Uit de boekenkast van Marcel Gielis,

universitair docent Geschiedenis van kerk en theologie

 

Marcel Gielis reageerde vijfentwintig jaar geleden op een vacature in de krant voor een functie aan de TFT. Enigszins tot zijn eigen verbazing werd hij aangenomen. In België was het namelijk gebruikelijk dat je al een voet tussen de deur moest hebben, wilde je in aanmerking komen voor een post aan de universiteit. Hij trof een levendige, kritische, links georiënteerde faculteit aan. Tot de jaren ’80 was er ieder jaar wel een staking. Sinds 1990 – toen bijvoorbeeld voor het eerst de opening van het academisch jaar vergezeld ging van een liturgische viering – bevindt de faculteit zich in rustiger vaarwater.

 


 

 

Hoewel het merendeel van de boeken in de vitrine afkomstig zijn uit de TFT- en KUB-bibliotheek, zijn het wel bijna allemaal boeken die ook in de boekenkast van Marcel Gielis staan. De boeken markeren bepaalde perioden uit zijn leven die van grote invloed zijn geweest en die zijn identiteit gevormd hebben. Als eerste zijn dat de boeken die hij las rond 1960, het jaar van zijn Plechtige Communie en Vormsel en van zijn overgang van lagere naar middelbare school. Zijn ouders hadden thuis behalve de boeken van de volksreeks van het Davidsfonds en boeken waarvoor men de prentjes moest verzamelen door de consumptie van voedingsmiddelen en huishoudproducten, bijvoorbeeld ook de gedichten van Guido Gezelle staan. Door de verhalen van zijn moeder leerde Marcel Genoveva van Brabant kennen. Uit de parochiebibliotheek haalde hij nog de typische volksboeken, zoals  Vanden jongen geheeten Jacke.

 

Het jaar 1970 is een belangrijk moment in het leven van Marcel. Hij besloot het grootseminarie, waar hij dan al vier jaar onderwijs volgde, te verlaten. Enkele boeken zijn van grote invloed geweest op dat besluit. Het boek Bijbelkritiek en geloof van Heinz Zahrnt had in 1967 korte metten gemaakt met het ‘naïeve’ geloof dat hij van huis uit meegekregen had en waarin hij gevormd was in de katholieke jeugdbeweging. De lectuur van Verhoeven, Van den Berg, Heidegger en Oosterhuis in 1969-1970 leidde hem weliswaar inzake geloof tot een ‘tweede naïviteit’, maar bracht hem ook tot andere inzichten dan gangbaar waren op het seminarie. Bovendien was er de kwestie van het celibaat. Zijn beslissing om weg te gaan heeft hij genomen kort nadat die begin 1970 tevergeefs aan de orde was gekomen op het Nederlandse Pastoraal Concilie.

 

Met de boeken van Congar en De Lubac kwam Marcel in aanraking door een twee uur durend privé-college theologie dat hij kreeg van Mgr. Daem, bisschop van Antwerpen. Eigenlijk was hij op het matje geroepen naar aanleiding van een tekst die hij op het seminarie had geschreven, maar uiteindelijk werd het een heel aangenaam gesprek. Na zijn vertrek uit het seminarie combineerde Marcel zijn geschiedenisstudie aan de KULeuven niet meer met theologie, maar met filosofie. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan: dankzij professor Blockx, die zowel verbonden was aan de theologische faculteit als aan de letterenfaculteit begon hij aan een licentiaatsverhandeling over een theologiehistorisch onderwerp: de kritiek van theologen van Leuven op Erasmus. Via Blockx kwam hij ook in aanraking met Martin Luther. Diens geschriften in Kooimans bundeltje Door het geloof alleen hebben grote indruk gemaakt. De liedboeken verwijzen naar dezelfde periode: op het einde van 1970 is Marcel van start gegaan met een jeugdkoor om in zijn parochie de liederen van Huub Oosterhuis te introduceren. De conservatieve pastoor had daar grote moeite mee. Maar na bemiddeling van Marcels vader – als oud-kajotterleider een man van groot aanzien bij die pastoor – legde deze laatste zich neer bij het repertoire van het koor. In 1974 schreef Marcel op verzoek van de bisschop een nota over de catechese. Hij zette zich daarin, mede gesteund door het boek van Vergote, Interprétation du langage religieux, af tegen de zogenaamde ‘ervaringscatechese’ die toentertijd in zwang was.

 

Rond 1980 – Marcel was dus al in dienst van de TFT – kreeg hij als lid van de pastorale raad van het bisdom Antwerpen onder andere vanwege die nota problemen met een aantal machthebbers in dat bisdom. Dit deed hem besluiten de theologie de rug toe te keren en zich meer te richten op de mentaliteitsgeschiedenis. In die tijd bestudeerde hij bijvoorbeeld boeken van Pierre Chaunu zoals La mort à Paris: XVIe, XVIIe et XVIIIe siècles.

 

Rond 1990 gaf een maatregel die uiterst discriminerend was voor  echtgenoten van Belgische grensarbeiders in Nederland aanleiding tot een jarenlang aanslepend conflict over sociale zekerheid tussen het gezin Gielis en de overheid. Na een proces van meer dan vier jaar kreeg het gezin uiteindelijk toch het gelijk aan zijn kant. Deze gebeurtenissen maakten dat Marcel, die in dat proces zelf gepleit heeft, een expert werd inzake Europees sociale zekerheidsrecht. Maar vooral oriënteerden ze zijn lectuur weer in een ietwat andere richting, of liever: ze brachten hem ertoe opnieuw sterker aansluiting te zoeken bij datgene waar hij in de jaren 70 mee bezig was. Hij legde zich toe op de studie van de uit (Oud-)Turnhout afkomstige theoloog Johannes Driedo(ens), die als eerste in de kerkgeschiedenis een boek schreef over het katholieke traditiebegrip. Enkele van de auteurs die hij in de jaren 90 met instemming las, zoals Herman De Dijn, komen aan het woord in het interviewboek van het Davidsfonds (alweer!) Het onverwachte perspectief. En met grote interesse las Marcel niet alleen studies, maar ook romans die met een kritisch oog naar de ontwikkelingen in onze hedendaagse maatschappij kijken.

 

Bovengenoemde boeken, en alle niet genoemde boeken die in de vitrine staan, geven een dwarsdoorsnede van Marcel Gielis’ leven vanaf zijn jeugd tot heden. Het is een bonte verzameling boeken, maar theologische boeken voeren toch de boventoon. Daaruit moge blijken dat Marcel Gielis er indertijd goed aan heeft gedaan op de vacature van de TFT te reageren!

 

Annemeike Tan