Mijn verhaal

START
Mijn verhaal
Lopersdagboek
Boslopers
Foto's
Persberichten
Links
Kunstgalerij


Zo vader, zo zoon

Onze kinderen werden in hun eerste schooljaren op woensdagnamiddag altijd opgevangen door mijn ouders in Welle. Op een dag in de winter, toen de oudste 8 jaar en de jongste 5 jaar was, vroeg mijn moeder ons of we niet eens wilden uitkijken naar een activiteit voor hen, omdat ze in de loop van de namiddag vaak met hun eigen geen weg konden en dan zodanig wild gek scheerden in huis dat het geen naam meer had. Van kennissen hadden we gehoord dat de kinderen woensdagnamiddag konden gaan basketbal spelen in Denderleeuw. Dat leek ons een goed idee en mijn vader kon hen daarheen brengen. Maar dat “basketten” werd geen succes, want na één keer wilden ze al niet meer terug. "Dat was niet zo leuk", klonk het 's avonds. Ze konden ook gaan zwemmen, maar in de voormiddag van dezelfde dag gingen ze allebei al zwemmen met de klas, dus dat zou van het goede te veel zijn geweest. We zaten een poos met de handen in het haar, want er moest echt een activiteit worden gevonden waaraan ze zich een flink stuk konden afreageren. Toen ik de oudste op een avond vroeg wat hij eigenlijk wilde doen woensdag namiddag, antwoordde hij zonder dralen: "lopen". Vanaf de volgende woensdag ging mijn vader met hen naar het Broekpark in Welle een paar rondjes lopen.

Krampen in de kuiten

Toen ik acht jaar was kwam een jonge vrouw bij ons thuis aanbellen met de vraag of er kinderen waren die graag wilden deelnemen aan een groot evenement met verscheidene sporttakken en allerhande volksspelen, dat zou plaats vinden op en rond het kerkplein in Welle. Mijn moeder zei dat enkel de oudste zoon (mijn broer was amper 4 jaar) in aanmerking kwam om aan zoiets deel te nemen en ze haalde mij er even bij. Toen de vrouw vroeg wat ik goed kon en graag wilde doen antwoordde ik: "lopen". En ze vond dat uitstekend, want er stond immers ook een grote aflossingskoers op het programma en het feit dat ik nog zo jong was zou wel geen probleem zijn. Ik werd die dag aan een ploeg toegevoegd en ik moest als laatste lopen, over een afstand van ongeveer 300m. Toen ik de aflossingstok overhandigd kreeg lag de ploeg waarvan ik deel uit maakte aan de leiding. Ofschoon ongetwijfeld veel mensen aan de kant stonden te denken dat ik de kleine voorsprong gauw zou kwijt spelen, slaagde ik er in de aanstormende spurters voor te blijven en ik werd als een echte held onthaald. Ik zal deze dag nooit vergeten. Het was de start van een merkwaardige atletiekcarrière. Mijn ouders werden na die wedstrijd aangesproken door Frans Van Der Hoeven die hen kon overhalen mij te laten aansluiten bij atletiekclub Vlierzele Sportief, dat toen een kern met goede atleten had in Welle.

In oktober van dat jaar liep ik mijn eerste oefencross bij de pupillen. Ik eindigde negende. Verder dat seizoen heb ik niet veel crossen meer gelopen. Het was al gauw winter en ’s avonds na school nog gaan trainen zagen zowel mijn ouders als ik zelf nog niet zitten. Ik zag trainen op zich toen nog niet zetten. Ik herinner mij nochtans nog dat ik een paar keer op zaterdag naar de clubtraining ben gegaan. Die trainingen werden geleid door Frans Van Der Hoeven en zij vonden meestal plaats in de toen nog open en onverharde “kouter” van Welle. Ik vermoed dat ik gewoon nog te jong was voor het oefenwerk. Bovendien was de zomer mijn meest actieve en favoriete periode. En omdat in de zomer spelen met mijn vrienden zowat mijn enige bezigheid was, was er van loopwedstrijden op de piste evenmin sprake.

Mijn ouders woonden in een wijk waar in die jaren niet zo veel verkeer was en dus was het veilig voor de kinderen om op straat te spelen. ’s Zomers speelde ik met mijn vriendjes bijna iedere dag op straat en altijd werd er gevoetbald of het scheelde niet veel. Ook ik voetbalde graag en ik kon best overweg met een voetbal, maar het meest merkwaardige aan mijn spel was dat ik nooit stil stond, ik liep altijd. En hoe langer de match duurde die we speelden, hoe meer en hoe harder ik liep. Als de meeste van mijn vrienden aan de kant zaten uit te hijgen, kwam ik pas echt goed op dreef. Op dagen dat ik alleen was hield ik loopcross in onze tuin. Ik stippelde een parcours uit en ik plaatste hier en daar een kist of een schraag uit het tuinhuis die als hindernis moesten dienen. Zo liep en sprong ik tot ik krampen kreeg in mijn kuiten.

Nooit zal ik de zomer vergeten, ik vermoed van het jaar 1975, waarin ik op een avond bij kennissen van mijn ouders door een glazen deur was gelopen en vrij ernstig gewond was aan mijn onderbenen en knieën. Ik had van de dokter verbod kregen om gedurende 2 weken te stappen en al na 6 dagen spurtte ik blootsvoets over het gazon van onze tuin, met de draadjes nog in de wonden.  

Gouden beker

Die zomers en dat speelse loopwerk bezorgden mij voldoende conditie om telkens deel te nemen aan de eerste oefencrossen in oktober en november. Die hadden plaats in o.a. Welle, Wanzele, Papegem, Ressegem en Bottelare. Voor een eerste overwinning en een heuse "beker" moest ik wachten tot in 1978 in Wanzele. Ik was toen 10 jaar. Die beker en dat podium hadden mij de jaren tevoren altijd al zo veel ontzag ontlokt dat ik echt opkeek naar de jongens en meisjes die hadden gewonnen en op de hoogste trede mochten gaan staan. Zij moesten dan hun naam zeggen in de "micro" alvorens ze hun gouden beker kregen. Dat jaar was het dus mijn beurt. Ik heb sindsdien al meer bekers en trofeeën gewonnen, maar die ene beker staat bij mij thuis op de kast in het bureel. Dat jaar won ik overigens nog een paar oefenwedstrijden van Vlierzele Sportief. Maar, zoals ik al eerder vermelde, aan officiële crossen later op het seizoen nam ik nauwelijks deel. Daar stonden altijd zó veel lopers aan de start dat mijn knieën tegen elkaar kletsten van de zenuwen en ik bij het kleinste stootje en duwtje mijn evenwicht kwijt was en niet meer vooruit geraakte. Dat was niets voor mij. Mijn vader had dat ook meteen in de gaten en beperkte de officiële crossen tot een minimum. Trouwens, tegen nieuwjaar was de "speelconditie" weg en kon ik niet meer wedijveren tegen de jongens die er in de week heuse trainingen op nahielden.

Links back

Zo ging dat voort tot ik miniem en kadet was geweest. In 1983 had ik plots geen goesting meer om te lopen. Ik wilde gaan voetballen bij FC Denderleeuw. Mijn broer voetbalde daar ook en ik ging al geregeld 's zaterdags mee om te supporteren. Dat voetbalavontuur heeft anderhalf seizoen geduurd, tot ik eindelijk het verschil kende tussen de "links back" en de "extreem rechts". Ik ging liever naar de trainingen dan een match te moeten spelen. Ik besefte dat ik te individualistisch was ingesteld; dat "ploeggeest-gedoe" ging mij niet af. Dat ik in het eerste kwartier van mijn eerste match bij het eerste balcontact wist te scoren, heeft daar niets kunnen aan veranderen. Intussen was ik doorheen mijn eerste puberteitsjaren gesparteld en ik kreeg terug goesting om mijn gezicht naar atletiek te draaien.

Ik liet mij als tweedejaars scholier opnieuw aansluiten bij Vlierzele Sportief en ging in september en oktober regelmatig trainen in Denderleeuw. Ik werd meteen tweede in de eerste oefencross en een dikke maand later werd ik clubkampioen. Maar net zoals in mijn vroegere jaren liep ik die winter verder nauwelijks crossen, in hoofdzaak omdat de middelbare school alle aandacht en tijd opeiste en ik bij gevolg niet genoeg kon blijven trainen. De officiële veldloop in Denderleeuw was voor dat najaar de laatste. In maart nam ik wel nog deel aan het Belgisch kampioenschap veldlopen. Dat was het jaar dat Jef Gees won bij de senioren. Ik werd 24ste bij scholieren.

De piste

Dan weer wel in tegenstelling tot mijn eerste jaren, maakte ik in het voorjaar wel kennis met de piste. Mijn eerste pistewedstrijd was een 800m tijdens de interclubwedstrijden op de sintelpiste van Denderleeuw. Ik finishte in 2'08". In de zomervakantie kreeg ik tijd om te trainen en in augustus nam ik deel aan de jaarlijkse gouden 800m. Het was de grootste 800m-wedstrijd van het seizoen en dé ideale gelegenheid om een goede tijd te lopen. Ik werd 5de in 1'58"2. Een paar weken later nam ik ook deel aan de Belgische kampioenschappen in het Heizelstadion in Brussel. Wat een ervaring. Zaterdag reeksen, zondag finale. Ik geraakte bij de beste acht en eindigde op een vijfde plaats in 1'58"6.

Op die manier keerde het tij toen ik junior was. Ik liep nauwelijks crossen, tenzij enkele oefencrossjes in oktober en november en vanaf eind juni zette ik alles op het pisteseizoen. Ik zat in mijn laatste jaren van het secundaire onderwijs en tijd om te trainen was er nauwelijks. Behalve in juli en augustus dan. Als junior liep ik ook voor de eerste keer een 1500m op de piste. Mijn besttijden waren, naar beneden afgerond: 1'56" en 3'59". In mijn juniorenjaren nam ik individueel enkel deel aan de provinciale pistekampioenschappen en ik behaalde een keer de laagste podiumplaats. Op de nationale aflossingskampoenschappen 4 x 1500m werd ik samen met Hans Van Der Hoeven, Hans Van Holsbeek en Jan Moreels Belgisch kampioen. Tijdens de latere officiële veldloop van Welle werden we voor deze titel gehuldigd (zie foto).

Sportkot

In juni 1987 kreeg ik mijn diploma van hoger secundair onderwijs overhandigd. De weg naar een brede basisconditie lag eindelijk open en dus was de keuze om niet verder te studeren vlug gemaakt. Die zomer liep ik 1'54" op 800m, 2'34" op 1000m en 3'55" op 1500m. Aan kampioenschappen nam ik niet deel.

In september van dat jaar kon ik voor een jaar beginnen werken al stagiair bij de toenmalige RTT in Brussel. 11 maanden later, op 1 augustus 1988, ben ik in Koksijde voor 12 maanden "soldaat" bij de luchtmacht geworden. Ik was toen 20 jaar. De conditie die ik het voorbije jaar had opgebouwd, was na twee maand zo goed als weg. Mijn eigenlijke dienstplicht heb ik in St. Truiden vervuld, in de "mess" van de onderofficieren. Pas in maart van het volgende jaar ben ik terug beginnen lopen, nadat ik mij had laten inschrijven voor de 800m van de luchtmachtkampioenschappen. Die zouden plaats vinden in mei in Leuven. De eerste twee van iedere discipline mochten een week naar het sportkot in Leuven komen voor een stage, om vervolgens in Duitsland te gaan deelnemen aan een interland met Duitsland, Engeland, Frankrijk, de USA en Nederland. Ik werd tweede in de finale en mocht mee naar Aurich, wat mij alweer een kanjer van een ervaring opbracht en ongetwijfeld een anekdote waard is.

Leon Schots

Van die luchtmachtkampioenschappen had ik erge pijn in mijn kuiten overgehouden, allicht vanwege het snelle werk op de piste. Toen ik dat melde aan de verantwoordelijke onderofficier (Jean-Paul Michiels), stelde hij mij voor een kalme duurloop mee te doen met de “mannen van de lange afstand”. Toen we verzamelden zag ik dat die mannen mij met binnenpretjes stonden aan te kijken. Ik kon meteen uit hun blik opmaken dat ze van oordeel waren dat de tocht door het bos van Heverlee mijn beste keer niet zou worden. Die mannen waren o.a. Leon Schots, Alex Haegelsteens, Danny Schuurmans en de jonge Guido Bockland (zie groepsfoto). Na een inloop van ca. twintig minuten werd er progressief versneld. Aanvankelijk had ik het even moeilijk, maar na 40 minuten ging ik steeds gemakkelijker lopen. Ik was vrij goed op uithouding getraind en daar hadden ze dus geen rekening mee gehouden. Ik voelde mij zelfs zo goed dat ik een paar keer op kop ging lopen. Leon Schots, die de herfst of zelfs de winter al van zijn carrière beleefde, had nog een zeer goede basisconditie en liep bijgevolg nog vlot mee. Tot ik voor de tweede keer op kop kwam en er een “snok” aan gaf. Toen begon hij te blazen en te sakkeren. Haegelsteens en co, die Schots al beter kenden, keken elkaar geamuseerd aan. Ik wist eerst niet goed wat te denken, maar ik had al gauw door dat hij weer de clown uit hing en dat de anderen zich daar telkens kostelijk mee vermaakten. Even verder kwamen we (nogmaals) aan een houten balk, waarmee de toegang werd ontzegd aan gemotoriseerd verkeer (aan de ingang van het Liedekerkebos liggen ook twee zo’n balken). Ik wist dat wij voorbij die balk moesten en ik dacht: nu is ’t moment om die gasten lik op stuk te geven en ik versnelde nog een keer fors en sprong dan gezwind over die balk. Schots stopte onmiddelijk met lopen, trok ter zelfde tijd een Godverse vloek af en zei vervolgens: “Na is ’t gedaun, na is ’t genoeg … as dá allemau kan joengens”. De anderen lachten zich bijna een breuk. Een paar minuten later, toen Schots was bekomen en ik ogenschijnlijk mijn gramschap had gehaald, zetten we de duurloop verder om even later terug in het sportkot aan te komen. Naderhand kwam Leon Schots op me af en gaf me zonder iets te zeggen een paar schouderklopjes. Ik keek hem even ernstig in de ogen en fors blazend en met een pijnlijke trek om zijn mond wendde hij zijn blik af. Als ik hem in Aurich tegen het lijf liep, kreeg ik telkens een lachend knipoogje toe gegooid. Ik zou het niet beschreven krijgen wat dat betekende voor mij als piepjonge atleet, dat ik toen toch nog was. Ook dit zal ik van mijn leven niet meer vergeten. Het ligt zelfs nog vers in mijn geheugen, alsof het gisteren is gebeurd. In de internationale 800-meterwedstrijd aldaar werd ik tweede achter landgenoot Phillipe Thonet (zie foto podium).

Later nam ik nog deel aan de nationale militaire kampioenschappen in Hechtel, waarin ik vijfde eindigde in de finale en ook nog aan de interclubwedstrijden met Eendracht Aalst. Ondertussen was ik goed blijven doortrainen en de conditie kreeg stilaan vorm. Ik was intern gekazerneerd en daarom ging na mijn dagtaak regelmatig trainen op de sintelpiste van St. Truiden.

Drie clubrecords

Op 1 augustus 1989 ben ik officieel “afgezwaaid”, maar ik was de vrijdag ervoor al definitief naar huis mogen gaan. Die eerste augustus ben ik naar een avondmeeting getogen in Ninove en ik nam er deel aan de 1000m. In het spoor van de grootste belofte en uitzonderlijk talent Christophe Impens liet ik een tijd van 2’24”4 klokken. In de volgende weken groeide ik gestaag door naar een supervorm. In september, tijdens de najaarsmeetings, liep ik in één week nog een 1500m in 3’47”6 en een 2000m in 5’18”3. Deze tijden waren elk goed voor een nieuw clubrecord in Aalst. Nog een week later was de eindtijd die ik samen met Marc Van Der Hoeven, Geert Pas en Bart Meganck liet opmeten tijdens de provinciale aflossingskampioenschappen 4 x 1500m opnieuw goed voor een clubrecord: 16’11”00. Ik was op dat moment net 21 jaar geworden. Mijn besttijd op 800m was 1’52”5.

Nadat ik was afgezwaaid had ik de gewoonte aangenomen twee keer per week te gaan trainen op de piste in het sportpark van Denderleeuw, onder leiding van Frans Van Der Hoeven. Ofschoon ik Frans doorgaans slechts twee keer zag, had hij een positieve invloed op mij en op mijn prestaties.

Fluitsignaal

De winter die volgde was nog maar eens een povere zaak. Ik sukkelde voortdurend met lichte verrekkingen in mijn linker hamstrings. Het was alsof de lage wintertemperaturen er iets mee te maken hadden, want telkens als het heel koud was liep ik met krampen in die spieren. Toen het voorjaar en ook warmer werd slaagde ik er terug in langer en sneller te trainen. Opnieuw ging ik dinsdag en donderdag naar de piste in Denderleeuw voor het kwaliteitswerk met Frans Van Der Hoeven. Frans leerde mij lopen aan een snelheid van 15” per 100m, met behulp van een fluitsignaal. Via dat fluitsignaal wist ik of ik te snel of te traag liep. Zo ontwikkelde ik tempovastheid. De eerste trainingen kwamen neer op een aantal keer 200m in 30”, maar geleidelijk aan werd dat progressief uitgebouwd. De eerste koers van dat seizoen viel op 4 mei en was een 800m op de sintelpiste van Geraardsbergen. Ik had er echter geen concurentie en ik liep die 800m alleen in 1’55”0. Geen week later startte ik in een 1500m in Aalst en dat was meteen bittere ernst. Impens en Meirlaen waren voor een scherpe tijd gekomen en er werd met behulp van hazen zeer snel gelopen. Met een laatste 300m in 50” liet ik nog een tijd optekenen van 3’49”36. Daarmee wist ik dat ik goed was. Op het einde van die maand werd ik provinciaal kampioen over 800m.

Eerder dat voorjaar, op 7 april 1990, overleed Geert Rasschaert. Ik had Geert gekend tijdens onze jeugdjaren bij Vlierzele Sportief. Voor heel veel atleten was zijn plotse dood, kort na zijn eerste marathon in Rotterdam, een harde slag. Geert stond op het punt een groot atleet te worden, maar het lot maakte daar op de meest fatale manier een einde aan.

Internationaal

Op een avond, na de training in Aalst, werd ik aangesproken door Willy Godaert. Hij vroeg me of ik zin had om met hem mee te gaan naar Duitsland (Essen) voor deelname aan een bescheiden internationale meeting. Ik hapte meteen toe. Het betrof een 1500m. Ik wist dat het een unieke kans zou zijn om mijn persoonlijk record van 3’47”6 te verbeteren. Ik liep er 3’46”81 met de naweeën van een keelontsteking. Een maand en een handvol koersen later werd ik opnieuw uitgenodigd door Willy voor een 800m in Luxemburg (GH – Diekirch). Hijzelf zou er de 5000m lopen. In een snelle wedstrijd met o.a.  wereldkampioen Billy Konchella werd ik derde in een nieuw persoonlijk record van 1’50”81. Op 29 juli werd ik in Woluwe nationaal beloftenkampioen 1500m. Maar ik was over mijn hoogtepunt, kampte met vermoeidheid en moest in die wedstrijd junior Phillipe Jacquemin met een halve seconde laten voorgaan. Christophe Impens, ongetwijfeld de snelste belofte van dat moment, was afwezig gebleven in Woluwe.

De 12de augustus stond de gouden 800m in Lebbeke op het programma. Ik werd met Bogaert en Meirlaen in de krant als favoriet naar voor geschoven. Met twee hazen aan de kop werd er zeer snel gelopen en ik was de enige die Terrier (een rappe Fransman), Bogaert en Meirlaen kon volgen. De Fransman zegevierde afgetekend en ik werd tweede na een spannende spurt met Bogaert en Meirlaen. Mijn tijd was 1’50”6, waarmee ik alweer met een paar tienden mijn besttijd scherper stelde.

Tegen de vlakte

Dat jaar werden in Luik (Naimette – Xhovemont) de Belgische pistekampioenschappen georganiseerd. Ik had mij laten inschrijven voor de 800m. Zaterdag reeksen en zondag finale. Ik zat echter met een serieus probleem. Eerder die zomer had ik deelgenomen aan een staatsexamen (VWS) en ik was geslaagd voor het eerste gedeelte. Het tweede deel viel op de dag van de finale van de 800m. In samenspraak met Frans Van Der Hoeven had ik besloten algelijk de reeksen te gaan bekampen. Ik werd tweede in mijn reeks en had hiermee de 6de tijd. Geplaatst voor de finale dus. Ik ben de volgende ochtend vroeg naar Brussel gespoord voor het examen en niet naar Luik voor de finale van de 800m. Later is gebleken dat dat de juiste keuze was, want ook voor het tweede deel was ik geslaagd en op basis van dat examen ben ik aan een vaste job geraakt bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De finale van de 800m is op de koop toe een fiasco geworden, met uiteindelijk geen kampioen.  Bij het uitkomen van de laatste bocht is er getrokken en geduwd door een paar atleten en ze zijn met vier tegelijk tegen het tartan gesmakt. Na veelvuldig protest vanuit verschilldende kampen werd besloten de race te laten herlopen. Maar toen bleek dat alleen Phillipe Denis de enige bereidwillige starter was werd het een nieuwe finale met slechts één loper. Aanvankelijk werd Denis als kampioen aangeduid, maar na nieuw protest en overleg werd tenslotte ook hij uit de uitslag geschrapt, met als definitief gevolg dat in 1990 uiteindelijk niemand kampioen van België op de 800m is geworden.

Eén week later werd ik opgebeld door iemand van de atletiekbond met de vraag of ik wilde deelnemen aan een heruitgave van de finale van het kampioenschap, dat op touw zou worden gezet tijdens de laatste Lotto-meeting in Duffel. Ik heb onmiddellijk positief geantwoord. Het is niet echt een nieuw kampioenschap geworden, want de helft van de finalisten was niet bereid de koers over te doen. Ik eindigde derde na Denis en de Nederlander Marco Leenders. De tijd dat ik er liep is nu nog steeds mijn besttijd op 800m: 1’50”39.

Johan De Schrijver

Daarna liep ik nog een paar minder belangrijke pistewedstrijden en na een korte rust- en zelfs ook blessureperiode dook ik met veel moed het winterseizoen in, want ik wilde korte crossen lopen. En ik slaagde er ook in een zeker vormpeil te behouden. Ik behaalde enkele ereplaatsen en in maart werd ik in Antwerpen op linkeroever derde in de korte cross van het nationaal kampioenschap. Ik had heel hard getraind de voorbije maand en langzamerhand raakte ik vermoeid en overbelast. Twee weken na het kampioenschap raakte ik geblesseerd aan de linker hamstrings. Ik dacht eerst dat het om een kleine verrekking ging, maar na verscheidene onderzoeken bleek de blijvende pijn in de bil vanuit mijn onderrug te komen. Er was zelfs sprake van een hernia. Na meer dan een jaar en een resem onderzoeken, schrikwekkende diagnoses en behandelingen, kon ik in de zomer van 1992 opnieuw beginnen lopen en begin 1993 had ik terug een bescheiden conditie opgebouwd. In februari van dat jaar leerde ik Johan De Schrijver kennen die ik na een paar aangename gesprekken aanwierf als persoonlijke trainer. Johan was een gewezen 800m-loper bij Eendracht Aalst. Hij had meteen door dat ik te hard en te snel aan het trainen was en slaagde er in mij af te remmen en mij te onderleggen aan meer evenwichtiger schema's. Al na één maand vloog ik. Ik had ook gesleuteld aan mijn voedingsgewoonten en was gezonder gaan eten, met meer volkoren producten, fruit en rauwe groenten. Ik wilde absoluut opnieuw doorstoten naar de nationale top en het was mij zeer duidelijk dat om dat te bereiken er ook gezond moest worden gegeten.

Pudding

We piekten naar de korte cross van het Belgische kampioenschap dat in Mechelen zou plaats vinden en we verhoopten een podiumplaats. De laatste testen waren in elk geval zeer gunstig verlopen. Mechelen werd een ramp. Nog vóór half wedstrijd gingen de benen over tot een totale verzuring en in de laatste kilometer zakte ik als een pudding in elkaar. Bijna letterlijk. We wisten niet wat er gaande was en toen ik ook nog de weken daarop opvallend futloos en totaal zonder kracht bleef lopen, liet ik een bloedonderzoek uitvoeren. De reden van mijn flauwtes werd snel achterhaald; ik liep met klierkoorts. In tegenstelling tot wat we hoopten, ging het vervolgens van kwaad naar erger met mijn conditie en mijn gezondheid in het algemeen. Ik was de laatste weken gewicht verloren en ik bleef afvallen. Toen ik de 28ste mei in het huwelijk trad met Martina, een meisje uit Liedekerke, woog ik nog amper 65 kg. Ik kwam van 72 kg.

In de pistewedstrijden die ik liep raakte ik niet meer onder twee en vier minuten over respectievelijk 800m en 1500m. Op iets langere afstanden kon ik mij, aanvankelijk, nog wel uit de slag trekken. Kort na mijn huwelijk liep ik in Ninove een 3000m in 8'32"4. De klierkoorts bleef woekeren en woekerde heviger dan we durfden denken en uiteindelijk moesten we de trainingen volledig staken. Ik liep telkens totaal futloos en was oververmoeid. Ik bleef nog steeds vermageren en verzwakken en stilaan kreeg ik ook last van spijsverteringstoornissen en van darmklachten. Toen ging ik mentaal volledig onderuit. Uit een onderzoek bleek ik overgevoelig te zijn voor zuiderse vruchten, olijfolie, noten en gluten. Dat laatste ongemak verbood mij brood en andere vormen van gebak te eten. Ik moest altijd en overal letten op wat ik wel en niet at en ik was op de duur volledig het noorden kwijt. De darmstoornissen evolueerden in geen tijd tot een heuse schimmelinfectie (candida) en op de koop toe moest ik concluderen dat ik weken met een spoelworm had rond gelopen. In 1995 werd ik door dr. Françoise Wellekens (specialiste in gastro- enterologie) eerst een maand en daarna nog eens twee maanden thuis gehouden van mijn werk in Brussel. Ik zou aan "orthorexia-nervosa" lijden.

Pas in de zomer van 1995, met een gewicht van 50 kg, ben ik langzaam beginnen herstellen. En dat moest ook, want dieper kon ik echt niet zakken en bovendien was Martina zwanger van ons eerste kindje.

Sebastian

Op 7 januari 1996 is Sebastian geboren. Het was mijn wens om onze eerste zoon te noemen naar de Engelse halve fondloper Sebastian Coe.

Drie maand later zijn we beginnen bouwen. Het harde werken, onder leiding van mijn schoonvader, heeft er voor gezorgd dat ik een ander mens ben geworden. Ik heb verschrikkelijk op mijn tanden moeten bijten om (vaak letterlijk !) overeind te blijven, maar ik ben er met een hernieuwd lichaam en een versterkte geest uit gekomen. Op het einde van de bouwwerken, in het voorjaar van 1997, ben ik herbegonnen met hardlopen. Ik was toen aangekomen tot 62 kg. Aanvankelijk kampte ik nog vaak met vermoeidheid, maar gaande weg vlotte dat beter. In de zomer van 1998 ging ik regelmatig trainen in Liedekerkebos met mannen als Fons De Neef en Noël Van Asbroeck (zie boslopers) en ik had een vrij brede basisconditie weten op te bouwen. Ik stond mijn mannetje in stratenlopen en in mijn eerste pistewedstrijd sinds vele jaren liep ik 8'39" over 3000m. Even later sloeg het noodlot opnieuw toe. Ik geraakte geblesseerd aan een pees op het rechter heupbeen en wegens overbelasting ontaardde dat ongemak in een ontsteking. Ik heb na behandeling nog een paar keer aangedrongen, maar ik voelde al gauw dat dat geen zin had. Mijn arts vertelde me dat ik allicht nog te mager was en dat frictie van de pees over het bot de oorzaak was van de ontsteking. Ik zou dus eerst nog wat moeten "vervetten" en ook versterken.

Niels

Op 20 augustus van dat jaar werd ons tweede kindje geboren. Ik liet Martina deze keer een naam aanbrengen en zij hoorde “Niels” graag. We moesten merkwaardig genoeg allebei denken aan Niels Holgerson, het tot kabouter omgetoverde jongetje dat op de rug van een witte gans met een groep wilde ganzen naar het hoge noorden trok op zoek naar avontuur en waarvan we als kind zeer geboeid naar de tekenfilms hadden gekeken.

Cyclo-sportieven

Omdat ik niet wou stilzitten ben ik beginnen fietsen. Ik schafte mij een koersfiets aan en ik ging eerst rustig bij een wielertoeristenclub rijden. Later evolueerde dat naar meer doorgedreven en bij gevolg naar wedstrijden bij de cyclo-sportieven.

Dat fiets-avontuur heeft drie jaar geduurd. In maart 2002, toen ik 34 jaar zou worden en 65 kg woog, achtte ik het moment gekomen om het lopen te hervatten. Na een goede start viel ik drie maanden later terug uit met een nieuwe ontsteking aan dezelfde rechter heuppees.

Laatste kans

In augustus van 2002 besloot ik een laatste poging te wagen en op een mooie avond ben ik naar het bos gelopen. Het zou mijn laatste kans zijn geweest en met de ingesteldheid "alles mag, niets moet", ben ik er in geslaagd aan het lopen te blijven. Eind september, na een achttal weken zonder noemenswaardige pijn in de heup, heb ik het gewaagd, hetzij voorzichtig, deel te nemen aan de jaarlijkse Pajotrun in Liedekerke. Ik liep zonder pijn of enig ander ongemak een vrij snelle 5 km en werd er derde. Ook de dagen na die wedstrijd ondervond ik geen hinder aan de heup. Ik was vertrokken. Twee weken later ben ik gestart in de volkscross van Liedekerke waarin ik negende werd. Stilaan kreeg een nieuwe conditie vorm en ik kon in november en december al vrij intensieve intervaltrainingen afwerken. In Wichelen en Aalst nam ik deel aan de corrida's met bevredigend en hoopvol resultaat. In de zomer daarop ging het op en af. Ik ging regelmatig mee met Fons Deneef voor deelname aan een stratenloop. Vaak legde ik de lat iets te hoog en dan moest ik ondervinden dat er nog heel wat basiswerk voor de boeg lag. In juli liet ik mij opnieuw bij Eendracht Aalst aansluiten en een poosje later liep ik een onderbezette 5000m op de piste van Aalst in een tijd van 15'40". Pas in augustus besloot ik wat minder kilometers te trainen en één keer per week een snelheids/weerstandstraining te doen op de piste. Eind augustus was ik met deze aangepaste trainingsvorm op de piste van Ninove (avondmeeting) goed voor 8'51" op 3000m. Vooral de laatste twee ronden zorgden er voor dat kon worden gesproken van een degelijke prestatie. Op twee ronden van het einde had ik de leiding genomen om die niet meer af te staan en om een laatste 400m te lopen in 65". In september liep ik ook nog een 1500m van de aflossingskampioenschappen in Oordegem met een al even hoopgevend resultaat (4'06").

De volgende winter, die van 2003-2004 ging de conditie en de vorm alleen maar stijgen; fors stijgen, want na goede uitslagen in de Corrida's van Wichelen en Aalst, won ik twee interbankencrossen.

Het verdere verloop van mijn atletiekleven kan u lezen in mijn dagboek op deze site.
 

Terug naar boven op deze pagina E-mail-adres: kurt.de.vlaminck(apestaart)pandora.be
I.p.v. @ staat hierboven (apestaart) om spam te beperken