Einde

Gods visitekaartje

wie bent U eigenlijk?

Hierboven staat een afdruk van Gods visitekaartje. Het werd voor het eerst gedrukt zo’n 3500 jaar geleden, en staat vermeld bij de aanvang van de tien geboden (Exodus 20:2). Om die vreemde lettertjes te ontcijferen gaan we te rade bij Mozes. Want wanneer hij enige tijd daarvoor door God in de woestijn bij een brandende struik wordt aangesproken, vraagt hij om Zijn naam.

En Mozes zei tegen God:
Zie, wanneer ik bij de Israëlieten kom en tegen hen zeg:
De God van uw vaderen heeft mij naar u toe gezonden, en zij mij zeggen:
Wat is Zijn Naam? Wat moet ik dan tegen hen zeggen?
Exodus 3:13 (NSV)

Die vraag is niet zo vreemd, want een gesprek met een onbekende start vaak met die vraag. Misschien gebeurt dit niet, maar worden dan na afloop alsnog visitekaartjes uitgewisseld.

Enkele eeuwen eerder waren de zonen van Jakob als economisch vluchteling toegekomen in Egypte. Zij hadden noch wet, noch eredienst. Hun godsbegrip was dus erg vaag. Wanneer Mozes de vraag stelt ‘Hoe heet Gij?’, vraagt hij dus niet alleen een naam, maar ook ‘Wie bent U eigenlijk? Bent U wel in staat de Israëlieten te helpen in hun confrontatie met de Farao. En kan U het opnemen tegen zo’n overmacht aan afgoden en magiërs?’. Want ten tijde van de immigratie waren de Israëlieten welkom, maar intussen was het tij gekeerd en werden zij als slaven behandeld.

IK BEN DIE IK BEN

En God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN.
Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen:
IK BEN heeft mij naar u toe gezonden. …
De HEERE, de God van uw vaderen, de God van Abraham,
de God van Izak en de God van Jakob, heeft mij naar u toe gezonden.
Dit is voor eeuwig Mijn Naam, dit is Mijn Naam ter gedachtenis,
van generatie op generatie.
Exodus 3:14 – 15 (NSV)

Gods antwoord verrast een beetje: de naam die Hij opgeeft, is eigenlijk geen naam. Wou God naamloos blijven? Duidelijk niet, want waarom zou Hij dan toenadering tot Mozes zoeken. Wie Plato (ca. 427 - 347 v. Chr.) heeft gelezen kon een antwoord in die stijl verwachten, want in Parmenides komt hij tot de conclusie dat Gods natuur niet te vatten is en dat aan God geen naam kan worden toegekend. Dat wil niet zeggen dat Mozes bij Plato inspiratie heeft gevonden, want de eerste leefde bijna 1000 jaren eerder.

de garantie die Mozes meekrijgt

Gods antwoord is cryptisch en de Bijbelvertalers hebben het er moeilijk mee. Want de vertaling kent meerdere varianten.

JHWH
Ik ben die ik ben (HSV)
Ik ben die er zijn zal (NBV)
Ik ben degene die er altijd is (GNB)
Ik zal zijn, die ik zijn zal (SV)
Ik zal er zijn, zoals ik er ben! (NB)
Ik ben die er is (WV)
Exodus 3:14

Al die vertalingen lijken op de beschrijving die Jezus geeft in het boek Openbaring: ‘IK BEN de alfa en de omega, IK BEN het die is, die was en die komt, de Almachtige’. (Openbaring 1:8 NBV).

Een naam is in de Bijbel vaak meer dan een aanspreektitel. Hij verwijst dan tegelijk naar de voornaamste kenmerken van de persoon en dat is hier ook het geval. ‘IK BEN DIE IK BEN’ wijst op eeuwigheid en onveranderlijkheid. Het maakt duidelijk dat God geen creatie is: Hij kent begin, noch einde. Hij bestond, bestaat en zal altijd bestaan! Dat contrasteert dan met de Farao, want die is de zoveelste in rij, in de zoveelste dynastie van heersers die komen en die gaan. Mozes’ Opdrachtgever zit op een ander en hoger niveau. Dat is de garantie die Mozes meekrijgt en dat moet de Israëlieten ervan overtuigen dat hun God in staat is de belofte van bevrijding waar te maken.

de belangrijkste aandeelhouder zijn van de piramides

Misschien wou God ook, door zich te distantiëren van de klassieke naamgeving, duidelijk maken dat Hij niet thuishoort in de lange rij van afgoden. Hij is werkelijk God, en zo is er maar één. Hij staat buiten en boven de wereld van het veelgodendom: Hij die is, kan op geen enkele wijze vergeleken worden met Amon-Ra, Astarte, Isis, Ra en konsoorten. De Farao mag dan wel de belangrijkste aandeelhouder zijn van de piramides en de opperbevelhebber van een machtig leger, de God van Mozes is de onbetwiste eigenaar van het heelal!

in hoofdletters en in een antieke schrijfstijl

'IK BEN DIE IK BEN' werd geschreven met de letters JHWH, want het oude Hebreeuwse schrift bevatte geen klinkers. De vier letters staan in omgekeerde volgorde, want er wordt geschreven van rechts naar links. Die letters worden ook aangeduid als het tetragrammaton, wat het Griekse woord is voor vier letters. Voeg je klinkers toe, dan krijg je JAHWEH of JEHOVAH.

Orthodoxe Joden spreken deze naam niet uit, als teken van respect voor deze God ‘buiten categorie’. Consequent hiermee vervangen sommige Bijbels de letters JHWH door de titel Adonai, wat het Hebreeuwse woord is voor ‘Heer’. Ook in sommige Nederlandstalige versies van de bijbel wordt Hij om dezelfde reden aangeduid met HEERE, in hoofdletters en in een ouderwetse spelling. In die vertalingen zoek je tevergeefs naar Jahweh.

alles wat mij betreft, is relatief

Voor God geldt ‘IK BEN DIE IK BEN’ - een absolute stelling waar je niets aan kan toevoegen of van afdoen. Voor ons mensen geldt ‘ik zou moeten worden, wie ik bedoeld ben te zijn’. Mijn bestemming wordt niet door mijzelf gedefinieerd, maar door mijn Maker. En wat ik word, is afhankelijk van de cultuur waarin ik opgroei, mijn opvoeding, mijn omgeving, mijn keuzes… Alles wat mij betreft, is relatief en moet vermeld worden in de voorwaardelijke zin. Het is riskant om over mijzelf of anderen te spreken met te grote stelligheid. Want wat vandaag is, bestaat morgen misschien niet meer.

Dan zal ik tegen mijzelf zeggen:
Zo, wat je nu aan voorraad hebt liggen, is voor jaren!
Rust eens uit, ga lekker eten en drinken en neem het er maar goed van.
Maar God zei tegen hem: Jij dwaas!
Nog deze nacht wordt je leven van je opgeëist,
en al die voorraden, voor wie zijn die dan?
Lucas 12:19-20 (GNB)

Onze toekomst is afhankelijk van zoveel factoren, waarvoor geen mens borg kan staan. Daarom ging in vorige generaties het spreken over de toekomst gepaard met ‘Als ’t God belieft’ of - voor wie vertrouwd was met klassieke talen - met ‘Deus volus’. Een ander facet van diezelfde waarheid blijkt uit de waarschuwing om zijn vertrouwen niet in mensen te stellen (Jeremia 17:5) en om zijn huis niet op zand te bouwen, maar op een beter fundament (Matteüs 7:21 - 27). Door de bankencrisis werd het feit dat menselijke toezeggingen slechts een relatieve waarde hebben, opnieuw in de verf gezet.

dat wil zeggen: veel te klein!

Via een naam wordt iets of iemand gedefinieerd. Maar elke definitie is tegelijk een inperking, en wanneer we God proberen te omschrijven kunnen we Hem slechts zo groot maken als ons eigen voorstellingsvermogen - dat wil zeggen veel te klein! De omschrijving JHWH op Gods visitekaartje overschrijdt alle definities en is niet cultureel gebonden: ze overstijgt tijd en ruimte en past zelfs in onze hoogtechnologische maatschappij. Met de beste wil van de wereld: zoiets kan je toch niet zeggen over Bacchus!

Wij mensen hebben een voornaam die ons eigen is en - in onze streken sinds de late middeleeuwen - een familienaam die naar het verleden wijst, want wij heten Jansen, Vandenbossche, Van Damme of Declercq. Misschien leidt die naam tot een positief a priori, misschien roept hij vooroordelen op, want de naam zegt iets over de afkomst of het beroep van onze voorouders, over het volk waartoe we behoren, over onze nationaliteit...

Dank zij die naam worden wij als persoon erkend en krijgen wij een plaats in de familie en in de maatschappij. Wie in China als zoveelste kind geboren wordt en ondergronds moet blijven wegens de één-kind-politiek of wie een paria is in India, leeft soms zonder officiële naam en wordt zo uitgesloten uit het sociale leven.

Soms wordt een mens om een andere reden zijn naam ontzegd. Die naamloosheid duidt op de weigering om de mens te erkennen als persoon. Gevangenen in de concentratiekampen hadden slechts een nummer en dat was één van de vele tekenen van ontmenselijking. De weigering om een mens te benoemen beduidt dat men hem wil reduceren tot iets dat in de weg staat. In zijn autobiografisch boek ‘Ik had geen naam’ beschrijft Dave Pelzer hoe zijn moeder, die aan de drank verslaafd was, weigerde hem aan te spreken met zijn naam. Een schrijnend verhaal, maar het is tegelijk boeiend en hoopgevend hoe Dave Pelzer er toch in slaagt om mens te worden.

Gods naamloosheid ‘JHWH’ is van een gans andere orde en wijst op de onmacht van de mens om Hem op adequate wijze te benoemen.

waarom vraagt gij mijn naam?

IK BEN DIE IK BEN, is dan wel een cryptische benaming, maar die uitspraak werd van bij de aanvang al aangevuld met de omschrijving ‘de God van Abraham, Isaak en Jakob’. Ook al kennen WIJ zijn naam niet, de Oneindige kent ons of zoals Jezus zegt: Hij roept zijn eigen schapen bij naam (Johannes 10:3).

Van Jakob is bekend dat hij op een nacht vocht met (de engel van) God en dan verplicht wordt zijn naam te zeggen. Maar wanneer Jakob zijn tegenstander hetzelfde vraagt, dan zegt deze ‘waarom vraagt gij mijn naam’ (Genesis 32:30). Jakob blijft het antwoord schuldig en de naam van die Andere wordt dus niet geopenbaard. Dat incident lijkt wat op de ontmoeting tussen IK BEN en Mozes, want in beide situaties blijft de Tegenpartij naamloos en dus niet te vatten.

Lezen over Jacobs midlifecrisis?

Ook in de ontmoeting met Jakob wou God niet geplaatst worden in de lange rij van afgoden. Want indien (de engel van) God zijn naam had prijsgegeven, had Jakob die naam wellicht gebruikt voor eigen eer en glorie. Weet je met wie IK gevochten heb?! Wie zoiets doet, verlaagt God tot een afgod - tot iemand die zich laat gebruiken.

Wanneer je iemands naam kent, kan je die persoon voor je eigen kar spannen en ook God kan zo misbruikt worden. Dat typeerde de religieuze leiders ten tijde van Jezus. Maar zich verrijken op Gods kap is een probleem van alle tijden. De mens werkt een ideologie uit die hem baat brengt en plakt er dan Gods naam op. Zo kiest hij de vrucht van de boom der kennis, boven die van de boom des levens.

Jakobs vraag behoefde geen antwoord. Overbodige vragen zijn typerend voor de kennisboom. Ze houden ons bezig en leiden dan de aandacht af van hetgeen echt relevant is. Hoe vaak is het niet dat je na het lezen van een krant of tijdschrift of na een Tv-programma, vaststelt dat je niets hebt bijgeleerd, alleen je schaarse tijd verloren hebt en misschien ook pulp hebt binnengehaald.

Lezen over de levensboom?

de litanie van duizend namen

De Nederlandse filosoof Cornelis Verhoeven vat in het volgend citaat het onderwijs over JHWH mooi samen:

"Is niet iets dergelijks ook het geval, wanneer Jahweh zich tegenover Mozes noemt 'ik ben', 'de zijnde' of 'ik zal zijn die ik zijn zal'? Is dit niet het afweren van elke naam als te voortijdig, een reduplicerend uitstel van identiteit? De oudtestamentische mens durfde de naam van zijn god niet uitspreken, zozeer was hij overtuigd van de gecompliceerdheid van zijn wezen. God is naamloos, maar zijn anonimiteit is het tegendeel van afwezigheid; zij is geladen met oneindig veel mogelijkheden van benaming. Er is alleen een keuze tussen het verzwijgen en de litanie van duizend - en dus altijd te weinig - namen" (niet-weten.nl).

Verhoeven heeft dat prachtig neergeschreven, maar de laatste zin vraagt een vervolg. De naamloze God werd gaandeweg meer en meer omschreven. Niet via een eigennaam, maar wel via tal van titels. ADONAI of HEER is wellicht de meest gebruikte. God werd ook aan het werk gezet want zijn naam werd verbonden aan allerlei werkwoorden. Hij beschermt, troost, staat bij en onderwijst. Hij is de God die voorziet in onze noden en Hij geneest. God werd tenslotte ook bekleed met adjectieven, denk maar aan de Almachtige en de Allerhoogste. Superlatieven werden niet geschuwd, en dat is logisch want al wat we over Hem te zeggen hebben, is een understatement. En omdat God alles overspant, vinden we titels en adjectieven die thuishoren in zowat alle levenssferen. Hij is de Koning en de Knecht, de Hogepriester en de Herder. Maar de relatie tussen God en mens wordt ook vergeleken met de besloten warme sfeer van de geliefden. Als je van iemand houdt, dan MOET je complimenten geven en die vind je overvloedig terug in het Hooglied. En zo kreeg de naamloze God een litanie van duizend namen. Het sobere visitekaartje is nu indrukwekkend aangevuld.

hoe kan Hij dat beter doen, dan door zelf mens te worden?

Maar buiten de anonieme naam IK BEN DIE IK BEN, zijn de beschrijvingen grotendeels antropomorfisch. Via menselijke titels en eigenschappen wordt gepoogd om, zo goed en zo kwaad als het lukt, God in beeld te brengen. Het Joodse volk deed dat aardig goed, mede dank zij Gods interventie via de profeten. En ook Plato kwam dicht in de buurt. Maar vaak was de voorstelling een antipode van wie God is: God werd dan een mismaakt onbetrouwbaar wezen, gekenmerkt door wreedheid en lust, waar zelfs de meest libertijnse burger zijn kinderen niet aan wil toevertrouwen.

De naamloze God is niet voldaan met al die interpretaties. Hij wil gekend zijn zoals Hij werkelijk is, en hoe kan Hij dat beter doen, dan door zelf mens te worden en zo uit de anonimiteit te treden? Doorheen Jezus doet God de maximale inspanning om te openbaren wie Hij is. Door Jezus krijgt God een menselijk gezicht en wordt Hij ook concreet aanspreekbaar met een gewone naam.

Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren,
en je moet hem Jezus noemen.
Hij zal een groot man worden
en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd,
en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven.
Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob,
en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’
Lucas 1:31 - 33

‘De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren,
en men zal hem de naam Immanuel geven,’
wat in onze taal betekent ‘God met ons’.
Matteüs 1:23

Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden
tot de voorouders gesproken door de profeten,
maar nu de tijd ten einde loopt
heeft hij tot ons gesproken door zijn Zoon,
die hij heeft aangewezen als enig erfgenaam
en door wie hij de wereld heeft geschapen.
In hem schittert Gods luister, hij is zijn evenbeeld,
hij schraagt de schepping met zijn machtig woord;
hij heeft, na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken,
plaatsgenomen aan de rechterzijde van Gods hemelse majesteit,
ver verheven boven de engelen
omdat hij een eerbiedwaardiger naam heeft ontvangen dan zij.
Tegen wie van de engelen heeft God immers ooit gezegd:
‘Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt’?
Hebreeën 1:1 - 5

Jezus vulde IK BEN steeds weer aan met nieuwe woorden

Jezus’ komst betekent een breuklijn. Gedaan met de onduidelijkheid over wie God is! Gedaan met de angst om God direct aan te spreken! Jezus leert ons dat we JHWH mogen benoemen als VADER. Als Gods evenbeeld vult Hij IK BEN steeds weer aan met nieuwe woorden.

Ik ben het brood dat leven geeft (Johannes 6:35)
Ik ben het licht der wereld (Johannes 8:12)
Ik ben de deur voor de schapen (Johannes 10:7)
Ik ben de goede herder (Johannes 10:11)
Ik ben de opstanding en het leven (Johannes 11:25)
Ik ben de weg, de waarheid en het leven (Johannes 14:6)
Ik ben in de Vader, en de Vader is in Mij (Johannes 14:11)
Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer (Johannes 15:1)
Ik ben de eerste en de laatste (Openbaring 1:17)
Ik ben de stralende morgenster (Openbaring 22:16)
(NBV)

Het zijn mooie woorden, maar Jezus liet het niet bij woorden: alle titels, adjectieven en werkwoorden die Jahweh werden toegedicht, en alle hiervoor geciteerde aanspraken, werden ook in de praktijk gezet. Hij gaf armen te eten, bevrijdde gevangen mensen, onderwees, genas, vergaf en Hij gaf zijn leven voor zijn vrienden… Hij is de levende illustratie van die onbenoemde God.

Die duidelijkheid roept ook veel weerstand op. Want zolang gebruik gemaakt wordt van de algemene benaming 'God', kan elkeen daaraan een eigen invulling geven. Maar Jezus versmalt die brede weg. Hij stelt scherp wie God werkelijk is en wat Hij van de mens verwacht en Hij stelt zijn luisteraars voor een keuze. Wellicht is dat één van de redenen waarom je in de media wél geregeld over God hoort praten, terwijl tegelijk die naam van Jezus gemeden wordt.

Hoeveel grootspraak is er niet

Hiervoor werd het al gezegd: definities kunnen reducerend werken en een naam maakt iemand kwetsbaar. Dat ervoer Jezus aan den lijve: zijn naam werd geëerd, maar ook door het slijk gehaald. Dat gebeurde toen, en het gebeurt tot op vandaag. Hoeveel grootspraak is er niet? Mensen die het God eens zullen zeggen, cabaretiers die bij gebrek aan betere humor Jezus’ naam en woord misbruiken, cartoons en reacties in de media waarin Jezus’ doen en laten belachelijk wordt gemaakt…

De bijbel maant op heel wat plaatsen aan tot voorzichtigheid. Nadat God aan Mozes zijn naam had meegedeeld, gaf Hij in de tien geboden de waarschuwing om die naam niet ijdel te gebruiken. In onze cultuur maakt dat nog weinig indruk. Het levert je op vele fora zelfs bijval op als je Hem tegen de schenen stampt. Maar wie zich met God wil meten werd gewaarschuwd. In het Onzevader spoort Jezus zijn volgelingen aan te bidden ‘Geheiligd zij uw naam’. Dat sluit aan bij die tien geboden.

Het respect voor Gods naam en dus voor zijn Persoon, hangt ten dele samen met de handelswijze van de christenen. Want wanneer zij het slechte voorbeeld geven, wordt Gods Naam besmeurd. Dat is wat doorheen de kerkgeschiedenis gebeurd is. En ook onze generatie werd geteisterd door allerlei schandalen. Maar als christenen hun familienaam eer aan doen, en een levend bewijs zijn van Gods liefde, dan wordt zichtbaar wie God werkelijk is en dan wordt zijn Naam geheiligd.

dat gesigneerde diamantje

Om af te sluiten nog een woordje uitleg over de verandering van naam. Geregeld lezen we in de bijbel dat een roeping gepaard gaat met een verandering van naam. God geeft dan een nieuwe naam, want Hij wil ons niet inperken tot de vrucht van vorige generaties. Hij ziet in ons veel meer dan alleen de erfgenaam van een bepaalde opvoeding en cultuur. Zo werd Jakob ISRAËL, Saulus PAULUS en Simon PETRUS. Simon leek voorbestemd voor een leven als kleine zelfstandige, maar God had een andere bestemming voor ogen.

God is zelfs zinnens om al wie straks behoort tot zijn familie een nieuwe naam te geven. In het laatste Bijbelboek deelt God geschenken uit: … een wit steentje waarop een nieuwe naam staat die niemand kent, behalve diegene die het ontvangt (Openbaring 2:7). De geheimhouding toont dat die nieuwe naam geen identificatiemiddel is, om in een rijk gevulde hemel mensen van elkaar te kunnen onderscheiden. Neen, het is een koosnaampje dat gebruikt wordt tussen twee geliefden, waar de buitenwacht geen weet van heeft. En dat gepersonaliseerde diamantje leert ons dat we straks niet opgaan in een onpersoonlijk energetisch veld, opgeslorpt door het AL. Ons lichaam mag dan wel tot as vergaan en dienen als grondstof in een verdergaande cyclus, de herboren geestelijke mens overleeft de dood. We zijn en blijven unieke personen die ook later met God een originele persoonlijke liefdesrelatie kunnen onderhouden. Paulus schrijft zelfs hoe christenen van Korinthe in de toekomst God volledig zullen kennen, zoals ze zelf gekend zijn (1 Korintiërs 13:12). Straks vatten Gods kinderen de diepe betekenis van de duizend namen!

C.S. Van Audenard
juni 2013

www.deversmaldevraag.be
Begin