Monseigneurs, Dames en Heren,

Aanvankelijk stond ik wat aarzelend tegenover Jan Jacobs' idee om ter gelegenheid van mijn ambtsjubileum een tentoonstelling te maken van boeken die voor mij van grote betekenis zijn geweest. Doch ik ben op de vraag van Jan ingegaan omdat het mij ook de gelegenheid bood in dankbaarheid terug te denken aan mensen die met deze boeken verbonden zijn en die in mijn vorming en ontwikkeling een rol gespeeld hebben. Bovendien heb ik ook deze tentoonstelling aangegrepen om nogmaals te wijzen op de rijkdom van onze bibliotheek, zoals ik ook al bij vroegere gelegenheden heb gedaan, voor het eerst in 1979. Inderdaad zijn de boeken die hier liggen, op enkele significante uitzonderingen na, afkomstig uit de TFT- en - aanvullend - de KUB-bibliotheek. Hieruit blijkt dat de cultuur van Noord-Brabant misschien toch niet zo verschillend is van die van het Zuiden van het oude hertogdom Brabant, waar ik vandaan kom.

De boeken in deze vitrinekast zijn min of meer geordend rond belangrijke gebeurtenissen in mijn leven die telkens rond de decenniumwisselingen 1960, 70, 80 en 90 plaatsgrepen. Men zegt wel eens dat iemands identiteit in lagen opgebouwd is. Voor zover boeken een rol hebben gespeeld in de vorming van mijn identiteit, worden bijgevolg de lagen daarvan weergegeven door de verschillende rekken of schappen van deze kast.

[1° Rond 1960]

Onderaan liggen boeken van rond 1960, het jaar van mijn overgang van lagere naar middelbare school. Er liggen daar nog onvervalste volksboeken zoals Genoveva van Brabant waarover mijn moeder vertelde, maar ook Guido Gezelle en een missaal. De H. Schrift heb ik in de loop van mijn leven natuurlijk in diverse uitgaven, bewerkingen en talen ter hand genomen. Maar mijn eerste wat uitvoeriger kennismaking met de bijbel gebeurde door de leerboeken van gewijde geschiedenis van de lagere school, die ik telkens helemaal uitlas onmiddellijk nadat ik ze gekregen had. Daarom ligt de bijbel daar in de vitrinekast onder de vorm van een gewijde geschiedenis. Meester Van Dijck, de onderwijzer in de laatste klas van het 'klein college' van Boom, kon daaruit tijdens het laatste lesuur van de dag zo spannend vertellen dat er leerlingen waren, o.a. ik, die spijt hadden dat de school uit was, een ervaring die voor hedendaagse schoolkinderen meer en meer onbegrijpelijk geworden is.

Er is over die boeken daar onderaan nog veel meer te vertellen, maar ik moet overgaan tot de boeken uit mijn studietijd in het seminarie en aan de universiteit, waaronder er zijn die tot op heden een bepalende invloed op mijn denken uitoefenen.

[2° Rond 1970]

In een interview dat Jos Augustus en Wim Kooloos van mij als jonge docent aan de TFT afgenomen hebben in maart 1978, heb ik mij reeds over mijn seminarietijd uitgelaten. Ik heb toen gezegd dat in het eerste jaar van het seminarie het geloof dat ik van huis uit had meegekregen en dat gevoed was in een achttal jaren misdienaar zijn, in het college en in de katholieke studentenactie, min of meer verloren ging. Dat gebeurde naar aanleiding van een overigens uiterst degelijke cursus Inleiding tot het Nieuwe Testament. De professor, een latere Leuvense hoogleraar sprak op zeker ogenblik over Wilhelm Wrede en het Messiasgeheim. Uit deze uiteenzetting vernam ik dat volgens een bepaalde opvatting Jezus zelf niet zou geweten dat Hij de Messias was. Ik vond dat toch nogal straf en vroeg aan de professor of dat wel een katholiek was die zoiets zegde. Toen die, misschien toch wel een beetje verbouwereerd door mijn vraag, antwoordde: "Nee nee, dat is een protestant!", dacht ik met de woorden van de oude Mechelse Catechismus: "O ja, zo spreken de ketters, maar zij dolen!" Deze verdedigingslinie heeft echter slechts enkele maanden stand gehouden. De eerste dagen na de examens op het einde van juni 1967 las ik een boek dat toen pas verschenen boek was en dat in de cursus aanbevolen was: Bijbelkritiek en geloof van Heinz Zahrnt. Dit boek, misschien juist wel omdat het ook zo degelijk was en weliswaar van een protestantse, maar diepgelovige auteur afkomstig was, maakte korte metten met het enigszins naïeve geloof van mijn kinderjaren en jeugd.

In het reeds geciteerde interview vertelde ik dat ik na deze crisis enkele jaren heb gehad dat ik meedreef op modestromingen, maar dat er rond 1970 een kentering kwam. In 1969-70, toen ik theologie studeerde in het Grootseminarie van Mechelen, had ik nogal wat tijd om te lezen. Er was daar bovendien een fantastische bibliotheek. Uit het infernum van die bibliotheek las ik bijvoorbeeld het boek van Calmet uit 1756, over de epidemie van verschijningen van vampieren en andere terugkerende doden die in de 18de eeuw woedde in Transsylvanië. Maar belangrijker voor mijn ontwikkeling waren de boeken die daar liggen. De lectuur van Verhoeven, Van den Berg, Heidegger, Vergote en Oosterhuis leidde mij inzake geloof tot wat men wel eens een 'tweede naïviteit' noemt. Bijvoorbeeld de passage in IJsselings boek over Heidegger waar vanuit het herdenken gesproken wordt over de Eucharistie, was voor mij zeer revelerend. Ik ontdekte daardoor dat het mogelijk was met behulp van een actuele filosofie datgene wat in de catechismus over geloofsgegevens zoals de sacramenten stond, op een nieuwe manier te verwoorden en voor hedendaagse mensen te verduidelijken. Deze lectuur bracht mij echter ook tot andere inzichten dan gangbaar waren op het seminarie, waar bijvoorbeeld Carl Rogers toen plots erg in de mode was gekomen en diens opvattingen waren volgens een van mijn favoriete auteurs, Vergote, zowat diametraal tegengesteld aan het christendom. Bovendien was er de kwestie van het celibaat. Mijn geestelijke leider, een ontzaglijk geleerde Leuvense magister in de theologie, wist mij met quasi-zekerheid te vertellen dat de Kerk nooit zou kunnen toestaan dat priesters zouden trouwen. Ik volgde derhalve met argusogen het Nederlandse Pastoraal Concilie en de beslissing om weg te gaan heb ik genomen kort nadat de celibaatskwestie daar begin 1970 tevergeefs aan de orde was gekomen. Ik bleef nog wel tot het einde van dat academiejaar, dus tot juni 1970, op het seminarie zodat ik behoorde tot de studenten die daar volgens de moppen die men toen vertelde, het licht moesten uitdraaien.

In de tweede helft van 1970 zijn er dan een drietal dingen gebeurd die voor mij van grote betekenis zijn. Op het feest ter gelegenheid van het sluiten van het Mechelse grootseminarie werd ik aangesproken door de bisschop van Antwerpen, mgr. Daem. Hij gaf te kennen dat hij wel degelijk begrepen had dat ik zou weggaan uit het seminarie, maar vroeg of hij mij toch nog eens zou kunnen spreken. Zo kwam het dat ik op de eerste zondag van de grote vakantie van 1970 bij de bisschop uitgenodigd werd voor het middagmaal. Tijdens dat diner heb ik voor het eerst in mijn leven kaas als dessert gegeten, want bij ons thuis at men dat alleen tussen de boterham. Gelukkig werd de bisschop als eerste bediend zodat ik juist hetzelfde kon doen als hij, hoewel ik mij tegelijkertijd afvroeg of dat eigenlijk wel paste. Na het diner namen wij plaats in het salon en toen zag ik dat de bisschop naast zijn zetel een stapel boeken had klaarliggen die bijna even hoog was als die zetel. Ik heb toen van de bisschop een twee uur durend privé-college theologie gekregen, o.a. uitgaande van een document dat ik namens de seminaristen over de statuten van het nieuwe seminarie had opgesteld. Ik had daar het Tweede Vaticaans Concilie geciteerd, en dat kon de bisschop sterk appreciëren, maar hij wilde toch inzake interpretatie van het concilie de puntjes op de i zetten. Bovendien had ik enkele weken tevoren, bij een bezoek van de seminaristen van mijn jaargang aan de bisschop, volgens deze laatste veel te veel sympathie getoond voor Hans Küng, wiens boek over De Kerk wij moesten lezen in het college ecclesiologie. De bisschop las mij o.a. lange passages voor uit de bespreking van Küngs boek door Congar. Hij drukte mij op het hart bovenal Franse theologen zoals Congar en De Lubac te lezen. Ondanks het feit dat ik lichtjes beneveld was door de wijn, waaraan ik toen ook nog niet gewend was, en dat het college wegens de uitvoerige citaten voor een groot gedeelte in het Frans verliep, maakte de les van de bisschop op mij grote indruk en ik heb ze in de daaropvolgende jaren ook ter harte genomen. Wanneer daar in de vitrine boeken van Congar en De Lubac liggen, en niet van Hans Küng, is dat aan bisschop Daem te danken of, zoals sommigen misschien zullen zeggen, te wijten. In het interview uit 1978 zegde ik dat ik rond 1970 de waarde van de traditie ontdekt heb en de kritische functie die ze kan uitoefenen tegenover het heden, ook tegenover die modestromingen waarover ik het zopas had. De waarde van traditie heb ik ontdekt in dat boek van Congar over hervorming in de Kerk, dat daar in de vitrine ligt.

Een tweede belangrijke gebeurtenis uit het najaar van 1970 was mijn ontmoeting met prof. Blockx, bij wie ik mijn licentiaatsverhandeling zou maken. Blockx had grote aandacht voor de actuele betekenis van kerk- en theologiegeschiedenis. Reeds tijdens ons eerste gesprek sprak hij over de recente ontwikkelingen in de Kerk bv. inzake missie, waarvan hij zich afvroeg of die allemaal nog wel in lijn van het concilie lagen. Onder invloed van Blockx las ik voor mijn thesis allerlei theologen uit de zestiende en andere voorbije eeuwen. De geschriften van Maarten Luther die verzameld waren in het boekje Door het geloof alleen, betekenden voor mij de openbaring dat Het evangelie, meer dan moraal is, om het te zeggen met de titel van een recent boek van Lytta Basset, die overigens vooralsnog niet in onze bibliotheek vertegenwoordigd is.

Op een derde belangrijke gebeurtenis in de tweede helft van 1970 wijzen de liedbundels die daar ook in de vitrine te zien zijn. Daartoe uitgedaagd door de onderpastoor ben ik in de advent van 1970 van start gegaan met een jeugdkoor om in de parochie de vernieuwde liturgie te introduceren, o.a. gezangen op teksten van Huub Oosterhuis, wiens boek In het voorbijgaan mij in het seminarie, meer nog dan de ethische, nogmaals de esthetische dimensie van het geloof had geopenbaard. In dat jeugdkoor werkten mijn broers en zussen, enkele vrienden zoals de vroegere scholaleider van het seminarie, en ook mijn toekomstige vrouw Denise mee. De conservatieve pastoor vond echter dat we te veel eer bewezen aan een renegaat. Op vraag van de onderpastoor ging mijn vader de zaak van het jeugdkoor bepleiten bij de pastoor. Blijkbaar rekende deze pastoor - waarschijnlijk wel terecht - onder de leken aan wie het concilie inspraak gegeven had, geen jonge lekentheologen zoals ik toen, maar wel een zanger in het gregoriaans parochiekoor en oud-kajotterleider zoals mijn vader. Die wist in ieder geval de pastoor ervan te overtuigen dat wat wij wilden, eigenlijk heel 'traditioneel' was en dat de psalm Naar U gaat mijn verlangen, Heer hetzelfde was als Ad te levavi. Het jeugdkoor kreeg het groene licht om de eucharistieviering van de zaterdagavond te verzorgen. Omdat we echter geen officieel parochiekoor konden of mochten worden, moesten we wel voor organist, partituren en ook vergaderlokaal zelf instaan, en zo kwam het dat de repetities in ons ouderlijk huis doorgingen. En zo komt het ook dat bijvoorbeeld de Liturgische Gezangen van de Amsterdamse Werkgroep voor Volkstaalliturgie, die daar liggen in dezelfde editie als ik in 1970 gebruikte, niet alleen voor mij, maar voor de hele familie van grote betekenis zijn geworden. Dit heb ik een kleine twee weken geleden nog mogen vaststellen toen mijn broer André in de priorij van het H. Graf in Turnhout een indrukwekkende voordracht gaf: Verdriet in gebed - verdriet ingebed. Over herdenken en troost. Hij sprak over de liturgische herdenkingswaken die in familie- en vriendenkring gebeurd zijn naar aanleiding van het sterven van zijn zoon Bram. Deze waken, zoals ook die naar aanleiding van het overlijden van onze ouders, konden aansluiten bij de begin jaren 70 ontstane traditie van liturgisch vieren van de blijde momenten zoals huwelijken en dopen - en gezien de omvang van de familie zijn die talrijk geweest. Het deel van de familie dat in de buurt van Antwerpen is blijven wonen, is trouwens nog altijd betrokken bij koren, gedirigeerd door mijn schoonbroer, waar dezelfde traditie in ere wordt gehouden.

Ik denk dat deze gebeurtenissen en ontmoetingen van het jaar 1970 en de daarmee samenhangende lectuur richtinggevend zijn geweest voor mijn verder leven. De boeken die deze decenniumwisseling markeren nemen dan ook een groot deel van de vitrine in beslag en daarom ben ik er hier ook wat langer blijven bij stilstaan. Over de andere perioden kan ik korter zijn.

[3° Rond 1980]

In de loop van de jaren 70 bleek meer en meer dat de opvattingen waartoe ik enkele jaren tevoren gekomen was onder invloed van de bisschop en de lectuur van de grote theologen van het concilie, niet alleen op weerstand stuitten bij eerder conservatieve figuren zoals die pastoor van mijn parochie, maar tot mijn grote verbazing ook bij een aantal mensen die een heel andere strekking in de kerk vertegenwoordigden. In de tijd dat ik godsdienstleraar was, heb ik bijvoorbeeld het eerste vormingsweekend van het bisdom voor moderatoren van de parochiecatechese gevolgd. Op wat ons daar door de diocesane commissie werd gepresenteerd, was er heel veel kritiek, o.a. van de relatief talrijke priesters die toen nog actief waren in de parochiecatechese en ook van een zeer ervaren onderwijzer die een van de beste catecheten was die ik ooit heb bezig gezien. Ik ben toen daarover met de bisschop, mgr. Daem, gaan praten. Die vroeg mij mijn gedachten over catechese eens op papier te zetten. Einde 1974 schreef ik dan een nota over catechese voor de bisschop. Ik had toen juist het nieuwe boek van Vergote gelezen, dat daar in de vitrine ligt, Interprétation du langage religieux. Onder invloed van dat boek zette ik mij in mijn nota zowel af tegen een bepaald soort sociaal-politieke als tegen de zogenaamde ervaringscatechese, die toentertijd in zwang waren. Ik pleitte voor een catechese die zou uitgaan van "les complicités culturelles des signifiants chrétiens", zoals het luidt in het nooit vertaalde en misschien ook wel onvertaalbare Frans dat Vergote in dat boek hanteert. Deze nota werd mij in bepaalde kringen niet in dank afgenomen. Dat ondervond ik enkele jaren later, toen ik reeds verbonden was aan de TFT, maar ook lid was van pastorale raad van het bisdom Antwerpen. Een discussie over jeugdpastoraal in deze raad leidde er toe dat ik in december 1979 een gesprek had met een andere bisschop dat heel wat minder aangenaam was dan dat met mgr. Daem een kleine tien jaar tevoren, en dat maakte dat ik de volgende jaren een grote interesse aan de dag legde voor de geschiedenis van inquisitie en heksenvervolgingen. Daarom staat hier dat boek van Muchembled, La sorcière, om de decenniumwisseling 1980 te markeren.

Deze gebeurtenissen deden mij inderdaad besluiten mij voortaan op kerkelijk gebied maar gedeisd te houden, de theologie min of meer de rug toe te keren en mij meer te richten op de mentaliteitsgeschiedenis. Vroeger al had ik boeken op dat terrein met grote interesse gelezen. Enkele voorbeelden zijn hier te zien. Bovendien mocht ik vanaf 1980 van Hans Bornewasser die toen decaan was, de colleges over theorie en methode van de geschiedenis overnemen. Een rede van Bornewasser over de problematiek van de geschiedschrijving, die mij sterk heeft beïnvloed, ligt in de vitrine. Tussen haakjes wil ik nog even zeggen dat professor Bornewasser daar ook meerdere andere docenten van de faculteit moet vertegenwoordigen die mij al in mijn Leuvense en Mechelse tijd bekend waren als grote autoriteiten in hun vakgebied. Het was in deze tijd dat onze vakgroep een bijzonder geïnteresseerde en ijverige student had, die dan ook student-assistent werd, namelijk Charles Caspers. Cas en ik hebben toen samen meegewerkt aan enkele boeken over mentaliteitsgeschiedenis en over toverij en hekserij. In allerlei opzichten was het een vruchtbare tijd. Ik denk dat we aangetoond hebben dat Nietzsche ongelijk had toen hij zegde: Libri aut liberi.

[4° Rond 1990]

Mede door de kinderen, maar ook door mijn werk hier aan de faculteit gebeurde er rond 1990 iets wat toch weer een wending gaf aan mijn denken en mijn lectuur. Dit is dan de vierde en laatste decenniumwisseling die ik hier wil bespreken. Ter gelegenheid van de geboorte van ons jongste kind eiste de Belgische staat van mijn vrouw een klein miljoen franks of meer dan 50000 gulden terug. Men vond namelijk dat mijn vrouw de rechten die zij ontegensprekelijk had op de sociale zekerheid in België, sinds 1985 had moeten laten vallen omwille van de rechten die ik hier in Nederland had, maar die slechts iets meer dan de helft van dat geld zouden opleveren. Wij vonden dat een flagrante discriminatie van de vrouw, maar tot onze grote verbazing was dat niet voor iedereen evident en hebben we een proces van meer dan vier jaar moeten voeren om aan te tonen dat het inderdaad zo was. Omdat we ook van de vakbond geen rechtsbijstand kregen, heb ik in dat proces zelf moeten pleiten, maar gelukkig dus met succes. Ik moet wel bekennen dat ik in de eerste helft van 1990 meer tijd heb doorgebracht met de jurisprudentie van het Europees Hof van Luxemburg dan bijvoorbeeld met de patrologie van Migne. Een handboek van Europees sociale zekerheidsrecht, dat ik toen ook veel gebruikt heb, staat daar in de vitrine, niet zozeer omdat dat boek op zich op mij invloed zou uitgeoefend hebben, maar wel omdat de gebeurtenissen waarmee mijn lectuur ervan samenhangt, mij danig aan het denken hebben gezet.

Deze gebeurtenissen hebben gemaakt dat ik bijvoorbeeld in 1997 een naar het schijnt nogal omstreden artikel heb geschreven in de faculteitsbundel De passie van een grensganger. De titel van deze bundel had voor mij overigens betekenissen die de redacteurs waarschijnlijk niet bedoeld hebben, maar in het licht van wat ik zojuist verteld heb, misschien wel duidelijk zullen zijn. Mijn artikel in die bundel ging over het nut van de geschiedenis en over het belang van de traditie voor geloof en theologie. In mijn besluit over de actualiteit van het katholieke traditieprincipe verwijs ik naar de Franse filosoof en romancier Pascal Bruckner die zich verzet tegen een totale emancipatie van traditie en tegen de vervanging van traditie door zelf geconstrueerde wettelijke codes, zoals volgens hem in de Amerikaanse samenleving reeds is gebeurd: "Dat is geen humane samenleving meer. Je moet de traditie, het gemeenschappelijke opwaarderen. Want als ieder van ons zijn eigen wensen volgt en zijn eigen waarheid uitdraagt, hoe kun je dan samenleven?" Vergelijkbare gedachten heb ik in de jaren 90 in vele boeken gevonden, en enkele daarvan liggen daar in de kast.

Maar vooral ligt daar ook het eerste boek uit de kerkgeschiedenis dat aan het katholieke traditiebegrip is gewijd, nl. De ecclesiasticis scripturis et dogmatibus van Johannes Driedo van Turnhout. O.a. een artikel van Ben Vedder bracht mij tot de overtuiging dat er nogal wat overeenkomsten zijn tussen wat Driedo in dat boek allemaal te berde brengt en de hedendaagse hermeneutiek, hier in de vitrine vertegenwoordigd door Gadamer. Ik hoop daar in de toekomst nog verder over te kunnen studeren. Het feit dat het boek van Driedo daar ligt en wat ik zopas gezegd heb, wijst er op dat de gebeurtenissen van rond 1990 mij ertoe brachten opnieuw sterker aansluiting te zoeken bij datgene waar ik in de jaren 70 mee bezig was en waar ik mij in de jaren 80 wat van afgekeerd had. Einde jaren 80 dacht ik er zelfs aan te promoveren over een mentaliteitshistorisch onderwerp. Nu echter ben ik mijn promotores Hans Bornewasser en Wiel Logister zeer dankbaar dat ze er in de moeilijke periode van het begin van de jaren 90 voor gezorgd hebben dat ik mijn studie over 16de-eeuwse theologie kon afronden en erover promoveren. Zo ben ik ook de faculteit in het algemeen en in het bijzonder de naaste collega's Jan Jacobs en Dick Akerboom dankbaar voor de jaren dat ik met hen heb mogen samenwerken, zodat ik hier nu sta als jubilaris. Ik ben er mij terdege van bewust en ik weet trouwens ook uit ervaring dat de positie waartoe de lectuur van die boeken in samenhang met mijn levensgeschiedenis mij gebracht heeft, voor betwisting vatbaar is. Maar door deze vitrinekast vol boeken en het verhaal daarrond heb ik nu alleszins de kans gekregen om een beetje duidelijk te maken hoe dit allemaal zo gekomen is. Dit te mogen vertellen is een grote eer en een genoegen. Daarom dank ik u allen zeer voor uw aandacht.