KERK
EN POLITIEK OVER DE AIDSPROBLEMATIEK IN AFRIKA
De uitspraken van paus Benedictus XVI tijdens zijn bezoek aan Afrika
over de AIDS-problematiek hebben in de Westerse wereld (helemaal niet in
Afrika) commotie verwekt. In ons land
ging de Kamer van Volksvertegenwoordigers over tot de goedkeuring van een
resolutie die deze uitspraken “onaanvaardbaar” noemt, en op basis van deze
resolutie werd door de Belgische ambassadeur bij het Vaticaan een diplomatiek
protest overhandigd. En thans staat de
Senaat voor de bespreking van een voorstel van resolutie waar de uitspraken van
de paus zelfs “een misdaad tegen de menselijkheid” worden genoemd.
Naar aanleiding van dit alles wordt voorliggende nota aan de
CD&V-senatoren aangeboden, teneinde een en ander te verhelderen en op een
rijtje te zetten. Tevens vinden de senatoren hierbij ook een
bloemlezing van binnenlandse en buitenlandse persartikelen en opiniestukken die
rustig en genuanceerd deze uitspraken van de kerkleider bespreken.
Volgende problemen
worden in deze nota behandeld :
1. De wereldlijke
overheid tgo. kerkelijke uitspraken
2. Wat heeft
Benedictus XVI werkelijk gezegd ?
3. Waarom zegt
Benedictus XVI wat hij zegt ?
4. De spanning tussen
kerkelijk morele uitspraken en de ‘ concrete pastorale’ werkelijkheid
5. Conclusies.
1. De wereldlijke overheid tgo.
kerkelijke uitspraken.
Kerk en Staat zijn in de westerse cultuur gescheiden (of moeten we
misschien zeggen : ‘onderscheiden’ ?).
In alle geval hebben de wereldlijke en kerkelijke leiders een eigen taak
: de Staat heeft niet de bevoegdheid om zich te moeien met inhoudelijke religieuze
standpunten tenzij deze standpunten eventueel de rechtsorde in het gedrang
zouden brengen (bv. rituele prostitutie, kinderoffers …), en anderzijds heeft
de Kerk niet de bevoegdheid om het samenleven (economie, belastingen, defensie,
justitie, openbare orde …) te organiseren.
Het eerste aspect van de scheiding (het onderscheid) tussen Kerk en
Staat, nl. de volledige autonomie van de
godsdiensten t.a.v. de Staat, is historisch minstens even oud als het denken
over de individuele gewetensvrijheid t.o.v. de religies, waarvan de Staat de
verdediger moet zijn. Zo vinden wij dat
eerste aspect terug in de filosofie van de Engelse filosoof John Locke, die in
1684 hieromtrent zijn “Brief over de
Tolerantie” schreef aan de
Nederlandse remontrantse theoloog Van Limborch[1],
terwijl in diezelfde periode de filosoof Spinoza dacht vanuit de tweede
invalshoek, de individuele gewetensvrijheid t.a.v. de religies.
De radikale autonomie van de religie wordt trouwens in de laatmoderne
samenleving steeds belangrijker, nu meer en meer een soort ‘seculiere moraal
van overheid en media’, een intolerante ‘pensée unique’ op de voorgrond treedt
die het officiële denken quasi monopoliseert en ridiculiseert wat daar niet in
past.
Het eerste aspect van de scheiding is het meest zwaarwegende argument om
de AIDS-resolutie van de Kamer en even zeer het resolutievoorstel van de Senaat
af te wijzen. De Kerken hebben het
onaantastbare recht om eigen morele standpunten in te nemen of maatschappelijke
visies, gesteund op hun eigen morele inzichten,
te verdedigen, en het is niet aan de politiek om de Kerken daaromtrent
te kapittelen. Het is onbegrijpelijk dat
CD&V dit goed recht nauwelijks of niet heeft verdedigd tegenover het paarse
geweld om deze godsdienstvrijheid vanuit die soort ‘seculiere overheidsmoraal’ te
beknotten. Het is voor kerkelijke
christenen (voorzover zij spontaan aanleunen bij de christen-democratie),
bijzonder pijnlijk te moeten vaststellen dat zij in de Kamer in de steek werden
gelaten door CD&V. Als CD&V dit
goed recht van de Kerk op eigen standpunten niet meer verdedigt, wie zal het
dan nog wel doen ? Moeten zij dan maar
zeggen dat er gelukkig nog de N-VA is ?
In principe kan het debat over het voorstel van resolutie in de Senaat zelfs
reeds afgesloten worden door te stellen dat de politiek zich niet in te laten
heeft met wat de Kerk meent te moeten zeggen over levensbeschouwelijke en
morele kwesties. Toch willen wij een aantal
bijkomende argumenten geven die – wel duidelijk in tweede orde – het debat
verder kunnen voeden. Wij willen nl.
rekening houden met wat sommigen zoals bv. AIDS-specialist Nathan Clumeck
verklaarde, nl. dat Benedictus XVI onterecht moraal en preventie met elkaar
vermengd heeft[2] (zie verder). Daarom willen we ook inhoudelijk op de
kwestie van de pauselijke uitspraken ingaan.
2. Wat heeft Benedictus XVI
werkelijk gezegd ?
Het wordt steeds duidelijker dat de media de woorden van Benedictus XVI
uit hun context hebben gehaald, verdraaid, verkeerd weergegeven. Aan de basis daarvan speelt zeker een
communicatieprobleem, dat niet eenvoudig op te lossen is. De religies, zeker de christelijke
religies, zijn in hun
levensbeschouwelijke en morele standpunten bijzonder uitgebalanceerd en
genuanceerd. Deze inhoudelijke rijkdom
is nauwelijks te vertalen in de snelle en oppervlakkige one-liners van de
laatmoderne media. Het resultaat kan
moeilijk anders zijn dan een amalgaam van misverstanden, halve waarheden,
verdraaide woorden en ga maar door. Er is echter meer. Steeds minder journalisten worden geplaagd
door enige deskundigheid in godsdienstige en/of kerkelijke zaken, omdat de religies
in veler ogen hun maatschappelijke relevantie eigenlijk verloren hebben. Zeker
ook de zelfverklaarde kwaliteitskranten in Vlaanderen missen klaarblijkelijk de
competentie en het nodige niveau en misschien zelfs de wil om op adequate wijze
verslag te brengen van het religieuze gebeuren. Want als ideologische achtergrond van deze
situatie is er de politieke correctheid,
die zich heeft verhard tot een dubieus cultureel paradigma, een bril die de
waarneming zodanig vervormt dat men niet meer in staat is om bepaalde zaken te
zien.
Bij de overhandiging van het diplomatiek protest bij het Vaticaan over
de pauselijke uitspraken heeft de woordvoerder van het Vaticaan dan ook terecht
de vraag gesteld of de parlementariërs bij de indiening en de debatten over het
voorstel van resolutie de uitspraken van de paus wel goed gelezen hebben. Inderdaad, tijdens zijn Afrika-reis heeft de paus het condoom niet principieel
afgewezen[3]. Steeds meer weekbladen en buitenlandse
kranten maken hiervan de laatste dagen gewag. Alleen
de Vlaamse dagbladen en nieuwszenders hebben daar in hun klaarblijkelijke
zelfvoldaanheid geen oren naar.
Wat zegde
Benedictus letterlijk ? "Als de ziel ontbreekt, als
Afrikanen elkaar niet helpen, kan AIDS niet worden
gestopt, ook niet door het verspreiden van condooms. Dan riskeren we het
probleem te verergeren". Benedictus XVI zegt hier dat het AIDS-probleem
onoplosbaar is zonder humanisering van de seksualiteit en zonder een solidaire
zorg voor de AIDS-slachtoffers.
Zonder humanisering kunnen condooms ook niet helpen. Alleen een humane seksualiteitsbeleving kan
de bodem van de oplossing zijn. Dat is
de echte teneur van de pauselijke uitspraak.
Maar op de keeper beschouwt ligt dat in de buurt van wat vele
AIDS-specialisten en epidemiologen heden ten dage zeggen. Ook de Wereldgezondheidsorgani-satie spreekt
in deze richting als ze het heeft over A (Abstain), B (Be faithfull) en C (use
a condom). Het grote verschil is dat
Benedictus XVI de nadruk legt op A en B (seksuele onthouding en trouw aan de partner), zonder weliswaar het condoom radicaal af te wijzen. Maar zulk pleidooi blijkt echter reeds de ergernis
op te wekken van een aantal krachten in de Westerse media : het condoom moet,
koste wat kost, in het centrum van de AIDS-preventie staan, ook als de
Westerlingen daarmee hun morele ideeëngoed over seksualiteitsbeleving ongevraagd
opdringen aan Afrika. (Het valt op dat er tegen de pauselijke uitspraken geen
enkel Afrikaans protest werd genoteerd, integendeel).
3. Waarom zegt Benedictus XVI wat hij zegt ?
In het korte interview dat ‘Le Vif-L’Express’ heeft met AIDS-specialist
Clumeck de paus verweten dat hij morele en medische consideraties heeft vermengd,
en dat hij de preventie moet overlaten aan de wetenschap. Clumeck verliest echter uit het oog dat ook
de AIDS-preventie met condoom aan deze preventie een impliciete morele
boodschap toevoegt. De AIDS-preventie
kan niet anders dan zich situeren in het grensgebied van moraal (welke dan ook)
en preventieve gezondheidszorg.
En het is uitgerekend deze impliciete morele boodschap die paus Benedictus
vanuit zijn herderlijke functie niet kan geven zonder zelf ontrouw te worden
aan het christendom. Als kerkelijk leider zou hij in conflict komen
met de krachtige oproepen van Christus zelf in het evangelie tot het morele
ideaal van de huwelijkstrouw. Want op
zijn minst zou een pauselijk pleidooi voor het condoom in het kader van de
AIDS-preventie kunnen begrepen worden als een morele goedkeuring van overspel
en promiscu seksueel gedrag. Wie zulks zou verwachten van de Kerkleiding, heeft
illusorische verwachtingen. Want de paus
draagt, in collegialiteit met de bisschoppen,
de eindverantwoordelijkheid om op basis van evangelie en Traditie (met
hoofdletter) de krijtlijnen te trekken binnen dewelke de Kerk trouw blijft aan
de oorspronkelijke boodschap. Ook al is
deze boodschap niet altijd populair.
Maar dat was ze van meet af aan al niet.
Men kan er zich eindeloos over verwonderen dat in de Westerse cultuur
een mentaliteit is ontstaan die het de Kerk niet gunt dat ze trouw blijft aan
zichzelf. Alsof het de taak was van de
Kerk om de feitelijke levensbeschouwing en/of het feitelijke morele gedrag,
zoals deze zich nu eenmaal voordoen bij gelovigen en niet-gelovigen, te
legitimeren. Inderdaad, temidden van
hun kritiek verwachten blijkbaar zelfs
mensen die zich niet-gelovig noemen,
een pauselijke goedkeuring van hun eigen levensvisie en gedrag. Nochtans kon men van geestelijk volwassen
mensen verwachten dat zij, indien zij na een eerlijke confrontatie niet akkoord
zouden zijn of indien het geschetste ideaal voor hen niet haalbaar zou zijn, de
kerkelijke standpunten zouden laten voor wat ze zijn en in geweten hun eigen
weg zouden gaan, en desnoods de Kerk zouden verlaten. Daarvoor is in de Traditie (met
hoofdletter), tot in het Evangelie zelf (zie bv. Joh. 7, 67 vv), alle ruimte.
4. De spanning tussen kerkelijke standpunten en de (pastorale)
werkelijkheid.
Ondertussen stelt een principieel ‘neen’ tegen het condoom in de
AIDS-preventie, in de praktijk van elke dag onoverkomelijke problemen. Zo is het bv. al de vraag wat er moet
gebeuren met de seksualiteitsbeleving in een huwelijk, waarin de man door
overspel een HIV-infectie heeft opgelopen.
Men kan zich ook de vraag stellen wat er moet gebeuren bij mensen, homo-
of heteroseksueel, met een ernstige seksverslaving, of bij heroïneverslaafde
prostituées. In zulke gevallen breekt de nood de wet, en is het condoom
een betere (praktisch-pastorale) oplossing dan een feitelijk seksueel gedrag
dat grote persoonlijke en maatschappelijke risico’s voor de volksgezondheid
inhoudt.
Hier komen we bij een soort binnenkerkelijke tweedeling, die van oudsher
tot de katholieke traditie behoort : een
onderscheid tussen enerzijds wat we ‘de doctrine’ of ‘het ideaal’ zouden kunnen
noemen en anderzijds de pastorale praktijk van het omgaan met de onmacht van
mensen. De praktijk van de
pastorale veldwerkers kan en moet ook, indien het ideaal buiten bereik ligt,
een ‘second best solution’ nastreven (iets waar kardinaal Danneels vroeger reeds
naar heeft verwezen i.v.m. het condoomgebruik in het kader van de
AIDS-preventie). Dat is echter de taak
van het pastorale veldwerk, en niet de taak van de paus : deze kan en moet vanuit
zijn functie van leergezag het ideaal voorhouden.
Het is vermoedelijk deze oude dubbele traditie die Benedictus XVI ervan
weerhouden heeft om tijdens zijn bezoek aan Afrika het condoom ook principieel af te wijzen. Deze terughoudendheid vergemakkelijkt in alle
geval het pastorale veldwerk (en ook de complexiteit van de AIDS-preventie). En als we AIDS-specialist Clumeck mogen
geloven, dan werken inderdaad ook katholieke NGO’s in Afrika met condooms voor
de concrete AIDS-preventie.
Deze dubbele houding riskeert gebrandmerkt te worden als typisch
katholieke, handige en opportunistische hypocrisie. Nochtans is het dat niet. Tegelijkertijd hebben de verdediging van het
ideaal, èn de misericordia voor de
menselijke onmacht allebei structureel hun plaats binnen het christendom zelf. De Kerk moet blijven oproepen tot het ideaal
: celui qui ne veut pas vivre comme il
pense, finit par penser comme il vit. De uitdaging tot het ideaal voorkomt de
verloedering. Maar tegelijkertijd mogen
mensen met hun onmacht niet verpletterd worden onder dat ideaal. Ook in dat laatste wordt de Kerk door haar
stichter zelf voorgegaan.
5. Conclusies.
1. Net zoals de ondertussen
helaas goedgekeurde resolutie van de Kamer, gaat ook het voorstel van resolutie
in de Senaat over de pauselijke uitspraken inzake AIDS-preventie in tegen de
scheiding (het onderscheid ?) van Kerk en Staat. Van christen-democraten mag in alle geval
als minimum minimorum verwacht worden dat zij opkomen voor het goed recht van de
religies om standpunten te vertolken, die anders zijn dan het
verwachtingspatroon dat in de secularistische westerse cultuur leeft. Alleen zulke houding is overigens conform de
algemene basistekst over de christen-democratie, goedgekeurd door het
stichtingscongres van CD&V in Kortrijk, waarin de partij van op afstand de
levensbeschouwingen positief waardeert als brengers van verbondenheid en
beleving van zin.
2. Het voorstel van resolutie is, a fortiori in het kader van het
hierboven gestelde, inhoudelijk zonder voorwerp. De verklaringen van Benedictus XVI tijdens
zijn bezoek aan Afrika bevatten geen principiële veroordeling van het condoom
in het kader van de AIDS-preventie, en liggen bovendien zeer dicht bij wat
verschillende AIDS-deskundigen, in navolging van de
Wereldgezondheidsorganisatie, over
AIDS-preventie stellen. Bovendien is er
in het concrete kerkelijke optreden een pastorale ruimte voor condoomgebruik in
probleemsituaties.
3. De CD&V-houding in de Kamer m.b.t. de AIDS-resolutie was
ontgoochelend voor kerkelijke christenen die met een positieve ingesteldheid de
kerkelijke standpunten inzake morele en maatschappelijke kwesties willen
overwegen. De auteurs van deze nota
zien in de aangenomen houding vooral een halfslachtige houding tegenover
‘paars’ dat blijkbaar overeind blijft op levensbeschouwelijk vlak, maar ook haastwerk
zonder veel diepgang en – begrijpelijk – zonder veel kennis van kerkelijke en
theologische achtergronden. Daarom
stellen zij voor om binnen de partij een begeleidingscommissie in het leven te
roepen, die advies kan uitbrengen bij parlementaire initiatieven en in te nemen
partijstandpunten die betrekking hebben op het ethische grensgebied tussen
religie en politiek, waar ook in de toekomst meer en meer inhoudelijke
conflicten zullen spelen tussen seculiere moraal en religieuze waarden. CD&V is zulks eigenlijk verplicht aan de
‘C’ in haar naam.
De auteurs van deze nota zijn bereid om aan de werkzaamheden van zulke
commissie deel te nemen.
Marcel Gielis,
Licentiaat geschiedenis (KUL)
Licentiaat wijsbegeerte (KUL)
Doctor in de theologie (Universiteit Tilburg)
Docent aan de Faculteit voor Katholieke
theologie van de universiteit van Tilburg.
Frans Van Looveren,
Kandidaat Wijsbegeerte (KUL)
Licentiaat in de theologie (KUL)
gewezen medewerker CD&V-Kamerfractie.
[1] Zie hierover o.a. Inigo
BOCKEN : Waarom gelovigen betere burgers
zijn. Religie, politiek en publieke
moraal. In : Donald LOOSE e.a.
: Religie
in het publieke domein. Uitg. Damon
2007, blz. 54-55.
[2] Zie hierover LE VIF-
L’EXPRESS van 17 tot 24 april, blz. 59, een weekblad dat in het editoriaal van
Christine Laurent nochtans stelt dat ook de Paus inhoudelijk gelijk heeft (blz.
5).
[3] Zie bv. het editoriaal
van Rik Van Cauwelaert in Knack van 17 tot 24 april, blz. Deze maakt overigens geen geheim van zijn
minachting voor de AIDS-resolutie van de Kamer. Zie ook het editoriaal van Peter Vandevyvere
in het christelijke weekblad Tertio