Zo
vader, zo zoon
Onze
kinderen werden in hun eerste schooljaren op woensdagnamiddag altijd opgevangen
door mijn ouders in Welle. Op een dag in de winter, toen de oudste 8 jaar en de
jongste 5 jaar was, vroeg mijn moeder ons of we niet eens wilden uitkijken naar
een activiteit voor hen, omdat ze in de loop van de namiddag vaak met hun eigen
geen weg konden en dan zodanig wild gek scheerden in huis dat het geen naam meer
had. Van kennissen hadden we gehoord dat de kinderen woensdagnamiddag konden
gaan basketbal spelen in Denderleeuw. Dat leek ons een goed idee en mijn vader
kon hen daarheen brengen. Maar dat “basketten” werd geen succes, want na
één keer wilden ze al niet meer terug. "Dat was niet zo leuk", klonk het 's
avonds. Ze konden ook gaan zwemmen, maar in de voormiddag van dezelfde dag
gingen ze allebei al zwemmen met de klas, dus dat zou van het goede te veel zijn
geweest. We zaten een poos met de handen in het haar, want er moest echt een
activiteit worden gevonden waaraan ze zich een flink stuk konden afreageren.
Toen ik de oudste op een avond vroeg wat hij eigenlijk wilde doen woensdag
namiddag, antwoordde hij zonder dralen: "lopen". Vanaf de volgende
woensdag ging mijn vader met hen naar het Broekpark in Welle een paar rondjes
lopen.
Krampen
in de kuiten
Toen ik
acht jaar was kwam een jonge vrouw bij ons thuis aanbellen met de vraag of er
kinderen waren die graag wilden deelnemen aan een groot evenement met
verscheidene sporttakken en allerhande volksspelen, dat zou plaats vinden op en
rond het kerkplein in Welle. Mijn moeder zei dat enkel de oudste zoon (mijn
broer was amper 4 jaar) in aanmerking kwam om aan zoiets deel te nemen en ze
haalde mij er even bij. Toen de vrouw vroeg wat ik goed kon en graag wilde doen
antwoordde ik: "lopen". En ze vond dat uitstekend, want er stond
immers ook een grote aflossingskoers op het programma en het feit dat ik nog zo
jong was zou wel geen probleem zijn. Ik werd die dag aan een ploeg toegevoegd en
ik moest als laatste lopen, over een afstand van ongeveer 300m. Toen ik de
aflossingstok overhandigd kreeg lag de ploeg waarvan ik deel uit maakte aan de
leiding. Ofschoon ongetwijfeld veel mensen aan de kant stonden te denken dat ik
de kleine voorsprong gauw zou kwijt spelen, slaagde ik er in de aanstormende
spurters voor te blijven en ik werd als een echte held onthaald. Ik zal deze dag
nooit vergeten. Het was de start van een merkwaardige atletiekcarrière. Mijn
ouders werden na die wedstrijd aangesproken door Frans Van Der Hoeven die hen
kon overhalen mij te laten aansluiten bij atletiekclub Vlierzele Sportief, dat
toen een kern met goede atleten had in Welle.
In oktober
van dat jaar liep ik mijn eerste oefencross bij de pupillen. Ik eindigde
negende. Verder dat seizoen heb ik niet veel crossen meer gelopen. Het was al
gauw winter en ’s avonds na school nog gaan trainen zagen zowel mijn ouders
als ik zelf nog niet zitten. Ik zag trainen op zich toen nog niet zetten. Ik
herinner mij nochtans nog dat ik een paar keer op zaterdag naar de clubtraining
ben gegaan. Die trainingen werden geleid door Frans Van Der Hoeven en zij vonden
meestal plaats in de toen nog open en onverharde “kouter” van Welle. Ik
vermoed dat ik gewoon nog te jong was voor het oefenwerk. Bovendien was de zomer
mijn meest actieve en favoriete periode. En omdat in de zomer spelen met mijn
vrienden zowat mijn enige bezigheid was, was er van loopwedstrijden op de piste
evenmin sprake.
Mijn ouders
woonden in een wijk waar in die jaren niet zo veel verkeer was en dus was het
veilig voor de kinderen om op straat te spelen. ’s Zomers speelde ik met mijn
vriendjes bijna iedere dag op straat en altijd werd er gevoetbald of het scheelde
niet veel. Ook ik voetbalde graag en ik kon best overweg met een voetbal, maar
het meest merkwaardige aan mijn spel was dat ik nooit stil stond, ik liep
altijd. En hoe langer de match duurde die we speelden, hoe meer en hoe harder ik
liep. Als de meeste van mijn vrienden aan de kant zaten uit te hijgen, kwam ik
pas echt goed op dreef. Op dagen dat ik alleen was hield ik loopcross in onze
tuin. Ik stippelde een parcours uit en ik plaatste hier en daar een kist of een
schraag uit het tuinhuis die als hindernis moesten dienen. Zo liep en sprong ik
tot ik krampen kreeg in mijn kuiten.
Nooit zal
ik de zomer vergeten, ik vermoed van het jaar 1975, waarin ik op een avond bij
kennissen van mijn ouders door een glazen deur was gelopen en vrij ernstig
gewond was aan mijn onderbenen en knieën. Ik had van de dokter verbod kregen om
gedurende 2 weken te stappen en al na 6 dagen spurtte ik blootsvoets over het
gazon van onze tuin, met de draadjes nog in de wonden.
Gouden
beker
Die zomers
en dat speelse loopwerk bezorgden mij voldoende conditie om telkens deel te
nemen aan de eerste oefencrossen in oktober en november. Die hadden plaats in
o.a. Welle, Wanzele, Papegem, Ressegem
en Bottelare. Voor een eerste overwinning en een heuse "beker" moest
ik wachten tot in 1978 in Wanzele. Ik was toen 10 jaar. Die beker en dat podium
hadden mij de jaren tevoren altijd al zo veel ontzag ontlokt dat ik echt opkeek
naar de jongens en meisjes die hadden gewonnen en op de hoogste trede mochten
gaan staan. Zij moesten dan hun naam zeggen in de "micro" alvorens ze
hun gouden beker kregen. Dat jaar was het dus mijn beurt. Ik heb sindsdien al
meer bekers en trofeeën gewonnen, maar die ene beker staat bij mij thuis op de
kast in het bureel. Dat jaar won ik overigens nog een paar oefenwedstrijden van
Vlierzele Sportief. Maar, zoals ik al eerder vermelde, aan officiële crossen
later op het seizoen nam ik nauwelijks deel. Daar stonden altijd zó veel lopers
aan de start dat mijn knieën tegen elkaar kletsten van de zenuwen en ik bij het
kleinste stootje en duwtje mijn evenwicht kwijt was en niet meer vooruit geraakte. Dat
was niets voor mij. Mijn vader had dat ook meteen in de gaten en beperkte de
officiële crossen tot een minimum. Trouwens, tegen nieuwjaar was de
"speelconditie" weg en kon ik niet meer wedijveren tegen de jongens
die er in de week heuse trainingen op nahielden.
Links
back
Zo ging dat
voort tot ik miniem en kadet
was geweest. In 1983 had ik plots geen goesting meer om te lopen. Ik
wilde gaan voetballen bij FC Denderleeuw. Mijn broer voetbalde daar ook en ik
ging al geregeld 's zaterdags mee om te supporteren. Dat voetbalavontuur heeft
anderhalf seizoen geduurd, tot ik eindelijk het verschil kende tussen de
"links back" en de "extreem rechts". Ik ging liever naar de
trainingen dan een match te moeten spelen. Ik besefte dat ik te
individualistisch was ingesteld; dat "ploeggeest-gedoe" ging mij niet
af. Dat ik in het eerste kwartier van mijn eerste match bij het eerste
balcontact wist te scoren, heeft daar niets kunnen aan veranderen. Intussen was
ik doorheen mijn eerste puberteitsjaren gesparteld en ik kreeg terug goesting om
mijn gezicht naar atletiek te draaien.
Ik liet mij
als tweedejaars scholier opnieuw aansluiten bij Vlierzele Sportief en ging in
september en oktober regelmatig trainen in Denderleeuw. Ik werd meteen tweede in
de eerste oefencross en een dikke maand later werd ik clubkampioen.
Maar net zoals in mijn vroegere jaren liep ik die winter verder nauwelijks
crossen, in hoofdzaak omdat de middelbare school alle aandacht en tijd opeiste
en ik bij gevolg niet genoeg kon blijven trainen. De officiële veldloop in
Denderleeuw was voor dat najaar de laatste. In maart nam ik wel nog deel aan het
Belgisch kampioenschap veldlopen. Dat was het jaar dat Jef Gees won bij de
senioren. Ik werd 24ste bij scholieren.
De
piste
Dan weer
wel in tegenstelling tot mijn eerste jaren, maakte ik in het voorjaar wel kennis
met de piste. Mijn eerste pistewedstrijd was een 800m tijdens de
interclubwedstrijden op de sintelpiste van Denderleeuw. Ik finishte in
2'08". In de zomervakantie kreeg ik tijd om te trainen en in augustus nam
ik deel aan de jaarlijkse gouden 800m. Het was de grootste 800m-wedstrijd van
het seizoen en dé ideale gelegenheid om een goede tijd te lopen. Ik werd 5de
in 1'58"2. Een paar weken later nam ik ook deel aan de Belgische
kampioenschappen in het Heizelstadion in Brussel. Wat een ervaring. Zaterdag
reeksen, zondag finale. Ik geraakte bij de beste acht en eindigde op een vijfde
plaats in 1'58"6.
Op die
manier keerde het tij toen ik junior
was. Ik liep nauwelijks crossen, tenzij enkele oefencrossjes in oktober
en november en vanaf eind juni zette ik alles op het pisteseizoen. Ik zat in
mijn laatste jaren van het secundaire onderwijs en tijd om te trainen was er
nauwelijks. Behalve in juli en augustus dan. Als junior liep ik ook voor de
eerste keer een 1500m op de piste. Mijn besttijden waren, naar beneden afgerond:
1'56" en 3'59". In mijn juniorenjaren nam ik individueel enkel deel
aan de provinciale pistekampioenschappen en ik behaalde een keer de laagste
podiumplaats. Op de nationale aflossingskampoenschappen 4 x 1500m werd ik samen
met Hans Van Der Hoeven, Hans Van Holsbeek en Jan Moreels Belgisch kampioen.
Tijdens de latere officiële veldloop van Welle werden we voor deze titel
gehuldigd (zie foto).
Sportkot
In juni
1987 kreeg ik mijn diploma van hoger secundair onderwijs overhandigd. De weg
naar een brede basisconditie lag eindelijk open en dus was de keuze om niet
verder te studeren vlug gemaakt. Die zomer liep ik 1'54" op 800m,
2'34" op 1000m en 3'55" op 1500m. Aan kampioenschappen nam ik niet
deel.
In
september van dat jaar kon ik voor een jaar beginnen werken al stagiair bij de
toenmalige RTT in Brussel. 11 maanden later, op 1 augustus 1988, ben ik in
Koksijde voor 12 maanden "soldaat" bij de luchtmacht
geworden. Ik was toen 20 jaar. De conditie die ik het voorbije jaar had
opgebouwd, was na twee maand zo goed als weg. Mijn eigenlijke dienstplicht heb
ik in St. Truiden vervuld, in de "mess" van de onderofficieren. Pas in
maart van het volgende jaar ben ik terug beginnen lopen, nadat ik mij had laten
inschrijven voor de 800m van de luchtmachtkampioenschappen. Die zouden plaats
vinden in mei in Leuven. De eerste twee van iedere discipline mochten een week
naar het sportkot in Leuven komen voor een stage, om vervolgens in Duitsland te
gaan deelnemen aan een interland met Duitsland, Engeland, Frankrijk, de USA en
Nederland. Ik werd tweede in de finale en mocht mee naar Aurich, wat mij alweer
een kanjer van een ervaring opbracht en ongetwijfeld een anekdote waard is.
Leon
Schots
Van die
luchtmachtkampioenschappen had ik erge pijn in mijn kuiten overgehouden, allicht
vanwege het snelle werk op de piste. Toen ik dat melde aan de verantwoordelijke
onderofficier (Jean-Paul Michiels), stelde hij mij voor een kalme duurloop mee
te doen met de “mannen van de lange afstand”. Toen we verzamelden zag ik dat
die mannen mij met binnenpretjes stonden aan te kijken. Ik kon meteen uit hun
blik opmaken dat ze van oordeel waren dat de tocht door het bos van Heverlee
mijn beste keer niet zou worden. Die mannen waren o.a.
Leon Schots, Alex Haegelsteens, Danny Schuurmans en de jonge Guido
Bockland (zie groepsfoto).
Na een inloop van ca. twintig minuten werd
er progressief versneld. Aanvankelijk had ik het even moeilijk, maar na 40
minuten ging ik steeds gemakkelijker lopen. Ik was vrij goed op uithouding
getraind en daar hadden ze dus geen rekening mee gehouden. Ik voelde mij zelfs
zo goed dat ik een paar keer op kop ging lopen. Leon Schots, die de herfst of
zelfs de winter al van zijn carrière beleefde, had nog een zeer goede
basisconditie en liep bijgevolg nog vlot mee. Tot ik voor de tweede keer op kop
kwam en er een “snok” aan gaf. Toen begon hij te blazen en te sakkeren.
Haegelsteens en co, die Schots al beter kenden, keken elkaar geamuseerd aan. Ik
wist eerst niet goed wat te denken, maar ik had al gauw door dat hij weer de
clown uit hing en dat de anderen zich daar telkens kostelijk mee vermaakten.
Even verder kwamen we (nogmaals) aan een houten balk, waarmee de toegang werd
ontzegd aan gemotoriseerd verkeer (aan de ingang van het Liedekerkebos liggen
ook twee zo’n balken). Ik wist dat wij voorbij die balk moesten en ik dacht:
nu is ’t moment om die gasten lik op stuk te geven en ik versnelde nog een
keer fors en sprong dan gezwind over die balk. Schots stopte onmiddelijk met
lopen, trok ter zelfde tijd een Godverse vloek af en zei vervolgens: “Na is
’t gedaun, na is ’t genoeg … as dá allemau kan joengens”. De anderen
lachten zich bijna een breuk. Een paar minuten later, toen Schots was bekomen en
ik ogenschijnlijk mijn gramschap had gehaald, zetten we de duurloop verder om
even later terug in het sportkot aan te komen. Naderhand kwam Leon Schots op me
af en gaf me zonder iets te zeggen een paar schouderklopjes. Ik keek hem even
ernstig in de ogen en fors blazend en met een pijnlijke trek om zijn mond wendde
hij zijn blik af. Als ik hem in Aurich tegen het lijf liep, kreeg ik telkens een
lachend knipoogje toe gegooid. Ik zou het niet beschreven krijgen wat dat
betekende voor mij als piepjonge atleet, dat ik toen toch nog was. Ook dit zal
ik van mijn leven niet meer vergeten. Het ligt zelfs nog vers in mijn geheugen,
alsof het gisteren is gebeurd. In de internationale 800-meterwedstrijd
aldaar werd ik tweede achter landgenoot Phillipe Thonet (zie
foto podium).
Later nam
ik nog deel aan de nationale militaire kampioenschappen in Hechtel, waarin ik
vijfde eindigde in de finale en ook nog aan de interclubwedstrijden met
Eendracht Aalst. Ondertussen was ik goed blijven doortrainen en de conditie
kreeg stilaan vorm. Ik was intern gekazerneerd en daarom ging na mijn dagtaak
regelmatig trainen op de sintelpiste van St. Truiden.
Drie
clubrecords
Op 1
augustus 1989 ben ik officieel “afgezwaaid”, maar ik was de vrijdag ervoor
al definitief naar huis mogen gaan. Die eerste augustus ben ik naar een
avondmeeting getogen in Ninove en ik nam er deel aan de 1000m. In het spoor van
de grootste belofte en uitzonderlijk talent Christophe Impens liet ik een tijd
van 2’24”4 klokken. In de volgende weken groeide ik gestaag door naar een
supervorm. In september, tijdens de najaarsmeetings, liep ik in één week nog
een 1500m in 3’47”6 en een 2000m in 5’18”3. Deze tijden waren elk goed
voor een nieuw clubrecord in Aalst. Nog een week later was de eindtijd die ik
samen met Marc Van Der Hoeven, Geert Pas en Bart Meganck liet opmeten tijdens de
provinciale aflossingskampioenschappen 4 x 1500m opnieuw goed voor een
clubrecord: 16’11”00. Ik was op dat moment net 21 jaar geworden. Mijn
besttijd op 800m was 1’52”5.
Nadat ik
was afgezwaaid had ik de gewoonte aangenomen twee keer per week te gaan trainen
op de piste in het sportpark van Denderleeuw, onder leiding van Frans Van Der
Hoeven. Ofschoon ik Frans doorgaans slechts twee keer zag, had hij een positieve
invloed op mij en op mijn prestaties.
Fluitsignaal
De winter
die volgde was nog maar eens een povere zaak. Ik sukkelde voortdurend met lichte
verrekkingen in mijn linker hamstrings. Het was alsof de lage wintertemperaturen
er iets mee te maken hadden, want telkens als het heel koud was liep ik met
krampen in die spieren. Toen het voorjaar en ook warmer werd slaagde ik er terug
in langer en sneller te trainen. Opnieuw ging ik dinsdag en donderdag naar de
piste in Denderleeuw voor het kwaliteitswerk met Frans Van Der Hoeven. Frans
leerde mij lopen aan een snelheid van 15” per 100m, met behulp van een
fluitsignaal. Via dat fluitsignaal wist ik of ik te snel of te traag liep. Zo
ontwikkelde ik tempovastheid. De eerste trainingen kwamen neer op een aantal
keer 200m in 30”, maar geleidelijk aan werd dat progressief uitgebouwd. De
eerste koers van dat seizoen viel op 4 mei en was een 800m op de sintelpiste van
Geraardsbergen. Ik had er echter geen concurentie en ik liep die 800m alleen in
1’55”0. Geen week later startte ik in een 1500m in Aalst en dat was meteen
bittere ernst. Impens en Meirlaen waren voor een scherpe tijd gekomen en er werd
met behulp van hazen zeer snel gelopen. Met een laatste 300m in 50” liet ik
nog een tijd optekenen van 3’49”36. Daarmee wist ik dat ik goed was. Op het
einde van die maand werd ik provinciaal kampioen over 800m.
Eerder
dat voorjaar, op 7 april 1990, overleed Geert
Rasschaert. Ik had Geert gekend tijdens onze jeugdjaren bij Vlierzele
Sportief. Voor heel veel atleten was zijn plotse dood, kort na zijn eerste
marathon in Rotterdam, een harde slag. Geert stond op het punt een groot atleet
te worden, maar het lot maakte daar op de meest fatale manier een einde aan.
Internationaal
Op een
avond, na de training in Aalst, werd ik aangesproken door Willy Godaert. Hij
vroeg me of ik zin had om met hem mee te gaan naar Duitsland (Essen) voor
deelname aan een bescheiden internationale meeting. Ik hapte meteen toe. Het
betrof een 1500m. Ik wist dat het een unieke kans zou zijn om mijn persoonlijk
record van 3’47”6 te verbeteren. Ik liep er 3’46”81 met de naweeën van
een keelontsteking. Een maand en een handvol koersen later werd ik opnieuw
uitgenodigd door Willy voor een 800m in Luxemburg (GH – Diekirch). Hijzelf zou
er de 5000m lopen. In een snelle wedstrijd met o.a.
wereldkampioen Billy Konchella werd ik derde in een nieuw persoonlijk
record van 1’50”81. Op 29 juli werd ik in Woluwe nationaal beloftenkampioen
1500m. Maar ik was over mijn hoogtepunt, kampte met vermoeidheid en moest in die
wedstrijd junior Phillipe Jacquemin met een halve seconde laten voorgaan.
Christophe Impens, ongetwijfeld de snelste belofte van dat moment, was afwezig
gebleven in Woluwe.
De 12de
augustus stond de gouden 800m in Lebbeke op het programma. Ik werd met Bogaert en Meirlaen in de krant als favoriet naar voor
geschoven. Met twee hazen aan de kop werd er zeer snel gelopen en ik was de
enige die Terrier (een rappe Fransman), Bogaert en Meirlaen kon volgen. De
Fransman zegevierde afgetekend en ik werd tweede na een spannende spurt met
Bogaert en Meirlaen. Mijn tijd was 1’50”6, waarmee ik alweer met een paar
tienden mijn besttijd scherper stelde.
Tegen
de vlakte
Dat jaar
werden in Luik (Naimette – Xhovemont) de Belgische pistekampioenschappen
georganiseerd. Ik had mij laten inschrijven voor de 800m. Zaterdag reeksen en
zondag finale. Ik zat echter met een serieus probleem. Eerder die zomer had ik
deelgenomen aan een staatsexamen (VWS) en ik was geslaagd voor het eerste
gedeelte. Het tweede deel viel op de dag van de finale van de 800m. In
samenspraak met Frans Van Der Hoeven had ik besloten algelijk de reeksen te
gaan bekampen. Ik werd tweede in mijn reeks en had hiermee de 6de
tijd. Geplaatst voor de finale dus. Ik ben de volgende ochtend vroeg naar
Brussel gespoord voor het examen en niet naar Luik voor de finale van de 800m.
Later is gebleken dat dat de juiste keuze was, want ook voor het tweede deel was
ik geslaagd en op basis van dat examen ben ik aan een vaste job geraakt bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De finale van de 800m is op de
koop toe een fiasco geworden, met uiteindelijk geen kampioen.
Bij het uitkomen van de laatste bocht is er getrokken en geduwd door een
paar atleten en ze zijn met vier tegelijk tegen het tartan gesmakt. Na veelvuldig
protest vanuit verschilldende kampen werd besloten de race te laten herlopen.
Maar toen bleek dat alleen Phillipe Denis de enige bereidwillige starter was werd
het een nieuwe finale met slechts één loper. Aanvankelijk werd Denis als
kampioen aangeduid, maar na nieuw protest en overleg werd tenslotte ook hij uit
de uitslag geschrapt, met als definitief gevolg dat in 1990 uiteindelijk niemand
kampioen van België op de 800m is geworden.
Eén week
later werd ik opgebeld door iemand van de atletiekbond met de vraag of ik wilde
deelnemen aan een heruitgave van de finale van het kampioenschap, dat op touw
zou worden gezet tijdens de laatste Lotto-meeting in Duffel. Ik heb onmiddellijk
positief geantwoord. Het is niet echt een nieuw kampioenschap geworden, want de
helft van de finalisten was niet bereid de koers over te doen. Ik eindigde derde
na Denis en de Nederlander Marco Leenders. De tijd dat ik er liep is nu nog
steeds mijn besttijd op 800m: 1’50”39.
Johan
De Schrijver
Daarna liep
ik nog een paar minder belangrijke pistewedstrijden en na een korte rust- en
zelfs ook blessureperiode dook ik met veel moed het winterseizoen in, want ik
wilde korte crossen lopen. En ik slaagde er ook in een zeker vormpeil te
behouden. Ik behaalde enkele ereplaatsen en in maart werd ik in Antwerpen op
linkeroever derde in de korte cross van het nationaal kampioenschap. Ik had heel
hard getraind de voorbije maand en langzamerhand raakte ik vermoeid en overbelast. Twee weken na het kampioenschap raakte ik geblesseerd aan de linker
hamstrings. Ik dacht eerst dat het om een kleine verrekking ging, maar na
verscheidene onderzoeken bleek de blijvende pijn in de bil vanuit mijn onderrug te komen.
Er was zelfs sprake van een hernia. Na meer dan een jaar en een resem
onderzoeken, schrikwekkende diagnoses en behandelingen, kon ik in de zomer van 1992 opnieuw beginnen lopen en begin 1993 had ik terug een
bescheiden conditie opgebouwd. In februari van dat jaar leerde ik Johan De
Schrijver kennen die ik na een paar aangename gesprekken aanwierf als
persoonlijke trainer. Johan was een gewezen 800m-loper bij Eendracht Aalst. Hij
had meteen door dat ik te hard en te snel aan het trainen was en slaagde er in
mij af te remmen en mij te onderleggen aan meer evenwichtiger schema's. Al na
één maand vloog ik. Ik had ook gesleuteld aan mijn voedingsgewoonten en was
gezonder gaan eten, met meer volkoren producten, fruit en rauwe groenten. Ik
wilde absoluut opnieuw doorstoten naar de nationale top en het was mij zeer
duidelijk dat om dat te bereiken er ook gezond moest worden gegeten.
Pudding
We piekten
naar de korte cross van het Belgische kampioenschap dat in Mechelen zou plaats
vinden en we verhoopten een podiumplaats. De laatste testen waren in elk geval
zeer gunstig verlopen. Mechelen werd een ramp. Nog vóór half wedstrijd
gingen de benen over tot een totale verzuring en in de laatste kilometer zakte
ik als een pudding in elkaar. Bijna letterlijk. We wisten niet wat er gaande was
en toen ik ook nog de weken daarop opvallend futloos en totaal zonder kracht
bleef lopen, liet ik een bloedonderzoek uitvoeren. De reden van mijn flauwtes
werd snel achterhaald; ik liep met klierkoorts. In tegenstelling tot wat we
hoopten, ging het vervolgens van kwaad naar erger met mijn conditie en mijn
gezondheid in het algemeen. Ik was de laatste weken gewicht verloren en ik bleef
afvallen. Toen ik de 28ste mei in het huwelijk trad met Martina,
een meisje uit Liedekerke, woog ik nog amper 65 kg. Ik kwam van 72 kg.
In de
pistewedstrijden die ik liep raakte ik niet meer onder twee en vier minuten over
respectievelijk 800m en 1500m. Op iets langere afstanden kon ik mij,
aanvankelijk, nog wel uit de slag trekken. Kort na mijn huwelijk liep ik in
Ninove een 3000m in 8'32"4. De klierkoorts bleef woekeren en woekerde
heviger dan we durfden denken en uiteindelijk moesten we de trainingen volledig
staken. Ik liep telkens totaal futloos en was oververmoeid. Ik bleef nog steeds
vermageren en verzwakken en stilaan kreeg ik ook last van
spijsverteringstoornissen en van darmklachten. Toen ging ik mentaal volledig
onderuit. Uit een onderzoek bleek ik overgevoelig te zijn voor zuiderse vruchten, olijfolie, noten
en gluten. Dat laatste ongemak verbood mij brood en andere vormen van gebak te
eten. Ik moest altijd en overal letten op wat ik wel en niet at en ik was op de
duur volledig het noorden kwijt. De darmstoornissen evolueerden in geen tijd tot
een heuse schimmelinfectie (candida) en op de koop toe moest ik concluderen dat
ik weken met een spoelworm had rond gelopen. In 1995 werd ik door dr. Françoise
Wellekens (specialiste in gastro- enterologie) eerst een maand en daarna nog
eens twee maanden thuis gehouden van mijn werk in Brussel. Ik zou aan "orthorexia-nervosa"
lijden.
Pas in de
zomer van 1995, met een gewicht van 50 kg, ben ik langzaam beginnen herstellen.
En dat moest ook, want dieper kon ik echt niet zakken en bovendien was Martina
zwanger van ons eerste kindje.
Sebastian
Op 7
januari 1996 is Sebastian geboren. Het was mijn wens om onze eerste zoon te
noemen naar de Engelse halve fondloper Sebastian
Coe.
Drie maand
later zijn we beginnen bouwen. Het harde werken, onder leiding van mijn
schoonvader, heeft er voor gezorgd dat ik een ander mens ben geworden. Ik heb
verschrikkelijk op mijn tanden moeten bijten om (vaak letterlijk !) overeind te
blijven, maar ik ben er met een hernieuwd lichaam en een versterkte geest uit
gekomen. Op het einde van de bouwwerken, in het voorjaar van 1997, ben ik
herbegonnen met hardlopen. Ik was toen aangekomen tot 62 kg. Aanvankelijk kampte ik
nog vaak met vermoeidheid, maar gaande weg vlotte dat beter. In de zomer van
1998 ging ik regelmatig trainen in Liedekerkebos met mannen als Fons De Neef en
Noël Van Asbroeck (zie boslopers)
en ik had een vrij brede basisconditie weten op te bouwen. Ik stond mijn
mannetje in stratenlopen en in mijn eerste pistewedstrijd sinds vele jaren liep
ik 8'39" over 3000m. Even later sloeg het noodlot opnieuw toe. Ik geraakte
geblesseerd aan een pees op het rechter heupbeen en wegens overbelasting
ontaardde dat ongemak in een ontsteking. Ik heb na behandeling nog een paar keer
aangedrongen, maar ik voelde al gauw dat dat geen zin had. Mijn arts vertelde me
dat ik allicht nog te mager was en dat frictie van de pees over het bot de
oorzaak was van de ontsteking. Ik zou dus eerst nog wat moeten
"vervetten" en ook versterken.
Niels
Op
20 augustus van dat jaar werd ons tweede kindje geboren. Ik liet Martina deze
keer een naam aanbrengen en zij hoorde “Niels” graag. We moesten merkwaardig
genoeg allebei denken aan Niels Holgerson, het tot kabouter omgetoverde
jongetje dat op de rug van een witte gans met een groep wilde ganzen naar het
hoge noorden trok op zoek naar avontuur en waarvan we als kind zeer geboeid naar
de tekenfilms hadden gekeken.
Cyclo-sportieven
Omdat
ik niet wou stilzitten ben ik beginnen fietsen. Ik schafte mij een koersfiets
aan en ik ging eerst rustig bij een wielertoeristenclub rijden. Later evolueerde
dat naar meer doorgedreven en bij gevolg naar wedstrijden bij de
cyclo-sportieven.
Dat fiets-avontuur
heeft drie jaar geduurd. In maart 2002, toen ik 34 jaar zou worden en 65 kg
woog, achtte ik het moment gekomen om het lopen te hervatten. Na een goede start
viel ik drie maanden later terug uit met een nieuwe ontsteking aan dezelfde
rechter heuppees.
Laatste
kans
In augustus
van 2002 besloot ik een laatste poging te wagen en op een mooie avond ben ik
naar het bos gelopen. Het zou mijn laatste kans zijn geweest en met de
ingesteldheid "alles mag, niets moet", ben ik er in geslaagd aan het
lopen te blijven. Eind september, na een achttal weken zonder noemenswaardige
pijn in de heup, heb ik het gewaagd, hetzij voorzichtig, deel te nemen aan de
jaarlijkse Pajotrun in Liedekerke. Ik liep zonder pijn of enig ander ongemak een
vrij snelle 5 km en werd er derde. Ook de dagen na die wedstrijd ondervond ik
geen hinder aan de heup. Ik was vertrokken. Twee weken later ben ik gestart in
de volkscross van Liedekerke waarin ik negende werd. Stilaan kreeg een nieuwe
conditie vorm en ik kon in november en december al vrij intensieve
intervaltrainingen afwerken. In Wichelen en Aalst nam ik deel aan de corrida's
met bevredigend en hoopvol resultaat. In de zomer daarop ging het op en af. Ik ging
regelmatig mee met Fons Deneef voor deelname aan een stratenloop. Vaak legde ik
de lat iets te hoog en dan moest ik ondervinden dat er nog heel wat basiswerk voor de
boeg lag. In juli liet ik mij opnieuw bij Eendracht Aalst aansluiten en een
poosje later liep ik een onderbezette 5000m op de piste van Aalst in een tijd
van 15'40". Pas in augustus besloot ik wat minder kilometers te trainen en
één keer per week een snelheids/weerstandstraining te doen op de piste. Eind
augustus was ik met deze aangepaste trainingsvorm op de piste van Ninove
(avondmeeting) goed voor 8'51" op 3000m. Vooral de laatste twee ronden
zorgden er voor dat kon worden gesproken van een degelijke prestatie. Op twee ronden van het einde had ik de
leiding genomen om die niet meer af te staan en om een laatste 400m te lopen in
65". In september liep ik ook nog een 1500m van de
aflossingskampioenschappen in Oordegem met een al even hoopgevend resultaat
(4'06").
De volgende
winter, die van 2003-2004 ging de conditie en de vorm alleen maar stijgen; fors
stijgen, want na goede uitslagen in de Corrida's van Wichelen en Aalst, won ik
twee interbankencrossen.
Het verdere
verloop van mijn atletiekleven kan u lezen in mijn dagboek
op deze site.