Het diaconaat, het wijdingssacrament en het

drievoudig ambt van profeet, priester en pastor



Marcel Gielis



Voor mijn broer Guido,

die zich voorbereidt op de diakenwijding





Bij herhaling is sinds de discussie over het herstel van het permanent diaconaat rond 1960 opgemerkt dat een theologie over dit ambt ontbreekt (1). Ook zouden de teksten van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) slechts een opsomming geven van de taken die een diaken kan uitoefenen en derhalve onvoldoende aanzetten bieden om een theologie van het diaconaat te ontwikkelen (2). Ik kan mij echter niet ontdoen van de indruk dat er een zekere weerstand bestaat om in de lijn van het Tweede Vaticaaans Concilie een theologie van het diakenambt te ontwikkelen. In een dergelijke theologie zouden nl. dogmatische beslissingen kunnen vallen t.a.v. hete hangijzers zoals het onderscheid tussen het algemene en het bijzondere priesterschap en de mogelijkheid om vrouwen toe te laten tot het kerkelijk ambt, zodat de 'speelruimte' verkleind wordt voor bedieningen die door leken, eventueel vrouwen, kunnen vervuld worden. Het is echter in de recente kerkgeschiedenis reeds gebleken dat theologische onduidelijkheid verwachtingen doet ontstaan waaraan onmogelijk kan voldaan worden, wat leidt tot grote frustraties bij degenen die zich in de Kerk engageren. Daarom verdient het m.i. de voorkeur zoveel mogelijk theologische klaarheid te scheppen.

Het is mijn overtuiging dat een lectuur van de teksten van Vaticanum II over het diaconaat in het licht van de voorafgaandelijke traditie, van de toenmalige ecclesiologische discussie en van het geheel van de conciliaire teksten over het wijdingssacrament voldoende aanwijzingen geeft om te weten in welke richting een theologie van het diakenambt ontwikkeld moet worden. In dit artikel wil ik ingaan op de discussie over het diaconaat die sinds het Tweede Vaticaans Concilie in de katholieke kerk gevoerd wordt en een poging doen om vanuit de vernieuwde visie op het kerkelijk ambt die in de lijn van Vaticanum II ontwikkeld is, tot een oordeel over deze discussie te komen en aan te geven welke perspectieven er zijn i.v.m. de zojuist aangeduide hete hangijzers. Eerst geef ik aan welke de verschillende opvattingen zijn die thans in de katholieke kerk over het diaconaat verdedigd worden. Vervolgens bespreek ik de problematiek van de verhouding van ambten en machten, die ook in de concilieteksten een neerslag gevonden heeft. Tenslotte laat ik zien welke implicaties dit heeft voor de theologie van het diaconaat en voor de kwesties van het onderscheid tussen het diakenambt en de lekenbedieningen en van de toelating van vrouwen tot het diaconaat.



De discussie over het diaconaat sinds het Tweede Vaticaans Concilie



In het artikel over het diaconaat in de nieuwste (thans nog lopende) editie van het Lexikon für Theologie und Kirche wordt relatief uitvoerig ingegaan op de discussie die sinds het herstel van het diaconaat als permanente levensstaat over dit ambt gevoerd wordt (3). De auteur van het artikeldeel dat handelt over de huidige discussie, Gisbert Greshake, onderscheidt drie richtingen in de theologie over het diaconaat: op de eerste plaats een richting die het diaconaat ziet als het ambt van assistentie van bisschop en priester, vervolgens een richting die het ziet als het ambt van de diaconie of van de dienst van de Kerk aan de wereld door de caritas en tenslotte een richting die het diaconaat ziet als een 'complementair' ambt t.o.v. dat van de priester. In de laatstgenoemde richting wordt gesteld dat de priester verantwoordelijkheid draagt voor de concentrerende beweging in de Kerk naar de eucharistie toe en de diaken voor de beweging van de Kerk naar buiten toe in de dienst aan de wereld. Greshake wijst deze visie af omdat de dienst aan de wereld vooral de taak is van de leken en het moeilijk in te zien is waarom het bezig zijn met die twee bewegingen over twee verschillende, zij het ook complementaire ambten zou moeten verdeeld worden. Omdat ik de indruk heb dat deze theologische richting uiteindelijk opgaat in de tweede die het diaconaat beschouwt als de ambtelijke vertegenwoordiging van Christus in de kerkelijke diaconie besteed ik er hier verder geen aandacht meer aan.

Wezenlijk blijven er dus m.i. van de drie door Greshake in de theologie van het diaconaat onderscheiden richtingen slechts twee over, nl. degene waarin het diaconaat als een dienstambt t.o.v. bisschops- en priesterambt en degene waarin het als het ambt van de diaconie, van de (caritatieve en sociale) dienst aan de wereld wordt gezien. In de eerste visie is de diaken degene die de bisschop en de priester ondersteunt door allerlei taken op het terrein van de drie 'ambten' van de Kerk, te weten de profetische taak van de verkondiging van het Woord Gods, de priesterlijke taak van de liturgie en van de bediening van de sacramenten en de pastorale taak van de beoefening van de caritas (de diaconie) van hen over te nemen. T.a.v. deze richting wordt de kritiek geuit dat ze het wezen van het diaconaat niet in dit ambt zelf legt, maar in de relatie tot andere ambten, nl. die van bisschop en priester. In de tweede visie is de diaken degene die Christus als dienstknecht sacramenteel tegenwoordig stelt in de zorg voor armen, zieken en hulpbehoevenden. Hij oefent deze zorg zelf uit en is verantwoordelijk voor de vorming en de leiding van degenen die in de Kerk zich met deze zorg inlaten. Vertegenwoordigers van deze richting pleiten er nogal eens voor dat de diaken niet zozeer bisschop en priester in allerlei taken van verkondiging en liturgie zou bijstaan, maar wel sacramenten die eventueel nauw verband hebben met zijn taak in de diaconie zoals boetesacrament en ziekenzalving, zou kunnen bedienen.

Uit deze van Greshake overgenomen weergave van de huidige discussie over het diaconaat blijkt zeer duidelijk dat hierin vooral twee zaken omstreden zijn: de onderlinge verhouding tussen de ambten van bisschop, priester en diaken en de verantwoordelijkheid van deze drie ambten t.a.v. het drievoudig 'ambt' van de Kerk (in de zin van drievoudige taak van verkondiging, liturgie en liefdedienst). Deze problematiek aangaande het ambt van bisschop, priester en diaken en het drievoudig 'ambt' van profeet, priester en pastor (of koning) vindt haar oorsprong grotendeel in de teksten van het Tweede Vaticaans Concilie. Daarom pogen we nu door een onderzoek van deze teksten in het licht van de traditie en van de toenmalige ecclesiologische discussie over het drievoudig ambt meer klaarheid in deze problematiek te brengen.



Theologie en canonistiek van vóór Vaticanum II over de tweevoudige macht van de kerkelijke hiërarchie en over het drievoudig ambt van Christus en de Kerk



De tweevoudige macht van de kerkelijk hiërarchie

In de Kerk vóór Vaticanum II worden veelal twee hiërarchieën onderscheiden: de wijdingshiërarchie en de jurisdictiehiërarchie (4). Dit hangt natuurlijk samen met het onderscheid tussen de twee machten van de hiërarchie: de wijdingsmacht en de jurisdictiemacht. De wijdingsmacht wordt gegeven door de wijding en bestaat in een participatie aan Christus' macht om Gods genade mee te delen aan de gelovigen. Wijdingsmacht is de basis van de jurisdictiemacht, zodat alleen iemand die een wijding ontvangen heeft een kerkelijk ambt kan bekleden. Anderzijds heeft de jurisdictiemacht een ordenende functie t.o.v. de wijdingsmacht, bv. door iemand een territorium toe te wijzen waarbinnen hij zijn wijdingsmacht kan uitoefenen. Jurisdictiemacht (of herderlijke macht) bestaat in de macht om de gelovigen te leiden en te besturen, wetten uit te vaardigen en recht te spreken.

De wijdingshiërarchie vinden we op een klassieke wijze beschreven bij Thomas van Aquino, wanneer hij het priesterschap bespreekt in functie van de verhouding tot de eucharistie (5). Omdat een bisschop niet meer macht heeft t.a.v. de eucharistie dan een priester, is het priesterschap (van de gewone priester) de hoogste trap van de wijdingshiërarchie. Onder de priester staan in deze hiërarchie: diaken, subdiaken, acoliet, exorcist, lector en portier. Priesterschap, diaconaat en subdiaconaat waren (althans in de Westerse of Latijnse kerk) de zogenaamde hogere wijdingen, de andere rangen vormden de lagere wijdingen. Deze wijdingen en de bijbehorende rangen hadden alleen een plaats in de opgang naar het priesterschap. Vóór de (in de chronologische volgorde) eerste wijding, het ostiariaat of de rang van 'ostiarius' of portier, ontvangen werd, was de toekomstige priester door de tonsuur of kruinschering opgenomen in de clerus. Boven de priester stond natuurlijk de bisschop als degene die andere priesters kon wijden, maar het bisschopsambt werd beschouwd als een hogere rang in jurisdictiehiërarchie, niet in de wijdingshiërarchie. Krachtens zijn grotere jurisdictiemacht wees de bisschop aan een priester een bepaald gebied toe waarin deze laatste dan als pastoor, onderpastoor of kapelaan zijn (gedelegeerde) ambtelijke macht kon uitoefenen. Overigens stond boven de bisschop nog duidelijk de paus als hoogste in rang op de jurisdictiehiërarchie, d.w.z. als universele bisschop van de Kerk.

Bij deze visie op de hiërarchie zijn enkele kritische aantekeningen te maken. Het onderscheid tussen beide machten en hiërarchieën evolueerde mettertijd tot een scheiding. De opkomst en de verspreiding van de (door het concilie van Chalcedon in 451 nog verboden) absolute wijdingen (d.w.z. dat bv. priesters gewijd werden zonder dat ze onmiddellijk verbonden werden aan een kerk waarin ze hun ambt konden uitoefenen) was hier natuurlijk niet vreemd aan. Dat in de late Middeleeuwen een zogenaamd 'Messopferpriestertum' bestond, d.w.z. dat veel priesters niets anders deden dan missen opdragen voor overledenen, is ook alleen maar mogelijk binnen een hiërarchisch systeem waarin wijdings- en jurisdictiemacht van elkaar gescheiden waren. De verkondiging van het Woord Gods en de zielzorg werden immers gezien als taken die voortvloeiden uit de jurisdictiemacht, waarover alleen de bisschop en niet de priester als zodanig beschikte. Tenslotte leidde deze scheiding tussen beide machten en hiërarchieën tot de tendens de paus als de bron van alle jurisdictiemacht in de Kerk te beschouwen. Deze tendens toonde haar kwalijke gevolgen vooral tijdens het Concilie van Trente (1545-1563). Als een noodzakelijke hervorming drong zich toen het opleggen van de residentieplicht aan de bisschoppen op. De hervormingsgezinde partij was van oordeel dat de residentieplicht een verplichting van goddelijk recht was. Deze opvatting veronderstelde echter dat de bisschoppen hun jurisdictiemacht rechtstreeks van God kregen, en niet via de paus. Dit was onaanvaardbaar voor de Romeins-curiale partij, die vasthield aan de overtuiging dat de bisschoppen hun jurisdictiemacht van de paus kregen. Uiteindelijk slaagde het concilie er toch wel in de residentie als een strenge gewetensplicht aan de bisschoppen op te leggen, maar het zag zich genoodzaakt de kwestie van het goddelijk recht van dit gebod open te laten.

Aan de vooravond van Vaticanum II heeft vooral de canonist Klaus Mörsdorf een vernieuwing in de visie op de hiërarchie bewerkt: in enkele fundamentele artikelen stelde hij het onderscheid, maar tegelijk ook de wederzijdse betrokkenheid van beide machten in het licht. De problematiek van de machten in de Kerk was toen zeer nauw verweven met die van het drievoudig ambt.



Het drievoudig ambt van profeet, priester en pastor

In de leer over het drievoudig ambt spreekt men niet zozeer in juridische zin over ambt(en). Eigenlijk gaat het hier vooral om het omschrijven van een drievoudige taak of functie van Christus, de Kerk, de ambtsdragers of de gelovigen: de verkondiging van het Woord Gods (profetisch ambt of leraarsambt), de viering van de sacramenten (priesterlijk of liturgisch ambt) en het dienstwerk van de liefde in gemeenschapsvorming, geestelijke begeleiding, armen- en ziekenzorg en allerlei vormen van sociale en politieke inzet (pastoraal, herderlijk, koninklijk of diaconaal ambt) (6). Het thema van het drievoudig ambt van Christus duikt af en toe op bij de kerkvaders en bij de middeleeuwse scholastieke kerkleraars, meestal i.v.m. de uitleg van bijbelteksten over de zalving van priesters, koningen en profeten. Vooral de reformator Johannes Calvijn heeft het thema een plaats gegeven in de theologie door aan de hand van het drievoudig ambt te beschrijven wat de verlossing door Jezus Christus juist betekent. In het begin van de 19de eeuw namen katholieke theologen het thema van het drievoudig ambt op in hun ecclesiologie om de taken van de hiërarchie te omschrijven. Dit leidde ertoe dat de leer over het drievoudig ambt verbonden werd met een leer over ambten in juridische zin. De macht waardoor de hiërarchische ambten zich kenmerken, werd verdeeld over de drie 'ambten' of taken van de Kerk en werd onderscheiden in leergezag, wijdingsmacht en bestuursmacht. Sommige theologen en canonisten aanvaardden weliswaar slechts twee machten, nl. wijdings- en jurisdictiemacht, maar splitsten dan de laatste macht uit in leergezag en bestuursmacht. In deze optiek was het bv. evident dat de verkondiging van het Woord Gods een specifieke taak van de bisschop was, want die had leermacht (7). De taak om het Woord Gods verkondigen kwam eigenlijk niet toe aan de priester als zodanig en nog minder aan de leek. Alleen als de bisschop een priester tot pastoor aanstelde kreeg die een verkondigingstaak opgedragen. Het pastorale ambt, in de zin van het uitoefenen van de taken van liefdebeleving en dienstbaarheid, dreigde in deze visie volledig op te gaan in het uitoefenen van bestuursmacht, zodat bv. de diaconie niet als een wezenlijke dimensie van de Kerk werd opgevat. Ten gevolge van deze visie waarin de taken van de Kerk voortvloeiden uit de machten van de hiërarchie, hadden leken geen aandeel in het vervullen van de taken van de Kerk.

De grote Franse dominicanertheoloog Yves Congar, misschien wel de belangrijkste wegbereider van het Tweede Vaticaans Concilie en de theoloog die de sterkste invloed heeft uitgeoefend op de concilieteksten, toonde vanaf zijn eerste publicaties in de jaren 1930 grote interesse in het thema van het drievoudig ambt, omwille van de bruikbaarheid niet alleen in de christologie en de ecclesiologie, maar ook in de theologische antropologie. In Chrétiens désunis (1937) spreekt Congar over de 'loi de l'incarnation', waardoor de 'ecclesia de Trinitate', de Kerk die ontstaat uit de H. Driëenheid door dogma, sacramenten en ambten een 'ecclesia ex hominibus' wordt, een Kerk die een gemeenschap van mensen is. Voor deze gedachte heeft Congar zich geïnspireerd op de 19de-eeuwse Duitse theoloog Johann Adam Möhler volgens wie geloof, vroomheid en liefde hun uitdrukking vinden in dogma, liturgie en wet. Hier ontmoeten we dus duidelijk het thema van het drievoudig ambt, met dien verstande dat het kerkelijke hiërarchische ambt bij Congar nog steeds de plaats inneemt van de liefdebeleving, die in wetsvervulling geconcretiseerd wordt. In het tweede deel van Jalons pour une théologie du laïcat (1953) behandelt Congar het aandeel van de leken in de priesterlijke, koninklijke en profetische functie van de Kerk (waarbij de koninklijke functie ook weer bestaat in de bestuurstaak), in het gemeenschapsaspect van de Kerk en in de apostolische zending van de Kerk (in de Katholieke Actie). Bij de hiërarchie zijn de ambten 'machten'. Hiërarchie en leken handelen resp. 'ex officio' en 'ex spiritu'; in een opstel uit 1947 was dit: 'ex missione' en 'ex spiritu'.

In deze ingewikkelde materie van de leer over het drievoudig ambt werd m.i. aan de vooravond van het concilie klaarheid gebracht door Mörsdorf in een aantal studies, waarvan de resultaten ook neergelegd werden in enkele artikelen in de editie van het Lexikon für Theologie und Kirche die rond 1960 verscheen (8). Mörsdorf wijst erop dat de theologie dikwijls over het ambt spreekt in een betekenis die niets te maken heeft met de juridische opvatting van 'ambt'. Dit is volgens hem o.a. het geval in de sinds ongeveer 1800 in de katholieke theologie zo fundamenteel geworden leer over het drievoudige ambt en over het onderscheid tussen priester-, leraars- en herdersambt. Mörsdorf stelt dat het bij deze driedeling gaat om verschillende opgaven of diensten, maar niet om ambten in de juridische betekenis van het woord. Hij kant zich sterk tegen de tendens om met ieder ambt (in de zin van 'taak') een eigen 'macht' te verbinden. Volgens Mörsdorf moet de macht van de Kerk die haar door Jezus Christus met het oog op de vervulling van haar taak gegeven is, slechts in wijdings- en jurisdictiemacht onderscheiden worden. Deze tweevoudige macht die Christus gaf aan de hiërarchie, heeft betrekking op het vervullen van de drievoudige taak van profeet, priester en pastor en wel zo dat beide machten meespelen bij het vervullen van elk van deze taken.



Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) over ambten en machten



Wanneer we in het licht van de geschiedenis van de leer over ambten en machten en vooral in het licht van wat Congar en Mörsdorf daarover aan de vooravond van Vaticanum II schreven, de desbetreffende concilieteksten lezen, blijkt dat het kerkelijk leergezag op het concilie datgene wat in de eigentijdse theologie over het drievoudig ambt naar voren is gebracht (vooral de opvattingen van Congar) als een uiterst waardevolle bijdrage tot de katholieke ecclesiologie opgenomen heeft, maar dat de toentertijd meest recente ontwikkelingen (de verheldering van Mörsdorf) nog onvoldoende in de concilieteksten zijn kunnen verwerkt worden (9). We bekijken in wat volgt teksten over het ambten en machten uit vier conciliedocumenten, nl. de constitutie over de Kerk en de decreten over het bisschopsambt, het priesterambt en het lekenapostolaat. Het meest fundamenteel is natuurlijk de constitutie over de Kerk. Het is een bekende regel in de uitleg van de conciliedocumenten, die ook door de synode van 1985 in herinnering is geroepen, dat in de vier constituties de dragende visies zijn neergelegd, terwijl in de decreten meer concrete uitwerkingen naar bijzondere ambten, levensstaten of actieterreinen toe, te vinden zijn. Nu is de constitutie van de Kerk ook in chronologisch opzicht het oudste van de vier hier besproken conciliedocumenten: deze constitutie werd uitgevaardigd tijdens de derde zittijd van het concilie in de herfst van 1964 (nl. op 21 november 1964), terwijl de drie genoemde decreten op diverse tijdstippen in de vierde zittijd in de herfst van 1965 werden uitgevaardigd (het decreet over het bisschopsambt op 28 oktober, dat over het lekenapostolaat op 18 november en tenslotte dat over het priesterambt op 7 december 1965).



De macht(en) van het bijzonder priesterschap volgens de constitutie over de Kerk (10)

Nadat in het eerste hoofdstuk van de concilieconstitutie over de Kerk, Lumen gentium, de bijbelse beelden voor de Kerk zijn geïnventariseerd, komt in het tweede de Kerk als Volk Gods ter sprake. In een eerste - eerder inleidend - deel wordt de plaats van de Kerk in de heilsgeschiedenis behandeld. Het uiterst fundamentele tweede deel van dit hoofdstuk bepaalt het Godsvolk dat de Kerk vormt, als een priesterlijk volk (nrs. 10-12). Hierbij komen twee onderdelen van het drievoudig ambt ter sprake. De eerste twee nummers van dit deel (nrs. 10-11) handelen over het algemeen priesterschap van het Godsvolk, het derde (nr. 12) over de profetische taak van dit volk. Nr. 10 bepaalt dat alle gedoopten een heilige priesterschap vormen en geeft vervolgens aan waarin het onderscheid tussen het algemeen en het ambtelijk priesterschap bestaat; dit onderscheid is wezenlijk en niet gradueel. Het bijzonder priesterschap, het ambts- of dienstpriesterschap of de kerkelijke hiërarchie ("sacerdotium ministeriale seu hierchicum"), geniet namelijk van een heilige macht ("potestas sacra"). Nr. 11 spreekt over de uitoefening van het algemeen priesterschap in de bediening van de zeven sacramenten. Nr. 12 handelt in de eerste alinea over het profetisch ambt en de geloofszin van het Godsvolk in zijn verhouding tot het kerkelijk leergezag. Geheel het Godsvolk is weliswaar begiftigd met een onfeilbare bovennatuurlijke geloofszin, maar toch is het aangewezen op de leiding van het 'magisterium', d.w.z. het leergezag dat uitgeoefend wordt door de kerkelijke hiërarchie of het bijzondere priesterschap. In de tweede alinea van nr. 12 wijst het concilie erop dat allerlei charismata in de Kerk ruimer verspreid zijn dan de 'dienstambten' ('ministeria'), zodat gelovigen van elke rang geschikt kunnen zijn om diverse taken en bedieningen ("varia opera vel officia") in de Kerk uit te oefenen; het oordeel hierover komt toe aan degenen die in de Kerk leiding geven.

Het derde hoofdstuk van Lumen gentium (nrs. 18-29) handelt over de kerkelijke hiërarchie of het bijzonder priesterschap (het ambts- of dienstpriesterschap), en vooral over het episcopaat ("De constitutione hierarchica Ecclesiae et in specie de episcopatu"). Na een inleidend nummer, waarin de leer van Vaticanum II over het episcopaat in relatie wordt gebracht met die van Vaticanum I over het primaatschap (nr. 18), gaat het in het eerste deel over de oorsprong van het episcopaat in het apostelambt (nrs. 19-21), in het tweede deel over de collegialiteit van de bisschoppen (nrs. 22-23), in het derde deel over de taak van de bisschoppen (nrs. 24-27) en tenslotte in het vierde deel over de priesters en diakens (nrs. 28-29). In dit derde hoofdstuk wordt de leer over de macht van de kerkelijke hiërarchie of het bijzonder priesterschap verder uitgewerkt. Reeds in het inleidend nummer (nr. 18) blijkt de zending van de apostelen erin te bestaan om, bekleed met Christus' macht, als herders te verkondigen, te heiligen en te besturen. Ook nr. 19 spreekt over de macht van de apostelen om te leren, te heiligen en te besturen. Als opvolgers van de apostelen staan de bisschoppen, samen met hun helpers, de priesters en de diakens, ten dienste van de kerkgemeenschap, waarin ze als voorzitters en herders de taak van verkondiging, liturgie en bestuur uitoefenen (nr. 20). De bisschoppen, bijgestaan door de priesters, stellen Christus tegenwoordig in een dienstambt, dat bestaat uit verkondiging, sacramentsbediening en gemeenschapsvorming. Het is duidelijk dat in deze nummers het ambt van de bisschoppen wordt beschreven met gebruikmaking van de trilogie van de 'ambten', maar dat tegelijkertijd gepoogd wordt de specificiteit van het apostel- en bisschopsambt aan te duiden; dit is gelegen in een bijzondere door Christus gegeven 'macht', waardoor apostelen en bisschoppen Hem kunnen vertegenwoordigen. In nr. 25, waar het gaat over het profetisch ambt van de bisschoppen, blijkt deze macht leergezag te behelzen (hier is ook sprake van 'auctoritas'). Veelvuldig is van 'macht' en 'gezag' ('potestas' en 'auctoritas') sprake in nr. 27, dat handelt over de bestuurstaak (het pastorale of herderlijke ambt!). Volgens Lumen gentium, nr. 28 hebben ook de priesters macht en gezag, maar in afhankelijkheid van de bisschop.

De macht van de hiërarchie wordt ook enkele keren vermeld in het vierde hoofdstuk, dat over de leken handelt (11). Volgens nr. 32 zijn de leken als broeders van Christus ook broeders van hen die met de autoriteit van Christus het drievoudig ambt uitoefenen (12). In nr. 35 over het profetisch ambt dat ook door de leken uitgeoefend wordt, wordt gesteld dat de hiërarchie in Christus' naam en met Zijn macht verkondigt. Uit dit alles blijkt dat het concilie grotendeels in de lijn blijft van de traditie die het bijzonder priesterschap (door het concilie praktisch altijd 'ministerium' genoemd, in onderscheid met 'munus' dat wijst op het ambt in de zin van taak) gekarakteriseerd achtte door macht(en).



Het drievoudig ambt van bisschoppen, priesters, diakens en leken volgens de constitutie over de Kerk (13)

In de omschrijving van de taken van de bisschop in het derde deel van het derde hoofdstuk wordt gebruik gemaakt van de leer over het drievoudig ambt. Volgens het inleidend nummer 24 is het de opdracht van de bisschoppen door de verkondiging van het evangelie alle mensen tot het heil te brengen, dat door geloof, doopsel en vervulling van Gods geboden geschonken wordt, en is het bisschopsambt een dienst, die in de Schrift diaconie of dienstambt ('ministerium') genoemd wordt. In de omschrijving van de taken van de bisschop in de volgende nummers (nrs. 25-27) vinden we dan de leer van het drievoudig ambt terug: de bisschoppen oefenen het leergezag uit (nr. 25) en hebben een heiligingstaak (nr. 26; hierin gaat het vooral over de relatie van bisschop en eucharistie) en een bestuurstaak (nr. 27). De verbinding van de verkondigingstaak met leergezag en de vervanging van een uiteenzetting over het herderlijk ambt in de zin van taak van beoefening van liefde en dienstbaarheid door een uiteenzetting over de bestuurstaak, wijzen erop dat de 19de- en 20ste-eeuwse theologie, waarin voor ieder ambt of iedere taak of functie van de Kerk een afzonderlijke macht onderscheiden werd, ook op het concilie nog verder doorwerkt. Doch in de tweede alinea van nr. 26 over de heiligingstaak wordt de wetgevende taak van de bisschop aangaande de liturgie besproken. Hieruit blijkt dat beide machten werkzaam zijn bij het vervullen van de een der taken van de Kerk.

Het vierde en laatste deel van het derde hoofdstuk van Lumen gentium (nrs. 28-29) handelt over de priesters en de diakens, die op een verschillende wijze participeren in het bijzondere priesterschap dat in zijn volheid aan de bisschop toekomt. Van de priesters wordt gezegd dat ze gewijd worden om het evangelie te verkondigen, de gelovigen te 'weiden' en de heilige liturgie te bedienen (14). Hiermee is het drievoudig ambt perfect omschreven. In het vervolg van nummer 28 wordt alleen ingegaan op de verkondigingstaak en vooral op de priesterlijke taak - hierbij worden eucharistie en boetesacrament besproken. Tot tweemaal toe merkt het concilie op dat de priesters door de uitoefening van deze taken participeren in het ambt van Christus. Bij de eucharistie fungeren zij "in persona Christi" (15) en zij vertegenwoordigen de bisschop in de lokale vergaderingen van de gelovigen. Van de diakens tenslotte wordt gezegd dat ze op de onderste trap van de kerkelijke hiërarchie staan en dat ze niet voor het priesterschap, maar voor een dienstambt gewijd worden. De wijding geeft hen echter wel een sacramentele genade om hun dienstambt ('diaconia') dat de liturgie, de woordverkondiging en de beoefening van de caritas betreft, uit te oefenen. Ook hier treffen we een mooie omschrijving van het drievoudig ambt aan! Vervolgens geeft het concilie een opsomming van de taken die de diakens kunnen vervullen en bepaalt het dat het diaconaat als op zichzelf staande en blijvende trap van de hiërarchie (dus niet als doorgangsfase naar het priesterschap) kan hersteld worden.

Het volgende hoofdstuk (het vierde) van de constitutie over de Kerk betreft de lekengelovigen. De eerste vier nummers van dit hoofdstuk (nrs. 30-33) handelen over de grondslagen van het lekenapostolaat, terwijl de nrs. 34-36 de taken van de leken specifiëren; nr. 37 bespreekt de verhouding van de leken tot de hiërarchie en tenslotte wordt in nr. 38 een kort besluit geformuleerd over het belangrijke getuigenis dat de leken aan de wereld geven. Ook leken, die bepaald worden als die gelovigen die niet tot het hiërarchische priesterschap of de religieuze stand behoren, kunnen bepaalde bedieningen of charismata uitoefenen (nr. 30: "ministrationes et charismata") en hebben dan op een eigen wijze (anders dan priesters en diakens) deel aan Christus' drievoudig ambt van priester, profeet en koning en aan de hieruit afgeleide taken van het bijzonder priesterschap of kerkelijke hiërarchie (nrs. 30-32). Zij kunnen dus door de hiërarchie worden aangesteld om bepaalde kerkelijke functies ('munera ecclesiastica') uit te oefenen (nr. 33), die vervolgens worden omschreven aan de hand van de ons ondertussen reeds voldoende bekende 'trilogie' van priesterlijke, profetische en koninklijke taak (nrs. 34-36). Hun priesterlijke taak bestaat er vooral in door hun deelname aan het sacramenteel leven van de Kerk en vooral aan de eucharistie de wereld waarin zij hun activiteit ontplooien aan God toe te wijden. I.v.m. de profetische taak van leken wijst het concilie bijzonder op hun door een speciaal sacrament geheiligd huwelijks- en gezinsleven en wordt gesteld dat zij in noodsituaties (bij gebrek aan gewijde ambtsdragers en in tijden van vervolging) ook bepaalde heilige (of gewijde) bedieningen ("quaedam officia sacra") kunnen uitoefenen. In de vervulling van het koninklijke dienstwerk van de Kerk hebben de leken een uiterst belangrijke taak: het komt vooral aan de leken toe in de wereld Christus' geest te laten doordringen en morele waarden in de cultuur ingang te laten vinden.



Het drievoudig ambt volgens de decreten over het bisschopsambt, het priesterschap en het lekenapostolaat

In de decreten over het bisschopsambt, het priesterambt en het lekenapostolaat, die ongeveer een jaar later gepubliceerd zijn dan de constitutie over de Kerk, merken we een zekere evolutie, in die zin dat de omschrijvingen van het 'munus triplex' nauwkeuriger zijn en dat er steeds minder restanten te vinden zijn van de neoscholastieke leer over drie machten die aan dit drievoudig ambt zouden beantwoorden.

In het decreet over het herderlijk ambt van de bisschoppen (16) wordt eerst gesproken over de verantwoordelijkheid van de bisschoppen voor de universele Kerk en de bisschoppelijke collegialiteit en vervolgens over de taken van de diocesane bisschoppen in hun eigen bisdom. Verder gaat het in dit decreet over de circumscriptie van bisdommen, de medewerkers (behalve hulp- en wijbisschoppen en de diocesane curie komt hier ook de verhouding van de bisschop tot priesters en religieuzen en de diverse diocesane raden ter sprake) en over de samenwerking van bisschoppen in grotere gehelen (synoden, bisschoppenconferenties, kerkprovincies, bisschoppen met interdiocesane functies, enz.). Het is natuurlijk weer bij de omschrijving van de taken van de diocesane bisschoppen dat het concilie gebruik maakt van de leer over het drievoudig ambt (nrs. 12-16). Hierbij valt het op dat de uiteenzetting over iedere taak met dezelfde uitdrukking begint: "In exercendo suo munere" ("Bij de uitoefening van hun taak"). De drie 'munera', taken of functies die onderscheiden worden zijn: het 'munus docendi', het 'munus sanctificandi' en het 'munus patris ac pastoris'. De leraars- of profetische taak staat onder de taken van de bisschop voorop, zegt het concilie, en omvat het op diverse wijzen en met diverse methoden verkondigen van de christelijke leer o.a. in prediking en catechese (nrs. 12-14). Bij de bespreking van heiligings- of priesterlijke taak stelt het concilie dat de bisschop in zijn bisdom het liturgisch leven, waarin de eucharistie centraal staat, regelt, bevordert en bewaakt; omdat de bisschop de volheid van het priesterschap heeft ontvangen zijn priesters en diakens van hem afhankelijk (nr. 15). De herderlijke of pastorale taak - hier ook 'vaderlijke' taak genoemd - behelst het samenbrengen van de gelovigen in een gemeenschap van liefde en het behartigen van het welzijn in ruime zin niet alleen van degenen die deel uitmaken van de katholieke Kerk, maar ook van de andere christenen en niet-gedoopten (nr. 16). Het concilie besteedt in de volgende hoofdstuk nog aandacht aan bijzondere apostolische activiteiten van de bisschop.

Ook in het decreet over ambt en leven van de priesters (17) vinden we na een fundamenteel hoofdstuk over de plaats van het bijzonder priesterschap in de zending van de Kerk en vóór een bespreking van de relatie van priesters tot andere ambtsdragers en gelovigen, van de priesterroepingen en van de diverse aspecten van de priesterlijke levenswijze en spiritualiteit, een uiteenzetting over de taken van de priester, waarbij het concilie nogmaals gebruik maakt van de leer van het drievoudig ambt (nrs. 4-6). Hierbij komen in dezelfde volgorde als bij de bisschoppen achtereenvolgens het verkondigings-, het liturgische en het pastorale ambt ter sprake. Verkondigen doen de priesters op vele wijzen in preek, catechese, persoonlijk gesprek, enz. Wat betreft hun liturgische taak: de priesters zijn de bedienaren van doopsel, het boetesacrament, de ziekenzalving en vooral de eucharistie. Zij krijgen zoals voor hun andere taken ook voor hun pastorale taak een geestelijke macht, zodat ze in staat zijn tot 'stichting' van de gelovigen en tot "buitengewone menselijkheid naar het voorbeeld van de Heer" in de omgang met hun medemensen en kunnen instaan voor de geloofsopvoeding, voor de zorg voor armen en zwakkeren, jongeren, gehuwden en ouders (deze laatste drie bevolkingsgroepen bij voorkeur in verenigingen), religieuzen, zieken en stervenden en voor de vorming van een echte christelijke gemeenschap.

In het eerste hoofdstuk van het decreet over het lekenapostolaat (18) wordt de roeping van de leken tot het apostolaat behandeld (nrs. 2-4). Weliswaar heeft Christus aan de apostelen en hun opvolgers de taak gegeven in Zijn naam en met Zijn macht te onderwijzen, te heiligen en te besturen, maar de leken hebben deel aan dit priesterlijk, profetisch en koninklijk ambt (nr. 2) (19). De grondslag van het lekenapostolaat is gelegen in de verbondenheid met Christus (nr. 3), die eveneens de basis vormt van de lekenspiritualiteit (nr. 4). In hoofdstuk II van het decreet komen de taken ('munera') van de leken ter sprake. In "de bediening van het woord en van de sacramenten" ("ministerium verbi et sacramentorum"!) is het lekenapostolaat complementair aan dat van het herderlijke dienstambt (nr. 6). Het meest eigen terrein van de werkzaamheid van de leken is de tijdelijke orde (nr. 7).

Uit deze analyse van de concilieteksten over ambten en machten kunnen we het volgende besluit trekken: in de concilieteksten van 1965 treffen we in het algemeen een uiteenzetting over het drievoudig ambt aan waarin deze thematiek duidelijker dan in de constitutie over de Kerk uit 1964 gezien wordt als betrekking hebbende op de taken van de Kerk of de terreinen waarop de Kerk actief is, en niet zozeer op ambten (in de juridische zin van het woord), waarmee een bepaalde macht verbonden is.



Poging tot synthese en kritisch commentaar

Als we de concilieteksten over de macht van de hiërarchie en over het profetisch (leraars- of verkondigings-), priesterlijk (liturgisch) en pastoraal (herderlijk, koninklijk of diaconaal) ambt lezen tegen de achtergrond van de theologische en canonistische traditie dienaangaande merken we dat ze zich situeren op een keerpunt in de geschiedenis van deze thema's. De katholieke theologie (Congar) en canonistiek (Mörsdorf) zijn er sinds de jaren 1950 mee bezig de behandeling van deze thema's grondig te vernieuwen en los te maken uit de enge opvatting waarin ze in de tijd van de neoscholastiek (grosso modo 1850-1950) door de verwarring tussen ambten en machten waren terechtgekomen. In de nieuwe visie die vooral door Mörsdorf naar voren werd gebracht, werd de leer over de drie ambten van profeet, priester en pastor niet in juridische zin verstaan, maar opgevat als een omschrijving van de taken van de Kerk. De beide machten komen toe aan de hiërarchie of het bijzondere priesterschap en zijn werkzaam bij het vervullen van elk van die drie ambten of taken. Het concilie heeft deze toen vrij recente visie niet meer ten volle kunnen verwerken. Vanuit deze visie kan men nochtans heel goed recht doen aan de concilieteksten en helderder de intenties van het concilie voor ogen krijgen.

Het is duidelijk dat het concilie met behulp van het thema van het drievoudig ambt, dat niet alleen door de hiërarchie, maar ook door de lekengelovigen wordt uitgeoefend, in de lijn van Congar de positie van de leek wil versterken: ook de leken maken tenvolle deel uit van de Kerk en hebben een belangrijk aandeel in het vervullen van haar taak. Dit vloeit voort uit de leer over het algemeen priesterschap. Een probleem ontstaat evenwel wanneer het concilie het bijzonder priesterschap wil omschrijven. Weliswaar bevestigt het concilie uitdrukkelijk dat er een wezenlijk onderscheid is tussen algemeen en bijzonder priesterschap, maar door de taken zowel van de ambtsdragers (bisschoppen, priesters en diakens) als van de leken te omschrijven met behulp van het thema van het drievoudig ambt, dreigt dit onderscheid niettemin te vervagen. Deze onduidelijkheid in de concilieteksten is waarschijnlijk niet helemaal vreemd aan de identiteitscrisis van heel wat priesters in de jaren die volgden op het concilie. Met behulp van Mörsdorfs visie is het echter mogelijk de concilieteksten zodanig te interpreteren dat enerzijds duidelijk blijkt dat ook de leken volledig participeren in het vervullen van de taken van de Kerk en anderzijds de eigenheid van het bijzonder priesterschap helderder uit de verf komt. In de lijn van Mörsdorf moeten we dan pogen in de concilieteksten een duidelijker onderscheid aan te brengen tussen ambten (in de zin van taken) en machten.

Wanneer we de fundamentele nummers 10-12 van de constitutie over de Kerk (over het priesterlijke volk en het algemeen priesterschap) lezen met de opvattingen van Mörsdorf in het achterhoofd, blijkt dat het concilie in Lumen gentium nog grotendeels denkt vanuit een theologie die de priesterlijke macht betrekt op de priesterlijke taak (één onderdeel van het drievoudig ambt in de zin van drievoudige taak of functie), en een afzonderlijke leermacht onderscheidt, die dan betrekking heeft op de profetische taak. Binnen dit denkkader is het dan nogal moeilijk goed het onderscheid te maken tussen het algemene en het bijzondere priesterschap. Wanneer we duidelijk onderscheiden tussen ambten (in de zin van taken) en machten, komt de betekenis van deze nummers beter naar voren: lekengelovigen kunnen weliswaar op grond van het algemeen priesterschap en hun participatie in het drievoudig ambt van Christus allerlei taken uitoefenen, die deel uitmaken van het verkondigings- en het liturgische ambt van de Kerk, maar krachtens de hen door Christus geschonken macht komt het aan de dragers van het bijzondere ambt toe bv. als rechters inzake geloofszaken op te treden (zoals men dat traditioneel zegt, maar zoals het ook door het concilie wordt bevestigd (20)) en de rol van voorgangers in de liturgie van de sacramenten te vervullen. In dezelfde lijn zou in het gedeelte over de taken van de bisschoppen in de constitutie over de Kerk (nrs. 25-27) de bestuursmacht van de bisschoppen, die daar besproken wordt op het ogenblik dat men een behandeling van hun verantwoordelijkheid voor het pastorale of diaconale ambt verwacht (nr. 27), moeten bekeken worden in relatie tot de andere ambten of taken van de Kerk. Hetzelfde geldt voor de bespreking van het leergezag (het andere onderdeel van de jurisdictiemacht) en de wijdingsmacht, die in dezelfde constitutie ter sprake komen resp. i.v.m. profetisch en priesterlijk ambt (nrs. 25-26). Het nummer 26 over het priesterlijk ambt bevat reeds een passage over de bisschoppelijke jurisdictiemacht inzake liturgie.

Overigens bewerkt het concilie een opvallende wending in de opvatting over de 'heilige macht' van het bijzonder priesterschap. Terwijl Mörsdorf jurisdictie- en wijdingsmacht onderscheidde, spreekt het concilie nooit over verschillende machten in het meervoud, maar wel over één heilige macht. Zodoende wil het concilie de leer van de tweevoudige hiërarchie, die wijd verspreid was in de katholieke Kerk sinds het begin van de Middeleeuwen, overstijgen. Volgens het Tweede Vaticaanse Concilie is de centrale figuur in de éne hiërarchie of in het ambtspriesterschap - in Lumen gentium, nr. 10 een hiërarchisch dienstpriesterschap ('sacerdotium ministeriale seu hiërarchicum') genoemd - de bisschop: hem is de volheid verleend van het priesterschap, d.w.z. de volheid van de macht die hij in Christus' naam en als Diens vertegenwoordiger uitoefent als een dienst aan de Kerk en de wereld. Omdat de concilieteksten spreken van één heilige macht, verdwijnen de beide hiërarchieën die in de preconciliaire kerk naast elkaar bestonden, en maken ze plaats voor het éne priesterschap, waarvan bisschoppen, priesters en diakens de afzonderlijke graden (LG, nrs. 28-29) of rangen uitmaken.

Inzake het bisschopsambt valt op dat het concilie eerst spreekt over de bisschoppelijke collegialiteit en de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de universele Kerk: als college zijn de bisschoppen de opvolgers van de apostelen en oefenen zij in de Kerk het leidingsambt uit. Zodoende verdwijnt bv. voor wat de bisschoppen betreft de kwestie van de absolute wijdingen grotendeels naar de achtergrond. Als men al zou willen onderscheiden tussen wijdings- en jurisdictiemacht moet men dan toch stellen dat volgens het concilie beide machten door de bisschoppen op de eerste plaats ten behoeve van heel de Kerk uitgeoefend worden. Priesters en diakens participeren als medewerkers - resp. als vertegenwoordigers van de bisschop en als helpers van bisschop en priester - in de heilige macht die het wezen vormt van het priesterschap dat aan de bisschop in zijn volheid verleend is. Binnen het bisschoppencollege komt de bisschop van Rome, de paus, naar voren als degene die omwille van de dienst van de eenheid en samenhorigheid onder de bisschoppen een hogere jurisdictiemacht, het primaatschap, heeft. De pauselijke onfeilbaarheid is hiervan een uitvloeisel.

De leden van het ambtspriesterschap oefenen hun taken van profeet, priester en pastor uit op grond van een bijzondere sacramentele genade, die hun een 'heilige macht' verleent. Het is in de visie van het concilie dus niet zo dat een van de ambten van bisschop, priester of diaken in het bijzonder met het profetische, priesterlijke of pastorale (diaconale) ambt moet verbonden worden, hoezeer de gebruikte terminologie ook tot deze gedachte aanleiding zou kunnen geven. Dit blijkt duidelijk uit het feit dat het concilie bij de beschrijving van de taken van bisschop, priester en diaken telkens gebruik maakt van het thema van het drievoudig ambt.

Dat doet het overigens ook bij de omschrijving van de taken van de leken. Op grond van hun verbondenheid met Christus en van hun in doopsel en vormsel geschonken algemeen priesterschap ('sacerdotium commune fidelium' in LG, nr. 10) zijn ook de leken tenvolle Kerk en oefenen ook zij door middel van diverse 'charismata' de taken ('munera') van de Kerk uit, eventueel in 'officia' of 'ministrationes'. De met deze termen bedoelde bedieningen zijn bv. die van catecheet of catechist, theoloog, pastoraal werk(st)er, parochie-assistent(e), lid van het pastoraal team, school- en jongerenpastores, gebedsleid(st)er, cantor, koster en natuurlijk een veelheid van functies in de sector van de caritas en de sociale werken. Ook twee van de bedieningen die vroeger (in theorie) verbonden waren met de zogenaamde lagere wijdingen, nl. de bedieningen van acoliet en lector, worden door leken, vrouwen zowel als mannen, uitgeoefend. Over de bediening die traditioneel als de hoogste van deze lagere wijdingen genoemd werd, het acolytaat, heeft het leergezag in 1994 uitdrukkelijk gezegd dat ook deze taak door vrouwen vervuld kan worden.

Een verdere theologische bezinning over al deze ambten (van het bijzonder priesterschap van de hiërarchie) en bedieningen (van het algemeen priesterschap van de gelovigen) in hun relatie tot het drievoudig ambt van profeet, priester en pastor is m.i. zeer wenselijk. In de lijn van Congar zou hierbij vooral aandacht moeten besteed worden aan de theologisch-antropologische betekenis van de leer over het drievoudig ambt. Deze ambten van profeet, priester en pastor staan tot elkaar in een welbepaalde relatie. Uit wat Paulus in 1 Kor. 13,1-13 zegt over de liefde als grootste van de drie goddelijke deugden, volgt dat de werkzaamheid van de Kerk gericht is op het pastorale ambt van de liefdebeleving, maar in de huidige 'gevallen' en door zondigheid getekende staat van de mensheid en ook van de Kerk, hebben het profetische en priesterlijke ambt in een ander opzicht prioriteit, omdat zij echte, authentieke liefdebeleving mogelijk maken. Voor wat betreft het theologisch doordenken van onderscheid tussen bijzonder en algemeen priesterschap heeft Jacques De Visscher interessante aanzetten geboden in zijn studie over de antropologische dimensies van de zeven sacramenten (21).



Implicaties van de leer over macht(en) en ambten voor de opvatting van het diaconaat



Het diaconaat als participatie aan het wijdingssacrament

De implicaties die de conciliaire leer over ambten en machten heeft voor de opvatting van het diaconaat, zijn in het bovenstaande terloops reeds verwoord geworden. Aangezien het diakenambt deel uitmaakt van het bijzonder priesterschap, heeft de diaken op grond van zijn wijding, die hem doet participeren in het sacrament van het priesterschap dat de bisschop in zijn volheid heeft, een bijzondere verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van het geheel van de taken van de Kerk, die door het drievoudig ambt omschreven worden. De opdracht van de diaken strekt zich bijgevolg uit tot de terreinen van verkondiging, liturgie en gemeenschapsvorming en diaconie. Het concilie somt dan ook een veelheid van taken op die door de diaken kunnen worden uitgeoefend en die zich situeren op het terrein van de verkondiging, de liturgie en de liefdadigheid (22). Eigenlijk worden zowat alle functies die in de geschiedenis ooit door diakens zijn vervuld (hoewel misschien nooit allemaal tezamen), aan de huidige permanente diaken toegewezen. Door een dergelijk omvangrijk takenpakket aan de diaken toe te wijzen bewerkt het concilie bij alle continuïteit tegelijkertijd iets nieuws: het huidige diakenambt is een verdere ontwikkeling van het diakenambt dat in het verleden in de Kerk bestond. Overeenkomstig de opvatting van het diaconaat als volwaardig deel van het hiërarchisch priesterschap, kan het volgens het missiedecreet een taak van de diaken zijn "in naam van de pastoor en de bisschop leiding te geven aan verspreid liggende christelijke gemeenschappen".

Gezien wat het concilie zegt over het diakenambt, is het m.i. een misvatting dat dit ambt vooral zou bestaan in de beoefening van de diaconie. In deze misvatting is waarschijnlijk een vroegere visie op de hiërarchie werkzaam, waarbij de macht van deze hiërarchie werd verbonden met welbepaalde onderdelen van het drievoudig ambt. Zo was de bisschop verantwoordelijk voor de verkondiging en was de priester de voorganger in de liturgie, meer bepaald in de eucharistie; anders dan wat in de teksten van het Tweede Vaticaans Concilie het geval is (23), werd er geen bijzondere relatie gelegd tussen bisschop en eucharistie. Vanuit deze preconciliaire visie is het dan niet meer dan logisch dat het ambt van permanent diaken, dat door het concilie hersteld werd, opgevat wordt als het ambt van de diaconie. Men kan zich echter afvragen of hierdoor een 'Fehlentwicklung' in de kerkgeschiedenis, die door het Tweede Vaticaans Concilie gecorrigeerd werd, in de postconciliaire kerk toch niet gecontinueerd wordt. Door aan de diaken het pastorale of diaconale ambt ('taak') toe te wijzen (en parallel hiermee toch ook weer aan de bisschop het profetische en aan de priester het priesterlijke ambt?), maakt men van het drievoudig ambt al te zeer de zaak van de hiërarchie (de ambtsdragers of 'clerici') en dreigt men, zoals ook Greshake reeds zegde, te miskennen dat ook de leek betrokken is bij het uitoefenen van de taken van de Kerk en dat de dienst aan de wereld misschien zelfs diens uitgelezen werkterrein is. Juist als men bekommerd is om de positie van de leek in de Kerk, moet men er zich voor hoeden het diaconaat als diaconie op te vatten.

In de toewijzing van de diaconie aan de diaken speelt waarschijnlijk een verkeerde opvatting van de Kerk als dienst aan de wereld een rol. Op dit misverstand aangaande wat het concilie zegde over de dienst van de Kerk aan de wereld, wees Louis Bouyer reeds in 1968 (24). Bij de ambtsdragers zelf vatte in de postconciliaire tijd dikwijls een verkeerde opvatting post over de 'dienst' die zij te bewijzen hadden, zodat ze nogal eens faalden in het vervullen van hun leidinggevende rol en totaal onverantwoorde hervormingen toelieten. De dienst aan de wereld werd namelijk zo opgevat dat de Kerk de wereld niet meer tot het evangelie moest bekeren, maar zich zelf moest aanpassen aan de wereld, om des te beter te kunnen inspelen op de noden die uit deze wereld oprezen; daarbij moest men zich bv. niet te veel om (de teksten van) dat evangelie bekommeren. De agenda van de Kerk werd voortaan vanuit de wereld gedicteerd: dienst aan de wereld ging betekenen dat de Kerk haar taken toegewezen kreeg vanuit de wereld en niet vanuit het evangelie. Dergelijke opvatting leidde tot een overeenkomstige ambtsopvatting: volgens velen was het de taak van alle ambtsdragers ervoor te zorgen dat de Kerk zo goed mogelijk de wereldse noden lenigde. Wanneer men een ietwat eng opgevatte diaconie als taak ziet van bisschop en priester, hoeveel te meer is dat dan nog het geval voor de diaken, die immers een dienstambt bekleedt. Wanneer de diaconale taak van de Kerk sinds het concilie overbeklemtoond wordt, ligt het helemaal in de lijn van de verwachtingen dat dit vooral een weerslag heeft op de theologie van het diaconaat (25).

Doch, hoe moeten we de zinsnede van het conciliedocument begrijpen dat de diaken de handen worden opgelegd "niet voor het priesterschap, maar voor de dienst" (26), wanneer het diaconaat niet zomaar zonder meer met diaconie (in de zin van het beoefenen van de diaconale taak van de Kerk) gelijkgesteld kan worden. Uit het begin van nr. 28 blijkt alleszins duidelijk dat het diakenambt deel uitmaakt van het bijzonder priesterschap, dat elders een 'sacerdotium ministeriale seu hierarchicum' heet (27) en beschouwd wordt als "een echt dienstwerk dat in de H. Schrift betekenisvol 'diakonia' of dienstambt genoemd wordt" (28). De taak van het bijzonder priesterschap, die ontegensprekelijk betrekking heeft op alle terreinen die door het drievoudig ambt omschreven worden, wordt door het concilie als dienst en diaconie gekarakteriseerd. De Kerk oefent haar diensttaak niet alleen in de diaconie uit, maar ook en (in een bepaald opzicht zelfs allereerst) in de verkondiging en de liturgie. Van de diaken zegt het concilie overigens uitdrukkelijk dat hij het Godsvolk dient "in het dienstwerk van liturgie, woord en liefde" (29). Dit alles geeft voldoende aanduidingen over de interpretatie van het bijzondere 'ministerie' of dienstambt van de diaken. Door te stellen dat de diaken niet "voor het priesterschap, maar voor de dienst" wordt gewijd, wil het concilie aangeven dat het diakenambt in een bijzondere zin een dienstwerk behelst: het diakenambt is nl. een dienst t.o.v. het priesterschap van de bisschop en de priester. De diaken wordt gesterkt door de sacramentele genade en participeert dus in het sacrament van het priesterschap om als medewerker de bisschop en diens vertegenwoordiger, de priester, ten dienste te staan in de 'diaconie' van woord, sacrament en liefde. Omdat hij tegelijk ook deel heeft aan de sacramentele genade en de 'heilige macht' van het priesterschap, behoort de diaken tot de kerkelijke hiërarchie en heeft hij zoals bisschop en priester een bijzondere verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van het geheel van de taken van de Kerk.



Kunnen vrouwen de diakenwijding ontvangen?

In het licht van deze vaststelling dat het diaconaat een participatie is aan het wijdingssacrament en het bijzonder priesterschap, wil ik tenslotte nog kort ingaan op de actuele discussies in de Kerk, die met de theologie van het diakenambt verbonden zijn en die ik in de inleiding van deze bijdrage al even aangeraakt heb. Op grond van de concilieteksten is het onontkoombaar vast te stellen dat het ambt van diaken, dat deel uitmaakt van het 'ministerium', wezenlijk onderscheiden is van de ambten ('bedieningen') die door leken kunnen uitgeoefend worden en die door het concilie 'officia' of 'ministrationes' genoemd worden: deze ambten hebben een minder omvattend karakter dan het diakenambt en zijn, in onderscheid met dit ambt, niet van permanente aard.

Een gevolg van deze stelling lijkt te zijn dat de diakenwijding evenmin als de priesterwijding aan vrouwen kan toegediend worden. Manfred Hauke, die bekend werd door zijn omvangrijke, veelomvattende en fundamentele studie over de onmogelijkheid van het vrouwelijk priesterschap in de katholieke Kerk (30) - volgens hem was dit een 'sententia fidei proxima' -, heeft erop gewezen dat het diakonaat deel uitmaakt van het bijzonder priesterschap (31). Nu is volgens hem het uitoefenen van het bijzondere ambt, ook dat van de diaken, onlosmakelijk verbonden met de representatie van Christus als hoofd van de Kerk, wat dan op grond van de symboliek die evenzeer aan het wijdingssacrament als aan het huwelijkssacrament ten grondslag ligt, impliceert dat niet alleen de bisschops- en priesterwijding, maar ook de diakenwijding aan mannen voorbehouden is (32). Hauke merkt op dat degenen die voorstander zijn van het vrouwelijk diaconaat, een scheidingslijn trekken tussen het bisschops- en priesterambt enerzijds en het diakenambt anderzijds (33) en dikwijls ook dit laatste ambt niet als bestanddeel van het bijzondere priesterschap en als een participatie in het wijdingssacrament zien (wat duidelijk in tegenspraak is met de teksten van Vaticanum II). Theologisch is er immers geen enkel probleem om aan vrouwen een diakenwijding toe te dienen wanneer deze 'wijding' slechts als een zegening of als een sacramentale gezien wordt, en niet als een participatie in het wijdingssacrament.

Niemand minder dan de latere kardinaal Yves Congar heeft evenwel de stelling verdedigd dat vrouwen toch tot het diaconaat kunnen toegelaten worden, ook wanneer dit opgevat wordt als deel uitmakend van het sacramentele ambt (34). Juist omdat het kerkelijke ambt drie rangen omvat, kan de vraag naar de toelating van vrouwen tot het diaconaat afzonderlijk van die van hun toelating tot het priesterschap behandeld worden. Weliswaar is in het Nieuwe Testament geen getuigenis te vinden over de instelling van een vrouwelijk diaconaat, maar gedurende het eerste millenium hebben in de Oosterse kerken verschillende vormen van een dergelijk ambt bestaan, hoewel de functies van de vrouwelijke diakens tamelijk beperkt waren (bv. assistentie bij de doop van vrouwen). Bij deze traditie zou men thans opnieuw kunnen aanknopen met dien verstande dat de bevoegdheden van de vrouwelijke diakens verruimd zouden moeten worden, maar dit hoeft gezien de plasticiteit die het vrouwelijk zowel als het mannelijk diakenambt in het verleden vertoond hebben, geen grote theologische problemen te stellen. Anders is het volgens Congar gesteld met de toelating van de vrouw tot het priesterambt. Omdat hier de volledige sacramentele representatie van Christus als Hoofd en Bruidegom van de Kerk bij de eucharistie een rol speelt, is het gemakkelijk in te zien dat de Kerk nooit is afgeweken van de Traditie om alleen mannen tot het priesterschap toe te laten. Congar vindt het theologisch volledig gerechtvaardigd deze Traditie ook in de toekomst te handhaven. Daarom mag volgens Congar de toelating van vrouwen tot het diaconaat zeker niet gezien worden als het slaan van een bres in de verdedigingsgordel rond het exclusief mannelijk priesterschap.

In de concilieteksten wordt van bisschop en priester gezegd dat zij bij de uitoefening van hun priesterschap 'in persona Christi' en in naam van Christus als Hoofd van het Mystiek Lichaam optreden (35). De diaken helpt hen bij het uitoefenen van hun priesterschap, waarin hij krachtens de sacramentele genade zelf participeert. Toch wordt van hem, voor zover ik zie, nergens gezegd dat hij 'in persona Christi capitis' handelt. In Mulieris dignitatem (1988) stelde paus Johannes Paulus II dat de bruidssymboliek die bij de eucharistie (als bruiloftsmaal!) een rol speelt, duidelijk blijkt wanneer de priester die 'in persona Christi' voorganger is, een man is. In Ordinatio sacerdotalis (1994) heeft dezelfde paus als katholieke waarheid gedefinieerd dat de priesterwijding aan mannen voorbehouden is. In al deze uitspraken van het kerkelijk leergezag schijnt het handelen 'in persona Christi' gereserveerd te zijn voor bisschop en priester. In de Katechismus van de Katholieke Kerk staat te lezen dat het gewijde dienstambt, in het bijzonder het bisschops- en priesterambt, Christus als het Hoofd van de Kerk zichtbaar maakt (36) en dat het wijdingssacrament de wijdeling aan Christus gelijkvormig maakt en aanstelt als afgezant van Christus, het Hoofd van de Kerk, in zijn drieledige taak van priester, profeet en koning (37). Volgens Hauke wijzen deze teksten ook aan het diaconaat de Christusrepresentatie in een bijzondere zin toe, maar deze conclusie lijkt mij niet dwingend. Trouwens, in navolging van wat kardinaal Danneels reeds deed op de synode van 1987, hebben meerdere kardinalen, bv. Martini en Schönborn, ook na 1992, het jaar waarin de catechismus verscheen, nog gepleit voor een toelating van vrouwen tot het diaconaat. Hierbij moet wel aangestipt worden dat bij dergelijke pleidooien dikwijls enigszins in het vage gelaten wordt of het gaat om het diaconaat als partipatie in het sacramentele ambt dat de bisschop in zijn volheid heeft, of om het diaconaat als een lekenambt, dat dan slechts een sacramentale zou zijn. Toch lijkt het mij vooral op grond van wat Congar naar voren heeft gebracht, geenszins een uitgemaakte zaak dat een diakenwijding van vrouwen die evenals die van mannen sacramenteel van aard zou zijn, in de katholieke Kerk onmogelijk is, zoals dat wel het geval is voor de priesterwijding van vrouwen.



Conclusie



In de leer over de verhouding van macht(en) en ambten is er in de tijd van het concilie een ontwikkeling gebeurd die voor het geheel van het christen- en kerk-zijn, maar in het bijzonder voor de ambtsopvatting van het grootste belang is. De (voorheen in wijdings- en jurisdictiemacht onderscheiden) heilige macht ('potestas', 'auctoritas') van de hiërarchie of het ambts- of dienstpriesterschap ('ministerium'), dat de rangen of graden van bisschop, priester en diaken omvat, is werkzaam bij het uitoefenen van het geheel van het drievoudig ambt van profeet, priester en pastor, waarmee het concilie de taken ('munera') omschrijft die de Kerk in navolging van Christus in deze wereld te vervullen heeft. In het verleden en zelfs nog enigszins op Vaticanum II zelf, zoals blijkt uit Lumen gentium, nr. 25 over het leergezag en nr. 27 over de 'bestuurstaak' van de bisschoppen en uit de ietwat vloeiende terminologie, werd veelal het uitoefenen van het profetisch en pastoraal ambt gezien als uiting van de jurisdictiemacht, en het uitoefenen van het priesterlijk ambt als uiting van de wijdingsmacht. Dit hangt natuurlijk samen met de praktische identificatie van de Kerk met de hiërarchie. Wanneer Vaticanum II dan de uitoefening van het drievoudig ambt niet alleen verwacht van bisschoppen, priesters en diakens, maar ook van de leken, gebeurt een opwaardering van de positie van de leek, die in de uitoefening van het drievoudig ambt immers volledig betrokken wordt bij het vervullen van de taken van de Kerk. Door de sacramentele genade die hen in het wijdingssacrament geschonken is en krachtens de macht van Christus, waarmee zij door dit sacrament bekleed worden, hebben de ambtsdragers de bijzondere verantwoordelijkheid en de uitdrukkelijke opdracht om te zorgen dat de in het drievoudig ambt omschreven taken van de Kerk inderdaad uitgevoerd worden en vervullen zij bij de uitvoering van deze taken de rol van voorgangers en leiders.

Het permanent diaconaat zoals dat door het concilie hersteld is, behelst alleszins een participatie in het sacramentele, hiërarchische priesterschap en geeft op grond daarvan een bijzondere opdracht ten aanzien van het vervullen van taken van profeet, priester en pastor, die in het drievoudig ambt van de Kerk omschreven worden. Als graad ('gradus'), rang of trap in de hiërarchie is het diaconaat wezenlijk onderscheiden van de bedieningen die door leken kunnen vervuld worden. Doch, niettegenstaande duidelijk vastgesteld is dat het diaconaat een participatie is in het sacramentele priesterschap, is het nog steeds een open kwestie of dit ambt voor vrouwen kan opengesteld worden. Katholieke theologen nemen dienaangaande uiteenlopende standpunten in en het leergezag heeft deze kwestie, in onderscheid met die van het vrouwelijk priesterschap, vooralsnog onbeslist gelaten.

1. Augustinus Kerkvoorde, 'Die Theologie des Diakonates', in: Karl Rahner en Herbert Vorgrimler (red.), Diaconia in Christo. Über die Erneuerung des Diakonates, Freiburg, enz.: Herder, 1962, p. 221. Vgl. Manfred Hauke, 'Diakonat der Frau?', in: Forum katholische Theologie, 12 (1996), p. 40. De geschiedenis van het herstel van het permanent diaconaat is beschreven door Peter J.A. Nissen, 'Het Tweede Vaticaans Concilie en het herstel van het permanente diakonaat', in: Gian Ackermans, Adelbert Davids en Peter J.A. Nissen (red.), Kerk in Beraad. Opstellen aangeboden aan prof. dr. J.C.P.A. van Laarhoven, Nijmegen, 1991, p. 301-319.

2. Vorgrimler merkte dit reeds op in het LThK-commentaar op de kerkconstitutie van Vaticanum II. Vgl. Gisbert Greshake, 'Diakon. V. Gegenwärtige Diskussion', in: Lexikon für Theologie und Kirche, 3 (1995), kol. 183. Greshake besluit zijn bijdrage met de volgende opmerking: "Es ist dringlich, bzgl. der sakr. Wesensgestalt des Diakonats eine gesamtkirchl. Entscheidung zu treffen" (kol. 184).

3. Greshake, 'Diakonat', kol. 183-184.

4. Klaus Mörsdorf, 'Die Entwicklung der Zweigliedrigkeit der kirchlichen Hierarchie', in: Münchener Theologische Zeitschrift, 3 (1952), p. 1-16.

5. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, suppl., quaest. 37, art. 2.

6. Yves Congar, 'Sur la trilogie: prophète - roi - prêtre', in: Revue des Sciences Philosophiques et Théologiques, 67 (1983), p. 97-115. In een vorig artikel in dit tijdschrift heb ik het drievoudig ambt ook reeds besproken: M. Gielis, '"Als het visioen verdwijnt, verwildert het volk". Beschouwingen over de identiteit van de katholieke school', in: Communio, 25 (2000), p. 467-469.

7. Krachtens zijn jurisdictiemacht, waaruit zijn verkondigingstaak voortvloeide, had een bisschop bv. het recht om voor zijn bisdom een catechismus uit te vaardigen.

8. Zie vooral Mörsdorfs artikelen 'Kirchenamt' en 'Kirchengewalt' in: Lexikon für Theologie und Kirche, 6 (1961), kol. 188-192 en 218-221.

9. Dit mag geen verwondering wekken in de visie die het concilie zelf (overigens helemaal in de lijn van de traditie) heeft op de taak van het kerkelijk leergezag. Bisschoppen (en concilievaders) zijn a.h.w. rechters ("tamquam iudices sedeant") die oordelen over datgene wat door theologen, die a.h.w. als advocaten fungeren, aangedragen wordt. Zoals rechters in het algemeen is het kerkelijk leergezag in sterke mate 'passief', d.w.z. afhankelijk van anderen die de dossiers samenstellen.

10. Vaticanum II, Lumen gentium. Dogmatische constitutie over de Kerk (voortaan afgekort: LG), nrs. 10-12, 18-21, 24-29. Ik gebruik de uitgaven van de conciliedocumenten met Nederlandse vertaling door het Katholiek Archief.

11. LG, nrs. 30-38: "Hoofdstuk IV: De leken".

12. LG, nr. 32: "fratres habent eos, qui in sacro ministerio positi, auctoritate Christi docendo et sanctificando et regendo familiam Dei ita pascunt ut mandatum novum caritatis ab omnibus impleatur".

13. LG, nrs. 24-27 over de bisschoppen, nrs. 28-29 over de priesters en diakens en nr. 30-38 over de leken.

14. LG, nr. 28: "ad Evangelium praedicandum fidelesque pascendos et ad divinum cultum celebrandum".

15. Vgl. LG, nr. 10.

16. Vaticanum II, Christus Dominus. Decreet over het herderlijk ambt van de bisschoppen in de Kerk, nrs. 12-16.

17. Vaticanum II, Presbyterorum ordinis. Decreet over het ambt en het leven van de priesters, nrs. 4-6.

18. Vaticanum II, Apostolicam actuositatem. Decreet over het lekenapostolaat, nrs. 2-8.

19. Apostolicam actuositatem, nr. 2: "laici, muneris sacerdotalis, prophetici et regale Christi participes effecti, suas partes in missione totius populi Dei explent in Ecclesia et in mundo"; vgl. eerste zin van nr. 10, die praktisch gelijkluidend is.

20. Traditioneel wordt het uitoefenen van het leergezag beschreven met behulp van het beeld van een rechterlijk oordeel. Ook Vaticanum II gebruikt dit beeld. LG, nr. 25 zegt dat de bischoppen "pro universa Ecclesia fidei et morum doctores et iudices sunt" ("voor de hele Kerk als leraars en rechters in zake geloof en zeden optreden"). Vgl. wat in Dei Verbum gezegd wordt over de bijbelinterpretatie die aan het oordeel van de Kerk onderworpen is (Vaticanum II, Dogmatische Constitutie over de Goddelijk Openbaring, nr. 12).

21. Jacques De Visscher, Een te voltooien leven. Over rituelen van de moderne mens, Kapellen-Kampen, 1996, p. 150-153.

22. LG, nr. 29, eerste alinea. Vgl. Vaticanum II, Ad gentes. Decreet over de missieactiviteit van de Kerk, nr. 16, zesde alinea, waar sprake is van taken in verkondiging, bestuur en diaconie.

23. LG, nr. 26; vgl. Christus Dominus, nr. 15.

24. Louis Bouyer, La décomposition du Catholicisme, s.l.: Aubier-Montaigne, 1968, p. 21-26.

25. Parallel hiermee loopt een ontwikkeling die de Leuvense missioloog Valeer Neckebrouck onvermoeibaar heeft aangeklaagd: de reductie van missie tot ontwikkelingswerk op grond van wat hij de 'socio-focale' interpretatie van het christendom noemt. Deze eenzijdige interpretatie is sinds de jaren 1960 ook in de katholieke Kerk meer en meer op de voorgrond gekomen. Hiertegenover verdedigt Neckebrouck dat in het missiewerk "de woordelijke verkondiging in zekere zin een prioritair statuut" heeft (Het dubbele rentmeesterschap. Missionaire verkondiging en sociale actie, Leuven-Amersfoort, 1994, p. 135). Dit hangt hiermee samen "dat in die verkondiging de meest eigen, de meest specifieke en meest onvervangbare taak ligt van de Kerk, in die zin dat het een taak is die uitsluitend door haar wordt vervuld en die, moest zij daarin falen, door niemand anders van haar zal worden overgenomen" (p. 137).

26. LG, nr. 29: "non ad sacerdotium sed ad ministerium". Dit is een citaat uit de Traditio apostolica van de H. Hippolytus (zoals blijkt uit de voetnoot eigenlijk uit een latere bewerking daarvan, nl. de Constitutiones Ecclesiae Aegyptiacae).

27. LG, nr. 10.

28. LG, nr. 24: "verum est servitium quod in sacris Litteris 'diakonia' seu ministerium significanter nuncupatur (Act. 1,17 et 25; 21,19; Rom. 11,13; 1 Tim. 1,12)".

29. LG, nr. 29: "in diaconia liturgiae, verbi et caritatis".

30. Manfred Hauke, Die Problematik um das Frauenpriestertum vor dem Hintergrund der Schöpfungs- und Erlösungsordnung, Paderborn: Verlag Bonifatius-Druckerei, 1982.

31. Hauke, 'Diakonat', p. 36-45.

32. De representatie van Christus als Hoofd van de Kerk impliceert (op grond van Ef. 5,32 in combinatie met 1 Kor. 11,3) dat bisschop en priester en eventueel ook de diaken tegenover de Kerk in een verhouding van bruidegom en bruid staan: vgl. Johannes Paulus II, Apostolische brief Mulieris dignitatem (1988), nr. 26. De bruidssymboliek heb ik behandeld in een vroeger artikel in dit tijdschrift: M. Gielis, 'Muziek en mystiek op de trouw van Filip en Mathilde. Over de symboliek van een prinselijke huwelijksliturgie', in: Communio, 25 (2000), p. 304-312.

33. Dit doet bv. ook Louis Bouyer, Mystère en ministères de la femme, Paris, 1976, p. 79-83, waar hij het vrouwelijk diaconaat bespreekt.

34. Cornelis Th.M. van Vliet, Communio sacramentalis: das Kirchenverständnis von Yves Congar - genetisch und systematisch betrachtet, Mainz: Matthias-Grünewald-Verlag, 1995, p. 256-259: "Zur Frage 'Frau und kirchliches Amt'". De twee belangrijkste historisch-theologische studies over het vrouwelijk diaconaat zijn: Roger Gryson, Le ministère des femmes dans l'Église ancienne, Gembloux: Duculot, 1972 (pro) en Aimé Georges Martimort, Les diaconesses: essai historique, Roma: Edizioni liturgiche, 1982 (contra).

35. Jean COLSON, La fonction diaconale aux origines de l'Église, s.l.: Desclée De Brouwer, 1960, p. 144 spreekt in dit verband over de "fonction sacerdotalisante in persona Christi capitis", in onderscheid met de functie van het algemeen priesterschap van de gelovigen of van "l'Église sacerdotalisée". De diaken staat op het snijpunt van beide functies.

36. Katechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1549.

37. Katechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1581.