De leidende rol van het kerkelijk ambt:

een kwestie van machtsuitoefening of van dienstbaarheid?



Jan Jacobs, Dick Akerboom en Marcel Gielis



1. Inleiding



Enige tijd vóór het Tweede Vaticaans Concilie deed de toenmalige bisschop van Breda, mgr. de Vet, een profetische uitspraak: "Het ambt moet een 'ministerium' worden i.p.v. een 'dominium'". Algemeen wordt aangenomen dat het concilie het ambt inderdaad als een dienst aan Kerk en wereld heeft opgevat. In een recent interview lijkt kardinaal Simonis zich echter van dergelijke opvattingen te distantiëren, wanneer hij stelt: "De Kerk is geen democratie; dienst is dienst aan Christus als Heer van de Kerk". Op het eerste zicht is er een fundamentele tegenstelling tussen de uitspraken van beide kerkleiders. Het is onze bedoeling om in deze bijdrage - in het licht van wat het Tweede Vaticaans Concilie gezegd heeft over de 'macht' van het kerkelijk (dienst)ambt - te laten zien dat deze tegenspraak slechts schijnbaar is. Wij huldigen namelijk de opvatting dat het ambt, dat volgens het concilie geniet van een van Godswege in Christus geschonken geestelijke macht, een dienst is aan de kerkgemeenschap en aan de wereld, juist in zoverre dit ambt de macht uitoefent, waarmee het bekleed is, en zodoende dienst bewijst aan Christus als Heer van de Kerk en Diens heerschappij tot gelding brengt. De heerschappij van Christus behelst immers het heil van Kerk en wereld. Deze stelling, die het onderscheid tussen algemeen en bijzonder impliceert, zullen we in deze bijdrage toelichten.

We schetsen eerst de theologische en kerkjuridische problematiek aangaande ambt, macht en dienst zoals die zich stelde aan de vooravond van Vaticanum II. Vervolgens onderzoeken we in het licht van de voorafgaandelijke discussie de leer van het concilie over het bijzondere priesterschap in zijn relatie tot het algemeen priesterschap (dat bestaat in een participatie aan het drievoudig ambt), over het kerkelijk ambt als dienst en over de macht van het kerkelijk ambt, en wel vanuit de constituties Lumen Gentium ( LG) en Dei Verbum (DV) en in de decreten Christus Dominus (CD), Presbyterorum Ordinis (PO) en Apostolicam Actuositatem (AA) (1). Uit deze historisch-theologische analyse van concilieteksten blijkt dat Vaticanum II het bijzondere kerkelijk ambt steeds een dienstambt noemt, ook al kenmerkt dit ambt zich volgens hetzelfde concilie door een heilige macht. Blijkbaar ziet het concilie dus geen tegenstelling tussen machtsuitoefening en dienstbaarheid. Tenslotte zullen we in een derde deel ingaan op de postconciliaire discussie over het ambt. Eerst zullen we op grond van onze studie van de conciliedocumenten proberen ons een oordeel te vormen over de diverse standpunten die zijn ingenomen inzake de verhouding van het bijzonder tot het algemeen priesterschap en inzake de rol van de macht(en) in de Kerk bij de uitoefening van het drievoudig ambt. Vervolgens zullen we door de analyse van enkele uitspraken over de verhouding van gezag en dienstbaarheid uit de jaren onmiddellijk na het concilie pogen te achterhalen welke opvatting over de dienst van het kerkelijk ambt (en van de Kerk in het algemeen) in de teksten van Vaticanum II voorondersteld is. Dit zal ons toelaten de desbetreffende teksten van Vaticanum II zodanig te verhelderen dat blijkt dat er geen tegenstelling ontstaat tussen 'macht' en 'dienst' (2).



2. De theologische en canonistische discussie over ambt, macht en dienst vóór Vaticanum II



Om inzicht te krijgen in de discussie over het ambt aan de vooravond van Vaticanum II kunnen we ons beperken tot twee auteurs: de canonist Klaus Mörsdorf en de theoloog, ecclesioloog en oecumenicus Yves Congar. Beiden zijn ze van belang voor de discussie over het drievoudig ambt, Mörsdorf heeft een essentiële bijdrage geleverd tot de theorie van de 'machten' van het bijzonder ambt en Congar heeft een indrukwekkend pleidooi gehouden voor de opvatting van het bijzonder ambt als dienst.



De twee machten van de kerkelijke hiërarchie



In de Kerk vóór Vaticanum II worden veelal twee hiërarchieën onderscheiden: de wijdingshiërarchie en de jurisdictiehiërarchie (3). Dit hangt samen met het onderscheid tussen de twee machten van de hiërarchie: de wijdingsmacht en de jurisdictiemacht. De wijdingsmacht wordt gegeven door de wijding en bestaat in een participatie aan Christus' macht om Gods genade mee te delen aan de gelovigen. Wijdingsmacht is de basis van de jurisdictiemacht, zodat alleen iemand die een wijding ontvangen heeft een kerkelijk ambt kan bekleden. Anderzijds heeft de jurisdictiemacht een ordenende functie t.o.v. de wijdingsmacht, bv. door iemand een territorium toe te wijzen waarbinnen hij zijn wijdingsmacht kan uitoefenen. Jurisdictiemacht (of herderlijke macht) bestaat in de macht om de gelovigen te leiden en te besturen, wetten uit te vaardigen en recht te spreken.

De wijdingshiërarchie vinden we op een klassieke wijze beschreven bij Thomas van Aquino, wanneer hij het priesterschap bespreekt in functie van de verhouding tot de eucharistie (4). Omdat een bisschop niet meer macht heeft t.a.v. de eucharistie dan een priester, is het priesterschap (van de gewone priester) de hoogste trap van de wijdingshiërarchie. Onder de priester staan in deze hiërarchie: diaken, subdiaken, acoliet, exorcist, lector en portier. Priesterschap, diaconaat en subdiaconaat waren (althans in de Westerse of Latijnse kerk) de zogenaamde hogere wijdingen, de andere rangen vormden de lagere wijdingen. Deze wijdingen en de bijbehorende rangen hadden alleen een plaats in de opgang naar het priesterschap. Vóór de (in de chronologische volgorde) eerste wijding, het ostiariaat of de rang van 'ostiarius' of portier, ontvangen werd, was de toekomstige priester door de tonsuur of kruinschering opgenomen in de clerus. Boven de priester stond natuurlijk de bisschop als degene die andere priesters kon wijden, maar het bisschopsambt werd beschouwd als een hogere rang in jurisdictiehiërarchie, niet in de wijdingshiërarchie. Krachtens zijn grotere jurisdictiemacht wees de bisschop aan een priester een bepaald gebied toe waarin deze laatste dan als pastoor, onderpastoor of kapelaan zijn (gedelegeerde) ambtelijke macht kon uitoefenen. Overigens stond boven de bisschop nog duidelijk de paus als hoogste in rang op de jurisdictiehiërarchie, d.w.z. als de bisschop van de universele Kerk.

Bij deze visie op de hiërarchie zijn enkele kritische aantekeningen te maken. Het onderscheid tussen beide machten en hiërarchieën evolueerde mettertijd tot een scheiding. De opkomst en de verspreiding van de (door het concilie van Chalcedon in 451 nog verboden) absolute wijdingen (d.w.z. dat bv. priesters gewijd werden zonder dat ze onmiddellijk verbonden werden aan een kerk waarin ze hun ambt konden uitoefenen) was hier natuurlijk niet vreemd aan. Dat in de late Middeleeuwen een zogenaamd 'Messopferpriestertum' bestond, d.w.z. dat veel priesters niets anders deden dan missen opdragen voor overledenen, is ook alleen maar mogelijk binnen een hiërarchisch systeem waarin wijdings- en jurisdictiemacht van elkaar gescheiden waren. De verkondiging van het Woord Gods en de zielzorg werden immers gezien als taken die voortvloeiden uit de jurisdictiemacht, waarover alleen de bisschop en niet de priester als zodanig beschikte. Tenslotte leidde deze scheiding tussen beide machten en hiërarchieën tot de tendens de paus als de bron van alle jurisdictiemacht in de Kerk te beschouwen. Deze tendens toonde haar kwalijke gevolgen vooral tijdens het Concilie van Trente (1545-1563). Als een noodzakelijke hervorming drong zich toen het opleggen van de residentieplicht aan de bisschoppen op. De hervormingsgezinde partij was van oordeel dat de residentieplicht een verplichting van goddelijk recht was. Deze opvatting veronderstelde echter dat de bisschoppen hun jurisdictiemacht rechtstreeks van God kregen, en niet via de paus. Dit was onaanvaardbaar voor de Romeins-curiale partij, die vasthield aan de overtuiging dat de bisschoppen hun jurisdictiemacht van de paus kregen. Uiteindelijk slaagde het concilie er toch wel in de residentie als een strenge gewetensplicht aan de bisschoppen op te leggen, maar het zag zich genoodzaakt de kwestie van het goddelijk recht van dit gebod open te laten.

Aan de vooravond van Vaticanum II heeft vooral de canonist Klaus Mörsdorf een vernieuwing in de visie op de hiërarchie bewerkt: in enkele fundamentele artikelen stelde hij het onderscheid, maar tegelijk ook de wederzijdse betrokkenheid van beide machten in het licht. De problematiek van de machten in de Kerk was toen zeer nauw verweven met die van het drievoudig ambt.



De kerkelijke hiërarchie en het drievoudig ambt van profeet, priester en pastor



In de leer over het drievoudig ambt spreekt men niet zozeer in juridische zin over ambt(en). Eigenlijk gaat het hier vooral om het omschrijven van een drievoudige taak of functie van Christus, de Kerk, de ambtsdragers of de gelovigen: de verkondiging van het Woord Gods (profetisch ambt of leraarsambt), de viering van de sacramenten (priesterlijk of liturgisch ambt) en het dienstwerk van de liefde in gemeenschapsvorming, geestelijke begeleiding, armen- en ziekenzorg en allerlei vormen van sociale en politieke inzet (pastoraal, herderlijk, koninklijk of diaconaal ambt) (5). Het thema van het drievoudig ambt van Christus duikt af en toe op bij de kerkvaders en bij de middeleeuwse scholastieke kerkleraars, meestal i.v.m. de uitleg van bijbelteksten over de zalving van priesters, koningen en profeten. Vooral de reformator Johannes Calvijn heeft het thema een plaats gegeven in de theologie door aan de hand van het drievoudig ambt te beschrijven wat de verlossing door Jezus Christus precies betekent. In het begin van de 19de eeuw namen katholieke theologen het thema van het drievoudig ambt op in hun ecclesiologie om de taken van de hiërarchie te omschrijven. Dit leidde ertoe dat de leer over het drievoudig ambt verbonden werd met een leer over ambten in juridische zin. De macht waardoor de hiërarchische ambten zich kenmerken, werd verdeeld over de drie 'ambten' of taken van de Kerk en werd onderscheiden in leergezag, wijdingsmacht en bestuursmacht. Sommige theologen en canonisten aanvaardden weliswaar slechts twee machten, nl. wijdings- en jurisdictiemacht, maar splitsten dan de laatste macht uit in leergezag en bestuursmacht. In deze optiek was het bv. evident dat de verkondiging van het Woord Gods een specifieke taak van de bisschop was, want die had leermacht (6). De taak om het Woord Gods te verkondigen kwam eigenlijk niet toe aan de priester als zodanig en nog minder aan de leek. Alleen als de bisschop een priester tot pastoor aanstelde kreeg die een verkondigingstaak opgedragen. Het pastorale ambt, in de zin van het uitoefenen van de taken van liefdebeleving en dienstbaarheid, dreigde in deze visie volledig op te gaan in het uitoefenen van bestuursmacht, zodat bv. de diaconie niet als een wezenlijke dimensie van de Kerk werd opgevat. Ten gevolge van deze visie waarin de taken van de Kerk voortvloeiden uit de machten van de hiërarchie, hadden leken geen aandeel in het vervullen van de taken van de Kerk.

De grote Franse dominicanertheoloog Yves Congar, misschien wel de belangrijkste wegbereider van het Tweede Vaticaans Concilie en de theoloog die de sterkste invloed heeft uitgeoefend op de concilieteksten, toonde vanaf zijn eerste publicaties in de jaren 1930 grote interesse in het thema van het drievoudig ambt, omwille van de bruikbaarheid niet alleen in de christologie en de ecclesiologie, maar ook in de theologische antropologie. In Chrétiens désunis (1937) spreekt Congar over de 'loi de l'incarnation', waardoor de 'ecclesia de Trinitate', de Kerk die ontstaat uit de H. Driëenheid door dogma, sacramenten en ambten een 'ecclesia ex hominibus' wordt, een Kerk die een gemeenschap van mensen is. Voor deze gedachte heeft Congar zich laten inspireren door de 19de-eeuwse Duitse theoloog Johann Adam Möhler volgens wie geloof, vroomheid en liefde hun uitdrukking vinden in dogma, liturgie en wet. Hier ontmoeten we dus duidelijk het thema van het drievoudig ambt, met dien verstande dat het kerkelijke hiërarchische ambt bij Congar nog steeds de plaats inneemt van de liefdebeleving, die in wetsvervulling geconcretiseerd wordt. In het tweede deel van Jalons pour une théologie du laïcat (1953) behandelt Congar het aandeel van de leken in de priesterlijke, koninklijke en profetische functie van de Kerk (waarbij de koninklijke functie ook weer bestaat in de bestuurstaak), in het gemeenschapsaspect van de Kerk en in de apostolische zending van de Kerk (in de Katholieke Actie). Bij de hiërarchie zijn de ambten 'machten'. Hiërarchie en leken handelen resp. 'ex officio' en 'ex spiritu'; in een opstel uit 1947 was dit: 'ex missione' en 'ex spiritu'.

In deze ingewikkelde materie van de leer over het drievoudig ambt werd m.i. aan de vooravond van het concilie klaarheid gebracht door Mörsdorf in een aantal studies, waarvan de resultaten ook neergelegd werden in enkele artikelen in de editie van het Lexikon für Theologie und Kirche die rond 1960 verscheen (7). Mörsdorf wijst erop dat in de theologie dikwijls over het ambt gesproken wordt in een betekenis die niets te maken heeft met de juridische opvatting van 'ambt'. Dit is volgens hem o.a. het geval in de sinds ongeveer 1800 in de katholieke theologie zo fundamenteel geworden leer over het drievoudige ambt en over het onderscheid tussen priester-, leraars- en herdersambt. Mörsdorf stelt dat het bij deze driedeling gaat om verschillende opgaven of diensten, maar niet om ambten in de juridische betekenis van het woord. Hij kant zich sterk tegen de tendens om met ieder ambt (in de zin van 'taak') een eigen 'macht' te verbinden. Volgens Mörsdorf moet de macht van de Kerk die haar door Jezus Christus met het oog op de vervulling van haar taak gegeven is, slechts in wijdings- en jurisdictiemacht onderscheiden worden. Deze tweevoudige macht die Christus gaf aan de hiërarchie, heeft betrekking op het vervullen van de drievoudige taak van profeet, priester en pastor en wel zo dat beide machten meespelen bij het vervullen van elk van deze taken.



De kerkelijke hiërarchie als dienst



In een boekje Pour une Église servante et pauvre, dat verscheen in 1963 (na de eerste zittingsperiode van het concilie), maar dat opstellen bevatte die reeds elders gepubliceerd waren vóór of bij het prille begin van het concilie (8), behandelde Yves Congar de kwestie van de moeilijke verhouding tussen de 'traditionele' opvatting van de kerkelijke hiërarchie als de gezagsinstantie die met macht(en) bekleed was, en de nieuwtestamentische opvatting van het kerkelijk ambt (het bijzondere ambt) als dienst. In een eerste bijbeltheologische hoofdstuk toont hij aan dat in de evangelies en in de apostelbrieven het uitoefenen van gezag in de Kerk wordt beschouwd als een dienst ('diakonie') aan de gemeenschap. In het kerkhistorische tweede hoofdstuk laat Congar zien dat Augustinus de klassieke terminologie betreffende het kerkelijk gezag ijkte wanneer hij over de bisschop de volgende leer verkondigt: "Hij sticht zijn volk door zijn woord en de liturgische viering, waarbij hij er zich van bewust is, geen dominium of potestas uit te oefenen maar een ministerium" (9). Desalniettemin wordt in de loop van de kerkgeschiedenis macht meer en meer opgevat als een karakteristiek bezit van de kerkelijke leiders of gezagsdragers en niet zozeer als behorend bij een opdracht in de naam van Jezus Christus. Een priester wordt opgevat als iemand "die zijn parochie bestuurt, die het regimen heeft, die de akt van regere uitoefent" (10). Weliswaar kwam er bij herhaling een reactie tegen deze theologie. Zo poogde de H. Bernardus helemaal in de lijn van Augustinus duidelijk te maken dat men het ambt niet mocht opvatten als een dominium of dominatus (ook "possessio" of bezit genoemd), maar dat men het moest zien als een ministerium of cura (11). De hervormingsgezinde partij bleef echter veelal vastzitten in dezelfde juridistische mentaliteit als de partij die ze bestreed.

Congar is echter van oordeel dat de moderne maatschappij, waarin Kerk en wereld niet meer in elkaar verstrengeld liggen, aan de Kerk meer kansen biedt om terug echt Kerk, d.w.z. een dienende Kerk, te worden. In het hoofdstuk over de "Kristelijke opvatting van het gezag" legt hij uit dat dit betekent dat de menselijke betrekkingen (slaaf - heer, man - vrouw) beleefd worden 'in de Heer', d.w.z. dat "de betrekkingen tussen de mensen of tussen de gelovigen en de dingen - dit zijn de betrekkingen, waaruit ons leven op het horizontale plan van de wereld geweven wordt - hernomen of opgenomen worden in de vertikale liefdesbetrekking, die van God naar ons komt, en de vertikale geloofsbetrekking, die van ons naar God gaat". Dergelijke "betrekking verandert dan grondig van betekenis. Ze is geen betrekking meer met twee termen, die horizontaal tegenover elkaar staan, maar met drie termen, die vertikaal staan geplaatst. (...) Het evangelisch gezag bestaat uit een betrekking sub et supra (van ondergeschiktheid en gezag) binnen een algemene betrekking van dienst, die met de hoedanigheid van kristen zelf gepaard gaat" (12). De kerk in haar geheel is dienst en alle gelovigen zijn dienaars, maar "God roept sommigen van zijn dienaars om leiders te worden in de dienst" (13). Het bijzonder priesterschap moet volgens het Nieuwe Testament duidelijk in de kerkgemeenschap gesitueerd worden (14). Congar besluit dat heel de Kerk of alle gelovigen, "dat oversten en onderdanen God en de mensen dienen door te belijden dat alles genade is voor allen en door allen, volgens de rang waarin God ons allen plaatst. De overste bekleedt waarlijk een gezagspositie, maar in een broederlijke gemeenschap van dienst. (...) Dit veronderstelt van ons allen een zeer diepgaande bekering, niet zozeer tot een ethisch ideaal van onbaatzuchtigheid, want zulk ideaal is slechts een gevolg, maar tot God en tot Christus als enige en absolute Heer: een teo-logale en teo-logische bekering" (15).



3. Het Tweede Vaticaans Concilie over ambt, macht en dienst



Wanneer we in het licht van de geschiedenis van de leer over ambt, macht en dienst en vooral in het licht van wat Congar en Mörsdorf daarover aan de vooravond van Vaticanum II schreven, de desbetreffende concilieteksten lezen, blijkt dat het kerkelijk leergezag op het concilie datgene wat in de eigentijdse theologie naar voren is gebracht (vooral de opvattingen van Congar) als een uiterst waardevolle bijdrage tot de katholieke ecclesiologie opgenomen heeft, maar dat de toentertijd meest recente ontwikkelingen (Mörsdorfs onderscheid tussen ambten en machten) nog onvoldoende in de concilieteksten verwerkt zijn (16). De nu volgende analyse van teksten over ambten en machten uit vier conciliedocumenten, nl. de constitutie over de Kerk en de decreten over het bisschopsambt, het priesterambt en het lekenapostolaat, moge dit verduidelijken. Daarbij wordt de constitutie over de Kerk als vertrekpunt gehanteerd. Het is een bekende regel in de uitleg van de conciliedocumenten, die ook door de Bisschoppensynode van 1985 in herinnering is geroepen, dat in de vier constituties de dragende visies zijn neergelegd, terwijl in de decreten meer concrete uitwerkingen naar bijzondere ambten, levensstaten of actieterreinen toe, te vinden zijn. Nu is de constitutie van de Kerk ook in chronologisch opzicht het oudste van de vier hier besproken conciliedocumenten: deze constitutie werd uitgevaardigd tijdens de derde zittingsperiode van het concilie in de herfst van 1964 (nl. op 21 november 1964), terwijl de drie genoemde decreten op diverse tijdstippen in de vierde zittingsperiode in de herfst van 1965 werden uitgevaardigd (het decreet over het bisschopsambt op 28 oktober, dat over het lekenapostolaat op 18 november en tenslotte dat over het priesterambt op 7 december 1965).



De constitutie over de Kerk (17) en de aard van het bijzonder priesterschap



Nadat in het eerste hoofdstuk van de constitutie Lumen gentium over de Kerk de bijbelse beelden voor de Kerk zijn geïnventariseerd, komt in het tweede de Kerk als Volk Gods ter sprake. In een eerste - eerder inleidend - deel wordt de plaats van de Kerk in de heilsgeschiedenis behandeld. Het uiterst fundamentele tweede deel van dit hoofdstuk typeert het Godsvolk dat de Kerk vormt, als een priesterlijk volk (nrs. 10-12). Hierbij komen twee onderdelen van het drievoudig ambt ter sprake. De eerste twee nummers van dit deel (nrs. 10-11) handelen over het algemeen priesterschap van het Godsvolk, het derde (nr. 12) over de profetische taak van dit volk. Nr. 10 stelt vast dat alle gedoopten een heilige priesterschap vormen en geeft vervolgens aan waarin het onderscheid tussen het algemeen en het ambtelijk priesterschap bestaat; dit onderscheid is wezenlijk en niet gradueel. Het bijzonder priesterschap, het ambts- of dienstpriesterschap of de kerkelijke hiërarchie ("sacerdotium ministeriale seu hierchicum"), geniet namelijk van een heilige macht ("potestas sacra"). Nr. 11 spreekt over de uitoefening van het algemeen priesterschap in de bediening van de zeven sacramenten. Nr. 12 handelt in de eerste alinea over het profetisch ambt en de geloofszin van het Godsvolk in zijn verhouding tot het kerkelijk leergezag. Geheel het Godsvolk is weliswaar begiftigd met een onfeilbare bovennatuurlijke geloofszin, maar toch is het aangewezen op de leiding van het 'magisterium', d.w.z. het leergezag dat uitgeoefend wordt door de kerkelijke hiërarchie of het bijzondere priesterschap. In de tweede alinea van nr. 12 wijst het concilie erop dat allerlei charismata in de Kerk ruimer verspreid zijn dan de 'dienstambten' ('ministeria'), zodat gelovigen van elke rang geschikt kunnen zijn om diverse taken en bedieningen ("varia opera vel officia") in de Kerk uit te oefenen; het oordeel hierover komt toe aan degenen die in de Kerk leiding geven.

Het derde hoofdstuk van Lumen gentium (nrs. 18-29) handelt over de kerkelijke hiërarchie of het bijzonder priesterschap (het ambts- of dienstpriesterschap), en vooral over het episcopaat ("De constitutione hierarchica Ecclesiae et in specie de episcopatu"). Na een inleidend nummer, waarin de leer van Vaticanum II over het episcopaat in relatie wordt gebracht met die van Vaticanum I over het primaatschap (nr. 18), gaat het in het eerste deel over de oorsprong van het episcopaat in het apostelambt (nrs. 19-21), in het tweede deel over de collegialiteit van de bisschoppen (nrs. 22-23), in het derde deel over de taak van de bisschoppen (nrs. 24-27) en tenslotte in het vierde deel over de priesters en diakens (nrs. 28-29). In dit derde hoofdstuk wordt de leer over de macht van de kerkelijke hiërarchie of het bijzonder priesterschap verder uitgewerkt. Reeds in het inleidend nummer (nr. 18) blijkt de zending van de apostelen erin te bestaan om, bekleed met Christus' macht, als herders te verkondigen, te heiligen en te besturen. Ook nr. 19 spreekt over de macht van de apostelen om te leren, te heiligen en te besturen. Als opvolgers van de apostelen staan de bisschoppen, samen met hun helpers, de priesters en de diakens, ten dienste van de kerkgemeenschap, waarin ze als voorzitters en herders de taak van verkondiging, liturgie en bestuur uitoefenen (nr. 20). De bisschoppen, bijgestaan door de priesters, stellen Christus tegenwoordig in een dienstambt, dat bestaat uit verkondiging, sacramentsbediening en gemeenschapsvorming. Het is duidelijk dat in deze nummers het ambt van de bisschoppen wordt beschreven met gebruikmaking van de trilogie van de 'ambten', maar dat tegelijkertijd gepoogd wordt de specificiteit van het apostel- en bisschopsambt aan te duiden; dit is gelegen in een bijzondere door Christus gegeven 'macht', waardoor apostelen en bisschoppen Hem kunnen vertegenwoordigen. In nr. 25, waar het gaat over het profetisch ambt van de bisschoppen, blijkt deze macht leergezag te behelzen (hier is ook sprake van 'auctoritas'). Veelvuldig is van 'macht' en 'gezag' ('potestas' en 'auctoritas') sprake in nr. 27, dat handelt over de bestuurstaak (het pastorale of herderlijke ambt!). Volgens Lumen gentium, nr. 28 hebben ook de priesters macht en gezag, maar in afhankelijkheid van de bisschop.

De macht van de hiërarchie wordt ook enkele keren vermeld in het vierde hoofdstuk, dat over de leken handelt (18). Volgens nr. 32 zijn de leken als broeders van Christus ook broeders van hen die met de autoriteit van Christus het drievoudig ambt uitoefenen (19). In nr. 35 over het profetisch ambt dat ook door de leken uitgeoefend wordt, wordt gesteld dat de hiërarchie in Christus' naam en met Zijn macht verkondigt. Uit dit alles blijkt dat het concilie grotendeels in de lijn blijft van de traditie die het bijzonder priesterschap (door het concilie praktisch altijd 'ministerium' genoemd, in onderscheid met 'munus' dat wijst op het ambt in de zin van taak) gekarakteriseerd achtte door macht(en). Tegelijkertijd wordt dit ambt ook dienst ('ministerium' en 'diakonia') genoemd (vgl. vooral LG, nr. 24). Ook in de constitutie Dei Verbum over de Openbaring uit 1964 wordt in verband met het kerkelijk leergezag gezegd dat het een dienstambt uitoefent: "Het kerkelijk gezag staat niet boven het Woord Gods, maar dient het" (20).



De constitutie over de Kerk en de taken van bisschop, priester en leken



In de omschrijving van de taken van de bisschop in het derde deel van het derde hoofdstuk wordt gebruik gemaakt van de leer over het drievoudig ambt. Volgens het inleidend nummer 24 is het de opdracht van de bisschoppen door de verkondiging van het evangelie alle mensen tot het heil te brengen, dat door geloof, doopsel en vervulling van Gods geboden geschonken wordt. Tevens is het bisschopsambt een dienst die in de Schrift diaconie of dienstambt ('ministerium') genoemd wordt. In de omschrijving van de taken van de bisschop in de volgende nummers (nrs. 25-27) vinden we dan de leer van het drievoudig ambt terug: de bisschoppen oefenen het leergezag uit (nr. 25) en hebben een heiligingstaak (nr. 26; hierin gaat het vooral over de relatie van bisschop en eucharistie) en een bestuurstaak (nr. 27). De verbinding van de verkondigingstaak met leergezag en de vervanging van een uiteenzetting over het herderlijk ambt in de zin van taak van beoefening van liefde en dienstbaarheid door een uiteenzetting over de bestuurstaak wijzen erop dat de 19de- en 20ste-eeuwse theologie, waarin voor ieder ambt of iedere taak of functie van de Kerk een afzonderlijke macht onderscheiden werd, ook op het concilie nog verder doorwerkt. Doch in de tweede alinea van nr. 26 over de heiligingstaak wordt de wetgevende taak van de bisschop aangaande de liturgie besproken. Hieruit blijkt dat beide machten werkzaam zijn bij het vervullen van een der taken van de Kerk.

Het vierde en laatste deel van het derde hoofdstuk van Lumen gentium (nrs. 28-29) handelt over de priesters en de diakens, die op een verschillende wijze participeren in het bijzondere priesterschap dat in zijn volheid aan de bisschop toekomt. Van de priesters wordt gezegd dat ze gewijd worden om het evangelie te verkondigen, de gelovigen te 'weiden' en de heilige liturgie te bedienen (21). Hiermee is het drievoudig ambt perfect omschreven. In het vervolg van nummer 28 wordt alleen ingegaan op de verkondigingstaak en vooral op de priesterlijke taak - hierbij worden eucharistie en boetesacrament besproken. Tot tweemaal toe merkt het concilie op dat de priesters door de uitoefening van deze taken participeren in het ambt van Christus. Bij de eucharistie fungeren zij "in persona Christi" (22) en zij vertegenwoordigen de bisschop in de lokale vergaderingen van de gelovigen. Van de diakens wordt gezegd dat ze op de onderste trap van de kerkelijke hiërarchie staan en dat ze niet voor het priesterschap, maar voor een dienstambt (= ambt van helper of assistent van bisschop en priester) gewijd worden. De wijding geeft hen echter wel een sacramentele genade om hun dienstambt ('diaconia') dat de liturgie, de woordverkondiging en de beoefening van de caritas betreft, uit te oefenen. Ook hier treffen we een mooie omschrijving van het drievoudig ambt aan! Vervolgens geeft het concilie een opsomming van de taken die de diakens kunnen vervullen.

Het hoofdstuk over de leken (het vierde) is i.v.m. de problematiek van het ambt van belang, omdat er enkele malen gezegd wordt dat ook de leken bepaalde bedieningen of charismata kunnen uitoefenen (nr. 30: "ministrationes et charismata"), omdat ook zij op een eigen wijze (anders dan priesters en diakens) deelhebben aan Christus' drievoudig ambt van priester, profeet en koning en aan de hieruit afgeleide taken van het bijzonder priesterschap of kerkelijke hiërarchie (nrs. 30-32). Zij kunnen dus door de hiërarchie worden aangesteld om bepaalde kerkelijke functies ('munera ecclesiastica') uit te oefenen (nr. 33), die vervolgens worden omschreven aan de hand van de ons ondertussen reeds voldoende bekende 'trilogie' van de priesterlijke, profetische en koninklijke taak (nrs. 34-36). I.v.m. de profetische taak van leken wordt gesteld dat zij in noodsituaties (bij gebrek aan gewijde ambtsdragers en in tijden van vervolging) ook bepaalde heilige (of gewijde) bedieningen ("quaedam officia sacra") kunnen uitoefenen.



De decreten over het bisschopsambt, het priesterschap en het lekenapostolaat



In de decreten over het bisschopsambt, het priesterschap en het lekenapostolaat die ongeveer een jaar later gepubliceerd zijn dan de constitutie over de Kerk, merken we een zekere evolutie, in die zin dat de omschrijvingen van het 'munus triplex' nauwkeuriger zijn en dat er steeds minder restanten te vinden zijn van de neoscholastieke leer over drie machten die aan dit drievoudig ambt zouden beantwoorden.

In het decreet over het herderlijk ambt van de bisschoppen (23) wordt eerst gesproken over de verantwoordelijkheid van de bisschoppen voor de universele Kerk en de bisschoppelijke collegialiteit en vervolgens over de taken van de diocesane bisschoppen in hun eigen bisdom. Verder gaat het in dit decreet over de circumscriptie van bisdommen, de medewerkers (behalve hulp- en wijbisschoppen en de diocesane curie komt hier ook de verhouding van de bisschop tot priesters en religieuzen en de diverse diocesane raden ter sprake) en over de samenwerking van bisschoppen in grotere gehelen (synoden, bisschoppenconferenties, kerkprovincies, bisschoppen met interdiocesane functies, enz.). Het is natuurlijk weer bij de omschrijving van de taken van de diocesane bisschoppen dat het concilie gebruik maakt van de leer over het drievoudig ambt (nrs. 12-16). Hierbij valt het op dat de uiteenzetting over iedere taak met dezelfde uitdrukking begint: "In exercendo suo munere" ("Bij de uitoefening van hun taak"). De drie 'munera', taken of functies die onderscheiden worden, zijn: het 'munus docendi', het 'munus sanctificandi' en het 'munus patris ac pastoris'. De leraars- of profetische taak staat onder de taken van de bisschop voorop, zegt het concilie, en omvat het op diverse wijzen en met diverse methoden verkondigen van de christelijke leer o.a. in prediking en catechese (nrs. 12-14). Bij de bespreking van de heiligings- of priesterlijke taak stelt het concilie dat de bisschop in zijn bisdom het liturgisch leven, waarin de eucharistie centraal staat, regelt, bevordert en bewaakt. Omdat de bisschop de volheid van het priesterschap heeft ontvangen, zijn priesters en diakens van hem afhankelijk (nr. 15). De herderlijke of pastorale taak - hier ook 'vaderlijke' taak genoemd - behelst het samenbrengen van de gelovigen in een gemeenschap van liefde en het behartigen van het welzijn in ruime zin niet alleen van degenen die deel uitmaken van de katholieke Kerk, maar ook van de andere christenen en niet-gedoopten (nr. 16).

Ook in het decreet over ambt en leven van de priesters (24) vinden we na een fundamenteel hoofdstuk over de plaats van het bijzonder priesterschap in de zending van de Kerk en vóór een bespreking van de relatie van priesters tot andere ambtsdragers en gelovigen, van de priesterroepingen en van de diverse aspecten van de priesterlijke levenswijze en spiritualiteit, een uiteenzetting over de taken van de priester, waarbij het concilie nogmaals gebruik maakt van de leer van het drievoudig ambt (nrs. 4-6). Hierbij komen in dezelfde volgorde als bij de bisschoppen achtereenvolgens het verkondigings-, het liturgische en het pastorale ambt ter sprake. Verkondigen doen de priesters op uiteenlopende wijzen in preek, catechese, persoonlijk gesprek, enz. Wat betreft hun liturgische taak zijn de priesters de bedienaren van het doopsel, het boetesacrament, de ziekenzalving en vooral de eucharistie. Zij krijgen zoals voor hun andere taken ook voor hun pastorale taak een geestelijke macht, zodat ze in staat zijn tot 'stichting' van de gelovigen en tot "buitengewone menselijkheid naar het voorbeeld van de Heer" in de omgang met hun medemensen en kunnen instaan voor de geloofsopvoeding, voor de zorg voor armen en zwakkeren, jongeren, gehuwden en ouders (deze laatste drie bevolkingsgroepen bij voorkeur in verenigingen), religieuzen, zieken en stervenden en voor de vorming van een echte christelijke gemeenschap.

In het eerste hoofdstuk van het decreet over het lekenapostolaat (25) wordt de roeping van de leken tot het apostolaat behandeld (nrs. 2-4). Weliswaar heeft Christus aan de apostelen en hun opvolgers de taak gegeven in Zijn naam en met Zijn macht te onderwijzen, te heiligen en te besturen, maar de leken hebben deel aan dit priesterlijk, profetisch en koninklijk ambt (nr. 2) (26). De grondslag van het lekenapostolaat is gelegen in de verbondenheid met Christus (nr. 3), die eveneens de basis vormt van de lekenspiritualiteit (nr. 4). In het tweede hoofdstuk van het decreet komen de taken ('munera') van de leken ter sprake. In "de bediening van het woord en van de sacramenten" ("ministerium verbi et sacramentorum"!) is het lekenapostolaat complementair aan dat van het herderlijke dienstambt (nr. 6) (27). Het meest eigen terrein van de werkzaamheid van de leken is de tijdelijke orde (nr. 7).

Uit deze analyse van de concilieteksten over ambten en machten kunnen we het volgende concluderen. Niettegenstaande het concilie enerzijds in LG (uit 1964) spreekt over een (= één?) heilige macht, die toekomt aan degenen die het (dienst)ambt ('ministerium') uitoefenen, m.a.w. aan de hiërarchie, onderscheidt het anderzijds een leergezag, dat betrokken wordt op het profetisch ambt, en een wijdingsmacht die betrokken wordt op de sacramentenbediening, terwijl een bespreking van de bestuursmacht in de plaats treedt van die van het pastorale of (in de terminologie van het concilie zelf!) koninklijke ambt. In de concilieteksten van 1965 daarentegen treffen we in het algemeen een uiteenzetting over het drievoudig ambt aan waarin deze thematiek duidelijker dan in de constitutie over de Kerk uit 1964 gezien wordt als betrekking hebbende op de taken van de Kerk of de terreinen waarop de Kerk actief is, en niet zozeer op ambten (in de juridische zin van het woord), waarmee een bepaalde macht verbonden is. Op de macht van de ambtsdragers wordt hier niet meer (in dogmatisch opzicht) ingegaan, omdat de concilievaders deze kwestie blijkbaar afdoende behandeld vinden in LG.



Synthese en kritisch commentaar



Als we de concilieteksten over de macht van de hiërarchie en over het profetisch (leraars- of verkondigings-), priesterlijk (liturgisch) en pastoraal (herderlijk, koninklijk of diaconaal) ambt lezen tegen de achtergrond van de theologische en canonistische traditie dienaangaande merken we dat ze zich situeren op een keerpunt in de geschiedenis van deze thema's. De katholieke theologie (Congar) en canonistiek (Mörsdorf) zijn er sinds de jaren vijftig mee bezig de behandeling van deze thema's grondig te vernieuwen en los te maken uit de enge opvatting waarin ze in de tijd van de neoscholastiek (grosso modo 1850-1950) door de verwarring tussen ambten en machten waren terechtgekomen. In de nieuwe visie die vooral door Mörsdorf naar voren werd gebracht, werd de leer over de drie ambten van profeet, priester en pastor niet in juridische zin verstaan, maar opgevat als een omschrijving van de taken van de Kerk. De beide machten komen toe aan de hiërarchie of het bijzondere priesterschap en zijn werkzaam bij het vervullen van elk van die drie ambten of taken. Het concilie heeft deze toen vrij recente visie niet meer ten volle kunnen verwerken. Vanuit deze visie kan men nochtans heel goed recht doen aan de concilieteksten en helderder de intenties van het concilie voor ogen krijgen.

Het is duidelijk dat het concilie met behulp van het thema van het drievoudig ambt, dat niet alleen door de hiërarchie, maar ook door de lekengelovigen wordt uitgeoefend, in de lijn van Congar de positie van de leek wil versterken: ook de leken maken tenvolle deel uit van de Kerk en hebben een belangrijk aandeel in het vervullen van haar taak. Dit vloeit voort uit de leer over het algemeen priesterschap. Een probleem ontstaat evenwel wanneer het concilie het bijzonder priesterschap wil omschrijven. Weliswaar bevestigt het concilie uitdrukkelijk dat er een wezenlijk onderscheid is tussen algemeen en bijzonder priesterschap, maar door de taken zowel van de ambtsdragers (bisschoppen, priesters en diakens) als van de leken te omschrijven met behulp van het thema van het drievoudig ambt, dreigt dit onderscheid niettemin te vervagen. Deze onduidelijkheid in de concilieteksten is waarschijnlijk niet helemaal vreemd aan de identiteitscrisis van heel wat priesters in de jaren die volgden op het concilie. Met behulp van Mörsdorfs visie is het echter mogelijk de concilieteksten zodanig te interpreteren dat enerzijds duidelijk blijkt dat ook de leken volledig participeren in het vervullen van de taken van de Kerk en anderzijds de eigenheid van het bijzonder priesterschap helderder uit de verf komt. In de lijn van Mörsdorf moeten we dan pogen in de concilieteksten een duidelijker onderscheid aan te brengen tussen ambten (in de zin van taken) en machten.

Wanneer we de fundamentele nummers 10-12 van de constitutie over de Kerk (over het priesterlijke volk en het algemeen priesterschap) lezen met de opvattingen van Mörsdorf in het achterhoofd, blijkt dat het concilie in Lumen gentium nog grotendeels denkt vanuit een theologie die de priesterlijke macht betrekt op de priesterlijke taak (één onderdeel van het drievoudig ambt in de zin van drievoudige taak of functie), en een afzonderlijke leermacht onderscheidt, die dan betrekking heeft op de profetische taak. Binnen dit denkkader is het dan nogal moeilijk goed het onderscheid te maken tussen het algemene en het bijzondere priesterschap. Wanneer we duidelijk onderscheiden tussen ambten (in de zin van taken) en machten, komt de betekenis van deze nummers beter naar voren: lekengelovigen kunnen weliswaar op grond van het algemeen priesterschap en hun participatie in het drievoudig ambt van Christus allerlei taken uitoefenen, die deel uitmaken van het verkondigings- en het liturgische ambt van de Kerk, maar krachtens de hen door Christus geschonken macht komt het aan de dragers van het bijzondere ambt toe bv. als rechters inzake geloofszaken op te treden (zoals men dat traditioneel zegt, maar zoals het ook door het concilie wordt bevestigd (28)) en de rol van voorgangers in de liturgie van de sacramenten te vervullen. In dezelfde lijn zou in het gedeelte over de taken van de bisschoppen in de constitutie over de Kerk (nrs. 25-27) de bestuursmacht van de bisschoppen, die daar besproken wordt op het ogenblik dat men een behandeling van hun verantwoordelijkheid voor het pastorale of diaconale ambt verwacht (nr. 27), bekeken moeten worden in relatie tot de andere ambten of taken van de Kerk. Hetzelfde geldt voor de bespreking van het leergezag (het andere onderdeel van de jurisdictiemacht) en de wijdingsmacht, die in dezelfde constitutie ter sprake komen i.v.m. resp. het profetisch en priesterlijk ambt (nrs. 25-26). Het nummer 26 over het priesterlijk ambt bevat reeds een passage over de bisschoppelijke jurisdictiemacht inzake liturgie.

Overigens bewerkt het concilie een opvallende wending in de opvatting over de 'heilige macht' van het bijzonder priesterschap. Terwijl Mörsdorf jurisdictie- en wijdingsmacht onderscheidde, spreekt het concilie nooit over verschillende machten in het meervoud, maar wel over een heilige macht in het enkelvoud. Zodoende wil het concilie de leer van de tweevoudige hiërarchie, die wijd verspreid was in de katholieke Kerk sinds het begin van de Middeleeuwen, overstijgen. Volgens het concilie is de centrale figuur in de éne hiërarchie of in het ambtspriesterschap - in Lumen gentium, nr. 10 een hiërarchisch dienstpriesterschap ('sacerdotium ministeriale seu hiërarchicum') genoemd - de bisschop: hem is de volheid verleend van het priesterschap, d.w.z. de volheid van de macht die hij in Christus' naam en als Diens vertegenwoordiger uitoefent als een dienst aan de Kerk en de wereld. Omdat de concilieteksten spreken van één heilige macht, verdwijnen de beide hiërarchieën die in de preconciliaire kerk naast elkaar bestonden, en maken ze plaats voor het éne priesterschap, waarvan bisschoppen, priesters en diakens de afzonderlijke graden (LG, nrs. 28-29) of rangen uitmaken.

Inzake het bisschopsambt valt op dat het concilie eerst spreekt over de bisschoppelijke collegialiteit en de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de universele Kerk: als college zijn de bisschoppen de opvolgers van de apostelen en oefenen zij in de Kerk het leidingsambt uit. Zo verdwijnt bv. voor wat de bisschoppen betreft de kwestie van de absolute wijdingen grotendeels naar de achtergrond. Als men al zou willen onderscheiden tussen wijdings- en jurisdictiemacht, moet men toch stellen dat volgens het concilie beide machten door de bisschoppen op de eerste plaats ten behoeve van heel de Kerk uitgeoefend worden. Priesters en diakens participeren als medewerkers - resp. als vertegenwoordigers van de bisschop en als helpers van bisschop en priester - in de heilige macht die het wezen vormt van het priesterschap dat aan de bisschop in zijn volheid verleend is. Binnen het bisschoppencollege komt de bisschop van Rome, de paus, naar voren als degene die omwille van de dienst van de eenheid en samenhorigheid onder de bisschoppen een hogere jurisdictiemacht, het primaatschap, heeft. De pauselijke onfeilbaarheid is hiervan een uitvloeisel.

De leden van het ambtspriesterschap oefenen hun taken van profeet, priester en pastor uit op grond van een bijzondere sacramentele genade, die hun een 'heilige macht' verleent. Het is in de visie van het concilie dus niet zo dat een van de ambten van bisschop, priester of diaken in het bijzonder met het profetische, priesterlijke of pastorale (diaconale) ambt moet verbonden worden, hoezeer de gebruikte terminologie ook tot deze gedachte aanleiding zou kunnen geven. Dit blijkt duidelijk uit het feit dat het concilie bij de beschrijving van de taken van bisschop, priester en diaken telkens gebruik maakt van het thema van het drievoudig ambt.

Dat doet het overigens ook bij de omschrijving van de taken van de leken. Op grond van hun verbondenheid met Christus en van hun in doopsel en vormsel geschonken algemeen priesterschap ('sacerdotium commune fidelium' in LG, nr. 10) zijn ook de leken tenvolle Kerk en oefenen ook zij door middel van diverse 'charismata' de taken ('munera') van de Kerk uit, eventueel in 'officia' of 'ministrationes'. De met deze termen bedoelde bedieningen zijn bv. die van catecheet of catechist(e) (29), theolo(o)g(e), pastoraal werk(st)er, parochie-assistent(e), lid van het pastoraal team, school- of jongerenpastores, gebedsleid(st)er, cantor, koster(es) en natuurlijk een veelheid van functies in de sector van de caritas en de sociale werken (30). Ook twee van de bedieningen die vroeger (in theorie) verbonden waren met de zogenaamde lagere wijdingen, nl. die van acoliet en lector, worden thans door leken, vrouwen zowel als mannen, uitgeoefend. Over de bediening die traditioneel als de hoogste van deze lagere wijdingen genoemd werd, het acolytaat, heeft het leergezag in 1994 uitdrukkelijk gezegd dat ook deze taak door vrouwen vervuld kan worden.



4. Macht en dienst van het ambt in de postconciliaire discussie



De al bij al toch wel duidelijke uitspraken van het concilie t.a.v. de preconciliaire discussie over ambt, macht en dienst hadden niet het effect dat men er mocht van verwachten. Juist over de problematiek van het kerkelijk ambt ontbrandde er in de postconciliaire Kerk een felle discussie.

Vooral twee kwesties waren en zijn fel omstreden: die van het onderscheid tussen het algemeen en het bijzonder ambt of priesterschap en die de aard van het gezag in de Kerk.



Het onderscheid tussen het algemeen en het bijzonder priesterschap



Uit onze analyse van de concilieteksten is gebleken dat volgens Vaticanum II het 'algemeen' of 'gemeenschappelijk' priesterschap van de gelovigen bestaat uit een participatie aan het drievoudig ambt van Christus als profeet, priester en pastor. De gelovigen kunnen de taken die met het drievoudig ambt omschreven worden slechts uitoefenen door de kracht van de sacramentele genade die hen door bemiddeling van de gewijde ambtsdragers toekomt. Deze dragers van het bijzondere ambt of van het bijzonder priesterschap hebben door het wijdingssacrament de macht ontvangen om de genade van Christus mee te delen aan de gelovigen en hen te leiden in de uitoefening van het drievoudig ambt. Op grond van het algemeen priesterschap en een bijzonder charisma kunnen ook lekegelovigen in de Kerk bepaalde bedieningen - zo hebben wij de termen 'officia' en 'ministrationes' vertaald - vervullen.

In de postconciliaire Kerk zijn echter visies verdedigd, waarin dit onderscheid tussen gewijde ambtsdragers die participeren in het wijdingssacrament en leken die omwille van hun charisma bepaalde bedieningen vervullen, is vervaagd. Zo is de visie van Mörsdorf dat wijdingsmacht de voorwaarde is voor het ontvangen van jurisdictiemacht in bepaalde kringen van de katholieke Kerk bestreden geworden, nl. door de Romeinse school en - misschien wel merkwaardig genoeg - ook door de zogenoemde school van Navarra, d.w.z. canonisten en theologen van de universiteit van Opus Dei, die in deze Spaanse stad gevestigd is (31). In deze stroming wordt gesteld dat ook leken jurisdictiemacht kunnen uitoefenen; dit impliceert dat met de 'sacra potestas', waarover Vaticanum II spreekt als karakteristiek voor het bijzonder priesterschap, alleen de wijdingsmacht wordt bedoeld. Dat zou evenwel ook betekenen dat volgens dit concilie bisschoppen alleen op grond van de wijdingsmacht hun collegiale verantwoordelijkheid voor de universele Kerk uitoefenen, wat ons tamelijk onwaarschijnlijk voorkomt.

Bij anderen bestaat de tendens om de bijzondere ambten van bisschop, priester en diaken min of meer gelijk te stellen met de charisma's van de bedieningen. Dit gebeurt dan door het bijzondere ambt met zijn verantwoordelijkheid voor het geheel van de uitoefening van het drievoudig ambt op te splitsen in de afzonderlijke charisma's van verkondiging, liturgie, diaconie en gemeenteleiding. Zo pleitte de Leuvense dogmaticus Peter De Mey onlangs voor een charismatisch leiderschap, waarvan hij het model vindt in de eerste Korintiërsbrief (32). Ook volgens De Mey is het "niet noodzakelijk dat wijding en leiding bij dezelfde persoon berusten". Hij meent zich gesteund door LG, nr. 12, waar sprake is van de participatie van alle gelovigen aan het profetisch ambt van Christus door het uitoefenen van "opera vel officia". Onze analyse heeft evenwel duidelijk gemaakt dat het hier gaat om om wat wij 'bedieningen' hebben genoemd (33). Dit blijkt ook uit het einde van de alinea (dat door De Mey niet geciteerd wordt!), waar gezegd wordt dat het aan degenen die in de Kerk leiding geven, toekomt over de charismata een oordeel te vellen.



De discussie over de aard van het gezag en de wijze van gezagsuitoefening



Behalve de kwestie van het onderscheid tussen het algemeen en het bijzonder priesterschap was ook die van de aard van het gezag in de Kerk na het concilie fel omstreden (34). Er ontstond een sterke stroming in de Kerk die zich door de concilieteksten over het ambt als dienst gemachtigd voelde op te komen voor een wijze van gezagsuitoefening in de katholieke Kerk die min of meer overeenkwam met die in de moderne democratische staten. Hiertegen werd zowel uit filosofische als uit theologische hoek ingebracht dat dergelijke eisen uitgingen van een verkeerde opvatting van 'dienstbaarheid'.

Op een misverstand aangaande wat het concilie zegde over de dienst van de Kerk aan de wereld - evenals overigens aangaande wat het zegde over armoede, collegialiteit, oecumenisme, openheid voor de wereld en aggiornamento -, wees Louis Bouyer reeds in 1968 (35). Bij de ambtsdragers zelf vatte in de postconciliaire tijd dikwijls een verkeerde opvatting post over de 'dienst' die zij te bewijzen hadden, zodat ze nogal eens faalden in het vervullen van hun leidinggevende rol en totaal onverantwoorde hervormingen toelieten (36). De dienst aan de wereld werd namelijk zo opgevat dat de Kerk de wereld niet meer tot het evangelie moest bekeren, maar zich zelf moest aanpassen aan de wereld, om des te beter te kunnen inspelen op de noden die uit deze wereld oprezen; daarbij moest men zich bv. niet te veel om (de teksten van) dat evangelie bekommeren (37). De agenda van de Kerk werd voortaan vanuit de wereld gedicteerd: dienst aan de wereld ging betekenen dat de Kerk haar taken toegewezen kreeg vanuit de wereld en niet vanuit het evangelie. Dergelijke opvatting leidde tot een overeenkomstige ambtsopvatting: volgens velen was het de taak van alle ambtsdragers ervoor te zorgen dat de Kerk zo goed mogelijk de wereldse noden lenigde. Dit heeft in een aantal gevallen geleid tot een overbenadrukking van de diaconale taak van de Kerk (38).

Enkele jaren na het concilie schreef ook de Nederlandse filosoof Cornelis Verhoeven zeer behartenswaardige dingen over de 'dienstbaarheid', waartoe de postconciliaire Kerk zich geroepen wist (39). Hij laat zich zeer kritisch uit over de postconciliaire kerk: "Ook een instituut als de kerk, vroeger wel degelijk een bolwerk van macht, is nog niet aan de grote bekering in zijn bestaan toe, wanneer het zich een service-instituut gaat noemen. Dienstbaarheid kan heel goed een list zijn, waarmee alleen maar beoogd wordt steeds meer vingers te steken in steeds meer pappen. Behalve een middel om macht te krijgen kan zij ook een middel zijn om een tanende macht vast te houden of de harde kern ervan te verbergen" (40). De problematiek van gezag en vrijheid (of van het gezag als dienst, van het gezag dat echte vrijheid bewerkt bij de 'onderdanen') is bij Verhoeven verbonden met die van de bemiddeling in de verhouding tussen subjecten. Verhoeven wijst er aan de hand van Hegel, Sartre en Levinas op dat in de confrontatie van twee mensen los van een 'zaak' onmiddellijk beslist wordt dat een van beiden de meester is en de andere de knecht. Alleen wanneer mensen samenkomen rond een bepaalde 'zaak' is hun aller vrijheid gewaarborgd. In de lijn van wat hij gezegd heeft over zakelijkheid als garantie tegen willekeur van het gezag (41), stelt hij in zijn poging om "helderheid te brengen in de betrekkingen tussen macht en dienstbaarheid": "het gezag blijkt slechts waardevol wanneer het zich ondergeschikt kan maken aan werkelijke en grote belangen en zich met overtuiging boven kortzichtige standpunten kan verheffen. Dienen is ergens voor dienen, functioneren. Dienen betekent dan: het gezag toevertrouwen aan de belangen zelf (...) Gezag is dienstbaarheid omdat dienstbaarheid een vorm van superieur inzicht en dus gezag is. (...) toezicht is een dienstbaarheid ten opzichte van een steeds bedreigde zaak" (42). Gedachten zoals die van Verhoeven vinden we terug bij heel wat hedendaagse filosofen. Anika Rifflet-Lemaire wijst er in haar boek over Jacques Lacan op dat ook deze laatste een bemiddelende derde instantie nodig vindt om in een intermenselijke relatie de vrijheid van de betrokkenen te garanderen (43). Bij Vergote vinden we een echo van deze Lacaniaanse opvattingen, toegepast op de betekenis van taal en derhalve in Vergotes optiek ook van het Woord Gods (44). Helemaal in dezelfde zin als Verhoeven sprak ook S. IJsseling over gezag en vrijheid (45).

In het jaar waarin Verhoevens boek Zakelijkheid en ethiek verscheen (1971), publiceerde dominee Spijkerboer een boekje met zeer scherpzinnige beschouwingen over politiek, macht en gezag, gezagsdragers en democratisering (46). Spijkerboer stelt zoals Verhoeven dat alle gezag afgeleid gezag is (in Verhoevens terminologie is dit: afgeleid van het gezag van de zaak waar het om gaat). Volgens Spijkerboer leidt dergelijk gezag paradoxalerwijs tot echte vrijheid bij degenen over wie het wordt uitgeoefend. Bij deze laatsten doet dit gezag namelijk beroep op hun inzicht in de zaak waar het om gaat. Doch wanneer dit inzicht afwezig blijft, wordt ook echt authentiek gezag, dat van het gezag van de zaak zelf afgeleid is, door degenen die er aan onderworpen zijn als brute, willekeurige machtsuitoefening ervaren. I.v.m. het probleem van de democratie die alleen kan werken door meerderheidsbeslissingen die geen enkele garantie hebben juist te zijn, verwijst Spijkerboer ook naar de eis tot democratisering van de Kerk. Ten onrechte werd volgens hem bij zogezegd 'democratische' beslissingen in de kerk nooit de vraag "gesteld of 'de' wil van 'de' gemeenteleden wel voldoende rekening hield met wat de kerk is en met hetgeen waartoe ze geroepen is" (47). De kerk kan bijgevolg volgens Spijkerboer nooit zonder meer een democratie worden; hij stelt dat de kerk een "christocratie" is of moet zijn. Het is in feite deze visie die kardinaal Simonis tot de zijne heeft gemaakt.

Het is overigens duidelijk dat we met de opvattingen van Verhoeven en Spijkerboer weer dicht in de buurt zijn gekomen van wat Congar opmerkte over een dienstbaar gezag in zijn boekje Pour une Église servante et pauvre dat de achtergrond vormt van de enigszins paradoxale leer van het concilie over een kerkelijke ambt, dat zich kenmerkt door 'macht', niettegenstaande het een dienst is. Ook volgens Congar ging het in de intermenselijke verhouding die de gezagsverhouding is, niet om een bipolaire maar om een driehoekige verhouding: gezagsdragers en onderdanen staan niet tegenover elkaar, maar vormen één gemeenschap in Christus. Gezagsdragers oefenen niet een eigen gezag uit, maar 'dienen' om het gezag van Christus tot gelding te laten komen. In de katholieke Kerk bestaan er regels voor het zeer complexe samenspel van Schrift, Traditie, theologie, sensus fidelium, rede en kerkelijk gezag (en H. Geest!) om deze 'christocratie' in werking te stellen. Deze christocratie is niet zozeer een deficiënte bestuursvorm t.o.v. de democratie, maar veeleer een bestuursvorm waarvan de hedendaagse seculiere staten zich minstens zouden moeten spiegelen om hun democratie gezond te houden.

1. We gebruiken de uitgaven van de afzonderlijke conciliedocumenten met Nederlandse vertaling, verzorgd door het Katholiek Archief, *** 1964-1966.

2. Vgl. voor de delen 2 en 3 van deze bijdrage: M. Gielis, 'Het diaconaat, het wijdingssacrament en het drievoudig ambt van profeet, priester en pastor', in: Communio, 26, nr. 2-3 (2001), p. 144-170(Speciale editie Diaconaat en diaconie. Over dienstbaarheid en het diakenambt, p. 64-90), en dan vooral p. 147-163 (67-83).

3. Klaus Mörsdorf, 'Die Entwicklung der Zweigliedrigkeit der kirchlichen Hierarchie', in: Münchener Theologische Zeitschrift, 3 (1952), p. 1-16.

4. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, suppl., quaest. 37, art. 2. Vgl. Jan Jacobs, *** in: DNK, ***

5. Yves Congar, 'Sur la trilogie: prophète - roi - prêtre', in: Revue des Sciences Philosophiques et Théologiques, 67 (1983), p. 97-115. Vgl. over het drievoudig ambt ook: M. Gielis, '"Als het visioen verdwijnt, verwildert het volk". Beschouwingen over de identiteit van de katholieke school', in: Communio, 25 (2000), p. 467-469 en Jan Jacobs, 'Woord vooraf', in: Boeken als bron. Opstellen aangeboden aan dr. Marcel Gielis, o.red.v. Jan Jacobs, Tilburg, 2001, p. 5.

6. Krachtens zijn jurisdictiemacht, waaruit zijn verkondigingstaak voortvloeide, had een bisschop bv. het recht om voor zijn bisdom een catechismus uit te vaardigen.

7. Zie vooral Mörsdorfs artikelen 'Kirchenamt' en 'Kirchengewalt' in: Lexikon für Theologie und Kirche, 6 (1961), kol. 188-192 en 218-221.

8. Yves M.-J. Congar, Voor een arme en dienende kerk, Antwerpen: Patmos, 1964. Vooral het eerste artikel 'De hiërarchie als dienst, p. 10-99 in hier van belang.

9. Congar, Voor een arme en dienende kerk, p. 43. Het is vrij duidelijk dat ook bisschop De Vet in zijn reeds geciteerde uitspraak van deze terminologie gebruik maakt.

10. Congar, Voor een arme en dienende kerk, p. 58; vgl. wat Congar zegt over het in elkaar schuiven van het beeld van de Kerk als Bruid en als Lichaam: p. 63-64.

11. Congar, Voor een arme en dienende kerk, p. 98, n. 26.

12. Congar, Voor een arme en dienende kerk, p. 85-87. Vgl. p. 94: "De betrekking van overheid en ondergeschiktheid wordt erdoor [door het evangelie of het christendom] omgevormd. Ze is altijd van de Heer en in de Heer".

13. Congar, Voor een arme en dienende kerk, p. 89. Vgl. p. 140 waar met een citaat uit Ef. 4,12 gesteld wordt dat het de taak is van de kerkelijke leiders "de heiligen (dat zijn de gelovigen) toe te rusten voor het werk der bediening".

14. Congar, Voor een arme en dienende kerk, p. 90.

15. Congar, Voor een arme en dienende kerk, p. 94-95.

16. Dit mag geen verwondering wekken in de visie die het concilie zelf (overigens helemaal in de lijn van de traditie) heeft op de taak van het kerkelijk leergezag. Bisschoppen (en concilievaders) zijn a.h.w. rechters ("tamquam iudices sedeant") die oordelen over datgene wat door theologen, die a.h.w. als advocaten fungeren, aangedragen wordt. Zoals rechters in het algemeen is het kerkelijk leergezag in sterke mate 'passief', d.w.z. afhankelijk van anderen die de dossiers samenstellen.

17. Vaticanum II, Lumen gentium. Dogmatische constitutie over de Kerk (voortaan afgekort: LG), nrs. 10-12, 18-21, 24-29 (nrs. 24-27 over de bisschoppen, nrs. 28-29 over de priesters en de diakens) (zie ook nrs. 30-38 over de leken).

18. LG, nrs. 30-38: "Hoofdstuk IV: De leken".

19. LG, nr. 32: "fratres habent eos, qui in sacro ministerio positi, auctoritate Christi docendo et sanctificando et regendo familiam Dei ita pascunt ut mandatum novum caritatis ab omnibus impleatur".

20. Vaticanum II, Dei Verbum. Dogmatische Constitutie over de Goddelijk Openbaring (voortaan afgekort: DV), nr. 10.

21. LG, nr. 28: "ad Evangelium praedicandum fidelesque pascendos et ad divinum cultum celebrandum".

22. Vgl. LG, nr. 10.

23. Vaticanum II, Christus Dominus. Decreet over het herderlijk ambt van de bisschoppen in de Kerk, nrs. 12-16.

24. Vaticanum II, Presbyterorum ordinis. Decreet over het ambt en het leven van de priesters, nrs. 4-6.

25. Vaticanum II, Apostolicam actuositatem. Decreet over het lekenapostolaat, nrs. 2-8.

26. Apostolicam actuositatem, nr. 2: "laici, muneris sacerdotalis, prophetici et regale Christi participes effecti, suas partes in missione totius populi Dei explent in Ecclesia et in mundo"; vgl. eerste zin van nr. 10, die praktisch gelijkluidend is.

27. Apostolicam actuositatem, nr. 6: "This is done mainly through the ministry of the Word and the sacraments, entrusted in a special way to the clergy, wherein the laity also have their very important roles to fulfill if they are to be "fellow workers for the truth" (3 John 8). It is especially on this level that the apostolate of the laity and the pastoral ministry are mutually complementary". Dit citaat roept overigens tal van interpretatieproblemen op.

28. Traditioneel wordt het uitoefenen van het leergezag beschreven met behulp van het beeld van een rechterlijk oordeel. Ook Vaticanum II gebruikt dit beeld. LG, nr. 25 zegt dat de bischoppen "pro universa Ecclesia fidei et morum doctores et iudices sunt" ("voor de hele Kerk als leraars en rechters in zake geloof en zeden optreden"). Vgl. wat in Dei Verbum gezegd wordt over de bijbelinterpretatie die aan het oordeel van de Kerk onderworpen is (DV, nr. 12).

29. Misschien zou men ook de 'bediening' van predikant kunnen vermelden. De zogezegde 'ambtelijke' verkondiging (zeker de 'homilie' of de uitleg van de zon- en feestdagslezingen, die vóór het concilie zelfs min of meer voorbehouden was aan de pastoor) moet echter omwille van haar verbondenheid met de eucharistie door een gewijde ambtsdrager, dus bisschop, priester of diaken, gebeuren. Een leek kan echter wel preken tijdens gebedsdiensten.

30. Een enigszins omstreden kwestie is of het ambt van kerkelijk rechter door een leek kan uitgeoefend worden. In feite komt dit thans reeds vrij veel voor. Weliswaar moet een officiaal als plaatsvervanger van de bisschop steeds een priester of minstens een diaken zijn. De andere rechters kunnen evenwel leken zijn. Het is echter de vraag of dit in het kerkelijk wetboek van 1983 geen inconsequentie vormt.

31. Vgl. J.P. Beal, 'The exercise of the power of governance by lay people: state of the question', in: The Jurist, 55 (1995), p. 1-92.

32. Peter de Mey, 'Leidinggevend charisma. Over pastorale werkers en gewijde ambtsdragers', in: Tertio, 8 augustus 2001, p. 13 in reactie op Stijn van den Bossche, 'Als bruid en bruidegom', in: Tertio, 1 augustus 2001, *** die gewezen had op een in het wijdingssacrament gegrond wezenlijk onderscheid tussen ambtsdragers en leken (pastorale werkers). De Mey baseert zich op hoofdstuk 12 van de eerste Korintiërsbrief.

33. Het is evenwel bijzonder verwarrend dat in dezelfde alinea van LG 'ministeria' (waarmee hier o.i. de afzonderlijke trappen van het bijzondere priesterschap bedoeld zijn) vertaald wordt met 'bedieningen'.

34. Vgl. Henk Witte, 'Gezag in de kerk: in hoeverre van boven, in hoeverre van onderen?', in: Geest en leven. Tijdschrift voor informatie, bezinning en gesprek, 67 (1990), p. 175-183.

35. Louis Bouyer, La décomposition du Catholicisme, s.l.: Aubier-Montaigne, 1968, p. 21-26. Nadat hij op p. 21 heeft aangekondigd te zullen handelen over dienstbaarheid en armoede, zinspeelt Bouyer op het hier reeds besproken en beroemde boekje van Congar door tussen haakjes een spreekwoordelijk geworden uitdrukking te citeren ("L'Église servante et pauvre"); het is dus vrij duidelijk dat zijn uiteenzetting over dienstbaarheid een kritische dialoog behelst met dit boekje, waarmee hij overigens ten volle instemt (p. 23: "Comme l'a fort bien établi le Père Congar"), maar waarvan hij een z.i. verkeerde interpretatie wil bestrijden.

36. Bouyer, Décomposition, p. 24-25: "Dire que les ministres de l'Église, à commencer par ses chefs, sont des serviteurs, cela donc en est venu à signifier qu'ils n'avaient plus à prendre leurs responsabilités de conducteurs et de docteurs, mais à suivre le troupeau au lieu de le précéder. (...) Vatican II aura été suivi d'une démission quasi générale de l'Église enseignante". Overigens betreft het hier een 'dienst' die sinds Vaticanum II een grote deskundigheid vereist. Kardinaal Danneels sprak in dat verband op de laatste bisschoppensynode (sept.-okt. 2001) van een "ars definiendi et determinandi" enerzijds en een "ars persuadendi et communicandi" anderzijds.

37. Bouyer, Décomposition, p. 25: "Mais le pire n'est pas là. C'est dans ce qu'on est arrivé à faire de l'idéée que l'Église est au service du monde. L'Église, traduira-t-on, n'a plus à convertir le monde mais à se convertir à lui. Elle n'a plus rien à lui enseigner, mais à se mettre à son écoute. Mais l'Évangile du salut, direz-vous? N'en est-elle pas responsable tout entière pour le monde? N'est-ce pas de le lui apporter qui constitue l'essentiel de son service?"

38. Parallel hiermee loopt een ontwikkeling die de Leuvense missioloog Valeer Neckebrouck onvermoeibaar heeft aangeklaagd: de reductie van missie tot ontwikkelingswerk op grond van wat hij de 'socio-focale' interpretatie van het christendom noemt. Deze eenzijdige interpretatie is sinds de jaren 1960 ook in de katholieke Kerk meer en meer op de voorgrond gekomen. Hiertegenover verdedigt Neckebrouck dat in het missiewerk "de woordelijke verkondiging in zekere zin een prioritair statuut" heeft (Het dubbele rentmeesterschap. Missionaire verkondiging en sociale actie, Leuven-Amersfoort, 1994, p. 135). Dit hangt hiermee samen "dat in die verkondiging de meest eigen, de meest specifieke en meest onvervangbare taak ligt van de Kerk, in die zin dat het een taak is die uitsluitend door haar wordt vervuld en die, moest zij daarin falen, door niemand anders van haar zal worden overgenomen" (p. 137).

39. Cornelis Verhoeven, Zakelijkheid en ethiek, Baarn: Ambo, 1971, p. 52-55.

40. Verhoeven, Zakelijkheid, p. 54.

41. Verhoeven, Zakelijkheid, p. 25-26: "Het medium, de 'zaak', ontneemt aan het menselijk contact de willekeur waardoor het tot een meester-slaaf-verhouding ... kan leiden. ... De zaak is het onpartijdige, objectieve medium dat weerstand biedt aan de willekeur. ... Niet het ik en niet de centraal gestelde ander is de bron van moraliteit, maar het zakelijk medium"; p. 33-35: "Menselijk contact lijkt namelijk alleen maar mogelijk via de omweg over zaken. ... Het zoeken van contact buiten de zaak om is een gevaarlijke vorm van verwenning, zeker daar waar juist gebrek aan begrip en interesse voor de zaak tot stoornissen in het contact dreigen te leiden. ... En alleen vanuit de zaak kan de actieve deelname stammen. Een deelname zonder die rechtvaardiging is een passieve, die geëffectueerd wordt door de machtsverhoudingen die de structuur nodig heeft". In het volgende hoofdstuk, "De grenzen van de macht", gaat Verhoeven hier verder op in. Hij wijst op het gevaar dat, los van de 'zaak', de structuur "een lege huls en een dood formalisme" wordt. Het is in dit verband dat dan de dienstbaarheid als een verkapte vorm van machtsstreven ter sprake komt. Vanuit zijn criterium van 'zakelijkheid' maakt Verhoeven verder nog interessante beschouwingen over verandering en historiciteit en over controle, verantwoording en verantwoordelijkheid en ten slotte over de ethiek van de manager (die ook de ethiek van een kerkelijk leider zou kunnen zijn!).

42. Verhoeven, Zakelijkheid, p. 55. In dit geval is die zaak dan het Woord van God. Dienst aan het Woord van God is hetgeen de dragers van het bijzondere en het algemene priesterschap met elkaar verbindt.

43. Anika Rifflet-Lemaire, Jacques Lacan, Bruxelles, 1970, p. 42: "L'existence du médiat est ce qui va permettre à chacun de se repérer dans sa subjectivité distincte. Dans une relation immédiate, au contraire, la distinction du soi et de l'autre n'est pas nette".

44. Antoine Vergote, Interprétation du langage religieux, Paris, 1974, p. 101: "Il n'y a pas d'accès direct ni à la propre subjectivité, ni à celle d'autrui. L'intersubjectivité se fonde sur l''entre-deux' entre moi et l'autre, et cet 'inter' consiste dans le monde commun, constitué dans l'intermédiaire. A ce monde appartient également le langage qui l'articule... les catégories de l'expérience et de l'empathie n'offrent aucune garantie contre les illusions subjectivistes, précisément parce qu'elles sont inaptes à poser l'altérité de l'autre". Het gaat hier over "la pensée dite personnaliste" (zie p.100). Voor een analyse van dit boek van Vergote zie M. Gielis, '"Gij hebt ons voor U gemaakt en onrustig is ons hart tot het rust vindt in U". Enkele aantekeningen betreffende de discussie over Surnaturel van Henri de Lubac, in: Communio, 26, nr. 4 (2001), p. 310-315.

45. Samuel IJsseling, 'Gezag en vrijheid', in: Tijdschrift voor Theologie, 9 (1969), p. 249-268. Dit artikel is het eerste in een themanummer Christelijke vrijheid en kerkelijk gezag.

46. A.A. Spijkerboer, Wat geloven wij werkelijk?, Baarn, 1971, p. 57-67.

47. Spijkerboer, Wat geloven wij werkelijk?, p. 64.