PAASWAKE.

 

(De kerk is spaarzaam verlicht. Op het oksaal staan enkele "lampadaires" opgesteld om licht te geven aan het koor, zonder dat het grote licht boven wordt ontstoken : op die manier kunnen de koorleden lezen zonder dat het grote licht de sfeer in de kerk bederft.

Achter het altaar staat het levensgrote kruis met een witte doek, beschenen door een spotlicht van beneden uit. In de kerk verspreid bij de pilaren : kandelaars met kaarsen.

Op een tafel voor het altaar : een grote koperen schaal die dienst zal doen als doopvont.

Achter in de kerk : twee kleine kruiken met water, een kleine tafel met daarop de offergaven (kelk, wijn, water, brood …)

Achter in de kerk staat eveneens een versierde "tak van Palmpasen" (cfr. Steinerschool).

Buiten de kerk, nog voorbij de rijweg, staat de vuurmand opgesteld.

Als de priester zich vanuit de sacristij naar de vuurmand buiten de kerk begeeft, nodigt hij de mensen die in de kerk reeds zitten uit om mee naar buiten te gaan naar de wijding van het vuur.

Ook de lopende micro wordt meegenomen (FVL), zodat de priester zich buiten de kerk verstaanbaar kan maken voor de mensen die toch binnen gebleven zijn.

Bij de vuurmand staande nodigt de priester de mensen uit om zich aan te sluiten rond de vuurmand. Hij steekt met een lont het vuur aan in de vuurmand. Daarna spreekt hij volgend gebed uit :

1. Zegening van het vuur

  1. God, Gij bron van licht en warmte;

Gij die onze duisternis verlicht,

Gij die aanwezig zijt bij ons in dit uur,

Zegen dit paasvuur,

Laat dit licht onze harten verlichten

En onze harten brandend houden op onze weg naar U.
Dat vragen wij U door Christus Jezus, onze Heer.

2. Ontsteking van de paaskaars.

a) Lied van het licht (bij het aansteken van de Paaskaars)

koor :

Licht, ontloken aan het donker,

Licht, gebroken uit de steen,

Licht, waarachtig levensteken,

Werp uw waarheid om ons heen.

Allen:

Licht, geschapen, uitgesproken,

Licht, dat straalt van Gods gelaat,

Licht uit Licht, uit God geboren,

Groet ons als de dageraad.

Koor :

Licht, aan liefde aangestoken,

Licht, dat door het donker brandt,

Licht, jij lieve lentebode,

Zet de nacht in vuur en vlam.

Allen :

Licht, straal hier uit onze ogen,

Licht, breek uit in duizendvoud,

Licht, kom ons met stralen tooien,

Ga ons voor van hand tot hand !

 

b) Ontsteken van de paaskaars :

P. Jezus Christus is dezelfde

Gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid.

Hij is de alfa en de omega, de eerste en de laatste,

De oorsprong en het einde.

Hem zij de heerlijkheid en de macht

In de eeuwen der eeuwen. Amen.

Moge de Heer door zijn glorievolle verrijzenis

Alle duisternis van ons verdrijven.

3. Intocht van de paaskaars

(Processie naar de kerk en naar het altaar, met op kop de priester met de paarskaars en de ceremoniarius. Achter hen aan : de aanwezigen die het ontsteken van de paaskaars buiten mee hebben gevolgd).

  1. driemaal (telkens op hogere toon : Licht van Christus,

Allen : God zij dank gebracht.

De eerste keer achteraan in de kerk – eerste keer licht doorgeven.

De tweede keer midden in de kerk – tweede keer licht doorgeven

De derde keer vooraan bij het altaar – derde keer licht doorgeven.

Bij het doorgeven van het licht worden ook de kaarsen die op de kandelaars bij de pilaren staan, aangestoken.

De paaskaars wordt bij het altaar op de kandelaar geplaatst, en ieder gaat naar zijn plaats.

De priester bewierookt de paaskaars

(Er wordt een verantwoordelijke aangeduid die erop toeziet dat de uitgedoofde vuurmand

In het portaal van de kerk wordt gezet en één deur opnieuw gesloten wordt).

Daarna volgt de Paasboodschap

4. PAASBOODSCHAP (na de lichtprocessie, als de paaskaars op de kandelaar staat) – de mensen blijven rechtstaan met brandende kaars)

 

Voor U, mensen die hier aanwezig zijt,

wil ik zingen van Jezus Christus :

uit de nacht van de dood is Hij opgestaan,

als een wonder van licht midden de duisternis.

REFREIN : ZOALS HET LICHT ONS VERBLIJDT IN DE NACHT

ZO IS JEZUS ONZE VREUGDE.

HIJ IS HET LICHT VOOR ONZE OGEN,

HIJ IS EEN FEEST VOOR ONS HART.

Door mensen bestemd om te verdwijnen

In het donker graf van het verleden,

Heeft God Hem opnieuw geschapen

Om het licht te zijn voor onze toekomst.

In deze nacht heeft Hij de duisternis verbroken

In deze nacht heeft Hij de dood overwonnen

In deze nacht is Hij voor ons verrezen,

In deze nacht zingen wij : Alleluia !

REFRFEIN : ZOALS HET LICHT …

Voor allen die verzinken in de dood

Is Hij een bron van leven.
Nieuwe ogen geeft hij aan de blinden,

Hij is het Licht voor alle volkeren.

In deze nacht heeft Hij de duisternis verbroken,

In deze nacht heeft Hij de dood overwonnen,

In deze nacht is Hij voor ons verrezen,

In deze nacht zingen wij : Alleluia !

REFREIN : ZOALS HET LICHT …

(allen gaan zitten, kaarsen worden gedoofd – de lichten in de zijbeuken worden ontstoken).

5. Inleiding op de lezingen.

Lector .

Wij lezen vanavond grote verhalen in de bijbel.

Wij horen hoe God ons uit liefde geschapen heeft.

Wij horen hoe Hij de weeklachten van zijn volk niet meer kon aanhoren,

en zijn volk liet vertrekken uit de slavernij van Egypte.

In de Eucharistieviering zullen we opnieuw het verhaal horen over het graf van Jezus, dat leeg was.

 

6. Eerste lezing : Scheppingsverhaal

Wij lezen nu het scheppingsverhaal uit het boek Genesis.

(de stem van Jahwe wordt vertolkt door een mannenstem, die de lopende micro hanteert.

Het verhaal zelf wordt gelezen door een vrouwelijke lector).

In het begin schiep God de hemel en de aarde.

De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag er over de oervloed,

maar Gods geest zweefde over het water.

God zei :

‘Er moet licht komen’.

En er was licht.

God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis.

Het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht.

De eerste dag.

God zei :

‘Er moet midden in het water een gewelf komen

dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’

En zo gebeurde het.

God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf

van het water erboven.

De tweede dag.

God zei :

‘Het water moet onder de hemel naar één plaats stromen,

Zodat er droog land verschijnt’.

En zo gebeurde het.

Het droge land noemde hij ‘aarde’,

Het samengestroomde water noemde hij ‘zee’.

En God zag dat het goed was.

God zei :

‘overal op aarde moet jong groen ontkiemen :

zaadvormende planten en allerlei bomen

die vruchten dragen met zaad erin.’

En zo gebeurde het.
De aarde bracht jong groen voort : allerlei zaadvormende planten

en allerlei bomen die vruchten droegen met zaad erin.

En God zag dat het goed was.
Het werd avond en het werd morgen.
De derde dag.

God zei :

Er moeten lichten aan het hemelgewelf komen

om de dag te scheiden van de nacht.

Ze moeten de seizoenen aangeven en de dagen en de jaren,

en ze moeten dienen als lampen aan het hemelgewelf,

om licht te geven op de aarde’.
En zo gebeurde het.
God maakte de twee grote lichten,

het grootste om over de dag te heersen,

het kleinere om over de nacht te heersen,

en ook de sterren.

Hij plaatste ze aan het hemelgewelf

om licht te geven op de aarde,

om te heersen over de dag en de nacht

en om het licht te scheiden van de duisternis.
En God zag dat het goed was.
Het werd avond en het werd morgen.
De vierde dag.

God zei :

‘Het water moet wemelen van levende wezens,

en boven de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels vliegen’.

En zo gebeurde het.
Hij schiep de grote zeemonsters en alle soorten wezens

waar het water van wemelt en kroelt,

en alles wat vleugels heeft.

En God zag dat het goed was.
God zegende ze met de woorden :

‘Weest vruchtbaar en word talrijk, en vul het water van de zee.

En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde’.
Het werd avond en het werd morgen.
De vijfde dag.

God zei :

De aarde moet allerlei levende wezens voortbrengen :

vee, kruipende dieren, en wilde dieren’.
En zo gebeurde het.

God maakte alle soorten in het wild levende dieren,

al het vee en alles wat er op de aardbodem rondkruipt.

En God zag dat het goed was.

God zei :

‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn,

die op ons lijken ;

zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee

en over de vogels van de hemel,

over het vee, over de hele aarde

en over alles wat daarop rondkruipt.’

En zo gebeurde het.

God schiep de mens als zijn evenbeeld,

als evenbeeld van God schiep hij hem,

Mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen.

Hij zegende hen en zei tot hen :

Weest vruchtbaar en wordt talrijk,

bevolk de aarde en breng haar onder je gezag :

heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel

en over alle dieren die over de aardbodem rondkruipen’.

Ook zei God :

‘Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten

en alle vruchtbomen op aarde : dat zal jullie voedsel zijn.
Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel

en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen,

geef ik de groene planten tot voedsel.
En zo gebeurde het.

God keek naar alles wat Hij had gemaakt, en zag

dat het zeer goed was.

Het werd avond en het werd morgen.
De zesde dag.

Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid.

Op de zevende dag had God zijn werk voltooid.
Op die dag rustte hij van het werk dat Hij gedaan had.
God zegende de zevende dag en verklaarde hem heilig,

Want op die dag rustte Hij van heel zijn scheppingswerk.

7. Antwoordzang : Almachtige, verheven Heer, Zingt Jubilate nr. 814)

Koor :

Almachtige, verheven Heer, halleluja,

Aan U behoort de lof en eer, halleluja,

Wie kan U loven als Gij zijt, halleluia,

Wij zegenen uw heerlijkheid, halleluja

Halleluja, halleluja, halleluja.

Allen :

Geloofd om moeder aarde, Heer, halleluja,

Ons leven staat in haar beheer, halleluja,

Zij geeft ons vruchten zonder tal, halleluja,

En bonte bloemen overal, halleluja.

Halleluja, halleluja, halleluja.

 

Allen :

Geloofd, gezegend zij de Heer, halleluja,

Wij brengen U de lof en eer, halleluja.

Wij willen nederig en klein, halleluja,

De dienaars van uw grootheid zijn, halleluja.

Halleluja, halleluja, halleluja.

 

8. Tweede lezing : de Exodus uit Egypte.

 

In die dagen sprak de Heer tot Mozes :

Wat roept gij mij toch ?

Beveel de Israëlieten verder te trekken.
Gij zelf moet uw hand opheffen,

uw staf uitstrekken over de zee

en ze in tweeën splijten.

Dan kunnen de Israëlieten over de droge bodem

door de zee trekken.

Ik ga de Egyptenaren halsstarrig maken zodat zij hen achterna gaan.
En dan zal ik Mij verheerlijken ten koste van Farao

en heel zijn legermacht, zijn wagens en zijn wagenmenners.

De Egyptenaren zullen weten dat Ik de Heer ben’.

De engel van God die aan de spits van het leger van de Israëlieten ging,

veranderde van plaats en stelde zich achter hen op,

tussen het leger van de Egyptenaren en het leger van de Israëlieten.

De wolk bleef die nacht donker zodat het niet tot een treffen kwam.

Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee

en de Heer deed die hele nacht door een sterke oostenwind

de zee terugwijken.

Hij maakte van de zee droog land en de wateren spleten vaneen.

Zo trokken de Israëlieten over de droge bodem de zee door,

terwijl de wateren links en rechts een wand vormden.

De Egyptenaren zetten de achtervolging in.
Alle paarden van Farao, zijn wagens en wagenmenners

gingen achter de Israëlieten de zee in.

Tegen de morgenwake richtte de Heer

zijn blikken vanuit de wolkkolom en de vuurzuil

op de legermacht van de Egyptenaren

en bracht ze in verwarring.

Hij liet de wielen van hun wagens scheeflopen

zodat ze slechts met moeite vooruit kwamen.

De Egyptenaren riepen uit :

"Laten we vluchten voor de Israëlieten,

want de Heer strijdt voor hen, en tegen ons."

Toen sprak de Heer tot Mozes :

"Strek uw hand uit over de zee,

dan zal het water terugstromen over de Egyptenaren

en hun wagens en wagenmenners’

Mozes strekte zijn hand uit over de zee,

en toen het licht begon te worden vloeide de zee

naar haar gewone plaats terug.

Daar de Egyptenaren er tegenin vluchten

dreef de Heer hen midden in de zee.

Het water vloeide terug en overspoelde wagens en wagenmenners,

heel de strijdmacht van Farao

die de Israëlieten op de bodem van de zee achterna waren gegaan.

Niet één bleef gespaard.

De Israëlieten daarentegen waren over de droge bodem

door de zee heen getrokken, terwijl de wateren links en rechts van hen

een wand vormden.

Zo redde de Heer op deze dag Israël uit de greep van Egypte.
Israël zag de Egyptenaren dood op de kust liggen.

En het volk kreeg ontzag voor de Heer :

Het stelde in Hem en in Mozes hun vertrouwen.

9. Antwoordlied : Wij trekken nu het diensthuis uit..

(melodie : Gij dienaars aan de Heer gewijd, zingt Jubilate nr. 529)

Koor :

Wij trekken nu het diensthuis uit,
Egypte’s rijkdom onze buit.
De dood ging onze deur voorbij

want bloed was daar, en bloed maakt vrij.

Allen :

En voor ons ligt nu de woestijn

Waar God de Heer de gids zal zijn,

Want God heeft ons een land beloofd,

De naam des Heren zij geloofd.

Koor :

Wij trekken voort, des Heren volk.
De Heer is bij ons in de wolk,

een wolk des daags, een rookkolom,

een schaduw tussen zand en zon.

Allen :

Een wolk des nachts, een vuurkolom,

Een licht, als ’t duister is rondom.

Want God heeft ons een land beloofd,

de Naam des Heren zij geloofd.

Allen :

Wij trekken op de einder aan,

waar al Gods poorten openstaan.

Want God heeft ons een land beloofd,

de Naam des Heren zij geloofd.

 

10. WIJDING VAN HET DOOPWATER EN DOOPSELVIERING.

 

Lector :

Zo hoorden wij drie verhalen uit het Oude Verbond. En wij hoorden hoe het volk van Israël wegtrok uit Egypte, dwars door het water van de Rietzee, op weg naar het beloofde land. Zoals het volk van Israël, zo ook zijn wij in ons doopsel door het water van de dood gegaan, om met Christus te verrijzen tot een nieuw leven. En zo werden wij christenen. Wij gaan nu het doopwater wijden waarmee de kinderen in het komende jaar gedoopt zullen worden.

(vanuit de kerk worden door de moeders van de dopelingen en hun kinderen twee kruiken water aangebracht en in de doopvont gegoten. De processie wordt gevormd door de "ceremoniarius", samen met de moeders en hun kinderen. Tijdens deze processie wordt volgend lied gezongen : "Het water van de grote vloed", op de melodie : Kom Schepper Geest, daal tot ons neer, Zingt Jubilate nr. 409).

Koor :

Het water van de grote vloed

en van de zee zo rood als bloed,

dat is de aardse moederschoot,

dat is de diepte van de dood.

Allen :

Want al het water wist niet af

dat wij verzinken in dit graf,

tenzij de duif die nederdaalt,

ons vrede uit den hoge haalt.

Koor :

Tot ondergang zijn wij gedoemd

als God ons niet bij name noemt.

Maar God zij dank, Hij doet ons gaan

door ’t water van de doodsjordaan.

Allen :

Wij staan geschreven in Zijn hand,

Hij voert ons naar ’t beloofde Land,

als kindren gaan wij zingend voort,

de Vader is het die ons hoort.

Koor :

Met Noach en zijn regenboog,

Mozes die uit Egypte toog,

en Jona uit het hart der zee

zingt heel uw volk aanbiddend mee.

Allen :

Gij brengt de aarde tot het licht

door diepte heen en door gericht.

Eens zal zij bloeien als een roos,

een dal van rozen, zondeloos !

 

Wijdingsgebed door de priester :

God onze Heer,

Gij hebt ons het water gegeven

als bad voor de reiniging,

als lafenis voor onze dorst.

Van U kreeg het water zijn levenskracht.

De zeeën hebt gij in hun grenzen opgesloten,

En uw verbond met ons bezegeld met de regenboog.

Nooit meer zullen zij ons vernietigen.

God onze Heer,

Uw volk trok droogvoets door het water van de Rietzee,

En zo hebt Gij het uit de slavernij bevrijd.

Uw geliefde Zoon Jezus liet zich dopen

door Johannes, in de Jordaan.
Zo werd hij aangeraakt, gezalfd door de Heilige Geest.

Na zijn verrijzenis heeft hij ons opgedragen

om alle volkeren te onderrichten en te dopen

in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

 

Zie dan met mildheid neer op Uw volk, dat hier verzameld is,

en open de bron van het nieuwe leven

voor onze kinderen.

Stort in dit water de Geest uit van uw eengeboren Zoon,

En laat de kinderen die Gij ons wilt schenken

vrij zijn van alle onheil en kwaad dat hen raken kan.
Maak ze tot kinderen van Uw geslacht,

herboren uit het water en uit de Heilige Geest.

(de priester dompelt de paaskaars in het water met de woorden :)

Wij vragen U :

Laat door uw Zoon de levenskracht van de heilige Geest

als een storm over dit water gaan

(de priester houdt de paaskaars in het water en besluit met)

Mogen allen die in dit water gedoopt worden

met Christus begraven worden en uit het graf opstaan

tot een nieuw leven. AMEN.

(de priester zet de paaskaars terug op de kandelaar en besprenkelt de aanwezigen

met doopwater)

11. Afronding van het eerste gedeelte van de paasviering.

LECTOR : "In deze paaswake brachten wij voor ons, christenen, de symbolen licht, vuur en water tot hun paasbetekenis, en wij beluisterden verhalen uit het Oude Testament. Thans vatten wij de Eucharistieviering aan, waarin Chris-tus’ verrijzenis uit de dood centraal staat"

12. Kyrie (Gregoriaans – paasmis)

13. Gloria in excelsis Deo.

(Gregoriaans – de bel rinkelt – de klokken luiden …)

14. Openingsgebed.

(zie vlg. blz).

 

 

 

God onze Heer,

In deze nacht jubelen wij van vreugde,

want Gij hebt Jezus uit de doden opgewekt.

Hij is de eerste die uit de dood is opgestaan,

de nieuwe Adam, die ons voorgaat

op de weg naar de volheid

die alle begrip te boven gaat.

Wij bidden U dat de Paasvreugde

steeds dieper in ons mag doordringen

en aanstekelijk mag werken in de wereld.

Dat vragen wij door Jezus Christus,

de verrezene uit de doden,

die bij in de eenheid van de Heilige Geest

met U leeft in heerlijkheid

tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

15. Eerste lezing : Romeinen 6, 3b- 11

Weet gij niet dat wij door de doop,

die ons één heeft gemaakt met Christus Jezus,

delen in zijn dood ?
Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij,

zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt,

een nieuw leven zouden gaan leiden.
Want indien wij als het ware vergroeid zijn met de dood,

moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding,

in de overtuiging dat onze oude mens met Hem gekruisigd is.

Daardoor is aan het bestaan in de zonde een eind gekomen,

zodat wij niet langer dienstbaar zijn aan de zonde.
Want wie gestorven is, is rechtens vrij van zonde.

Indien wij met Christus gestorven zijn,

geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven.
Want wij weten dat Christus, eenmaal uit de doden opgewekt,

niet meer sterft : de dood heeft geen macht meer over Hem.
Door de dood die Hij is gestorven, heeft hij voorgoed afgerekend met de zonde,

eens en voorgoed.

Het leven dat Hij heeft, heeft alleen met God vandoen.
Zo ook moet gij uzelf beschouwen : als dood voor de zonde

En levend voor God in Christus Jezus.

Daarna als tussenzang : Zingt Jubilate nr. 518, de zesde strofe, met Alleluia)

Koor :

ALLELUIA, ALLELUIA, ALLELUIA,

Allen :

ALLELUIA, ALLELUIA, ALLELUIA.

Koor :

De steen die door de tempelbouwers verachtlijk was een plaats ontzegd

is tot verbazing der beschouwers ten hoeksteen door God zelf gelegd.

Dit werk is door Gods alvermogen door ’s Heren hand alleen geschied.

Het is een wonder voor onz’ ogen, wij zien het maar doorgronden ’t niet.

Koor :

ALLELUIA, ALLELUIA, ALLELUIA.

Allen :

ALLELUIA, ALLELUIA, ALLELUIA.

 

16. Evangelielezing : Mc,16, 1-8 (het lege graf)

Toen de sabbat voorbij was,

kochten Maria van Magdala, Maria van Jakobus en Salome

kruiden om Hem te gaan balsemen.

In alle vroegte op de eerste dag van de week

gingen zij na zonsopgang naar het graf.

Ze zeiden tegen elkaar :

‘Wie zal voor ons de steen bij de ingang van het graf wegrollen’ ?

Maar toen zij opkeken, zagen ze dat de steen reeds weggerold was.

Hij was overigens buitengewoon groot.

Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een jongeman zitten

met een wit kleed om, en ze schrokken hevig.

Maar hij zei hun :

‘Schrik niet. Gij zoekt Jezus van Nazareth, die gekruisigd is.
Hij is niet hier.
Kijk, dit is de plaats waar ze Hem neergelegd hadden.
Maar ga tegen zijn leerlingen en tegen Petrus zeggen :

‘Hij gaat U voor naar Galilea. Daar zult gij Hem zien,

zoals hij U gezegd heeft’.

Maar de vrouwen vluchten naar buiten, weg van het graf,

Bevend van angst en buiten zichzelf.

En in hun paniek vertelden ze het aan niemand.

---------------

Met acclamatie na de lezing van het Evangelie : Alleluia, alleluia, alleluia – eerst door koor, daarna door het volk.

13. Homilie.

 

14. Doopselviering.

Pr. Ik verzoek nu de ouders om met de kindjes naar voren te komen.

(Ondertussen wordt opnieuw het licht doorgegeven en volgend dooplied gezongen

op de melodie : "Kom, Schepper, Geest, daal tot ons neer")

Koor :

Wij komen bij het water saam

Gij roept ons God, bij onze naam

En legt Uw handen op ons hoofd –

Uw naam, o Heer, zij hooggeloofd.

Allen :

Hier is ons kind dat Gij ons gaf,

het nadert nu het watergraf

waarin het hulpeloos verdrinkt

tenzij Gij reddend het omringt.


Koor :

Geef aan ons kind dat U behoort

Uw naam, uw veelbelovend woord

en zeg : "Vrees niet, Ik ben erbij,

wees maar niet bang, jij bent van Mij"

Allen :

Heer, neem dit kind uit onze hand,

draag het naar het beloofde land,

draag het, o herder, in uw schoot

dwars door het water van de dood.

 

 

Allen :

Uw naam zij glorie toegebracht,

die naam draagt nu een nieuw geslacht –

Heer, Gij zijt goed voor ons geweest,

lof zij U, Vader, Zoon en Geest.

(Dan volgt de hernieuwing van de doopbeloften, samen met het uitspreken van deze doopbeloften met de ouders en peter en meter)

Daarna volgt het doopsel. Daarmee eindigt het eerste grote onderdeel van de paasviering, en wordt de eucharistieviering ingezet.

14. Offerande

Lied te kiezen door het koor, bv. O filii et filiae.

(de gaven worden vanachter in de kerk in processie naar voren gebracht).

15 Offerandegebed.

God van leven en verrijzenis,

aanvaard deze gaven

die wij U aanbieden op dit Paasfeest.

Wij bidden U dat wij de Verrezene opnieuw herkennen

bij het breken van het brood, en het rondreiken van de beker.

Dat vragen wij U door Jezus Christus Uw Zoon,

die uit de dood is opgestaan en bij U leeft

in de eenheid van de heilige Geest,

vandaag en tot in eeuwigheid.

 

16. Canon

Na de consecratie als acclamatie : Alleluia, alleluia, alleluia – eerst door het koor, daarna door het volk.

17. Onze Vader (Schollaert)

18. Lam Gods

19. Communie.

Tijdens de communie : een gezang door het koor te kiezen.

 

20. Na de communie : voorbeden.

P. God,

Wij danken U voor het licht en het vuur

dat Gij voor ons zijt geworden

in de verrijzenis van Jezus, uw Zoon.

Hoor ons als wij tot U bidden

om een nieuw leven, overal op aarde.

L. Wij bidden U voor hoop in het leven,

voor mensen die ziek zijn,

voor mensen die leven met een stil verdriet dat niemand kent.

Voor eenzame mensen, voor wie de dag lang duurt.

Voor mensen die geen rust kennen in de nacht.

Voor mensen die niet meer kunnen genezen.

Voor mensen voor wie het leven teveel is geworden.

Cantor : Laat ons bidden.

Allen : Laat ons bidden in de stilte van ons hart,

Dat God de Vader ons bidden verhoren mag.

Voor allen die vastgelopen zijn in hun huwelijk,

Voor ouders die in stilte lijden om hun kinderen,

en voor de kinderen die wenen om hun ouders.

Voor leraars en opvoeders, die het beste geven van zichzelf

maar soms de wanhoop nabij zijn.

Cantor : laat ons bidden.

Allen : Laat ons bidden in de stilte van ons hart,

Dat God de Vader ons bidden verhoren mag.

Voor onze grote wereld,

die leeft in oorlog en in de ban van de terreur,

waar mensen tenonder gaan in armoede, ziekte

en natuurrampen.

Cantor : laat ons bidden.

Allen : Laat ons bidden in de stilte van ons hart,

Dat God de Vader ons bidden verhoren mag.

Voor een gemeenschap vol bezieling,

Die leeft uit de kracht van Jezus’ verrijzenis.

Om mensen die hoop geven,

die warmte uitstralen, die hun beste krachten geven,

die gerechtigheid doen.

Dat zij nooit ontbreken in ons midden.

Cantor : laat ons bidden.

Allen : Laat ons bidden in de stilte van ons hart,

Dat God de Vader ons bidden verhoren mag.

P. God, goede Vader,

Gij kent ons beter dan wij onszelf kennen.

Gij weet wat er in ons hart is.

Gij hebt deze voorbeden gehoord.

Geef dat wij, en heel uw wereld,

telkens weer opstaan

uit angst, dood en vertwijfeling,

omwille van de Verrezene,

Jezus Christus, uw Zoon die met U leeft

in de eenheid van de heilige Geest,

vandaag en tot in eeuwigheid.

AMEN.

21. Slotgebed en zegen

22. Slotzang (allen) : U zij de glorie.

U zij de glorie, opgestane Heer,

U zij de victorie, nu en nimmermeer.

Uit een blinkend stromen daalde d’engel af

heeft de steen genomen van ’t verwonnen graf.

U zij de glorie, opgestane Heer,

U zij de victorie, nu en nimmermeer.

Zou ik nog vrezen nu Hij eeuwig leeft,

die mij heeft genezen, die mij vrede geeft.

In zijn godlijk wezen is mijn glorie groot,

Niets heb ik te vrezen in leven en in dood.
U zij de glorie, opgestane Heer,

U zij de victorie nu en nimmermeer.