikel van de universiteit van Wittenberg

Karl Eduard Förstemann; Otto Hartwig; Karl Gerhard, Album Academiae Vitebergensis: ältere Reihe, Aalen: Scientia, 1976, 3 dln., 24 cm. Deel I: 1502-1560. II: 1560-1602. III: Indices. Anastatische herdruk van de uitgave Leipzig-Halle, 1841-1905 (Tilburg UB: CBM TF B 36965/1-3.

Getoond wordt de inschrijving van Jan van Mechelen, de prior van het augustijnenklooster van Enkhuizen, in 1507; hij werd later de eerste prior van het Antwerps klooster.



* 22. Portret van Jakob Proost of Jacobus Praepositus, de tweede prior van het Antwerps augustijnenklooster

Fotokopie van de houtsnede op de titelbladzijde van de Anathematizatio & revocatio (IV.8).

* Zie paneel 'Portrettengalerij'.



23. Nederlandse vertalingen van geschriften van Luther, vermoedelijk door Jakob Proost

Casper Christiaan Gerrit Visser, Luther's geschriften in de Nederlanden tot 1546, Assen: Van Gorcum [etc.], 1969 (ook in Tilburg UB: CBM TF B 6398)

Voor de edities van Luther bij Claes de Grave: zie, nrs. 3 t/m 7 en 29; voor de edities van Luther bij Eckert van Homberch: zie p. 155-156. De SBA bezit één der edities bij Claes de Grave.



24. Het getuigenis van Erasmus over Jakob Proost in zijn brief aan Luther (1519)

Reprint van: Desiderius Erasmus van Rotterdam, Tomvs tertivs, qvi complectitvr epistolas, pluribus, quam CCCCXXV, ab Erasmo, in: Desiderii Erasmi Roterodami Opera omnia, emendatiora et avctiora, ad optimas editiones praecipve qvas ipse Erasmvs postremo cvravit svmma fide exacta, stvdio et opera Joannis Clerici ... ; in decem tomos distincta, Lvgdvni Batavorvm: curâ & impensis Petri vander Aa, 1703-1706, 10 dln. (Tilburg UB)

In een brief uit 1519 aan Luther zegt Erasmus dat Proost de enige predikant is te Antwerpen, die 'Christus' predikt; de anderen hebben het over hun gewin (dit kan betekenen: het zijn aflaatpredikers).



25. Getuigenis van Emanuel van Meteren over de aflaatprediking te Antwerpen

Emanuel van Meteren, Nederlantsche historien ofte geschiedenissen, inhovdende den gantzen staet, handel, soo va[n] oorlogen als vrede-handels in onsen tyden begin ende eynde, mede vervattende eenige haerder gebueren handelinge, Gedruckt op Schotlant buyten Danswyck, by Hermes van Loven, 1611 (Tilburg UB: TFH C 1765).



26. Dagboek van Albrecht Dürer over zijn reis in de Nederlanden

a. Albrecht Dürer, Dagboek van de reis door de Nederlanden in 1520-1521, vert. P.T.A. Swillens, Maastricht: Leiter-Nypels, 1941 (TFH A 16035).

b. Albrecht Dürer in de Nederlanden: zijn reis (1520-1521) en invloed (cataloog van een tentoonstelling t.g.v. Europalia 1977), s.l.n.d. (ook in Tilburg UB: CBM TF A 12152).

Dürer vermeldt dat hij het portret van Jakob Proost geschilderd heeft en hem boekjes met gravures en houtsneden geschonken heeft.





IV. Inquisiteurs en martelaren





Jacobus Praepositus (Jakob Proost of Probst, later door een misverstand ook Spreng genoemd), een Ieperling die in Wittenberg zijn magistertitel had behaald en gedoceerd had als collega van Luther, was in 1519 benoemd tot prior van het Antwerpse augustijnenklooster. Enkele Antwerpse humanisten (Petrus Aegidius, Cornelius Grapheus, Nicolaus Buscoducensis), met wie Erasmus goed bevriend was, merkten toen al op dat Praepositus in zijn sermoenen afweek van de rechtzinnige leer. Erasmus schreef op 30 mei 1519 aan Luther (wiens geschriften toen nog niet veroordeeld waren te Leuven) : "Est Antverpiae Prior eius monasterii, vir pure Christianus, qui te unice deamat, tuus olim discipulus, ut praedicat. Is omnium pene solus Christum praedicat: caeteri fere aut hominum fabulas aut suum quaestum praedicant." In 1520 ging Praepositus verder studeren te Wittenberg, op het moment dat Luther in de kerk- en de rijksban zou geslagen worden en op de Wartburg moest onderduiken. Weer in Antwerpen begin augustus 1521 nam Praepositus het publieke woord en predikte Lutherse opvattingen, voornamelijk tegen de aflaathandel, hetgeen zowel bij de volksmassa als bij de hogere kringen in goede aarde viel. Hiëronymus Aleander, de pauselijke nuntius in de Nederlanden, drong er echter op aan hem goed in het oog te houden en hem zelfs te bestraffen voor zijn stoutmoedige prediking. Weldra werd er een klacht tegen hem ingediend, niet bij de kerkelijke overheid zoals het hoorde, maar bij de landvoogdes, die een proces opstartte. Zij stuurde Frans van der Hulst, raadsheer van Brabant, als haar gedelegeerde naar Antwerpen om met Praepositus te gaan praten en hem zodoende op andere gedachten te brengen, maar toen bleek dat dat geen resultaat zou opleveren, nam Van der Hulst hem onder valse voorwendsels op 6 december mee naar Brussel, waar hij in het minderbroederklooster werd opgesloten. Het onderzoek werd op die dag ook aanhangig gemaakt bij de officialiteit van het bisdom Kamerijk. De bisschop, Robert van Croÿ, gaf Nicolaus Egmondanus en Jacobus Latomus een inquisitoriale volmacht voor deze zaak. Beiden waren echter al sinds 6 november op last van de landvoogdes en de Geheime Raad werkzaam als inquisiteur in de zaak-Praepositus. In november bracht Egmondanus trouwens al verslag uit bij de keizer, die op dat ogenblik in Oudenaarde verbleef.

In de gevangenis kwamen Egmondanus en Latomus, samen met de Parijse theologen Johannes Quintana en Ludovicus Coronel, met de Antwerpse prior over een aantal theologische thema's, zoals de vasten, discussiëren en op hem inpraten. Zij dreigden meermaals met de doodstraf, meer bepaald de brandstapel. Johannes Glapion, de biechtvader van de keizer, bracht Praepositus op de hoogte van de zes punten waarvan hij beschuldigd werd. Glapion gebruikte dezelfde tactiek als Van der Hulst en probeerde Praepositus gerust te stellen door te veinzen dat de zaak niet veel om handen had. Dagelijks hadden er dergelijke 'disputationes' plaats. Op een dag was er een gezamenlijke ondervraging in het minderbroederklooster, die de inquisiteurs absoluut geheim wilden houden. Zij stelden hem vragen over de sacramenten en over de aflaat, waarop Praepositus steeds omzichtig antwoordde. Hij probeerde te antwoorden vanuit de Schrift, niet zozeer met Luthers stellingen in het achterhoofd. Elk antwoord werd nauwkeurig genoteerd. Wanneer Praepositus kritiek durfde geven, werd hij uitgelachen en wanneer hij geen antwoord gaf, vroegen ze of hij zich niet wilde laten onderwijzen. De inquisiteurs beschouwden zichzelf als onbetwistbare leermeesters om hem weer naar de ware leer te leiden. Het enige criterium van de inquisiteurs bestond uit de scholastiek-theologische stellingen, die door de universiteiten van Parijs, Keulen en Leuven waren bevestigd. Praepositus kraakte uiteindelijk onder de aanhoudende druk en de angst. Enkele dagen later moest hij een aantal artikelen ondertekenen. Twee personen werden daarmee naar de keizer gezonden voor verdere instructies. De keizer wenste dat Praepositus, die ondertussen streng bewaakt werd en aan wie elk contact verboden werd, zou herroepen. De augustijn vroeg nog of hij zelf naar de keizer mocht gaan, of hij andere rechters kreeg en of hij een twistgesprek met de Leuvense theologen mocht aangaan, maar al zijn verzoeken werden afgewimpeld. De inquisiteurs stelden een lijst van 31 artikelen op, die Praepositus moest herroepen. Praepositus schrok van de lijst en de verdraaiing van de waarheid, zodat hij blijkbaar enkele weken bedenktijd nodig had.

Na een gewetensstrijd van enkele weken werd hij op 25 januari 1522 dan toch bereid gevonden te herroepen. In een gesprek met zijn rechters kon Praepositus het nog steeds niet over zijn hart krijgen zijn overtuiging te verloochenen. Hij werd definitief voor de keuze gesteld: herroepen of verbrand worden. Nadat Praepositus weer naar zijn kerker was gebracht, besloten de geestelijke rechters hem te ontwijden en over te leveren aan de wereldlijke macht, die hem zonder twijfel op de brandstapel zou zetten. Op een of andere manier kwam dit enkele vrienden van Praepositus ter ore. Zij vroegen aan de inquisitieraad of zij met Praepositus mochten praten, hetgeen hen uiteindelijk werd toegestaan op de belofte dat zij hem mee zouden overhalen tot revocatie. Na een lang gesprek slaagden zij daarin en Praepositus gaf toe. Aan zijn rechters verklaarde Praepositus alles te willen herroepen waardoor hij de Antwerpse burgers en anderen had misleid. Ze hadden geen oren naar Praepositus' klacht dat hij toch niet moest herroepen wat hij zelf nooit verkondigd had (maar wat hij wel ondertekend had) en ze eisten van hem dat hij alles zou herroepen wat hij ondertekend had.

Op 9 februari revoceerde hij met een publiek sermoen van op het hoogzaal in de Sint-Goedelekerk in Brussel en zwoer zijn overtuiging af in 30 artikelen. Meerdere belangrijke kerkelijke en wereldlijke prominenten waren bij de plechtigheid aanwezig, naast een massa volk. De avond tevoren hadden de kanselier van Brabant, Hiëronymus van der Noot, en de bisschop van Kamerijk hem laten weten dat de keizer had bevolen tot een preek voor het volk. Dat moet voor Praepositus de ultieme beproeving geweest zijn. Maar hij preekte zo vurig dat de inquisiteurs hem onderbraken en gauw de revocatie zelf in handen stopten. Eerst somde hij zijn dwalingen op, herriep deze en gaf vervolgens korte uitleg bij het tegendeel, de rechtzinnige stellingen. Praepositus herriep met woorden, maar niet met zijn hart.

Na de plechtigheid werd er nog acht dagen vergaderd over Praepositus' lot en tenslotte besloot men hem naar zijn 'thuisklooster' te Ieper te sturen. Hij kon weer gaan en staan waar hij wilde, behalve te Antwerpen. Maar de vrijheid bracht hem weer bij zijn oude opvattingen en hij begon weer te prediken. Na klachten van bedelmonniken bij Van der Hulst liet deze de augustijnermonnik in Brugge opsluiten om hem daarna weer naar Brussel over te brengen voor een nieuw onderzoek. Hij riep eveneens opnieuw de hulp van de Leuvense theologen Latomus en Egmondanus in. De ondervragingen wezen meteen uit dat de inquisiteurs niet te veel tijd meer aan hem wilden verspillen en hem zo snel mogelijk zouden veroordelen tot de brandstapel. Maar op aanraden van vrienden ontsnapte Praepositus eind mei met behulp van een ordebroeder uit zijn gevangenis en vluchtte naar Wittenberg. De eerste vervolgde lutheraan in de Nederlanden was aldus uit de greep van de inquisitie geraakt.



De grootste doorn die door de inquisitie uit het oog van de Kerk verwijderd moest worden, was het Antwerpse augustijnenklooster, dat reeds in opspraak was gekomen door zijn prior Praepositus. Het verhaal is verder te reconstrueren aan de hand van talrijke bronnen, maar dit is geen sinecure, omdat de bronnen elkaar vaak tegenspreken en daardoor vraagtekens oproepen. Kort na de feiten deden al verschillende versies van het gebeuren de ronde, waardoor het hele proces een zweem van mysterie over zich kreeg. Historici zijn het dan ook vaak niet helemaal eens over het gebeurde.

In augustus 1522 werden nieuwe maatregelen genomen om de verbreiding van het lutheranisme in de Nederlandse augustijnenkloosters terug te dringen. De afgevaardigden van de kloosters kozen een Nederlandse vicaris, Jan van Mechelen, prior van Dordrecht, om de invloed van de Duitse vicaris van de orde, Jan van Staupitz, in deze kloosters tegen te gaan. De kloosters van Antwerpen, Enkhuizen en Keulen weigerden echter om deel te nemen aan de stemming. Toen de keizer hen dwong om de nieuwe vicaris toch te accepteren, was voor de augustijnen de maat vol. Vaak genoeg had de keizer zich al gemoeid met hun interne aangelegenheden. Het verzet tegen de keizer vloeide vooral voort uit zijn ongeoorloofde bemoeienissen, niet zozeer uit hun gehechtheid aan het lutheranisme. Doch in de kringen van de inquisitie wist men goed genoeg dat Luthers Antwerpse ordebroeders een potentiële bedreiging vormden voor de verhoopte Antwerpse orthodoxie. Er moesten maatregelen genomen worden tegen de ganse gemeenschap, vond de keizer. Dat lezen we in een brief die de vicarissen-generaal van Kamerijk schreven aan het kapittel van Sint-Goedele in Brussel. Daaruit blijkt dat de keizer dringend vroeg om een inquisiteur van het bisdom naar het Antwerpse augustijnenklooster te sturen.

De augustijnen werden naar aanleiding van deze brief in september naar Vilvoorde gebracht; ze waren gearresteerd door de graaf van Hoogstraten, Hiëronymus van der Noot en de auditeur Stringens, als afgevaardigden van de Raad van Brabant. In hun gevangenis in het kasteel van Vilvoorde werden zij ondervraagd door de Keulse professor-inquisiteur Jakob van Hoogstraten. Al snel vond deze hen bereid te herroepen, hetgeen zij deden op het doksaal van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Antwerpen.



In het Antwerpse klooster bleef de invloed van Praepositus echter nog lang na zijn ontsnapping naar het Duitse Rijk doorwerken. Ook Praepositus' opvolger Hendrik van Zutphen durfde het aan openlijk de lutherse leer te verkondigen. Eind september werd de prior in de val gelokt en onwettig gearresteerd door Nicolaas van Lyere, de markgraaf van Antwerpen. Maar de populaire predikant werd uit zijn gevangeniskamertje in het Sint-Michielsklooster bevrijd door een volksoproer van zo'n 300 vrouwen. Enkele dagen later ontsnapte ook hij via Enkhuizen, Amsterdam en Zutphen over de Rijn naar Bremen en later naar Wittenberg. Dat het stadsbestuur zich nogal passief opstelde is een teken van impliciete tegenstand van het lokale bestuur tegen de drastische maatregelen van de landvoogdes.

Het was nu wel erg duidelijk dat in het klooster van Antwerpen het lutheranisme broeide, daarvoor had men het snel ingestelde onderzoek eigenlijk niet meer nodig. Op 4 oktober kondigde de stadsmagistraat een verbod af om nog buiten de parochiekerken te prediken. Twee dagen later kwam de landvoogdes naar Antwerpen om de augustijnen te laten weten dat hun klooster werd opgeheven omdat het lutherse leerstelsel er werd verkondigd. Die dag werden 16 Antwerpse broeders augustijnen overgebracht naar het kasteel van Vilvoorde. Slechts zij die zich op het Antwerpse stadsrecht konden beroepen, mochten in de stad blijven. Een deel werd via Hoogstraten naar Dordrecht gevoerd. Daags nadien bracht men in processie het Heilig Sacrament van de kloosterkerk over naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Zo werd het klooster ontwijd en ontvolkt. Op 13 oktober werd zelfs verordend dat niemand "die erve daer die Augustinen gewoent hebben" nog mocht betreden. Margaretha koos voor de eenvoudigste oplossing en liet het klooster in januari gewoon afbreken. De kloosterkerk werd op vraag van de keizer en met goedkeuring van de paus behouden als parochiekerk.

De augustijnen werden in hun gevangenis in Vilvoorde, waar ze in twee groepen op 7 en 8 oktober waren aangekomen, aan een grondig geloofsonderzoek onderworpen door de Leuvense theologen Nicolaas van Egmond, Jacobus Latomus, Godschalc Rosemondt en Ruard Tapper en door Johannes Pascha, een Mechelse karmeliet. De in Antwerpen achtergebleven augustijnen werden aldaar door Van der Hulst ondervraagd eind oktober en begin november. De inquisiteurs kwamen snel tot een conclusie, die slechts bevestigde wat allang bekend was: het augustijnenklooster was een broeihaard geweest van lutheranisme. Op 30 oktober werd de groep op last van Frans van der Hulst gesplitst. Acht gevangenen, onder wie de prior, werden naar Brussel gevoerd, de anderen bleven te Vilvoorde. Deze laatsten bleven tot 29 mei 1523 opgesloten. Men mag aannemen aan dat de andere acht in Brussel diepgaander ondervraagd werden. Vijf onder hen zwichtten voor de inquisiteurs, maar drie augustijnen bleven hardnekkig weigeren toe te geven: Hendrik Voes, Jan van Esschen en Lambert (van) Thoren, die Van Zutphen was opgevolgd als prior. De broeders die openlijk herriepen, werden op vrije voeten gesteld. Enkelen namen echter de wijk naar het Duitse Rijk. Het ontbreekt ons aan bronnen om het precieze verloop van het proces te reconstrueren, maar we mogen aannemen dat dit proces net als de vorige werd gevoerd: eindeloze discussies met de inquisitieraad, steeds weer opsluiting in een kerker, angst en gebed. Wat het ware feitenverloop ook was, vast staat dat de drie voornoemde monniken standvastig bij hun overtuiging bleven.

Inmiddels, op 1 juni, had paus Hadrianus VI een bul uitgevaardigd waarin hij Van der Hulst tot apostolisch inquisiteur benoemde. Het onderzoek naar de verdachte broeders was op dat moment al ver gevorderd. De Leuvense inquisiteurs bleven de drie onverzettelijken in hun kerker te Brussel ondervragen over tal van stellingen. De bediscussieerde geloofspunten zijn bewaard in 62 artikelen en betreffen o.a. de sacramenten, het pauselijk gezag en de geloften. Ze werden opgesteld door de inquisiteurs en laten duidelijk uitschijnen dat de beklaagde een overtuigd lutheraan was. De drie monniken die weigerden hun geloof te verloochenen, werden door de inquisiteurs als ketters aan de wereldlijke macht overgedragen.

Twee van de drie beschuldigden, Voes en Van Esschen, werden op 1 juli 1523 op de Grote Markt van Brussel verbrand. Zowel de kerkelijke als de wereldlijke macht waren goed vertegenwoordigd. Eerst voltrok de geestelijke macht haar straf. De ontwijding, de zwaarste straf in het kerkelijke recht voor afvallige priesters, gebeurde door de bisschop persoonlijk en twee prelaten, zoals de paus had bepaald. Daarna werden zij definitief overgeleverd aan de wereldlijke macht om het vonnis door de beul te laten uitvoeren. Tot het laatste moment probeerden biechtvaders de twee lutheranen om te praten. Maar zij waren verheugd dat God hen de genade had gegeven om te mogen sterven omwille van hun geloof. En zo geschiedde. Onder het zingen van het Te Deum stierven zij als eersten in de Nederlanden een verschrikkelijke dood omwille van hun lutherse overtuiging.

Wat gebeurde er echter met de derde broeder, Lambert van Thorn? Toentertijd deden verschillende geruchten over hem de ronde. De ene beweerde dat hij herroepen had, hetgeen nogal onwaarschijnlijk is omdat dit nooit openbaar gebeurde. Een ander dacht dat hij in het geheim was omgebracht. Nog anderen waren van mening dat hij enkele dagen later alsnog werd verbrand. Alleszins hield de overheid aanvankelijk zijn lot geheim. In werkelijkheid zat Lambert gevangen in de Steenpoort te Brussel. Luther schreef in 1524 zelfs nog een brief aan hem. In zijn gevangenis kreeg Lambert steun van een hele groep Brusselse hervormingsgezinde medestanders. De meesten onder hen behoorden zelfs tot de hoogste artistieke kringen en onderhielden een gedoogd nauw contact met de augustijnenprior.

Van der Hulst verspreidde na de terechtstelling het gerucht dat de beide ketters nog herroepen hadden op de brandstapel in het aanschijn van hun gewisse dood. Dit is zeker en vast een verzinsel, zoals de omstaanders en ook Erasmus enkele jaren later beweerden. Het bewijst evenwel dat de inquisiteurs het erg belangrijk vonden dat de beklaagden herriepen.

De marteldood van beide augustijnen veroorzaakte een schok in binnen- en buitenland. Vele toeschouwers waren diep onder de indruk van het hele gebeuren en het nieuws ervan verspreidde zich als een lopend vuurtje in de Nederlanden en ver daarbuiten. Klein en groot sprak erover en velen vonden dit een grote stap te ver. Erasmus was van mening dat deze terechtstelling het omgekeerde effect had en veel mensen tot het lutheranisme bracht. Zelfs kanselier Van der Noot was erg onder de indruk van de terechtstelling. Luther, op wie de marteldood eveneens een diepe indruk maakte, schreef zowel een brief aan de christenen in de Nederlanden als een lofdicht op de twee dapperen:

Ein neüwes Lied wir heben an,

Das walt Gott unser Herre!





Bibliografie: Dick Akerboom, '"Ein neues Lied wir heben an". Over de eerste martelaren van de Reformatie en het ontstaan van het eerste lied van Martin Luther', in: Lutherbulletin, 14 (2005), p. 27-43; Gert Gielis, 'In gratia recipimus'. Nicolaas Coppin (ca.1476-1535) en de inquisitie in de Nederlanden, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Leuven: Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit Letteren, Geschiedenis Nieuwe Tijd, 2006.





De inrichting van een vorstelijke inquisitie



* 1. Karel V, vorst van de Nederlanden

Fotokopie van: Hans Weiditz, Portret van keizer Karel V, houtsnede, 1519 (Wien: Albertina).

Karel V richtte na de Rijksdag van Worms van 1521 in zijn Nederlandse erflanden een vorstelijke inquisitie in.



* 2. Margaretha van Oostenrijk, landvoogdes van de Nederlanden

Fotokopie van: Portret van Margaretha van Oostenrijk, miniatuur, ca. 1500 (Brussel KB: Ms. 14516, fol. 3v).

Margaretha van Oostenrijk, tante van keizer Karel, was landvoogdes van de Nederlanden en stond in de praktijk aan het hoofd van het landsheerlijk bestuur. Zij werd daarin bijgestaan door o.m. de Geheime Raad en de Grote Raad van Mechelen. Door frequente correspondentie hield het centrale gezag de keizer op de hoogte van alle verwikkelingen in de Nederlanden.



* 3. Hiëronymus Aleander, pauselijk nuntius in de Nederlanden

Fotokopie van: Agostino de Mesi (Musi) Veneziano, Hieronymus Aleander, kopergravure, 1536 (Berlin: Staatliche Museen).

Aleander, een oude bekende van Erasmus, was de pauselijke nuntius die de veroordeling van Luther in de Nederlanden moest ten uitvoer laten brengen en derhalve Karel V vergezelde naar Worms en meewerkte bij het oprichten van de vorstelijke inquisitie.



* Voor de nrs. 1-3: zie paneel 'Portrettengalerij'.



4. Uitgave van Aleanders berichten naar Rome

Pietro Balan, Monumenta reformationis lutheranae ex tabulariis secretoribus S. Sedis 1521-1525 / collegit, ordinavit, illustravit Petrus Balan, Ratisbonae: Neo Eboraci & Cincinatii, sumptibus Fr. Pustet, 1884, XXIV-589 p., 25 cm . Aanwezig o.a. in Amsterdam, Utrecht en Nijmegen.





De werking van de vorstelijke inquisitie



5. Uitgave van archiefstukken i.v.m. keizerlijke inquisitie

Paul Fredericq, Corpus documentorum inquisitionis haereticae pravitatis Neerlandicae : verzameling van stukken betreffende de pauselijke en bisschoppelijke inquisitie in de Nederlanden, dl. 4: Tijdvak der hervorming in de zestiende eeuw (1514-23 september 1525), en dl. 5: Tijdvak der hervorming in de zestiende eeuw. Eerste vervolg (24 september 1525-31 december 1528), Gent / 's-Gravenhage: Vuylsteke [etc.] / Nijhoff, 1900 en 1902 (Werken van den practischen leergang van vaderlandsche geschiedenis) (Tilburg UB: CBM 357 D 04/4 en CBM 357 D 04/5).

In de laatste decennia van de negentiende eeuw verzamelde de liberale, Gentse professor Paul Fredericq samen met zijn leerlingen in tal van archieven een enorme hoeveelheid bronnen die betrekking hadden op de geschiedenis van de Nederlandse inquisitie. Hij gaf deze verzameling uit in het hier gepresenteerde Corpus Documentorum Inquisitionis. Het Corpus ligt open op de inquisitoriale volmacht die de inquisiteurs Latomus en Egmondanus ontvingen van de Kamerijkse bisschop Robert van Croÿ. Op basis van deze volmacht konden zij rechtsgeldig procederen tegen Jacobus Praepositus. Een ander belangrijk document dat uitgegeven werd door Fredericq is de rekening van Frans van der Hulst. Een archieffonds waar veel documenten i.v.m. de inquisitie te vinden zijn, is: Brussel, ARA, Papiers de l'état et de l'audience.



6. De burcht van Vilvoorde

Alphonse L.E. Verheyden, Vilvoorde: internationaal repressiecentrum en brandpunt van het zestiendeeuws protestantisme, Vilvoorde: Gallet, 1972.

Het kasteel van Vilvoorde fungeerde als een soort van 'staatsgevangenis' voor gevangen uit het hertogdom Brabant. Tal van ketters sleten hier vele dagen. Ook de Antwerpse augustijnenbroeders kwamen hier terecht.



* 7. Enkele afbeeldingen van de inquisiteur Jakob van Hoogstraten

a. Fotokopie van de houtsnede op het titelblad van: Thomas Murner, History von den fier ketzren Prediger ordens der observantz zü Bern im Schweytzer land verbrant, reformatorische heruitgave, Straatsburg, 1521 (Nürnberg: Germanisches Nationalmuseum).

b. Fotokopie van: Hans Holbein d.J., Luther als 'Hercules Germanicus', houtsnede op een Flugblatt, 1522 (Zürich: Zentralbibliothek).

* Zie paneel 'Portrettengalerij'.





Het proces tegen Jakob Proost



8. De herroeping door Jakob Proost van zijn dwalingen

Fotokopie van: Anathematizatio & revocatio fratris Iacobi praepositi, olim prioris Fratru[m] Heremita[rum] Sancti Augustini, Opidi Atuerpien. Errores Reuocati Per dnm. Hermannu[m] Gerardi In Ciuitiate Traiecten[sis]. Impressum Antuerpie: Per me Guielmum Vorsterman, 1522 (NK 1751; 2 exemplaren aanwezig in Brussel KB, Magazijn Kostbare werken RP, Niv. -2: ex. 1 met ex-libris "Fortune ne vieillit pas. Bibliothèque de Th. de Jonghe", nr. II 11.267 A; ex. 2 met annotatie "J. F. vandevelde MPV Lovanij", nr. II 56.986 A 1).

De inquisiteurs slaagden er na lange gesprekken in Jakob Proost tot herroeping te overtuigen, onder meer door herhaaldelijk met de doodstraf te dreigen. Men stelde een lijst van artikelen op, die Proost diende te herroepen op het doksaal van de Sint-Goedelekerk te Brussel in aanwezigheid van tal van prominenten en een grote volksmenigte. Deze stellingen werden later gedrukt door de bekende Antwerpse drukker Willem Vorsterman.

9. Het relaas door Jakob Proost van zijn twee gevangenschappen

Facsimile van de titelbladzijde van de Duitse vertaling van Jacobus Praepositus, Historia utriusque captivitatis, in: Hendrik Quirinus Janssen, Jacobus Praepositus, Luthers leerling en vriend, geschetst in zijn lijden en strijden voor de hervormingszaak in Nederland en in Duitschland, nieuwe uitg., Amsterdam: Funke, 1866, IV-326 p., in-8; 1e dr.: 1862.

Nadat Proost naar Wittenberg was gevlucht, deed hij het relaas van zijn gevangenschappen in een uitvoerige brief. Op basis van deze brief krijgen we een beeld van het proces dat tegen hem werd gevoerd.





Het proces tegen de Antwerpse augustijnen



10. Het verhaal van de ontsnapping van prior Hendrik van Zutphen dankzij een vrouwenoproer

Dit verhaal is te vinden in: Die alder excellenste cronyke van Brabant, Antwerpen: Vorsterman, ca. 1530.



11. Uitgave van een archiefstuk over de afbraak van het klooster van de augustijnen

Gebodboek van de stad Antwerpen, uitg. P. Génard, in: Antwerpsch Archievenblad.





De eerste martelaars van de Reformatie: Hendrik Voes en Jan van Esschen



12. Een eigentijds gedrukt verslag over de terechtstelling van drie (!) of zelfs vier augustijnen te Brussel

a. Der Actus unnd Hendlung der Degradation und Verprennung der Christlichen dreyen Ritter und Merterer Augustiner ordens geschehen zu Brussel, [S.l.]: [s.n.], 1523, titel in houtsnede-omlijsting (Bibliotheca Belgica A 143; Hohenemser 374) (aanwezig in Utrecht UB: 000979529; Amsterdam UB: UBM: O 82-102)

* b. Fotokopie van een houtsnede uit een der edities van dit pamflet.

Het origineel van deze houtsnede is afkomstig uit een pamflet over de terechtstelling van vier (!) dominicanen te Bern in 1509: De quattuor heresiarchis ordinis Predicatorum, 1509 (zie nr. 7.a).

* Voor nr. 12b: zie paneel 'Portrettengalerij'.



13. Een verslag over het verhoor en de terechtstelling van Hendrik Voes en Jan van Esschen

Fotokopie van: Martin Reckenhofer (niet: Heckenhofer), Dye histori, so zwen Augustiner Ordens gemartert seyn tzü Bruxel jn Probant, von wegen des Eva(n)gelj. Dye Artickel darumb sie verbrent seyn mit yrer ausslegung und verklerung, [s.l.]: [s.n.], [in hs.: 1523], titelblad met houtsnede (Gent UB: R 1007 2 ).

Voor de afbeelding: zie ook de portrettengalerij.

De Latijnse versie van dit pamflet: Historia de duobus Augustinensibus, ob evangelii doctrinam exustis Bruxellae ... M.D.XXIII.: Articuli LXII. per eosdem asserti. Item. Pia & christiana expostulatio cum quodam, qui veritatem, quam professus fuerat, impiorum tyrannide, & horrore mortis tandem abnegavit, [S.l.] : [s.n.], [1523?] (aanwezig in Amsterdam Bibliotheek Vrije Universiteit: XC.06396)



* 14. Maarten Luther terug te Wittenberg na zijn verblijf op de Wartburg

a. Lucas Cranach, Portret van Maarten Luther als Junker Jörg, houtsnede, 1522 (Bamberg: Staatsbibliothek).

b. Lucas Cranach, Portret van Maarten Luther als augustijnermonnik zonder tonsuur, schilderij op perkament, 1522-1524 (Nürnberg: Germanisches Nationalmuseum).

* Zie paneel 'Portrettengalerij'.



15. Geschriften van Maarten Luther over de marteldood van Voes en Van Esschen

a. Martin Luther, Die Artickel warumb die zwen Christliche Augustiner münch zu Brussel verprandt sind, sampt eynem sendbrieff Mart. Lut. an die Christen ynn Holland und Braband, Vuittemberg: [s.n.], 1523 (aanwezig in Amsterdam UB: UBM: 396 B 15)

b. Fotokopie van: Martin Luther, Eyn Brieff an die Christen ym Nidder land, met titelbordure in houtsneden, [Wittenberg]: [Hans Lufft], [1523] (Benzing, 1658; Von Dommer, Lutherdrucke, 369; Kawerau 199) (aanwezig in Amsterdam Bibliotheek Vrije Universiteit: XC.00407, ex-libris J.F.M. Sterck; Amsterdam UB: UBM: O 82-81 en UBM: 381 F 68; ook in Den Haag KB en Utrecht UB).

c. Fotokopie van de bladzijden met Luthers lied over de marteldood van Voes en Van Esschen in:

Eyn Enchiridion oder handbüchlein, eynem ytzlichen Christen fast nutzlich bey sich zuhaben zur stetter vbung vnd trachtung geystlicher gesenge vnd Psalmen, [s.l.]: [s.n.], 1524.



16. De moderne uitgave van de eigentijdse drukken over de marteldood van Voes en Van Esschen

Het martelaarschap van Hendrik Vos en Joannes van den Esschen, Willem van Zwolle, Hoste vander Katelijne, Christophorus Fabritius en Oliverius Bockius, Guido de Bres en Peregrin de La Grange, eds. S. Cramer en F. Pijper, 's-Gravenhage: Nijhoff, 1911 (Bibliotheca reformatoria Neerlandica: geschriften uit den tijd der hervorming in de Nederlanden, 8) (ook in Tilburg UB: CBM 366 F 08/8 en TFL 276"1500" BRN 8).





Martelaarsboeken



** 17. De martelaarsboeken van Jean Crespin en Adriaan van Haemstede

a. Fotokopie van de titelbladzijde van: Jean Crespin, Histoire des vrays tesmoins de la vérité de l'Évangile, qui de leur sang l'ont signée, depuis Jean Hus iusques au temps présent, comprinse en VIII. livres contenans actes memorables du Seigneur en l'infirmitéé des siens:non seulement contre les forces & efforts du monde, mais aussi à l'encontre de diverses sortes d'assauts & heresies monstrueuses, ed. Léon Halkin, Liège: Centre national de recherches d'histoire religieuse, 1964 (anastatische herdr. van de uitg.: Genève, 1570; 1e uitg.: Le livre de martyrs, 1554) (Tilburg UB: CBM TF D 244).

b. Adriaan Cornelisz. van Haemstede, De historiën der vromer martelaren, die om het ghetuyghenisse des heylighen Evangeliums haer bloet vergoten hebben, vande tijden Christi af, tot desen tegenwoordighen tijde toe, Tot Dordrecht: by Joris Waters, 1612, 2 dl. in 1 bd. (Bibl. Belgica H 182; W.P.C. Knuttel, Ned. bibliogr. van kerkgesch., p. 122) (Tilburg UB: CBM TF C 8264).

** Zie kolomkast.





De herinnering aan de eerste martelaars van de Reformatie



18. Verslagboek over de herdenking van de marteldood van Voes en Van Esschen in 1923

Ter gedachtenis van de eerste martelaren voor de Hervorming, Hendrik Voes en Jan van Esschen, om hun evangelisch geloof levend verbrand op de Groote Markt te Brussel, den 1en Juli 1523: de herdenking op 1 Juli 1923, Brussel: Evangelisatie-Drukkerij, 1923 (Tilburg UB: CBM TF B 41194)



19. Afbeelding van een glasraam uit 1923 ter herinnering aan Voes en Van Esschen

E. Pichal, De geschiedenis van het protestantisme in Vlaanderen, Antwerpen [etc.]: Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij Scriptoria, 1975 (Tilburg UB: CBM TF A 9256)



20. Een recente publicatie over de marteldood van Voes en Van Esschen

Johan Decavele, 1 juli 1523. Twee augustijnen sterven op de brandstapel, aflevering van: De 25 dagen van Vlaanderen, Zwolle: Waanders, 2005.







De theologische polemiek over de marteldood van Voes en Van Esschen



21. Erasmus' uitspraken over de marteldood van Voes en Van Esschen in een brief aan Zwingli en in zijn apologie tegen Hutten

a. Opus epistolarum Des. Erasmi Roterodami, eds. P.S. en H.M. Allen, Oxonii: in typographeo Clarendoniano, 1906-1958 (Tilburg UB: TFL 276"1469"/1-11).

b. Opera omnia Desiderii Erasmi Roterodami: Ordinis noni, T. 1, ed. C. Augustijn, Amsterdam: North-Holland Publishing Company, 1982 (Tilburg UB: CBM 343 G 01/9.1 en TFL 276"1469" ERA 9.1).



* 22. Portret en prent van Erasmus als vernieuwer van de theologie

a. Albrecht Dürer, Erasmus, kopergravure, 1526 (Amsterdam, Rijksprentenkabinet).

b. Mystieke molen, houtsnede in een reformatorisch pamflet uit 1521.

In dit pamflet uit 1521 wordt de humanistisch-reformatorische visie (bv. van Zwingli) op de positie van Erasmus weergegeven. Erasmus vangt het gemalen graan van het evangelie op en geeft het door aan Luther, die het uitdeelt aan het volk. Luther staat hier duidelijk in de lijn van Erasmus. Dergelijke visie leidt tot een grondige vertekening van de theologie van Luther.

* Zie paneel 'Portrettengalerij'.



23. Latomus' verweerschrift tegen Erasmus' aanval op het kerkelijk dogma

Fotokopie van: Jacobus Latomus, De quaestionum generibus quibus Ecclesia certat intus & foris, [S.l.], 1525 (Tilburg UB: TFL MF 434/98.2).



24. Een hedendaagse verdediging van het erasmiaanse standpunt

Jean Delumeau, Le christianisme va-t-il mourir? [Paris]: Hachette, 1978 (ook Tilburg UB: CBM TF B 49535).



De martelaars uit het Antwerps augustijnenklooster



25. Het martelaarschap van Hendrik Voes en Jan van Esschen en het martelaarschap van Hendrik van Zutphen in 19de-eeuwse edities van het martelaarsboek van Adriaan van Haemstede

a. Adriaen Cornelisz van Haemstede, Geschiedenis der martelaren, die om de getuigenis der Evangelische waarheid hun bloed gestort hebben: van Christus onzen Zaligmaker tot het jaar 1655: niet alleen in de Nederlanden, maar ook in Frankrijk, Engeland, Schotland, Spanje, Italië, Duitschland, Amerika en andere landen: benevens vele van hunne brieven en belijdenissen, den moord te Parijs en in de Voltolijn, de ongehoorde wreedheid in Ierland, den verschrikkelijken moord aan de Waldenzen in Piemont en andere vervolgingen van de geloovigen, Arnhem: bij J.W. en C.F. Swaan, 1868 (Tilburg UB: TFK D 569).

b. Adriaen Cornelisz van Haemstede, Geschiedenis der martelaren, die om de getuigenis der evangelische waarheid hun bloed gestort hebben, van Christus onzen zaligmaker tot het jaar 1655, niet alleen in de Nederlanden maar ook in ... andere landen: benevens vele van hunne brieven en belijdenissen, Doesburg: J. C. van Schenk Brill, 1883 (Tilburg UB: TFH C 579).

Zie ook fotokopies van de afbeeldingen op paneel 'Portrettengalerij'.



26. De dood van Lambert van Thorn in de gevangenis te Brussel

Uitgave van een archiefstuk over Lambert van Thorn in Fredericqs Corpus (zie nr. 5).





V. Sofisten?





De titel van dit hoofdstuk heeft een vraagteken. Het opnemen van dit hoofdstuk in een tentoonstellingscataloog over een Antwerps augustijnenklooster, is niet evident. De bedoeling is om recht te doen aan de theologen van Leuven (en ook Hoogstraten o.p. en Paesschen o.carm.) die zijn opgetreden als raadgevers van de keizerlijke inquisitie. We proberen wat historici thans noemen 'het pastorale ambt van inquisiteur' te belichten. Aldus wordt de vraag gesteld of de theologen van Leuven wel degelijk de sofisten waren, waarvoor Luther hen uitschold.

In het bijzonder willen we de aandacht vestigen op de belangrijkste theoloog van Leuven uit de generatie van de leerlingen van Adriaan van Utrecht, nl. Jan Driedoens of Johannes Driedo van Turnhout, die pastoor van Sint-Jakob te Leuven was, maar zich nooit met aflaathandel of inquisitie ingelaten heeft. Als 'meest congeniale tegenstander van Luther' (Blockx) kan hij een belangrijke rol spelen in de verzoening van herinneringen. Ook wordt het verband van de Leuvense theologie (Rosemondt, Driedo) met de iconografie van Bosch in het licht gesteld.



De universiteit van Leuven was in 1425 door paus Martinus V opgericht. Aanvankelijk bestond ze slechts uit drie faculteiten; de faculteit van de beide rechten (kerkelijk en burgerlijk recht), de faculteit van de geneeskunde en tenslotte de artesfaculteit, die min of meer te vergelijken is met ons hoger middelbaar onderwijs en een voorbereiding was op de hogere faculteiten. Bij die hogere faculteiten was ook de theologische, maar die werd in Leuven slechts zeven jaar later, in 1432, opgericht, o.a. nadat de studenten hun eis om hun universiteit te laten uitgroeien tot een volwaardig 'studium generale' mét alle faculteiten, kracht hadden bijgezet door een staking.

De theologische faculteit was in de eerste plaats een prestigieuze onderwijsinstelling waar de behoeders van de ware kerkelijke leer gevormd werden. Vooraleer iemand aan theologiestudies kon beginnen, moest hij eerst gestudeerd hebben aan een Latijnse school en aan de artesfaculteit. Het curriculum van de theologische faculteit zelf duurde rond 1500 niet minder dan 12 jaar. Het was verdeeld in 3 fasen. In alle drie de fasen moest de student de dagelijkse les volgen van een van de vijf gewone hoogleraren (kanunniken van Sint-Pieters), die volledig vrij waren in de keuze van het onderwerp van hun colleges. Tijdens de eerste fase, die zes jaar duurde, moest hij bovendien de lessen volgen die de baccalaurei gaven. Op het einde van de eerste fase behaalde hij dan zelf de graad van baccalaureus. In de tweede fase, die twee jaar in beslag nam, werd van de student heel wat gevergd. De baccalaurei biblici en de baccalaurei sententiarii, respectievelijk de studenten van het eerste en het tweede jaar van deze fase, waren tegelijkertijd ook de belangrijkste lesgevers van de theologische faculteit. De biblici moesten een commentaar schrijven op een boek uit het Oude en een uit het Nieuwe Testament, en er les over geven aan hun jongere medestudenten. De sententiarii deden hetzelfde met de vier boeken van de Sententiae van Petrus Lombardus, het algemeen verspreide handboek van systematische theologie in de late middeleeuwen. Naar het einde van deze fase toe mocht de student een plechtige les geven over een onderwerp uit het derde boek van Petrus Lombardus, dat de leer over Christus betreft, en dan 'vormde hij zich' tot baccalaureus formatus ("baccalaureus se format"). Tijdens de derde en laatste studiefase had de theologant het beduidend minder zwaar dan in de tweede. Buiten de lessen van de hoogleraren had hij slechts één verplichting: in de loop van de vier jaar die deze fase duurde, zes disputen houden. De theologiestudie werd afgesloten met het verlenen van de licentie. Van degenen die bv. aan een kloosterstudium zelf wilden gaan lesgeven in de theologie en zeker van een professor aan de theologische faculteit zelf werd verwacht dat hij na het behalen van zijn licentie nog zou promoveren tot doctor. Dit gebeurde tijdens een indrukwekkende plechtigheid die drie dagen in beslag nam. Vele studenten uit de hogere faculteiten, zeker uit de theologische faculteit, waren tijdens hun studies reeds professor aan de artesfaculteit, en wel in de pedagogie waar ze zelf gestudeerd hadden.

In de Leuvense universiteit werd de via antiqua gevolgd. Dit wil zeggen dat de handboeken, de geschriften van Aristoteles in de artes- en de Sententiae van Petrus Lombardus in de theologische faculteit, werden uitgelegd volgens de leer van realistische doctores van de 13de eeuw zoals Albertus Magnus, Thomas van Aquino en Bonaventura, en niet volgens die van de 14de- en 15de-eeuwse nominalisten of 'moderni' zoals Willem van Ockham, Jean Buridan en Gabriel Biel.

Adriaan van Utrecht, de latere paus, was op het einde van de 15de eeuw deken van Leuven en als zodanig de leidende persoonlijkheid van de theologische faculteit. Hij voerde een hervorming van de theologiestudies door. Voortaan zouden de theologen zich meer met positieve theologie bezighouden, d.w.z. dat ze zich meer op de Schrift, de kerkvaders en het kerkelijke recht zouden toeleggen. Adriaan voerde ook nog een andere belangrijke hervorming door. Hij steunde Johannes Standonck bij de oprichting in 1500 van een college (d.i. een huis waar studenten kost en inwoon kregen), dat zich kenmerkte door een strenge spirituele vorming in de geest der Moderne Devotie. In dezelfde geest stichtte Adriaan VI bij testament in 1523 het Pauscollege. Standonck- en Pauscollege zijn belangrijke stappen voor het ontstaan van het concept van het priesterseminarie, zoals alle bisschoppen er een op last van het Concilie van Trente zullen moeten oprichten. Adriaan van Utrecht liet te Leuven een handgeschreven codex na met een commentaar op het oudtestamentische boek Spreuken, een aantal kwesties over het vierde boek van de Sententiae (dat over de sacramenten handelt), 'quaestiones qoudlibeticae', redevoeringen ter gelegenheid van doctoraatspromoties van zijn studenten, drie preken, antwoorden op vragen die hem voorgelegd waren en aantekeningen over allerlei kerkelijke en theologische problemen. De quaestiones qoudlibeticae en de quaestiones over de Sententiae werden resp. in 1515 te Parijs en in 1516 te Leuven door leerlingen van Adriaan uitgegeven.

De theologieprofessoren die aan de faculteit doceerden ten tijde van de confrontatie met humanisme en vroege reformatie (tussen Luthers aflaatthesen van 1517 en het concilie van Trente van 1545-1563), zijn over het algemeen leerlingen van Adriaan. Ze kenmerken zich door hun hoogachting voor hun leermeester. Het zijn deze theologen die de conflicten met Erasmus tijdens diens verblijf in Leuven meemaakten en die deelnamen aan de veroordeling van Luther op 7 november 1519. Daarna bleven ze in hun publicaties een strijd voeren op twee fronten: ze richtten zich zowel tegen Erasmus en de door hem beïnvloede reformatorische stromingen in de Nederlanden als tegen Luther. De belangrijkste controverstheologen van de faculteit vóór het Concilie van Trente waren Jacques Masson of Jacobus Latomus van Cambron (ca. 1475-1544) en Jan Driedoens of Johannes Driedo van Turnhout (ca. 1480- 1535).

Latomus werd bekend omdat hij in 1519 ten tijde van de conflicten rond de oprichting van het Collegium Trilingue het standpunt van de theologische faculteit t.a.v. de humanistische methodes van bijbelstudie verwoordde in de Dialogus de trium linguarum et theologici studii ratione. In 1521 publiceerde Latomus het eerste geschrift tegen Luther in de Nederlanden, een verantwoording van de Leuvense Lutherveroordeling, de Ratio articulorum Lutheri damnationis, waarop de reformator antwoordde met zijn Antilatomus. Volgens Luther zelf is Latomus zijn grootste tegenstander geweest. In zijn Tischreden zegt de reformator zelfs eens: "Alleen Latomus heeft tegen Luther geschreven; alle anderen [andere anti-lutherse polemisten], zelfs Erasmus, zijn kwakende kikkers". Luther waardeert Latomus waarschijnlijk vooral omdat deze laatste het best en het duidelijkst de leer van de Rooms-katholieke Kerk had weergegeven, wat bijvoorbeeld Erasmus niet gedaan had. Ook alle latere geschriften van Latomus zijn polemische traktaten tegen humanisme en Reformatie. Sommige van deze geschriften hangen samen met zijn activiteiten als inquisiteur en zijn duidelijk gericht tegen de vroegreformatorische stromingen in de Nederlanden.

In tegenstelling tot de meeste van zijn collega's heeft Driedo zich opvallenderwijze nooit ingeladen met de inquisitie. Deze uit de omgeving van Korsendonk afkomstige theoloog leidde een enigszins teruggetrokken bestaan. Behalve theologieprofessor was hij ook pastoor van de Sint-Jakobskerk in Leuven. Slechts in zijn laatste levensjaren begon hij te publiceren. Zijn geschriften omvatten De ecclesiasticis scripturis et dogmatibus (1533), dat invloed uitoefende op het tridentijnse decreet over Schrift en Traditie en verder De captivitate et redemptionis generis humani (1534). Hij schreef ook een aantal postuum gepubliceerde traktaten, waarin hij de thematiek van De captivitate verder uitwerkt en zich op diepgravende wijze in augustinistische zin bezighoudt met de kernvragen van de reformatie, nl. geloof en werken, zonde en genade, vrije wil en predestinatie. In deze geschriften neemt hij bij herhaling evenwel ook stelling tegen Erasmus en het humanisme.



De 'contrareformatorische' sacramentenleer die we bij de Leuvense theologen vinden, is tegelijkertijd ook tegen de humanistische, nogal moralistische sacramentsopvatting van Erasmus gericht. Dat blijkt heel duidelijk uit een traktaat van Latomus over het boetesacrament De confessione secreta (1525), dat uitdrukkelijk is gericht tegen een geschrift van de Baselse reformator Oecolampadius, maar tegelijkertijd in bedekte termen zeker ook Erasmus' Exomologesis viseert. In De confessione secreta wordt de goddelijke oorsprong (d.w.z. de instelling door Jezus Christus) en de absolute noodzaak van het hele ritueel van het boetesacrament zoals dat in Latomus' tijd bestond (en ook thans nog bestaat), aangetoond, vooral met behulp van kerkvadercitaten. Overeenkomstig het belang dat hij aan de priesterlijke bediening hecht, is voor Latomus de absolutie het moment van de genadegave. Maar ook het berouw (minstens onvolmaakt berouw, dat niet uit liefde tot God, maar uit angst voor Zijn toorn voortkomt), de belijdenis van alle doodzonden en het volbrengen van de door de biechtvader opgelegde penitentie zijn noodzakelijk opdat het sacrament geldig zou zijn. Driedo heeft geen traktaten over de leer van de sacramenten geschreven. Wel weten we uit zijn geschriften over de genade dat hij het sacrament van de doop onontbeerlijk acht om het heil te bereiken. Hij deelt zelfs de 'harde' mening van Augustinus dat ook de kinderen die zonder doopsel gestorven zijn, in de hel komen, zij het dat hun straf daar allerlichtst zal zijn. In De gratia et libero arbitrio laat Driedo zien dat hij Erasmus ervan verdenkt ketterse opvattingen over het doopsel te willen verspreiden, omdat de humanist van oordeel is dat ook ongedoopten het heil deelachtig kunnen worden.

Over zonde en genade en rechtvaardiging verdedigt Latomus in de Ratio tegen Luther standpunten in de lijn van het thomisme. Vóór de genadegave kan de mens eigenlijk niets doen om zijn heil te bewerken, maar met de goede werken die hij doet nadat hem door doopsel of boetesacrament de heiligmakende genade ingestort is en hij aldus 'in staat van genade' is gekomen, kan hij de hemel verdienen. Volgens Latomus verdwijnt de zonde zelf volledig bij de instorting van de heiligmakende genade. Wat blijft is de begeerlijkheid, die op zich geen zonde is maar alleen 'aanstookster' van zonde. De begeerlijkheid wordt zonde wanneer de mens er mee instemt en er zich door Iaat meeslepen tot zondige daden. Omdat voor hem de begeerlijkheid op zich geen zonde is, keert Latomus zich tegen Luthers bewering dat alle goede werken van de mens in werkelijkheid zonden zijn. Hij is van oordeel dat zelfs de heiden en de zondaar werken kunnen doen die in ethisch opzicht goed zijn, hoewel ze geen verdienstelijk karakter hebben, d.w.z. door God niet beloond worden met de hemel. Het is echter wel denkbaar dat God op een voor de mens onbekende wijze een instorting van de genade heeft laten voorafgaan aan die goede werken, zodat ze in oneigenlijke zin toch een verdienstelijk karakter kunnen hebben. Het is duidelijk dat in deze theologie het genadeleven, dat psychologisch gezien in feite geen enkele invloed op de mens uitoefent, een zeer levensvreemde aangelegenheid wordt.

In vergelijking met Latomus benadert Driedo de leer van de zonde en genade veel meer existentieel. Dat hangt ermee samen dat Driedo veel meer dan zijn collega's de door humanisme en Reformatie aan de orde gestelde problemen wil onderzoeken in het licht van de theologie van Sint-Augustinus. Driedo Iaat opmerken dat de christelijke theologie op de vraag naar eventuele goede werken van de heiden en de zondaar een ander antwoord geeft dan de moraalfilosofie, die de scholastiek van Aristoteles heeft overgenomen. De christelijke theologie heeft er immers weet van dat de zonde, die van Adam op al zijn nakomelingen overgaat, de daden van de mens tekent. Volgens Driedo is het in overeenstemming met de Schrift (Romeinenbrief!) om de zonde te vereenzelvigen met de begeerlijkheid, die maakt dat de mens aan zichzelf overgelaten strikt genomen geen goede werken kan verrichten. Het handelen van de mens zou immers om goed te zijn, gericht moeten zijn op het eeuwige heil in God. Welnu, dat is bij een heiden en een zondaar niet het geval en daarom kunnen zijn werken ook niet goed genoemd worden. Enkel en alleen door Gods genade wordt de mens in staat gesteld om goed te handelen, zodat Driedo kan zeggen: "omnia opera bona sunt dona Dei", "alle goede werken zijn gaven Gods".

Deze stellingen, die hij zich op grond van zijn studie van Schrift en Traditie genoopt ziet als waar te aanvaarden, stellen Driedo zelf voor een groot probleem. Het feit dat hij er in zijn geschriften bij herhaling met een zekere nadruk op terugkomt, bewijst dat hij er zich om de een of andere reden persoonlijk zeer nauw bij betrokken heeft gevoeld. In de scholastiek was meestal (en dikwijls min of meer impliciet) aanvaard dat heidenen die in ethisch opzicht goed geleefd hebben, het heil deelachtig worden, hetzij omdat hun goede daden in werkelijkheid voortspruiten uit een hun door God innerlijk ingestorte genade (en de desbetreffende heidenen op mysterieuze wijze 'in staat van genade' zijn), hetzij omdat God om billijkheidsredenen hun moreel goede daden ook als verdienstelijk aanvaardt en er de hemel als beloning voor geeft. Wanneer volgens Driedo heidenen geen goede daden kunnen doen, is het niet meer dan consequent om te aanvaarden dat al de heidenen door God verdoemd worden, zelfs al hebben ze in moreel opzicht goed geleefd. Het lot van de kinderen die zonder doopsel sterven, toont aan dat deze mening, al lijkt ze nog zo in tegenspraak met de rede, toch niet verworpen mag worden.

De predestinatie (ten heil) impliceert volgens Driedo's De concordia praedestinationis cum libero arbitrio dan ook dat God ervoor zorgt dat aan de mensen die Hij volgens Zijn ondoorgrondelijk raadsbesluit wil heiligen, het evangelie verkondigd wordt, dat zij er zich voor openstellen, dat zij gedoopt worden en dat zij tenslotte de verdienstelijke werken doen, waarmee ze het eeuwig heil verwerven. De reprobatie of verwerping daarentegen betekent niets anders dan dat de mensen die erdoor getroffen worden, het evangelie nooit gehoord hebben en de genade niet gekregen hebben, zodat zij in de zonde verstrikt blijven en welhaast onvermijdelijk in de verdoemenis terechtkomen.

Deze opvattingen van Driedo zullen waarschijnlijk eerder die van een protestant (of jansenist) lijken dan die van een Rooms-katholieke theoloog. Driedo staat inderdaad heel dicht bij Luther, die immers ook een volgeling van Sint-Augustinus was. Eigenlijk verwijt Driedo aan Luther alleen de ontkenning van de vrije wil, van het 'liberum arbitrium'. Volgens Driedo behoudt de mens of hij nu in staat van zonde of in staat van genade is, steeds zijn vrijheid, omdat hij vrij kan instemmen met de zonde of met de genade. We kunnen ons afvragen of het verschil tussen Driedo en Luther dan wel meer is dan een terminologische kwestie. Immers, het 'servum arbitrium' betekent bij Luther niet zozeer dat er geen vrije instemming zou zijn, maar wel dat de wil geen macht heeft om uit zichzelf het heil te bewerken. Dat wordt ook door Driedo volmondig beaamd.

In Driedo's geschriften zijn veel langere passages gewijd aan de bestrijding van het pelagianisme dan aan de bestrijding van Luther. Het pelagianisme is een door Sint-Augustinus bestreden ketterij die leerde dat de mens door moreel goed te leven zelf zijn hemel kon verdienen zonder dat hij daarvoor de hulp van Gods genade nodig had. Driedo was van oordeel dat het pelagianisme in het erasmiaans humanisme een herleving kende. In De gratia et libero arbitrio verwijt hij Erasmus dat deze laatste door (zoals Origenes) te ontkennen dat Paulus in Rom. 5, 12-21 over de erfzonde spreekt, door bijgevolg de noodzaak te betwijfelen van de kinderdoop onmiddellijk na de geboorte, door in Jezus Christus vooral een leraar en een voorbeeld tot navolging te zien, door de rol van de vrije wil zo breed uit te meten, en ook door zijn positieve opvatting van de seksualiteit, pelagiaanse opvattingen voorstaat. Veel meer dan Luther is het Erasmus die omwille van ketterse opvattingen door Driedo bestreden wordt!

Waarschijnlijk geeft Erasmus er eens te meer blijk van een scherp inzicht te hebben in hoe de verhoudingen juist liggen in de godsdienststrijd van zijn dagen, wanneer hij in 1522-1524 (in de periode dat vroegere collega's van de Leuvense faculteit deelnemen aan inquisitieprocessen tegen humanisten) enkele malen met enige verbittering in zijn brieven opmerkt dat de Leuvense theologen hem, Erasmus, sterker haten dan ze Luther, ja zelfs dan ze tien Luthers haten.





Bibliografie: Marcel Gielis, 'Erasmus, Luther en de theologen van Leuven', in: Peter Nissen e.a., Geloven in de Lage Landen. Scharniermomenten in de geschiedenis van het christendom, Leuven: Davidsfonds, 2004, p. 83-97 en de daar opgegeven literatuur; sindsdien verscheen nog een zeer belangrijke studie, waarin de Leuvense theologen bij herhaling ter sprake komen: Wim François, Bijbelvertalingen in de lage landen (1477-1553): een kerkhistorische en theologische benadering, onuitgegeven doctoraatsproefschrift, Leuven: K.U.Leuven, Faculteit Godgeleerdheid, 2004.





Geschiedenis van universiteit en theologische faculteit van Leuven



1. Twee oudere geschiedeniswerken over de universiteit van Leuven in één band

Nicolaus Vernulaeus, Academia Lovaniensis: ejus origo, incrementum, forma, magistratus, facultates, privilegia, scholae, collegia, viri illustres, res gestae, Lovanii: Sassen, 1667 (Oorspr. ed.: 1627); Valerius Andreas, Fasti academici stvdii generalis Lovaniensis, id est origo & institutio: rectores, cancellarij, conservatores, doctores & professores, fundatores & benefactores, resque aliquot memorabiles ejusdem vniversitatis, Lovanii: apud Hieronymvm Nempæum, 1650 (Oorspr. uitg.: 1635) (Tilburg UB: TFH A 10879).



2. Een recent boek over de geschiedenis van de theologische faculteit van Leuven

L'augustinisme à l'ancienne faculté de théologie de Louvain, eds. M. Lamberigts en L. Kenis, Leuven: University Press Peeters 1994 (Bibliotheca ephemeridum theologicarum Lovaniensium, 111) (Tilburg UB: CBM TF B 48292).

Op de omslag van dit boek staat een reproductie van de altaartafel van de theologische faculteit: Pieter Jozef Verhaghen, H. Augustus van Hippo en H. Thomas van Aquino, olieverfschilderij op doek 1776 (Leuven: Sint-Pieterskerk).



3. Bio-bibliografisch werk over auteurs uit België (= de Nederlanden!)

Aubertus Miraeus, Elogia illvstrivm Belgii scriptorvm, qui vel ecclesiam Dei propugna(ve)runt, vel disciplinas illustra(ve)runt, centvria decadibus distincta, Antverpiæ: Svmptibus Viduæ et Heredvm Ioannis Belleri, 1602 (Tilburg UB: TFH A 13831 = KOD 020 D 02).



4. Moderne uitgave van werken van Hoogstraten en Latomus

De oudste Roomsche bestrijders van Luther, eds. S. Cramer en F. Pijper, in: Bibliotheca reformatoria Neerlandica: geschriften uit den tijd der hervorming in de Nederlanden, dl. III, 's-Gravenhage: Nijhoff, 1905 (ook in Tilburg UB: CBM 366 F 08/3 276"1500" BRN 3).





Adriaan Boeyens van Utrecht of paus Hadrianus VI



** 5. Uitgave van de kwesties door Adriaan behandeld op de jaarlijkse decemberdisputen van de artesfaculteit

Hadrianus VI, Praeclarissimae quaestiones quotlibeticae, accuratius noviter impressae: adiecto omnium et principalium et incidentium quaestionum amplissimo indice, Ridgewood, N.J.: The Gregg Press, 1964; reprint of the ed. Venetijs, 1522; oorspr. uitg.: 1515 (Tilburg UB: TFH C 504).



** 6. Uitgave van een commentaar van Adriaan op het vierde boek van de Sententiae van Petrus Lombardus (over de sacramenten)

Hadrianus VI, Quaestiones de Sacramentis in quartum sententiarum librum, Ridgewood, New Jersey: Gregg Press, 1964; reprint; oorspr. uitgave: 1516 (Tilburg UB: TFH C 197).

Getoond wordt de bladzijde met de tekstpassage waarin Adriaan de onfeilbaarheid van de paus ontkent. Deze tekst stelt nogal wat problemen inzake de theorie van de dogmaontwikkeling.



** Voor de nrs. 5 en 6: zie kolomkast.



Jakob van Hoogstraten o.p.



7. Bio-bibliografie van Jakob van Hoogstraten in de eerste editie van de Bibliotheca Belgica

Valerius Andreas, Bibliotheca Belgica: in qva Belgicae sev Germaniææ inferioris provinciae, vrbesq(ue) viri item in Belgio vita scriptisque clari, & librorum nomenclatvra, Lovanii: apud Henricvm Hastenivm, 1623 (Tilburg UB: TFH A 9168 = TFK A 21194 = KOD 020 D 03 = KOD 022 A 10).



8. Bio-bibliografie van Jakob van Hoogstraten in de tweede editie van de Bibliotheca Belgica

Valerius Andreas, Bibliotheca Belgica: de Belgis vita scriptisq(ue) claris. Praemissa topographica Belgii totivs sev Germaniae inferioris descriptione, Editio renovata, & tertia parte auctior, Lovanii: typis Iacobi Zegers, 1643 (Tilburg UB: TFH A 9169 = TFH A 19419 = TFK A 17855 = KOD 021 D 29).





Jan Paesschen o.carm.



9. Beschrijving van een reis naar het H. Land onder de vorm van een kruisweg door Jan Paesschen

Johannes Pascha, Een devote maniere, om geestelijck pelgrimagie te trecken tot den H. Lande, als te Jerusalem, Bethlehem, ter Jordanen ... : met die rechte gelegentheyt der h. plaetsen so bescheydelijck beschreven als oft men die voor oogen sage, ed. Peter Calentijn, Loven: Hieronymus Welle, 1576 (Tilburg UB: TFK A 13651).

De karmelietenprior Jan Paesschen was aanwezig bij de terechtstelling van Voes en Van Esschen. Van zijn ordegenoot Nicolaas Baechem van Egmond, die zeer actief was als adviseur van de inquisitie, zijn weinig sporen bewaard gebleven buiten de archieven van de universiteit en de inquisitie en buiten de vele (over het algemeen van een grote antipathie getuigende) vermeldingen in de correspondentie van Erasmus. Er zouden (een tijdlang?) werken van hem in handschrift bewaard gebleven zijn, maar die zijn vooralsnog niet teruggevonden.





Godschalc Rosemondt



10. Latijnse vertaling van het biechtboek van Rosemondt

Godschalc Rosemondt, Confessionale, sive libellus, modum confitendi pulcherrimè complectens, necessarius atque utilis & rectè confiteri volenti, Lovanii: apud Ioannem de Winghe, Anno 1554, Mense Ian. 19 (Tilburg UB: TFK A 13718).





Jacques Masson van Cambron of Jacobus Latomus



11. Portret(ten) van Latomus (en Tapper) in de 18de-eeuwse heruitgave van de Bibliotheca Belgica

Joannes Franciscus Foppens, Bibliotheca belgica, sive virorum in Belgio vita scriptisque illustrium catalogus, librorumque nomenclatura: continens scriptores à clariss(imis) viris Valerio Andrea, Auberto Miræo, Francisco Sweertio, aliisque recensitos, usque ad annum M.D.C.LXXX, Bruxellis: Per Petrum Foppens, 1739, 2 dln. (Tilburg UB: TFH C 2249/1-2 Haaren 2.8.1.3 = TRE 083 B 02/01 en 083 B 02/02 = TRE 006 B 02/1 en 006 B 02/2 = TRE 066 C 09/1 en 066 C 09/2).

Zie ook een fotokopie in de portrettengalerij.



12. Uitgave van de verzamelde werken van Latomus

Jacobus Latomus, Opera, qvæ præcipve adversus horum temporum hæreses eruditissimè, ac singulari iudicio conscripsit, ab innumeris vitiis, quibus scatebant, diligenter repurgata: quibus accesserunt eiusdem authoris alia quædam opuscula, nunquam antehac typis excusa, ed. Jacobus Latomus (junior), Lovanii: excud. Bartholomaeus Gravius impensis Petri Phalesii, ac Martini Rotarii, vænundantur etiam Antuerpiæ apud Arnoldum Birckmans, 1550 (ook in Tilburg UB: TFH C 1322).

Getoond wordt de bladzijde met de passage waarin letterlijk Erasmus' Spongia wordt geciteerd (zie afd. IV, nrs. 21b en 23).





Jan Driedoens van Turnhout of Driedo



13. Inscriptie op het graf van Driedo in de Sint-Jakobskerk in Leuven volgens het boek van Sweertius

Franciscus Sweertius, Monvmenta sepvlcralia et inscriptiones pvblicae privataeque dvcatvs Brabantiae, Antverpiae: apud Gasparem Bellervm, 1613 (Tilburg UB: TFH A 14640 = KOD 020 D 05 KOD 022 B 20).



14. Grafinscriptie van Driedo in een 19de-eeuws handschrift en titelblad van dat handschrift

Foto's uit een handschrift van het Leuvense stadsarchief.



15. Een speurtocht naar het graf van Driedo in de Sint-Jacobskerk te Leuven

Foto's



16. Uitgave van de verzamelde werken van Driedo

Johannes Driedo, Opervm Ioannis Driedonis a Tvrnhovt, sacrarvm literarvm apvd Lovanienses professoris olim celeberrimi, tomvs primvs, complectens de ecclesiasticis scriptvris et dogmatibvs libros qvatvor, Lovanii: Ex officina Bartholomæi Grauij, 1572; samen ingebonden met:

Johannes Driedo, Secvndvs tomvs Opervm D. Ioannis Driedonis a Tvrnhovt, sacrae theologiae apvd Lovanienses olim professoris: De captivitate et redemptione hvmani generis liber vnvs, Lovanii: Ex officina Bartholomæi Grauij, 1571 (Tilburg UB: TFH D 653/1).

Johannes Driedo, Tertivs tomvs Opervm D. Ioannis Driedonis a Tvrnhovt, sacrarvm literarvm apvd Louanienses professoris olim celeberrimi: quo continentur, De concordia liberi arbitrij & prædestinationis diuinæ, Liber I; De gratia & libero arbitrio, Libri II, Lovanii: Ex officina Bartholomæi Grauij, 1566; samen ingebonden met:

Johannes Driedo, Qvartvs tomvs Opervm D. Ioannis Driedonis a Tvrnhovt, sacrae theologiae apvd Lovanienses olim professoris: De libertate christiana libri tres, Lovanii: Ex officina Bartholomæi Grauij, 1572 (Tilburg UB: TFH D 653/2).

Getoond wordt de bladzijde met de vermelding van Erasmus als zijnde de door Driedo bestreden theoloog, die verdedigde dat de seksuele prikkels volledig natuurlijk zijn; volgens Driedo moet men er meer rekening mee houden dat de menselijke seksualiteitsbeleving door de zonde aangetast is. Uit een ander werk van Driedo werd een passage (over de Vulgaat) overgenomen door het concilie van Trente.





Ruard Tapper van Enkhuizen



* 17. Portret van Tapper in de 18de-eeuwse heruitgave van de Bibliotheca Belgica

Fotokopie uit: Foppens, Bibliotheca belgica (nr. 11).

* Zie nr. 11 en paneel 'Portrettengalerij'.



18. Uitgave van de verzamelde werken van Tapper

Ruard Tapper, Ruardi Tapperi Opera: adiecto indice rerum necessario, Ridgewood, N.J.: Gregg press, 1964, 2 dln. in 1 bd.; facsimile van de uitg.: Coloniae Agrippinae: in officina Birckmannica, 1582 (Tilburg UB: TFL 276"1487" TAP-O).





De vroeg-zestiende-eeuwse Leuvense theologie in beeld



19. Een voorstelling van de pure natuur (= gevallen natuur)

Hiëronymus Bosch, De tuin der lusten, olieverf op paneel, ca. 1500 (Madrid: Museo del Prado).

In 1517 bevond de triptiek die bekend staat onder de naam De tuin der lusten zich in het paleis van de kunstliefhebber Hendrik III van Nassau te Brussel. Ze zou kunnen geschilderd zijn t.g.v. een huwelijk van Hendrik III van Nassau, die in 1503 huwde met Françoise Louise van Savoye, en na de dood van deze laatste, in 1515 met Claudia van Chalons, en zou dus kunnen beschouwd worden als een soort huwelijksspiegel. Later kwam het schilderij in het bezit van Willem de Zwijger, die immers als heer van Breda de erfgenaam van Hendrik van Nassau was. Toen Willems bezittingen na de Beeldenstorm werden aangeslagen, kwam het terecht in de collecties eerst van de hertog van Alva en vervolgens van diens bastaardzoon, abt Don Fernando van de orde van Sint-Jan (gestorven in 1595). Ca. 1593 kwam het terecht in het koninklijk paleis Escorial in de collectie van Filips II van Spanje, zodat het in 1940 in het Pradomuseum in Madrid belandde.

De voorstellingen op De tuin der lusten, vertellen tezamen een coherent verhaal. De in grisaille geschilderde gesloten panelen op de buitenkant van de triptiek vormen één voorstelling. Gewoonlijk neemt men aan dat hier de derde dag van de schepping is uitgebeeld.

Het linkerpaneel van de binnenzijde toont het aards paradijs. In een parkachtig landschap met wonderbaarlijke bergen, bouwsels, planten, vissen, vogels en andere dieren, zien we God (of Christus?), die Eva bij Adam brengt en hen zegent (het paradijshuwelijk). Blijkens de gelaatsuitdrukking van Adam wordt het moment uitgebeeld waarop hij zegt: "Eindelijk, dit is been van mijn gebeente, en vlees van mijn vlees! Mannin ('isja') zal zij heten, want uit een man ('isj') is zij genomen" (Gen. 2,23; vgl. Ef. 5,30 in de vroegere Vulgaattekst). In Adam ontwaakt op dat ogenblik de begeerte. Met die begeerte ('concupiscentia' of 'kwade begeerlijkheid', die volgens Augustinus verband houdt met de 'luxuria', wellust) schijnt toch iets mis te zijn, want er lopen in het paradijs van Bosch nogal wat mismaakte dieren rond, bv. uit het watertje op het midden van het luik komt een soort hagedis met drie koppen gekropen. Op De tuin der lusten heeft Bosch de zondige concupiscentie uitgebeeld, d.i. de begeerte die niet meer wordt geregeld door de rede zoals dat in de oorspronkelijke staat van de mens zoals hij door God bedoeld was, nl. in de staat van de door de genade verheven natuur, wel het geval was.

Bosch heeft dus op het linkerzijluik van De tuin der lusten a.h.w. in één ogenblik (letterlijk!) uitgebeeld wat in het paradijsverhaal in de tijd uiteengelegd wordt op twee verschillende momenten: enerzijds de schepping van Eva en haar 'huwelijk' met Adam en anderzijds de zondeval, die gepaard gaat met het ontstaan van de zondige begeerte waardoor de mens zich afwendt van God. In het kader van zijn interpretatie van de voorstelling van het paradijshuwelijk op het zijluik van De tuin der lusten bespreekt Vandenbroeck de theologische discussie over de seksualiteitsbeleving van Adam en Eva in het aards paradijs vanaf de kerkvader Augustinus tot 15de-eeuwse Nederlandse theoloog Dionysius de Kartuizer. Door toedoen van het humanisme flakkerde die discussie in het begin van de 16de eeuw opnieuw op (zie hierover: Marcel Gielis, 'L'augustinisme anti-érasmien des premiers controversistes de Louvain Jacques Latomus et Jean Driedo', in: L'augustinisme à l'ancienne Faculté de Théologie de Louvain, ed. M. Lamberigts, Leuven, 1994, p. 36-39). Zoals de door Augustinus bestreden pelagianen en zoals Petrus Abaelardus in de 12de eeuw waren de humanisten van de renaissancetijd in het algemeen van oordeel dat de seksuele lust een natuurlijk gegeven was dat reeds in het aards paradijs bestond en dus niet zondig was. Deze opvatting vinden we bv. verwoord in Dboeck der inghelen, dat in 1517 bij Thomas van der Noot in Brussel gedrukt is en dat onomwonden stelt dat de "natuerlijcken appetijt van god comen es".

De theologen van de universiteiten van Leuven en Parijs, die de op Augustinus teruggaande communis opinio van de katholieke Kerk verdedigden, bestreden echter de humanistische zienswijze aangaande de seksuele lust. Toen in 1518 bij Dirk Martens een jeugdwerk van Erasmus, Encomium matrimonii, waarin het huwelijk werd opgehemeld ten koste van het celibaat, ter perse gelegd was en zo aan de openbaarheid prijsgegeven, was de leidende figuur onder de Leuvense theologen, Jean Briart, daardoor zeer geschandaliseerd. In februari 1919 bekritiseerde hij dit boekje fel in een rede bij een doctoraatspromotie. In zijn Apologia herhaalde Erasmus niettemin zijn stelling aangaande de seksuele prikkels die reeds in het paradijs bestonden. Deze stelling werd in de daaropvolgende decennia door diverse scholastieke theologen, ook van Parijs, op de korrel genomen. Volgens Driedo bv. bestond de lust weliswaar reeds in het paradijs, maar die was toen volledig onderworpen aan de rede. Met de zondeval (dus in de staat van de gevallen natuur) was die lust echter ongeregeld - want niet meer in toom gehouden door de wet van God en door de goddelijke instelling van het huwelijk - en dus zondig geworden. Dit is wat Bosch heeft uitgebeeld: het ontstaan van de zondige begeerte bij Adam wanneer die in zijn overweldigende verlangen naar Eva God vergeet en zich van God en Diens geboden losmaakt. De natuur (de natuur van de mens én de natuur als zodanig) geraakt dan in verval: in de plaats van de verheven staat van de genade die bestaat in de verbondenheid met God, waartoe Adam en Eva in het aards paradijs geroepen waren, komt de vervallen staat van de zonde die bestaat in ongehoorzaamheid aan God.

Dat de triptiek gaat over de zondige begeerte wordt bevestigd door de voorstelling van het middenpaneel met een minnekozende massa naakte mensen in hetzelfde wonderbaarlijke landschap als op het linkerpaneel, want het loopt door over de scheiding tussen de beide luiken. Naar aanleiding van dit tafereel, dat ondanks de hel op het rechterluik door nogal wat Boschspecialisten (recent nog door Hans Belting bv., in de lijn van W. Fraenger, die op het middenluik de adamietische ketterij van de Broeders en Zusters van de Vrije Geest uitgebeeld zag) positief werd geïnterpreteerd als de weergave van een na te streven toestand, werd de triptiek later De tuin der lusten genoemd. Jonge mannen en vrouwen hebben elkaar lief, ze kussen en strelen elkaar, ze liefkozen en vrijen. Het is zeer de vraag of deze interpretatie houdbaar is. Midden in het water rijst een merkwaardige toren op, bestaande uit rode, roze, blauwe en grijze geometrische elementen met als basis een blauwe bol. Precies op het snijpunt van de middenas van de compositie met het wateroppervlak, in de holte van deze blauwe bol, zien we het enige echt duidelijk obscene gebaar op dit schilderij: een man grijpt naar het geslachtsorgaan van een vrouw. In de Boschliteratuur is reeds gewezen op De Dood als krijgsknecht omhelst een jonge vrouw van Niklaus Manuel Deutsch, waar we de gepersonifieerde dood hetzelfde gebaar zien maken. Van groter belang voor de interpretatie van Bosch' schilderij is echter een tekening naar een verloren origineel van Hans Baldung Grien, Adam begehrt Eva, waarop Adam Eva's geslacht aan het bevingeren is. We kunnen dus veronderstellen dat de man en de vrouw in de holte van de blauwe bol bij Bosch ook Adam en Eva zijn. Bosch heeft hen echter voorgesteld als oude en afgeleefde mensen: Adam en Eva in de staat der vervallen natuur.

In het midden van het centrale luik van De tuin der lusten trekt een circusachtige stoet van allerlei dieren en acrobatische ruiters in de tegengestelde richting van de zon en van de wijzers van de klok rond een vijver met badende naakte jonge vrouwen, als een stoet van wellust rondom de bron van de jeugd. In deze waanzinnige rondedans bevinden zich behalve paarden ook ezels, beren, herten, ossen, zwijnen, panterachtigen, een geit, een kameel, een eenhoorn en een griffioen. Het uitbeelden van passies en ondeugden in de vorm van een stoet van mensen die op allerlei dieren gezeten zijn, was in Bosch' tijd niet ongewoon. We ontmoeten een gelijkaardig beeld ook in de literatuur, nl. bij Edmund Spenser. Het was gebruikelijk Venus of Luxuria te verbeelden als een vrouw die schrijlings gezeten is op een zwijn, want dit dier volgt steeds zijn lagere neigingen in. Dergelijke figuur zien we dan ook in de rondtollende stoet op De tuin der lusten verschijnen. Het motief van deze stoet heeft een bijbelse oorsprong. In de Vulgaattekst van Ps. 11,9 is sprake van een 'ommegang' of 'rondgang' van slechte mensen (in relatie met de vermenigvuldiging van het mensengeslacht!): "In circuitu impii ambulant: secundum altitudinem tuam multiplicasti filios hominum" ("In een rondgang draven de boosdoeners voort: volgens uw hoge macht hebt Gij de kinderen der mensen vermenigvuldigd"). Het beeld van een in het rond lopende menigte vinden we eveneens bij de Leuvense theologieprofessor Godschalc Rosemondt (ca. 1483 - 1526). Hij was uit Eindhoven afkomstig en was dus een (Noord-) Brabander zoals Bosch. Hij werd vooral bekend als auteur van moralistische en devotionele traktaatjes in de volkstaal en van een 'biechtspiegel', waarvan hij ook een Latijnse bewerking maakte. Zowel in zijn geschrift over het onzevader als in zijn biechtboek gebruikt hij het beeld van een menigte die zoals Simson in de rosmolen in het rond loopt, om de menselijke verdwazing o.i.v. de zonde te beschrijven.

Links op de voorgrond wijst een blanke man een zwarte vrouw op het gebeuren op het linkerpaneel: de zegening van Adam en Eva door God. Samen met het doorlopende landschap vormt dit 'gemengde' paar een verbinding tussen het midden- en het linkerluik. Rechts op de voorgrond zien we een zwarte vrouw, twee blanke vrouwen en twee mannen met een wat donkerder teint; deze vijf figuren zijn naakt op een versiering met bloemen, vruchten en enkele plantenslierten na. De vrouw die uiterst rechts staat, heeft een opvallend lange haartooi en haar lichaam blijkt bij nadere beschouwing geheel behaard te zijn. Jacob van Maerlant had in de 13de eeuw in zijn Der Naturen Bloeme reeds geschreven dat er in verre landen mensen leven die geen kleren dragen en wier lichaam bedekt is met haar. De aanwezigheid van donkere en behaarde mensen in de liefkozende massa naakte mannen en vrouwen doet vermoeden dat Bosch eigenlijk 'wilden' heeft uitgebeeld.

Dit alles (Adam en Eva in de staat der vervallen natuur, de o.i.v. de zonde dwaas in het rond hollende mensenmenigte, de 'wilden') betekent naar alle waarschijnlijkheid niets anders dan dat die fameuze tuin der lusten de mensheid voorstelt in de staat van de pure natuur, waarover theologen juist in de tijd van Bosch begonnen te speculeren. Eigenlijk zijn er over die pure natuur twee uiteenlopende theorieën. Enerzijds zijn er de theologen (vooral Italiaanse en Spaanse) die - enigszins in de lijn van wat bij Sint-Thomas van Aquino al in de kiem aanwezig was - de menselijke natuur aristotelisch-filosofisch beschouwen en aan de mens "in puris naturalibus" (d.i. aan de mens die alleen van zijn natuurlijke vermogens gebruik maakt) heel wat mogelijkheden toeschrijven. Zij zijn van oordeel dat de mens als zodanig gericht is niet op het eeuwig heil dat het christelijk geloof hem belooft en dat alleen God hem kan geven, maar op een puur natuurlijk heil en geluk dat hij met zijn natuurlijke krachten kan bereiken. Anderzijds zijn er de theologen die - heel duidelijk in de lijn van Sint-Augustinus - de mens zien in het licht van de christelijke Openbaring en eraan vasthouden dat die mens door God geschapen is om met Hem gelukkig te zijn. De mens is dus gericht op de zalige godsaanschouwing en kan alleen maar gelukkig zijn als hij van God dit eeuwig heil kan krijgen. Om het onverschuldigd karakter van de genade en van het heil duidelijk in het licht te stellen maken deze theologen de veronderstelling dat God de mens ook zou kunnen geschapen hebben zonder hem te bestemmen voor het eeuwig heil. De eveneens in Leuven docerende theoloog Johannes Driedo van Turnhout (ca. 1480 - 1535), die dus ook een streek- en (ietwat jongere) tijdgenoot van Bosch was, is de eerste die een dergelijke theorie van de pure natuur opstelt. Driedo is bekend als de auteur van volumineuze Latijnse traktaten waarin hij vooral op grond van Augustinus de leer van de katholieke Kerk verdedigt tegen humanisme en Reformatie. Zijn werk oefende grote invloed uit op het Concilie van Trente en op de kerkleraar Robertus Bellarminus. Driedo ziet de pure natuur helemaal niet zo positief als zijn Italiaanse en Spaanse collegae-theologen. Bij hem is die pure natuur identiek met de natuur van de mens zoals die nu is: onderworpen aan kwade begeerlijkheid en aan lijden en dood, want niet voorzien van de uit de godsverbondenheid voortvloeiende oorspronkelijke gerechtigheid, die de vrijwaring van deze kwalen bewerkte. In een pure-natuurstaat zit de mens volgens Driedo dus in een onheilssituatie; in deze staat kan zijn eindbestemming enkel en alleen de hel zijn.

Naast deze twee scholastieke opvattingen over de menselijke natuur moet er eigenlijk nog een derde opvatting onderscheiden worden, die in het begin van de 16de eeuw buiten de kringen van de scholastieke vaktheologen opkwam, nl. de humanistische. Iemand zoals Erasmus had zo'n positieve opvatting over de mogelijkheden van de mens ook buiten de verlossingsorde dat hij een personage in zijn Colloquia laat zeggen dat hij er zich nauwelijks kan van weerhouden te bidden: "Sancte Socrates, ora pro nobis". Erasmus neigt zoals zijn geprivilegieerde kerkelijke schrijver uit de oudheid, Origenes, tot de opvatting dat heidenen die een hoogstaand leven hebben geleid, niet in een voorgeborchte (zoals bij de volgelingen van Sint-Thomas en bij Dante) en nog minder in de hel (zoals bij nogal wat volgelingen van Sint-Augustinus), maar in de hemel zijn. Zoals ook al bleek uit zijn opvatting over de natuurlijkheid van de seksuele prikkels, heeft hij duidelijk de neiging de invloed van de zonde sterk te minimaliseren. Picturaal is zijn mensbeeld tot uitdrukking gebracht in de afbeeldingen van Adam en Eva door Albrecht Dürer of, sterker nog (en in de Nederlanden!) door Jan Gossaert, bijgenaamd Mabuse.

De visie echter die Bosch heeft uitgebeeld op De tuin der lusten komt o.i. volledig overeen met wat Driedo enkele jaren later zal uiteenzetten in zijn geleerde Latijnse traktaten. Bij Bosch zien we wat er gebeurt als de mens aan zichzelf overgelaten wordt, zoals in die pure-natuurstaat volgens Driedo het geval is. Dan leidt zijn kwade begeerlijkheid de mens tot gedragingen die niet meer menswaardig zijn: in de ronddraaiende stoet van de wellust bemerken we een jongeman die een "duidelijke poging tot autofellatio" (Van Baaren) onderneemt, terwijl er onder de minnekozende menigte ook zijn die zich overgeven aan homofilie en anaalerotiek (sodomie), zoals waarschijnlijk gesuggereerd wordt door het koppel jongemannen, waarvan de ene de andere bloemen in zijn achterwerk stopt.

Op het rechterpaneel zien we waartoe dit alles leidt: daar is de bestraffing van de zondaren in de hel voorgesteld. In onderscheid met wat zich afspeelt op het linkerluik, gaan de gruwelijke gebeurtenissen op het rechterluik volkomen voorbij aan de minnaars op het middenpaneel. Op het rechterzijluik staat afgebeeld waartoe het mensenleven in de pure-natuurstaat leidt: tot de verdoemenis. Daar zien we de schaduwzijde van de lust. Deze hoofdzonde wordt bestraft met de hel, waar de zondaars op vreselijke wijze worden gepijnigd en gemarteld door monsters, messen, sleutels, muziekinstrumenten en schaatsen. Het middelpunt van deze hel vormt een opvallende, raadselachtige, hybride figuur, de zogenoemde 'boommens'. Een holle opengewerkte romp (een gebroken ei?) met een hoofd staat op twee boomstronken die tegelijk armen en benen zijn en rusten in twee bootjes die op het water drijven. Het over de schouder terugblikkende hoofd, dat volgens sommigen een zelfportret van de schilder is, kijkt de toeschouwers aan en betrekt hen aldus intensief bij het tafereel. Op het hoofd rust een grote schijf waarop een roze doedelzak staat, waar duivels hand in hand met zondaars omheen lopen. In de holte van de romp is een kroegtafereel waar te nemen. De kroeg en de doedelzak houden ongetwijfeld verwijzingen in naar enkele hoofdzonden, resp. naar onmatigheid en wellust. In de Albertina in Wenen bevindt zich een tekening waarop Bosch eveneens een dergelijke boommens heeft uitgebeeld.

De boekjes over de Ars moriendi huldigen de stelregel dat zondaars in de hel gepijnigd worden met datgene waardoor ze gezondigd hebben. Dit principe vinden we terug in de hel van De tuin der lusten, meer bepaald in het gedeelte dat wel eens de 'muzikale hel' of 'muzikantenhel' is genoemd. We zien er o.a. een koor van verdoemden die een klaagzang jammeren, die ze lezen vanaf een partituur die is geschreven op de blote billen van iemand anders die daar zijn straf ondergaat. De muziekinstrumenten waarmee de zondaars in de muzikale hel gefolterd worden, moeten we wel in hun symbolische betekenis zien. Muziekinstrumenten fungeren in Bosch' tijd vaak als sekssymbool. Al in de oudheid hadden blaasinstrumenten een fallische duiding. In veel liefdesscènes bespeelt de man een instrument; de luit was het attribuut bij uitstek van de minnaar. Ook bij vrolijke gezelschappen, die zich aan geestrijke drank en seksuele uitspattingen te buiten gaan, worden vaak muziekinstrumenten bespeeld. In een lied van Karel Waeri, gezongen door Wannes van de Velde, Adam en Eva in het Aards Paradijs, staan viool en fluit symbool voor het vrouwelijk lichaam en het mannelijk lid. Misschien mag men in de beroemde foto van Man Ray Le violon d'Ingres (een naakte vrouw met onderdelen van een viool op haar rug getekend) een gelijkaardige toespeling zien. Feit is dat de moralist Bosch een muziekinstrument meestal gebruikt als metafoor van het zondige leven. Aangezien bovendien volgens de middeleeuwse astrologie musici 'kinderen' van Venus waren, is het gemakkelijk te begrijpen dat op het rechterpaneel van een schilderij dat de wellust aanklaagt een muzikale hel voorkomt, waarin zondaars met muziekinstrumenten gepijnigd worden omwille van hun ongeregelde seksualiteitsbeleving: i.p.v. een bloem zoals in de tuin het geval was, steekt hier nu bv. een fluit uit het achterste van iemand die zich daaraan heeft schuldig gemaakt. Elders in de hel, op de ladder die naar het binnenste van de boommens leidt, zien we een figuur die een pijl in zijn achterwerk heeft gekregen. De neerlandicus Dirk Bax, die de basis heeft gelegd voor de Boschinterpretatie die door Marijnissen en Vandenbroeck en ook in deze bijdrage gevolgd wordt, brengt deze figuur in verband met de uitdrukking: "een roe snijden voor eigen gat", die betekent: "iets doen dat later tot eigen straf en schade dienen zal, zijn eigen straf voorbereiden" (zie Van Dale, 1984, s.v. 'roe, roede'). Degenen die in de (muzikale) hel van het rechterluik straf ondergaan, hebben die voorbereid in de tuin der lusten op het middenluik.

Vooraan in de hel troont de duivel op een kakstoel. Evenals sommige andere beelden van de hel zou Bosch dit motief ontleend hebben aan de Visio Tungdali, een 12de-eeuws verhaal over een helletocht, dat geschreven werd door een Ierse monnik en waarin verteld wordt: "bestia sedebat super stagnum" ("het beest zat bovenop een poel") (vgl. het schilderij Het Visioen van Tondalus uit de school van Bosch). Van Tondalus' Visioen bestaan talrijke oude drukken, bv. een Antwerpse incunabeldruk. In 1484 verscheen een Nederlandse uitgave te 's-Hertogenbosch, gedrukt door Gerardus Leempt.



20. Afbeelding van Adam en Eva in dezelfde houding als de man en vrouw in het midden van Bosch' schilderij

Navolger van Hans Baldung Grien, Adam begehrt Eva, in: Marianne Bernhard, Hans Baldung Grien: Handzeichnungen, Druckgraphik, München: Südwest-Verlag, 1978, p. 283.

Deze tekening maakt duidelijk dat het in het middenluik van de Tuin der lusten ook om Adam en Eva gaat. Paul Vandenbroeck, 'Jheronimus Bosch' zogenaamde Tuin der Lusten', in: Jaarboek van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, (1989), p. 9-210 en (1990), p. 9-192, dl. I (1989), p. 36 wijst op een tekening van Jan Gossaert van ca. 1525-26, bewaard in Providence, waarop Eva met de linkerhand naar de appel en met de rechter naar Adams geslachtsdeel grijpt.



21. Schilderij van een zeer voluptueuze Adam en Eva door Jan Gossaert of Mabuse

Frontispice van: Jan Hendrik van den Berg, Metabletica van God : de drie voornaamste veranderingen, Kapellen / Kampen, Pelckmans / Kok Agora, 1995.

Het schilderij van Gossaert wordt in het boek van J.H. van den Berg uitvoerig besproken. Bosch polemiseert eigenlijk tegen dergelijke voorstellingen. Men zou kunnen zeggen dat Bosch in dezelfde verhouding tegenover Mabuse staat als Driedo tegenover Erasmus.



22. Het Laatste Oordeel met Jezus als een Rechter die de mens afrekent op zijn goede werken en met Maria als voorspreekster

Jan Provoost, Het laatste oordeel, olieverf op een eiken paneel, 1525 (Brugge: Groeningemuseum)

Zoals Lanceloot Blondeel (1498-1561) was Jan Provost (1465-1529) een vernieuwer, hoewel hij zich niet oriënteerde op Italië. Eveneens zoals Blondeel was hij - in goede humanistische (!) traditie - zeer veelzijdig: hij was cartograaf, ingenieur en architect. De innovaties van Provoost en Blondeel hadden vooral te maken met de thema's en motieven van hun iconografie.

Dit schilderij Het laatste oordeel is het enige waarvan de toeschrijving aan Provoost wordt bevestigd door archiefstukken. Het is afkomstig van het Brugse stadhuis, waarvoor het geschilderd werd in 1525 (schepenbank!). De lijst, die mogelijkerwijze is getekend door Blondeel, is nog gedeeltelijk origineel. De iconografie wijkt enigszins af van wat in de late middeleeuwen gebruikelijk was. Jezus toont duidelijk Zijn zijdewond als teken van de verlossende kracht van Zijn kruisdood. Doch opvallend is het ontbreken van de lelie, het symbool van de barmhartigheid, naast de rechtsprekende Messias; Hij heeft alleen het zwaard der rechtvaardigheid bij zich. Een ander element dat wijst op een uitgesproken katholiek en gezien het tijdstip van ontstaan van het schilderij zelfs antireformatorisch engagement van de schilder is de prominente aanwezigheid (overigens naast Sint-Jan de Doper) van Maria, die wijst op haar moederborst als teken van haar aandeel in het verlossingswerk. Dat de gelukzaligen in het paradijs aankomen door een stroom over te steken is waarschijnlijk een reminiscentie aan de Griekse mythologie (de Styx en de veerman Charon), maar het bekleden met witte gewaden is dan weer een bijbels element dat ook bij Hans Memling voorkomt (een reminiscentie aan het bruiloftskleed van Mt. 22,11-22). De hel waarin we paters en nonnen opmerken en die aldus een kerkkritisch element vertegenwoordigt, doet denken aan Bosch.





Leuvense Schrift- en Augustinusedities



23. Bijbel met een door de Leuvense theologen verbeterde Vulgaattekst

Biblia ad vetustissima exemplaria nunc recens castigata : Hebræa, Chaldæa, Græca & Latina nomina virorum, mulierum, populorum, idolorum, vrbium, fluuiorum, montium, cæterorumque locorum quæ in

Biblijs leguntur, restituta, cum Latina interpretatione, ac locorum è cosmographis descriptione, Vulg. ed. castigata a theologis Lovaniensibus, cum praefat. Joannis Hentenii, Lovanii: Ex officina Bartholomæi Gravii typographi, 1547 (Tilburg UB: TFK D 319).



24. Uitgave van de verzamelde werken van Augustinus door de Leuvense theologen

Aurelius Augustinus, S. Avrelii Avgvstini epistolæ, ed. per theologos Lovanienses, Parisiis: [s.n.], 1649 (S. Avrelii Avgvstini opera, 2) (Tilburg UB: CBM TF D 42).

Vgl. de Baselse editie en de editie door de Mauristen in hoofdstuk III van deze cataloog.





VI. Het ontstaan van de Sint-Andriesparochie





Van de gebouwen van het augustijnenklooster was alleen de kerk gespaard gebleven van de sloop die op last van de inquisitie doorgevoerd werd. Adriaan van Utrecht, die in 1522 paus gekozen was, werd nogmaals betrokken bij de geschiedenis van de Saksische augustijnen van Antwerpen: hij was het die nog juist vóór zijn voortijdige dood in 1523 de toelating gaf de kloosterkerk om te vormen tot parochiekerk. De patroon van het Bourgondische huis, de H. Andreas, werd door toedoen van landvoogdes Margaretha van Oostenrijk, dochter van Maria van Bourgondië, ook tot patroon gekozen van de nieuwe Antwerpse parochie, die officieel opgericht werd in 1529.

De geschiedenis van de Sint-Andriesparochie zal bij een volgende gelegenheid uitvoeriger in het licht worden gesteld. We beperken er ons hier toe te verwijzen naar het werk van pastoor Visschers, de 19de-eeuwse geschiedschrijver van zijn parochie, en naar een paneel over een belangrijke gebeurtenis uit de geschiedenis van Sint-Andries, nl. de instorting van de toren in 1755.



Bibliografie: Bart Goovaerts, Sint-Andrieskerk te Antwerpen, Antwerpen: De Vlijt, 1979.



1. Het verhaal van de oprichting van Sint-Andriesparochie in een 18de-eeuwse Antwerpse kerkgeschiedenis

Joannes Carolus Diercxsens, Antverpia Christo nascens et crescens seu acta ecclesiam Antverpiensem ejusque apostolos ac viros pietate conspicuos concernentia usque ad seculum XVIII, 7 dln., deel 4: 1523-1566, Antverpiae: apud Joannem Henricum Van Soest, 1773 (Tilburg UB: TFH A 10796/4).



2. Hadrianus V, paus 1522-1523, die toelating gaf tot de oprichting van de Sint-Andriesparochie

Fotokopie van: Portret van paus Hadrianus VI, anonieme gravure, begin 17de eeuw.



3. Peter Jozef Visschers, Geschiedenis van St. Andrieskerk te Antwerpen, sedert hare opkomst, tot den huidigen dag, Antwerpen: Janssens, 1853, 3 dln.



Zie tenslotte ook het permanent in de kerk tentoongestelde paneel: 250 jaar geleden: 30 mei 1755, 22 u.30: de eerste, gotische toren van de Sint-Andrieskerk stort in.