De ontmaskering van een Tilburgse schijnheilige in Antwerpen (1735-1736)

en andere gevallen uit de officialiteitsarchieven van het bisdom Antwerpen

Een verkennend onderzoek





Onder invloed van de historiografische stroming rond het tijdschrift Annales is er de laatste 30 jaar aandacht geweest voor de archieven van de officialiteiten of officialaten. In vergelijking echter met die voor de pauselijke inquisitie, was de aandacht van de historici voor deze kerkelijke rechtbanken die in alle bisdommen functioneerden, veel meer sporadisch. In 1975 wijdde de toen nog jonge Franse historicus Alain Lottin, die later faam zou verwerven met zijn magistrale studie over de geloofsbeleving in Lille in de 17de en 18de eeuw, samen met enkele studenten een boek aan de rechtspraak i.v.m. huwelijksaangelegenheden door de officialiteit van Cambrai (1). Een leerling van Pierre Chaunu, Jean-Marie Gouesse, vatte (vermoedelijk met het oog op een doctorat d'état) een onderzoek aan naar de supplieken voor dispensaties voor een huwelijk in een verboden verwantschapsgraad, omdat die goed inzicht verschaffen in de wijze waarop tijdens het Ancien Régime een echtpaar tot stand kwam (2). (Regelmatig worden we hier geconfronteerd met het verhaal van Bazin en knecht (3): een vrouw is als erfdochter of weduwe bazin van een hoeve; voor het runnen van het bedrijf is zij aangewezen op haar meesterknecht, op wie ze verliefd wordt; wanneer ze willen trouwen blijkt dat ze met elkaar in een verre, maar toch verboden graad verwant zijn.) Jean-Louis Flandrin maakte gebruik van officialiteitsarchieven bij zijn indrukwekkende studie over de geschiedenis van de seksualiteit (4).

Pierre Darmon publiceerde een nogal ophefmakend boek over de kerkelijke rechtbank als het tribunaal waar geoordeeld werd over de mannelijke (im)potentie; vooral het feit dat er bij de Franse officialiteiten het gebruik bleek te bestaan om een van impotentie beschuldigde man min of meer te verplichten bij een zogenaamd 'congrès' met zijn echtgenote zijn viriliteit (d.i. de mogelijkheid om tot volledige geslachtsgemeenschap te komen) te bewijzen onder het toeziend oog van een arts en (weliswaar in een belendende kamer) van de kerkelijke rechter, sprak tot de verbeelding (5). Het verbaast niet dat Darmon uit zijn archiefonderzoek stof putte voor een roman (6). Nadat Natalie Davis gewezen had op het belang van Franse (kerkelijk-)juridische archieven voor historische antropologie en mentaliteitsgeschiedenis, voornamelijk voor de geschiedenis van de seksualiteitsbeleving (7), gingen historici ook de rechtspraak van de (Anglicaans geworden!) bisdommen in Engeland onderzoeken (8).

In de Nederlanden zijn de laatste decennia vooral studies gewijd aan de rechtspraak in de middeleeuwse bisdommen. Meer in de lijn van studies die reeds in het begin van vorige eeuw (bv. Joosting over de kerkelijke rechtsoraak in het bisdom Utrecht) en bijgevolg met meer traditionele methodes dan in de zojuist genoemde Franse en Angelsaksische werken aangewend werden, publiceerden Cyriel en Monique Vleeschouwers - Van Melkebeek bronnen en studies aangaande de middeleeuwse officialiteiten van Doornik en Kamerijk. Op een colloquium in Brussel in 1977 presenteerde Monique Van Melkebeek archiefbronnen die door kerkelijke rechtbanken geproduceerd werden (9); zij legde zich voornamelijk toe op de studie van de rechtspraak in het middeleeuwse bisdom Doornik (10). Samen met haar echtgenoot Cyriel Vleeschouwers maakte zij ook een studie van de rechtspraak van de officialiteit van Kamerijk en van de Brusselse afdeling van deze officialiteit, die bevoegd was voor het Brabantse deel van het bisdom (11). Als uitloper van haar studie over de officialiteiten publiceerde Monique Van Melkebeek ook enkele artikelen over clandestiene huwelijken, een type van gevallen dat in de middeleeuwse kerkelijke rechtspraak veelvuldig voorkwam (12). De kerkelijke rechtspraak in het middeleeuwse bisdom Doornik werd ook bestudeerd door Daniël Lambrecht, maar meer dan met de centrale rechtbank hield die zich bezig met de locale rechtspraak op niveau van de parochies, het zgn. seendgerecht (13).

Aan de studie van de officialiteiten in de in 1559 opgerichte bisdommen werd een grote bijdrage geleverd door de amateur-historicus pastoor Jozef De Brouwer, wiens publicaties invloed verraden van de toen recente stromingen in de Franse historiografie (14). Op de volumineuze studie van De Brouwer, zal ik verder in mijn artikel nog nader ingaan. De grote specialist van de geschiedenis van het kerkelijk leven in de Zuidelijke Nederlanden in de tijd van de Contrareformatie, de Leuvense historicus Michel Cloet, liet - ook heel duidelijk in de lijn van de Franse historiografie - zijn leerlingen behalve bisschoppelijke akten, visitatieverslagen en parochieregisters ook de archieven van de officialiteiten bestuderen. Voor zijn dissertatie over de geloofsbeleving van de leken in het bisdom Brugge maakte Marc Therry dan ook ruimschoots gebruik van documenten van de kerkelijke rechtspraak (15). Gelijkaardige studies voor de Noordelijke Nederlanden waren gebaseerd op de protestantse rechtspraak betreffende de kerkelijke tucht (16). Hierbij valt op dat er evenals bij de katholieke kerkelijke rechtspraak een overwicht is van gevallen die te maken hebben met seksualiteit en huwelijk, zodat een beeld van de seksuele moraal kan geschetst worden aan de hand van bronnen die ontstaan zijn uit het handhaven van de kerkelijke tucht (17).

Reeds vroeger heb ook ik mij - zij het met het oog op kleinere publicaties - met bronnen uit officialiteitsarchieven beziggehouden. Voor bepaalde onderdelen van twee artikelen die ik gepubliceerd heb in het tijdschrift Taxandria, heb ik gebruik gemaakt van de archieven van de kerkelijke rechtbank van het 'eerste' bisdom Antwerpen (1559-1802): nl. voor een artikel uit 1988 waarin o.a. over seksualiteitsbeleving werd gesproken (18), en voor een artikel uit 1994 over magische - d.i. vanuit kerkelijk standpunt: bijgelovige - praktijken (19). Nogal wat materiaal uit de archieven van de kerkelijke rechtbank van het bisdom Antwerpen heb ik verwerkt in twee deeltjes van de reeks Waar is de tijd? Kempen (20).

In onderhavige bijdrage wil ik al dit materiaal bij elkaar brengen en zodoende een overzicht bieden van de soorten van gevallen die door de kerkelijke rechtbank behandeld werden. Tegelijkertijd biedt dit mij de mogelijkheid om voor datgene wat ik verteld heb in Waar is de tijd? referenties naar de bronnen te geven. Aldus kan ik ook een begin maken met het opstellen van een soort 'concordans' tussen het werk van pastoor De Brouwer en de inventaris die de archivaris van de kathedraal en van het oude bisdom van Antwerpen, Jos Van den Nieuwenhuizen, heeft samengesteld (21). Bij mijn bespreking van de diverse gevallen uit de officialiteitsarchieven van het bisdom Antwerpen gebruik ik ongeveer dezelfde indeling als pastoor De Brouwer in zijn beide volumes.



I. De overtredingen betreffende het religieuze leven



1. Bijgelovige praktijken



Het bijgeloof was in de tijd van de Contrareformatie wijd verspreid, niettegenstaande de Kerk hoopte het mettertijd terug te dringen o.a. door het betere catechismusonderricht. In het begin van de 17de eeuw werd 'tovenaar' Jan Vloers uit Hoogstraten op bevel van de bisschop gevankelijk naar Antwerpen gevoerd om daar zijn dwaling af te zweren, zijn geloofsbelijdenis af te leggen en met een geldboete bestraft te worden (22). Een eeuw later stelde de officialiteit een onderzoek in tegen Gonemarijntje Aerts uit Duffel, die "een fameuse waerseghster" was en ook mensen en dieren onttoverde (23). Vermelden we nog een geval dat niet uit de archieven van de officialiteit afkomstig is. Op het einde van de 16de eeuw had de koster van Westerlo een lucratieve praktijk als genezer en heksenmeester. Behalve van min of meer christelijke gebeden maakte hij gebruik van kabbalistische magie. Hij werd door de beruchte heksenjager Baxius van hekserij beschuldigd, hoewel blijkbaar zonder gevolg (24).

De repressie van magische praktijken leidde tot een tragisch misverstand. Toen Filips II in 1592 een streng edict uitvaardigde tegen bezweerders en tovenaars dachten sommige magistraten en gerechtsofficieren dat dit gericht was tegen heksen, de vrouwen die er door het bijgelovige volk van verdacht werden op magische wijze onheil aan te richten. In 1595 stierven te Herentals vier vrouwen op de brandstapel omdat zij van schadelijke toverij verdacht werden. Het rondschrijven van 1595 dat de opvattingen weerspiegelde van de bestrijder van de heksenwaan, Johannes Wier, kwam voor hen te laat. Het maakte in de Kempen wel een einde aan de processen omwille van schadelijke toverij. Na 1595 hechtten de autoriteiten geen geloof meer aan de realiteit van dit delict. De Kempen kan er prat op gaan dat de heksenprocessen hier aldus vroeger een einde namen dan in de naburige, meer verstedelijkte gebieden: in Antwerpen, Mechelen, Leuven en Brussel kwamen nog heksenprocessen voor in de eerste helft van de 17de eeuw. Dit betekent evenwel niet dat het geloof aan heksen daarmee verdwenen was. Bijvoorbeeld zouden er op de boerderij van Frans Verboven en Maria Anna Van Uytven te Zammel rond het midden van de 18de eeuw zogezegd alle mogelijke heksenstreken uitgehaald zijn: een paard en karren werden door een onbekende macht 'vastgezet' zodat ze niet meer konden verplaatst worden, een ander paard en koeien vielen in de stal plots ter aarde en wilden niet meer eten, mensen en dieren werden ziek, uit de melk kon geen boter gekarnd worden en er waren klopgeesten actief. Het gebruik van heiligdom (gewijde was) of van wijwater kon soms voor enige tijd soelaas bieden. Op 30 januari 1752 vroeg pastoor Ooms aan het bisdom de toelating om in de boerderij gebeden te gaan doen om aan de spokerij een einde te stellen. We weten niet of dit inderdaad gebeurd is, maar we weten wel dat in het algemeen de hogere kerkelijke overheid met dergelijke vragen verveeld zat. Immers, door een exorcisme uit te voeren werd het volksgeloof aan geesten en heksen, dat vanuit kerkelijk standpunt bijgeloof was, bevestigd (25).

Een heel bijzonder geval van bijgeloof (eigenlijk veeleer heiligschennis) is dat van de schijnheilige Anna-Maria Eeltiens uit Tilburg, die te Antwerpen door officiaal De Bezerra ontmaskerd werd (26).

Evenals De Brouwer behandel ik de gevallen van magie waar priesters bij betrokken zijn, onder 'De overtredingen bij de geestelijkheid'.



2. Paasplichtverzuim



Dat de houding van de gelovigen tegenover de geestelijkheid niet altijd getuigde van eerbied en hoogachting en dat er bv. spanningen waren rond het opeisen der tienden blijkt uit een voorval in Balen in het midden der 18de eeuw. Hendrik Geuens had de collecteur die namens de abdij van Averbode de tienden kwam ophalen, uitgescholden en was daarvoor in 1740 veroordeeld door de Raad van Brabant, ten onrechte naar hij meende. Zijn zus Catharina kon vele jaren later de pastoor, een norbertijn van Averbode, nog altijd niet ontmoeten zonder hem dit onrecht voor de voeten te werpen. Zelfs bij haar paasbiecht bracht zij dit telkens te berde, zodat de pastoor haar de absolutie weigerde en zij haar Pasen niet kon houden: zowel aan Hendrik als aan Catharina werd gedurende verschillende jaren de communie geweigerd. Daarom werd Catharina in 1761 wegens paasplichtverzuim voor de kerkelijke rechtbank gedaagd (27).



3. Overtreding van het gebod aangaande de zondagsrust



Er waren in het Ancien Régime verboden die én door de kerkelijke én door de wereldlijke overheid werden uitgevaardigd. Kerk en staat vormden immers nog steeds een eenheid. Te allen prijze moest er gewaakt worden over het onderhouden van de zondagsheiliging, die impliceerde dat men de zondagsmis bijwoonde en zich onthield van slafelijke werken. In 1650 werden de mulders van de Lokermolen te Turnhout en van de molens van Oosthoven en Oud-Turnhout door de kerkelijke rechtbank tot een fikse boete veroordeeld omdat ze 's zondags gewerkt hadden (28).

Onder de overtredingen van het gebod van heiliging van de zondag rekent De Brouwer ook het volgende geval. Maarten Claes, waard van de herberg In de Roskam te Grobbendonk, werd in 1735 voor de kerkelijke rechtbank gedaagd wegens labaïsme. Dit misdrijf dat in onze tijd volledig onbekend is geworden, werd toen zo zwaar geacht dat een pastoor er in de biechtstoel geen absolutie mocht van geven, maar de zondaar moest doorverwijzen naar de bisschop. Dat Maarten Claes ervan verdacht werd een labaïst te zijn betekent dat hij had toegelaten dat jongens en meisjes tezamen in zijn herberg ontspanning kwamen zoeken (29). De kerkelijke overheid wilde in het kader van de Contrareformatie dergelijke 'labaaien', geslachtsgemengde jongerengroepen, uitroeien. Zij deed daarvoor beroep op de medewerking van de ouders, maar dikwijls stonden die nogal weigerachtig omdat ze vonden dat labaaien aan hun kinderen de mogelijkheid boden om een geschikte huwelijkspartner te vinden.



II. De overtredingen van de seksuele moraal en de huwelijkswetgeving



Inzake seksuele moraal verhevigde de Kerk tijdens de Contrareformatie haar actie. Om de plaag van de clandestiene huwelijken tegen te gaan, had het concilie van Trente in 1563 bepaald dat een man en een vrouw die wilden trouwen maar alleen geldige huwelijksbeloften konden afleggen voor een pastoor en twee of drie getuigen, waarop de pastoor dan onmiddellijk het huwelijk inzegende. Vanaf ongeveer 1600 legden pastoors parochieregisters aan, waarin dopen, overlijdens en huwelijken opgetekend werden.



1. Defloratie onder huwelijksbelofte



Niettegenstaande het concilie van Trente had gepoogd clandestiene huwelijken letterlijk in de ban te doen, beschouwde de Kerk ook na dit concilie huwelijksbeloften, die een jongen en een meisje aan elkaar gedaan hadden zonder dat er een vertegenwoordiger van de Kerk bij was, en die door geslachtsgemeenschap gevolgd waren, min of meer als een feitelijk huwelijk en verplichtte ze de betrokkenen hun woord gestand te doen en tot een kerkelijke huwelijkssluiting over te gaan. Zo werd Andreas Cotermans van Ramsel in 1790 door de rechtbank van het bisdom Antwerpen verplicht te trouwen met Elisabeth Huisegems, die hij ontmaagd had nadat hij beloofd had haar te zullen trouwen (30).

Zolang de kerkelijke rechtbank macht had, dus tot aan de invoering van de Franse Revolutie, kon een man niet zo gemakkelijk straffeloos een meisje verleiden en haar eventueel met een kind laten zitten. Wanneer een huwelijk niet mogelijk was, werd een man die een meisje verleid had, verplicht tot het betalen van een geldsom als eerherstel voor de defloratie en bovendien eventueel ook voor de kraambedkosten en het levensonderhoud van zijn kind. Nicolaus van den Venne uit Turnhout moest in 1653 het kind van Joanna Vroonen bij zich nemen, alimentatiegeld en 3 pond vlaams kraambedkosten betalen (31). Het kwam ook wel eens voor dat een jongen zich door een meisje bedrogen voelde. In 1779 werd Joanna van Roosbroeck uit Westerlo door de kerkelijke rechter verplicht om overeenkomstig haar belofte te trouwen met Henricus Molenberghs (32).

In de overgrote meerderheid van deze gevallen van seks vóór of buiten het huwelijk is het echter de vrouw die naar de rechtbank stapt (in concreto gebeurde dit door beroep te doen op haar pastoor, die dan de officialiteit inschakelt). Evenzeer is het ook meestal de vrouw die gelijk krijgt van de rechtbank. Op grond van zijn studie (en die van zijn studenten) van de praktijk van de officialiteit van Kamerijk spreekt Alain Lottin in het besluit van La désunion du couple van het 'feminisme' van de kerkelijke rechtbanken. Dit staat dus in schril contrast met de algemeen verspreide populaire mening dat de katholieke Kerk anti-feministisch zou zijn. De achtergrond van de praktijk van de kerkelijke rechtbanken is te vinden in de katholieke leer dat man en vrouw voor het huwelijk (en parallel hiermee bv. ook voor wat betreft voorhuwelijkse geslachtsgemeenschap met wederzijdse toestemming) gelijk zijn, wat impliceert dat ze allebei tot volstrekte (huwelijks)trouw verplicht zijn (in tegenstelling met de opvatting dienaangaande in praktisch alle niet-christelijke culturen) (33). En het is een algemeen verspreide overtuiging in kerkelijke kringen (eigenlijk tot op vandaag) dat de vrouw het er inzake (huwelijks)trouw veel beter van afbrengt dan de man (eigenlijk was deze overtuiging tot aan de publicatie in 1951 van het Kinsey-rapport over het vrouwelijk seksueel gedrag vrij algemeen verpreid; hedendaagse sociobiologen zullen erop wijzen dat het 'moreel betere gedrag' van de vrouw in tijden met weinig of geen contraceptiva een natuurlijke basis heeft). Volledig consequent met deze opvattingen neemt de Kerk door middel van haar rechtspraak de verdediging op zich van de vrouw en de eventuele kinderen die zij draagt of baart.

Om haar vonnissen ten uitvoer te leggen moest de kerkelijke rechtbank beroep doen op de wereldlijke gerechtsofficieren. Haar rechtspraak sorteerde dus alleen effect wanneer de staat en de wereldlijke overheid hand- en spandiensten wilde verrichten voor een kerkelijke instelling zoals de officialiteit. Daarom zijn er praktisch geen vonnissen van de Antwerpse officialiteit die betrekking hebben op personen uit de dekenaten Breda en Bergen op Zoom in Staats-Brabant: de protestantse overheid aldaar zou toch niet meegewerkt hebben aan de uitvoering van een vonnis. Anderzijds weten we door de studies van Eric-Jan Broers dat daar de wereldlijke rechtbanken (die onder invloed van het protestantisme stonden) optraden tegen mannen die een meisje of vrouw verleid hadden, al dan niet met huwelijksbeloften (34). Dit wijst er wel op dat uiteindelijk de protestantse Reformatie en de katholieke Contrareformatie eenzelfde gemeenschappelijk stelsel van waarden en normen hanteerden.



2. Verzet tegen een huwelijk



Volgens de kerkelijke leer zoals die op het concilie van Trente bevestigd was, komt een huwelijk tot stand door de met geslachtsgemeenschap bezegelde vrije wilsbeschikking van man en vrouw. Dit impliceerde dat zelfs de toestemming van de ouders niet nodig was om een huwelijk geldig te kunnen voltrekken. Toch hechtte de Kerk er belang aan als ouders verzet aantekenden tegen het huwelijk van hun dochter of zoon. In een dergelijk geval legde de kerkelijke rechtbank aan de aanstaande bruid of bruidegom wel eens een bezinningsperiode in een of ander klooster op, waar dan geen beïnvloeding van buitenaf, noch vanwege de ouders, noch vanwege de mogelijke huwelijkspartner mocht plaatsvinden. Bij conflicten met familie over een voorgenomen huwelijk kon degene die wilde trouwen zelf zo'n bezinningstijd aanvragen. Maria-Anna Notelers, een meisje van 25 jaar uit Jesseren bij Borgloon maar woonachtig te Turnhout, wilde trouwen met Franciscus-Benedictus Tombelle uit Tienen. Haar broer was het daar niet mee eens en had gedreigd haar te zullen ontvoeren en ergens op te sluiten. Daarom vroeg Maria-Anna op 27 augustus 1742 een onderkomen in de kostschool van de zusters van het H. Graf te Turnhout (35).



3. Overspel en concubinaat



In 1573 werd Joannes Elsacker uit Hoogstraten met 9 guldens beboet wegens overspel (36). Tijdens de Contrareformatie bleef de Kerk dus meer dan ooit waken over de huwelijkstrouw. In Hoogstraten kregen in de 18de eeuw 2 à 3 kinderen op 100 het leven van een ongehuwde moeder. Op het einde van de eeuw zakte dit percentage onder de 2 (37). Mag ook dit gezien worden als een laat succes van de Contrareformatie?

Een man en een vrouw die in concubinaat leefden (permanent als gehuwden samenleefden zonder getrouwd te zijn) werden door de kerkelijke rechtbank zwaar gestraft omdat ze niet alleen onkuisheid, maar ook heiligschennis pleegden; zij schonden nl. het sacrament van het huwelijk. In 1759 moesten Jan-Baptist Campers en Catharina Gijsels geknield en met een brandende kaars in de hand aan de pastoor van Turnhout en drie vertegenwoordigers van de parochiegemeenschap, een geestelijke, een magistraat en een burger, vergiffenis vragen omwille van de ergernis die ze door hun concubinaat hadden gegeven en vervolgens moesten ze een ganse maand iedere woensdag, vrijdag en zaterdag hun parochiekerk bezoeken en er een rozenhoedje bidden en zich zo voorbereiden op de biecht op het einde van die maand. Natuurlijk kregen ze verbod om elkaar nog te ontmoeten. Wanneer ze elkaar toch nog zouden zien, zouden ze in de gevangenis opgesloten worden (38).



III. De overtredingen bij de geestelijkheid



1. Overtredingen van de kerkelijke tucht en van het celibaat



In de 18de eeuw duiken er terug schandaalfiguren op in de clericale rangen. Silvester van Eij, sinds 1716 pastoor van Gierle, toonde sympathie voor de ketterse beweging der Jansenisten. Hij had de portretten van de jansenistische voormannen Antoine Arnauld en Pâquier Quesnel op zijn kamer hangen en bezat hun boeken. Bovendien ging hij zo dikwijls op bezoek bij de weduwe Petronella Bierens "dat men daer uijt heeft gefabriceert dese woorden: nellen, hij nelt, hij heeft genelt". Wanneer hij dronken was, dierf hij vloeken: "Mordieu dat de duijvel mij met lijf en ziele wegvoert". Toen hij op 21 juli 1733 per schuit van Brussel naar Antwerpen voer, was hij zo zat dat hij weer op dergelijke manier begon te vloeken en zich in de Schelde wilde verdrinken. Hij gaf aan zijn medereizigers grote ergernis door uit te roepen: "Je chie L'Evêque d'Anvers". Hij werd op 22 oktober 1733 door de kerkelijke rechtbank van Antwerpen verplicht zijn pastoorsplaats in Gierle te ruilen met de kapelanie van Jacobus Moermans te Antwerpen, maar er was blijkbaar een nog strengere straf nodig om hem tot betere inzichten te brengen. Op Witte Donderdag vroeg hij vanuit de gevangenis de bisschop om genade. De genademaatregel bestond erin dat hij tot daags voor Kerstmis in een klooster werd gesekwestreerd in plaats van opgesloten te zijn in de gevangenis. Hij mocht gedurende lange tijd zijn priesterambt niet meer uitoefenen (39).

Petrus Leyenborgh, sinds 1731 onderpastoor en sinds 1741 pastoor te Baarle, had seksuele relaties met meerdere vrouwen en meisjes. Hij wist te vermijden dat zijn minnaressen zwanger werden omdat, zoals een van hen zegde, "hy het altyt uyttrock voor de stortinge". De abdis van Thorn hield hem de hand boven het hoofd. Vooraleer het in zijn proces voor de bisschoppelijke rechtbank van Antwerpen tot een uitspraak kwam, maakte de abdis Leyenborgh in 1750 pastoor in een Noordnederlandse parochie, nl. het Limburgse Baexem, waar zij eveneens het patronaatsrecht had en waar hij buiten het bereik van de katholieke machthebbers van de Zuidelijke Nederlanden was (40). Bij de abdis van Thorn in deze tijd is het tridentijnse vuur duidelijk uitgeblust en zien we niet veel pastorale bekommernis aanwezig. Dit soort van tijdelijke kerkpatroons bracht de abdijen en kapittels, en de geestelijkheid in het algemeen in diskrediet.



2. Moeilijkheden wegens bijgelovige praktijken



In 1589 treedt de te Breda gevestigde afdeling van de Antwerpse officialiteit op tegen de pastoor van Rijen die zich samen met een vrouw heeft afgegeven met magische praktijken; het desbetreffende dossier is echter niet te vinden in de officialiteitsarchieven, maar in de 'Parochialia', die in het Bisdomarchief van Breda bewaard worden (41). De pastoor in kwestie, Adrianus van Wijtfliet, zou medewerking hebben verleend aan de waarzegster Adriana die hem nodig had om het Latijn van magische boeken te ontcijferen en om die boeken en andere voorwerpen, onder meer een zwaard, te wijden. De pastoor blijkt volgens de Toverkunst van Almadel te werken, gebruik te maken van tovercirkel en tovervierkant met daarin engel-, demonen- en godsnamen, penta- en hexagrammen en nog allerlei andere elementen die uit de geleerde magie stammen.

Een vergelijkbaar geval doet zich een kleine anderhalve eeuw later, nl. in 1728, nog eens voor in Lier (42). Over dit geval zijn we niet alleen ingelicht door het Antwerpse bisdomarchief, maar ook door een artikel in een Duitse krant, dat door eminente volksverhaalspecialisten beschouwd wordt als een mogelijke bron van volksverhalen (43). Met behulp van twee medeplichtigen zou de priester Arnoldus Winck gepoogd hebben demonen op te roepen om schatten vinden; zij hadden een handgeschreven copie van een toverboek in hun bezit en hadden bij hun rituelen gebruik gemaakt van tovercirkels met daarin een altaartafel met kruisbeeld, kruisen en inscripties van heilige namen; de kamer waarin de rituelen voltrokken werden was vooraf door gebeden en besprenkeling met wijwater gezegend.

Ik wees er reeds op dat de kerkelijke overheid er helemaal niet op uit was om veelvuldig exorcismen te laten uitvoeren door priesters. Alleen degelijk onderlegde priesters kregen daarvoor de toelating. Bij herhaling trad de kerkelijke rechtbank op tegen priesters die zonder toelating overgingen tot het uitvoeren van duiveluitdrijvingen en bezweringen van toverij en ander onheil. Zo kreeg Petrus van der Veken, pastoor van Poederlee van 1612 tot 1619 (44) na verschillende verwittigingen, het dwingende verbod (onder bedreiging met een zware straf, nl. beroving van zijn pastoraat, d.w.z. zijn afzetting als pastoor) om zich nog langer bezig te houden met exorcismen (die met bijgelovige praktijken gelijkgesteld worden!) tegen betoveringen (45).

In de periode 1661-1666 had de priester Jaspar He(i)rstraeten bij herhaling de toelating gekregen om diverse personen, meestal vrouwen (o.a. een begijn en een geestelijke dochter) te exorciseren omdat die bezeten of betoverd zouden zijn. Op meerdere dagen rond 26 september 1673 zou hij echter de dochter van Reyns Lanionis geëxorciseerd hebben en wel zonder speciale toelating en zelfs tegen het verbod van de bisschop in (maar dit loochende hij), zodat er tegen hem een proces werd ingespannen. Hij zou ook met de stool aan gedurende negen dagen Abraham van Eesbeeck, die dacht dat hij betoverd was, overlezen hebben, evenals de dieren van een zekere Daniël te Kontich, maar deze feiten loochende hij. Het dossier van het proces dat tegen Herstraeten in 1673-1674 gevoerd werd is om vooralsnog onbekende redenen niet in het Kathedraal- of Bisdomarchief bewaard, maar in het Stadsarchief van Antwerpen; de uitspraak, die behelst dat het Herstraeten wordt verboden in het vervolg in het bisdom Antwerpen zonder speciale toelating van de bisschop nog behekste personen of personen die van beheksing verdacht worden te belezen met litanieën en gebeden die de indruk wekken exorcismen te zijn, is evenwel te vinden in een Liber sententiarum, een register van vonnissen van de officialiteit, in het Kathedraalarchief in Antwerpen (46).

Tenslotte zijn er in de archieven van de officialiteit stukken (de 'information préparatoire') te vinden van een proces tegen de franciscanerpaters Joannes de Boeck en Joannes Waegemaecker(s) uit de jaren 1730-1731. Deze paters zouden verschillende keren "sekere Joff. Mermans" alias de weduwe Andreas Meersmans uit Antwerpen belezen hebben, die van de duivel zou bezeten geweest zijn. Deze duivel zou in het Latijn aan de paters geantwoord hebben en verklaard hebben dat hij Lucas heette. Wanneer een der exorcisten hem bevolen had "naer den teen te gaen", zou Lucas geantwoord hebben "dat hij maer tot int 't steertbeen wilde gaen". De paters-minderbroeders zouden aan de bezetene ook de communie gegeven hebben. De exorcismen hadden voor de exorcisten en voor de medebroeders van hun klooster (hoogstwaarschijnlijk het Antwerps minderbroedersklooster, de huidige Academie) nogal wat voordelen in natura opgeleverd ("oosters, wijn, snuijf enz."). Op 1 maart 1731 werden De Boeck o.f.m. en Waegemaecker(s) o.f.m. in staat van beschuldiging gesteld; 's anderendaags wezen zij de beschuldiging af (47).

1. Alain Lottin, La désunion du couple sous l'Ancien Régime. L'exemple du Nord, Villeneuve-d'Ascq: Université de Lille III - Paris: Éditions Universitaires, 1975.

2. Jean-Marie Gouesse, 'L'endogamie familiale dans l'Europe catholique au XVIIIe siècle', Mélanges de l'École Française de Rome. Moyen Age - Temps Modernes, 89 (1977), p. 95-116 en 'Mariages de proches parents (XVIe-XXe siècle). Esquisse d'une conjoncture', in: Le modèle familial européen. Normes, déviances, contrôle du pouvoir, Roma: École Française

de Rome, 1986, p. 9-30.

3. Rudolf Utsch, Bazin en knecht, uit het Duits vertaald door Osw. Everaert, [Leuven:] Davidsfonds, 1940 (Volksboek, nr. 292).

4. Jean-Louis Flandrin, Le sexe et l'Occident. Évolution des attitudes et des comportements, Paris: Seuil, [1986,] 376 p.

5. Pierre Darmon, Le tribunal de l'impuissance. Virilité et défaillances conjugales dans l'ancienne France, Paris: Éd. du Seuil, 1979, 310 p. (L'univers historique). Ik heb van het 'congrès' geen sporen kunnen vinden in historische studies over of in archieven van de officialiteiten in de Nederlanden.

6. Pierre Darmon, Gabrielle Perreau, femme adultère, Paris: Bernard Grasset, 1981, 244 p. Darmon schreef nog een andere roman: La veuve sanglante.

7. Natalie Zemon Davis, Society and culture in early modern France: eight essays, Stanford, Calif.: Stanford University Press, 1975, xviii-362 p.; Natalie Zemon Davis, The return of Martin Guerre, Cambridge, Mass. & London: Harvard University Press, 1983, x-162 p.; Natalie Zemon Davis, Fiction in the archives. Pardon tales and their tellers in sixteenth-century France, Stanford, Calif.: Stanford University Press - Cambridge: Polity Press, 1987, ix-217 p.

8. Martin Ingram, Church courts, sex and marriage in England, 1570-1640, Cambridge [etc.]: Cambridge University Press, 1987, viii-412 p. (Past and present publications).

9. Monique Vleeschouwers - Van Melkebeek, 'Aperçu typologique des principales sortes de registres produits par l'officialité de Tournai au moyen âge, avec notes sur le registre de sentences de Bruxelles, 1448-1459', in: Bronnen voor de geschiedenis van de instellingen in België: handelingen van het colloquium te Brussel, 15-18.IV.1975, Brussel: Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën, 1977, p. 423-442 (Studia historica Gandensia, 205).

10. Monique Vleeschouwers - Van Melkebeek, 'Notaires d' officialité dans le diocèse de Tournai au XIIIe siècle', in: Horae Tornacenses, (1972), p. 79-94 (overdruk: Studia historica Gandensia, 173); Monique Vleeschouwers - Van Melkebeek, 'Officialité de Tournai: archives détruites, archives conservées', in: Archief- en bibliotheekwezen in België, 48 (1977), p. 199-214 (overdruk: Studia historica Gandensia, 215); Monique Vleeschouwers - Van Melkebeek, De officialiteit van Doornik: oorsprong en vroege ontwikkeling (1192-1300), Brussel: Paleis der Academiën, 1985, 210 p. (Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der letteren, jrg. 47, nr. 117); Monique Vleeschouwers - Van Melkebeek, Documenten uit de praktijk van de gedingbeslissende rechtspraak van de officialiteit van Doornik: oorsprong en vroege ontwikkeling (1192-1300), Brussel: Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Wetenschappelijk Comité voor Rechtsgeschiedenis, 1985, 91 p. (Iuris scripta historica, 1); Monique Vleeschouwers - Van Melkebeek, Compotus sigilliferi curie Tornacensis = Rekeningen van de officialiteit van Doornik (1429-1481), 3 dln.: Bd. 1: Inleiding; Uitgave rekeningen 1-4; Bd. II: Uitgave rekeningen 5-10; Bd. III: Indices, Bruxelles: Académie Royale de Belgique, Commission Royale d' Histoire, 1995, 1634 p.

11. Cyriel Vleeschouwers en Monique Van Melkebeek, Liber Sentenciarum van de officialiteit van Brussel (1448-1459), 2 dln.: Bd. I: 8 november 1448 - 20 december 1454; Bd. II: 7 januari 1455 - 18 december 1459, Brussel: Ministerie van Justitie, 1982-1983, 1245 p. (Recueil de l'ancienne jurisprudence de la Belgique, 7me série, Cours ecclésiastiques); Cyriel Vleeschouwers en Monique Vleeschouwers - Van Melkebeek, Registres de sentences de l'officialité de Cambrai (1438-1453), Bruxelles: Ministére de la Justice, 1998, 2 dln., XV-990 p. (Recueil de l' ancienne jurisprudence de la Belgique. Septième série).

12. Monique Vleeschouwers - Van Melkebeek, 'Bina matrimonia: matrimonium praesumptum vs. matrimonium manifestum. Hoe passen de officialiteiten van Kamerijk en Brussel in de XVde eeuw canoniek recht en doctrine terzake toe?', in: Auctoritates. Xenia R.C. van Caenegem oblata. De auteurs van de rechtsontwikkeling, ed. Serge Dauchy & Jos Monballyu, Brussel: Wetenschappelijk Comité voor Rechtsgeschiedenis, Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, 1997, p. 245-255; Monique Vleeschouwers - Van Melkebeek, 'Een middeleeuws middel tot "zelfechtscheiding": het clandestien huwelijk in de Zuidelijke Nederlanden', in: Handelingen. Koninklijk Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, 52 (1998 [de facto: 1999]), p. 319-326.

13. Daniël Lambrecht, De parochiale synode in het oude bisdom Doornik gesitueerd in de Europese ontwikkeling: 11de eeuw - 1559, Brussel: Paleis der Academiën, 1984, 328 p. (Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der Letteren, jrg. 46, nr. 113); Daniël Lambrecht, Acta processus circa synodum: proces gevoerd door Brugge, Damme en het Vrije tegen de bisschop van Doornik voor de officialiteit te Reims en de curie te Rome, 1269 - ca. 1301, Brussel: Ministerie van Justitie, 1988, XXXIX-540 p. (Recueil de l'ancienne jurisprudence de la Belgique. Septième série).

14. Jozef De Brouwer, De kerkelijke rechtspraak en haar evolutie in de bisdommen Antwerpen, Gent en Mechelen tussen 1570 en 1795, 2 dln.: Deel I [geen afzonderlijke titel]; Deel II: Inventaris, Tielt: Veys, 1971-1972.

15. Marc Therry, De religieuze beleving bij de leken in het 17de-eeuwse bisdom Brugge (1609-1706), Brussel: Paleis der Academiën, 1988, 273 p. (Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, jrg. 50, nr. 128).

16. Herman Willem Roodenburg, Onder censuur. De kerkelijke tucht in de gereformeerde gemeente van Amsterdam, 1578-1700, Hilversum: Verloren, 1990, 423 p. (Proefschrift Vrije Universiteit Amsterdam, 1989).

17. Manon P.C. van der Heijden, Huwelijk in Holland: stedelijke rechtspraak en kerkelijke tucht (1550-1700), Amsterdam: Bakker, 1998, 367 p.

18. Marcel Gielis (m.m.v. Thijs Caspers en Gertjan Jorissen), 'Leven en dood, liefde en geloof in Baarle-Hertog-Nassau. Historisch-antropologische verkenningen', in: Taxandria, N.R. 60 (1988), p. 123-235.

19. Marcel Gielis, 'Magie en religie in het oude hertogdom Brabant. Een verkennend onderzoek naar de heksenwaan en de waan der historici', in: Taxandria, N.R. 66 (1994), p. 5-110.

20. Eugeen Van Autenboer & Marcel Gielis, De Kempenaren en hun gelovigen, s.l.: Waanders/Diogenes - De archieven in de Kempen, 1996, 24 p. (Waar is de tijd. Kempen, afl. 3, p. 57-80) en De Kempenaren en hun zielenherders, s.l.: Waanders/Diogenes - De archieven in de Kempen, 1997, 24 p. (Waar is de tijd. Kempen, afl. 13, p. 297-320).

21. J. Van den Nieuwenhuizen, De archieven van het bisdom Antwerpen (1559-1801), Antwerpen: Kathedraalarchief, 1971, xiii-97 p. (Kapittelschriften, nr. 10). Zowel het Kathedraal- als het Diocesaan archief worden thans bewaard in de UFSIA-bibliotheek.

22. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 13. Vgl. J. Laenen, Heksenprocessen, Antwerpen: Veritas, 1914, 77 p.

23. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 13. Het dossier van Gonemarijntje Aerts is te vinden in: Diocesaan archief, II. Officialiteit, bundel 8 (Van den Nieuwenhuizen, Archieven, p. 18). Naar alle waarschijnlijkheid zijn de bundels uit Van den Nieuwenhuizen, Archieven, p. 15-19 dezelfde als die waarover De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. I, p. xv spreekt, doch volgens De Brouwer behoren deze bundels tot het Kathedraalarchief, terwijl ze in werkelijkheid blijkens de inventaris van Van den Nieuwenhuizen behoren tot het Diocesaan Archief. De verwarring van De Brouwer is begrijpelijk wanneer men weet dat de fondsen van het Diocesaan archief juist in de tijd dat hij zijn volumineuze studie voorbereidde, verhuisd zijn van het Aartsbisschoppelijk Archief in Mechelen naar de Antwerpse kathedraal.

24. Gielis, 'Magie', p. 95. De informatie over Baxius en de koster van Westerlo is afkomstig uit artikelen van Galesloot uit 1869 en 1871.

25. Deze gegevens zijn afkomstig uit een artikel van Milo Koyen; zie thans: Een keuze uit het geschiedkundig werk van Dr. Milo Hendrik Koyen (1914-1977) voormalig archivaris van de abdij van Tongerlo en van de stad Geel, Averbode, 2002, 490 p. (Instrumenta Praemonstratensia, nr. 6).

26. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 13. Zie de recentste versie van een artikel over de zaak-Eeltiens: Charles M. A. Caspers and Marcel A. M. E. Gielis, 'Anna Maria Eeltiens of Tilburg Unmasked in Antwerp as a Feign Saint (1735-1736). Changing Views of Holiness, Miracles and the Power of the Devil', in: Jürgen Beyer a.o. (eds.), Confessional Sanctity. Sanctity in North-Western Europe During the Early Modern Period (ca. 1550-ca. 1800), Mainz: Verlag Philipp von Zabern, 2003, p. 303-318b (= Veröffentlichungen des Instituts für Europäische Geschichte, Beiheft 51).

27. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 24-25.

28. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 41.

29. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 63.

30. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 165.

31. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 89.

32. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 180.

33. Dit blijkt ook uit de strijd van de Kerk tegen de volksgebruiken die bv. in de Kempen wijd verspreid waren en volgens dewelke een jongen en een meisje die verloofd waren, het recht hadden met elkaar geslachtsgemeenschap te hebben. Het was geen bezwaar dat het meisje in verwachting was op het ogenblik dat zij trouwde. Integendeel was dit bewijs van haar vruchtbaarheid waarschijnlijk vaak juist het motief waarom de jongen met haar trouwde. De Kerk echter wilde niet weten van een dergelijke vruchtbaarheidstest vóór het huwelijk. Bruid en bruidegom moesten eigenlijk wachten tot na de inzegening van het huwelijk om met elkaar naar bed te gaan en zodoende het huwelijk te consumeren, zoals de Kerk dat noemde. Vanaf het ogenblik dat een geldig gesloten huwelijk geconsumeerd was door geslachtsgemeenschap, was het onverbrekelijk, of er nu kinderen van kwamen of niet. De actie van de Kerk om voorhuwelijkse seksuele betrekkingen te verhinderen had in de Kempen veel minder succes dan bijvoorbeeld in de omgeving van Antwerpen. In Hoogstraten, waarvan de parochieregisters grondig onderzocht zijn (Fons Raeijmaekers, Historisch-demografische studie van Hoogstraten in de achttiende eeuw, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Leuven: Katholieke Universiteit te Leuven, 1986, xxvii-324 p.), werden in de 18de eeuw bijna 4 op de 10 eerstgeborenen geconcipieerd vóór de trouwdag van hun ouders.

34. E.J.M.F.C. Broers, 'Wederpartij in plaats van wederhelft. Juridische procedures ter zake van verbroken verlovingen uit de zeventiende en achttiende eeuw', in: Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie, (2001), p. 31-45; E.J.M.F.C. Broers, 'Bruiloft of bruidsschat. Brabantse rechtszaken over verbroken verlovingen uit de zeventiende en achttiende eeuw', in: Brabants Heem, 51 (1999), nr. 1, p. 17-25; E.J.M.F.C. Broers, 'Bezint eer je bemint: de rechtspraak van de Staatse Raad van Brabant inzake eenzijdige verbreking van trouwbeloften', in A.M.J.A. Berkvens & G.H.A. Venner (ed.), 'Om daarmede vrijelijk te doen naer wil ende welgevallen' : rechtshistorische opstellen aangeboden aan prof.mr. A.Fl. Gehlen. Maastricht: Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, 1998, pp. 85-93 (Werken uitgegeven door het Limburgs Geschied- en Oudheidkund, 16); E.J.M.F.C. Broers, 'Flos mihi dos: de rechtspraak van de Staatse Raad van Brabant inzake defloratie', in: B.C.M. Jacobs & E.C. Coppens (ed.), Een Rijk Gerecht. Opstellen aangeboden aan prof. mr. P.L. Nève, Nijmegen: Gerard Noodt Instituut,.1998, p. 43-58 (Werken uitgegeven door het Gerard Noodt Instituut).

35. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 301.

36. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 399.

37. Zie de reeds genoemde licentiaatsverhandeling van Raeijmaekers, Historisch-demografische studie van Hoogstraten.

38. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 457.

39. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 618 en 629.

40. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 630. Zie: Gertjan Jorissen, 'P.C. Leyenborgh, zielzorger van Baarle (1731-1750)', in: Gielis, 'Leven', p. 139-152.

41. Charles M.A. Caspers, 'De mis van Adrianus en Adriana. De kennismaking van een Brabantse pastoor en een gewone gelovige met de geleerde magie, Breda 1589-1590', in: Munire Ecclesiam, Maastricht, 1990, p. 99-108. Vgl. Gielis, 'Magie', p. 55.

42. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 645-646. De uitspraak, waaruit De Brouwer uitvoerig citeert, is te vinden in: Diocesaan archief, I. Antverpiensia, A. 70, op datum 22-10-1728 (Van den Nieuwenhuizen, Archieven, p. 3). Vgl. Gielis, 'Magie', p. 55.

43. Marcel Van den Berg, Volksverhalen uit Antwerpen, Utrecht - Antwerpen: Uitgeverij Het Spectrum, 1981, nr. 77, p. 61. Het is mogelijk dat Winck en zijn companen gebruik maakten van het toverboek Grimoire du pape Honorius (zie Gielis, 'Magie', p. 23-24). In 1925 zou de bekende volkskundige en etnoloog Frans Olbrechts een manuscript van een Nederlandse vertaling van een Frans toverboek (misschien het manuscript dat in Lier gebruikt is door Winck?) gezien hebben in het Aartsbisschoppelijk Archief in Mechelen (zie Gielis, 'Magie', p. 55, n. 125); ik heb het er vooralsnog niet kunnen terugvinden; ook is het niet overgebracht naar Antwerpen. Het enige bekende exemplaar van een Grimoire du pape Honorius in België bevindt zich in het Musée en Piconrue te Bastogne. In Frankrijk ben ik er via online-catalogen een vijftal (van diverse edities) op het spoor kunnen komen.

44. Fl. Prims, Album Pastorum Campiniae, Antwerpen: Uitgave van de 'Bijdragen tot de geschiedenis', 1952, p. 228.

45. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 645. De Brouwer haalt zijn informatie over dit geval niet uit de archieven, maar uit het Synodicon Belgicum van De Ram. Prims citeert in zijn Album een Latijnse tekst over de bijgelovige praktijken van pastoor Van der Veken, maar geeft daar geen bron van aan.

46. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 645. Het dossier is te vinden in: Stadsarchief van Antwerpen, Kerkelijk fonds, nr. 107 (vgl. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. I, p. xiv). De uitspraak is te vinden in: Diocesaan archief, I. Antverpiensia, A. 66, op datum 27-9-1675 (Van den Nieuwenhuizen, Archieven, p. 3; vgl. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. I, p. xiii).

47. De Brouwer, Kerkelijke Rechtspraak, dl. II, p. 646. Het hier bedoelde dossier is te vinden in: Diocesaan archief, II. Officialiteit, bundel 4, nr. 27 (Van den Nieuwenhuizen, Archieven, p. 16).