postzegelkring   DE VOER
BERTEM

       

De voer clubblad activiteiten studies nuttige links

 

 

 

 De Appelvink 
(Coccothraustes Coccothraustes) 

    Uitgiftedatum:   30.09.85
                             01.06.87

    Zegelformaat: 24 mm x 27,66 mm

    Waarde: 3 fr.

                                         Aantal platen: -

                                         Velindeling: 50

                                         Tanding: 11 ½

                                                                  

De Appelvink is met zijn massieve kop en opvallende vleugelstreep gemakkelijk te herkennen. Hij is erg schuw en men krijgt hem in het algemeen weinig te zien. Bij het zoeken naar Appelvinken heeft men wel steun aan de roep: een luid en explosief “ptik”, dat ze vaak laten horen. Een etende troep verraadt zich door het geluid van krakende zaden en pitten. De Appelvink heeft krachtige kaakspieren en men heeft berekend dat hij met de zware piramidale snavel krachten kan uitoefen tot 68kg/cm2.

Hij kraakt met gemak de nootjes van de haagbeuk, maar ook pitten van olijven en kersen breekt hij probleemloos open. De pitten worden verticaal in de snavel gehouden.

Kenmerken: de Appelvink heeft een korte staart en lange vleugels. Hij is zowel aan de boven- als aan de onderzijde opvallend getekend. ’s Winters is de snavel lichtgeel.

Elke vogelliefhebber, die een Appelvink moet ringen, zal dit dier met respect behandelen omdat hij best in staat is een flink stuk uit de vinger te bijten, ongeveer zoals een appelboor een klokhuis doorboort.

De kleine slagpen van de Appelvink heeft een unieke vorm en zowel de kleine als de grote slagpennen hebben een prachtige blauwgroene glans.

Habitat: hij leeft bij voorkeur in bomen, vermijdt open vlaktes en verschuilt zich discreet in dichte, hoogstammige wouden. De Appelvink, die schuw is, blijft vaak onopgemerkt omdat zijn weinig sociaal gedrag tegenover ander soorten hem verplicht rustige oorden op te zoeken.

Voedsel: pitten en afgevallen fruit. Aan het eind van de winter eet de vogel rozenbottels, pitten van meidoornvruchten en zelfs knoppen van eiken. Vroeg in de zomer eet hij rupsen en men heeft hem al, in de vlucht, grote kevers zien vangen.

Voortplanting: in de baltstijd legt het mannetje de basis van het nest en gaat er dan op zitten. Hij lokt het vrouwtje door haar voedsel aan te bieden. Het vrouwtje maakt het nest af en legt 4 tot 5 eieren. Gewoonlijk worden twee broedsels per jaar grootgebracht.
Appelvinken nestelen soms in tuinen en boomgaarden, maar bij de minste verontrusting laten ze het nest in de steek.

Voorkomen: komt bij ons voor als jaarvogel. De Appelvink gedraagt zich als zwerf- en trekvogel. Een enkele maal is er van een invasieachtig optreden sprake.

Van alle vinken van Europa heeft de Appelvink de dikste snavel. Door vorm, kleur en gedrag lijkt deze vogel de clown onder de vinken. Door zijn zware kop en korte staart lijkt hij bijna te zullen omvallen. In alles is duidelijk dat hij een groot specialist is. Specialisten vereisen meestal speciale leefomstandigheden. Dat is ook bij de Appelvink het geval. Hij wordt heel weinig gezien.

Van de Appelvink zijn kleurige volksnamen bekend zoals dikbek, koningsvink, kersevink, kernbijter, kierseknieper en appelfretter. Gedacht wordt meteen aan de bouw en het gebruik van de snavel. Maar wonderlijker nog dan de ongeproportioneerde snavel is de versterkte bouw van de schedel zelf, de inrichting van het gehemelte en de ontwikkeling van de kaak- en nekspieren waardoor de kop opvallend dikke wangen vertoont en de hals op een forse stierennek lijkt. De snavel werkt als ouderwetse notenkraker. Hij kan binnen enkele seconden een harde kersenpit of de nog hardere pit van de olijf kraken. Daartoe wordt de pit op een vaste wijze tegen twee gegroefde, bolle steunplaten van het gehemelte geklemd, wordt de ondersnavel tegen de bovensnavel gedrukt door een kauwspier die, al naar gelang de hardheid van de pit, een kracht van 25 tot 70 kg kan uitoefenen, terwijl het bijzonder ingerichte kaakgewricht onderwijl alle tegenkracht kan opvangen, om de pit te doen splijten.

Het is wonderlijk zich te trachten voor te stellen hoe en onder welke drang de supergespecialiseerde snavel is ontstaan. Vooral als men bedenkt dat de Appelvink lang niet het hele jaar door over harde steenvruchten kan hebben beschikt.

Appelvinken zoeken vooral afgevallen vruchten. Zij gedragen zich daarbij als echte grondvogels, vaak op beschutte plekjes in een bos, maar ook aan bosranden en op grasgazons, soms in troepjes bijeen. Dan kan hun aanwezigheid worden opgemerkt. Voor het overige zijn Appelvinken geheimzinnige vogels die zich bedachtzaam bewegen en roerloos vanuit boom of struik afwachten tot alles veilig is, voor hij zich op de grond waagt.

Als zij op de bosbodem bezig zijn, hebben zij de naderende mens meestal opgemerkt voor deze hen heeft kunnen verrassen. Met een alarmerende “tsiek” zijn zij pijlsnel, in soms bijna loodrechte vlucht, in het hoge gebladerte of tussen de takken verdwenen.
Teruggetrokken en stil zijn de kenmerken van het leven van de Appelvink.
Bij dit alles is de zang meer bescheiden.

Opvallend zijn Appelvinken alleen wanneer zij als jonge vogels pas zijn uitgevlogen en met veel geroep en uiterlijk vertoon de gevaarlijkste periode in hun leven en vele vallen dan ook ten prooi van vooral Sperwers







 

De Putter 
( Carduelis carduelis) 








De Putter, ook wel Distelvink genaamd, was vroeger een vogel gehouden kooivogel, die ook bij vogelwaarnemers zeer geliefd is. De laatste tijd is het een cultuurvogel geworden, die vooral in het groen van de tuinsteden en in boomgaarden vrij sterk in aantal toeneemt. 
Eén van de fraaiste schouwspelen in de natuur is een groepje Putters, foeragerend op een grote distel, waarbij ze klingelende geluiden maken. Voorzichtig pikken ze de zaden uit de bloemhoofdjes, waarna ze in een dansende vlucht naar de volgende plant vliegen. 

Kenmerken: is één van de kleurigste inheemse vogels. De kop is wit-zwart met een rood ' masker, zijn rug is bruin, zijn stuit wit, staart en vleugels zijn zwart met een brede gele band over de vleugels. 
De zang is een aangenaam, vloeiend gekwetter, waarmee ze onderling contact houden. 

Habitat. typische cultuurvolger, plaatselijk in tuinen en parken, op woeste gronden, waar rijkelijk zaad aanwezig is (distels, paardebloem, klitten, kaardebollen). 

Voedsel: zaden die zowel van op de grond als uit de hoofdjes weggepikt worden. 's Winters 
ook zaden van bomen, 's zomers ook kleine insecten. Het dieet bestaat voor één derde uit distelzaad. 

Voortplanting: het door het wijfje gebouwde nest is een fraaie, tere kom van plantaardig materiaal, waaronder de distelpluis. Meestal ligt het goed verborgen tussen de bovenste takken van een kleine boom. 
Eind april, begin mei worden 4-6 eieren gelegd. De jongen blijven ca. 2 weken in het nest; ze krijgen opgebraakt voedsel van beide ouders en zijn de eerste week na het uitvliegen nog van ben afhankelijk. 

Voorkomen:, standvogel, en soms gedeeltelijk een trekvogel.

 

 

 

Het Roodborstje 
(Eritbacis rubecula) 

 






De Roodborst mag zich al zeer lang in de belangstelling van de mens verheugen. Vanwege zijn tamheid is het een geliefde vogel in dorps- en stadstuin, die s winters zelfs uit de hand eet. Het heeft opvallend, grote zwarte kraaloogjes; borst en keel zijn rood. 
Wordt ook soms genoemd: Pitje robaard, roodkeesje, poverke, pover jantje of poverjan. 

Kenmerken: de Roodborst heeft een territorium dat hij dapper tegen soortgenoten verdedigt, soms op leven of dood. Hij heeft opvallend, grote zwarte kraaloogjes, een rode borst en keel, en staat hoog op fijne pootjes. Mak en sierlijk in zijn beweging en veel op de grond. De jonge vogels missen de oranjerode borst. 
Zijn alarmkreet is een luid, doordringend " tik-tik"; de zang bestaat uit korte strofen en klinkt aardig en wat melancholiek. 

Habitat: loof- en naaldbossen met rijke ondergroei van struikgewas en bemoste bodem met donkere beschaduwde plaatsen. Ook in tuinen, parken en langs bosranden en wegen. 

Voedsel. op de grond levende kleine insecten: kevers, wormen, slakken. In het najaar vooral bessen en vruchten van struiken of lage bomen. Hij zoekt overwegend op de grond voedsel. 

Voortplanting: het nest wordt alleen door het wijfje gebouwd en ligt meestal verborgen in een holte, tussen klimop, op of vlak bij de grond in de begroeiing of tussen wortels. 
Het legsel bestaat uit 5 -6 eieren, die door het wijfje in 12-1 5 dagen worden uitgebroed. Na 2 weken verlaten de jongen het nest. Indien er een tweede legsel volgt, neemt de man de verzorging en het voeren van de eerste jongen voor zijn rekening. 

Voorkomen:. gedeeltelijk stand- en trekvogel. Onze broedvogels overwinteren vooral in Spanje. 

 

 

 


De IJsvogel  
(Alcedo atthis)  

 


 

Weinig vogels zijn schuwer dan de IJsvogel en men zal dan ook zelden een exemplaar goed waarnemen. Gewoonlijk vangt men op zijn hoogst maar een glimp van deze prachtige vogel op terwijl hij langs vliegt - een snelle kleurrijke pijl die langs een beekoever schiet. 
Vaak is de eerste aanwijzing van zijn aanwezigheid de roep, die bestaat uit een luid, hoog fluitend " tjie" of " tjie-kie". 

Kenmerken,. het gedrongen lichaam, voortbewogen door korte vleugels, die ononderbroken trillen, een in verhouding veel te grote kop met een lange dolkvormige bek, geven aan deze vogel, met zijn felle fonkelende kleuren, het gestroomlijnde silhouet dat eigen is aan een duiker. 
Om kleine witvissen of forellen te vangen duikt hij verticaal en krachtig het water in. Dit doet hij vanaf een uitkijkpost (een dode tak die boven de oever van een rivier of een vijver uitsteekt) of net zoals een Kolibrie, nadat hij een poosje ter plaatse gefladderd heeft. 

Habitat: hij leeft in de nabijheid van water, zowel om zijn prooien te vangen als om te nestelen. 

Voedsel: hoofdzakelijk kleine visjes, waterinsecten 

Voortplanting: niet bek en poten graaft de IJsvogel, in de steile oevers van onze rivieren, een lange oplopende gang, waar hij aan het einde een broedkamer inricht. Het nest wordt gedeeltelijk bekleed met uitgebraakte visgraten. De geslachten broeden allebei. 
De jongen verschijnen na ca. 3 weken en blijven bijna 4 weken in het nest. Door de rottende etensresten en uitwerpselen wordt het nest zeer vuil en de ouders baden dan ook dikwijls na een bezoek eraan. 

Voorkomen: bij ons is hij hoofdzakelijk een standvogel, zij het dat de jonge dieren dikwijls rondzwerven of wegtrekken. Van strenge winters, wanneer zijn voedselbron door het ijs letterlijk wordt afgesloten, heeft de soort ernstig te lijden. Soms trekt hij dan naar zout en brak water, waar de kans op overleven groter is. 

 

 

 



De Pimpelmees
(Parus Cacruleus) 

 

 





Hoewel de Pimpelmees vooral een bosvogel is en zijn voedsel hoog in de boomtoppen zoekt, bezoekt hij graag voedertafels en amuseert hij de toeschouwer met zijn levendig, acrobatisch gedrag. Hij weet zich onder elke hoek aan opgehangen voedsel vast te klampen en eet van alles. 
De Pimpelmees heeft een rijke geluidenschat, zij het een minder rijke dan de Koolmees. De zang bestaat uit twee of drie tonen, gevolgd door een snelle triller. 
Maar in weerwil van haar lief voorkomen en haar klein postuur, is zij onverdraagzaam en soms agressief tegenover soorten die haar te na komen. Dit gedrag is bijzonder goed waar te nemen tijdens de winter, als zij voortdurend de voederplaats bezoekt, waar haar intimidatiehouding - open bek en hangende vleugels- duidelijk aantoont dat zij geen indringers duldt. 
In de volksmond kreeg zij ook de naam van: kleine keesmus, pimpeltje, kleine bieteut en hemelmees. 

Kenmerken: het kobaltblauw van haar gevederte, verspreid over vleugels, staart, nek en bovenkop, het wit van haar wangen en voorhoofd en niet te vergeten de zwarte oogstreep, zijn kenmerken die de kleine Pimpelmees onderscheiden van haar soortgenoot de Koolmees. 

Habitat: lichte loofbomen, boomgaarden, parken en tuinen. Talrijk in cultuurgebieden, minder in de naaldbomen. 

Voedsel: kleine insecten, poppen, spinnen die in de uiterste, dunnen takken van bomen en struiken worden gevangen. Ook blad- en bloemknoppen en allerlei zaden en zachte boomvruchten. 

Voortplanting: broedt overal waar boomholten te vinden zijn om nest in te maken. Op de bodem van de holte worden mos, dor gras, dorre bladeren en wol gedeponeerd en de nestkom wordt zelfs met haar, vadertjes en dons gevoerd. Ook in opgehangen nestkastjes. 
Van half april tot begin mei wordt het legsel van doorgaans 7-12 eieren geproduceerd. Het wijfje legt dagelijks één ei en begint pas te broeden wanneer het legsel vrijwel compleet is. Tijdens het verlaten van het nest, dekt ze de eieren af met nestmateriaal. De jongen, gevoerd met rupsen, verblijven een 2-3 tal weken in het nest. 

Voorkomen: standvogel, wel zijn er jonge vogels die wegtrekken. 

 

 

 


De Boomklever

(Sitta europaca) 








De Boomklever is erg verwant met onze spechten: een gedrongen spoelvormig lichaam, een korte staart, een rechte en vlijmscherpe snavel; zijn talent als klimmer valt niet te betwisten als men ziet boe bij, met de kop naar beneden, op onvergelijkbare wijze, een boomstam op - en afloopt. Een veelvuldig herhaald, luid ' tswit' of een snel, trillend 'tsiriririri' verraadt de Boomklever, terwijl hij bezig is de boomstammen op insecten af te zoeken. 

Kenmerken:. bij deze zangvogel vallen vooral op : de grijsblauwe rug, het vossige geel aan de onderzijde, de kastanjebruine flanken en de zwarte oogstrepen die een duidelijke afscheiding vormen met de randen van de grijze kop. Hij klimt veel beter dan de Spechten, want bij heeft zijn staart niet nodig als steun om de bomen in alle richtingen huppelend op en af te rennen. Zelfs met de kop omlaag: alle kracht zit gebundeld in zijn pootjes met stevige tenen en krachtige klauwtjes. Hij kleeft als het ware aan de boom, vandaar ook zijn naam. 

Habitat: hij is de enige in zijn familie die in onze streken broedt en die loofbossen, grote tuinen en parklandschappen bewoont. 

Voedsel: boomklever voedt zich met hazel- en beukennoten, eikels, zaden en ook insecten, die bij tussen de schors vandaan haalt. 
Het is zijn gewoonte om eikels en noten, in een spleet van een boom vast te zetten zodat bij ze op die manier kan stukhakken. 

Voortplanting: de vogel broedt in natuurlijke holten in bomen, vooral oude spechten holen, maar daarnaast ook in muurholten en nestkastjes. Met behulp van steenhard opdrogend modder verkleint hij de nestingang en dicht hij verdere kieren. Hij aarzelt dus niet om het dekplankje van een nestkast rondom dicht te metselen. Eens deze metselspecie opgedroogd, heeft men een puntig werktuig en een hamer nodig, wil men het nestkastje openen. 
De bodem van het nest wordt bedekt met stukjes schors of dorre bladeren, die ze gebruiken om hun eieren af te dekken. Een gemiddeld legsel bestaat uit 6-9 witte eieren, met rood- tot paarsachtige vlekken. Het wijfje broedt de eieren in ca. 2 weken uit. 

Voorkomen:in heel Europa. 

 

 

 


De Goudvink.

(Pyrrhula pyrrhula) 








De Goudvink is één van onze fraaiste vogels, maar toch heeft hij veel vijanden onder de mens, met name de fruittelers. Hij voedt zich namelijk met de knoppen van de vruchtbomen en bloeiende heesters. Vroeger werd de soort dan ook zwaar belaagd, wat misschien de reden is waarom hij nog niet zolang geleden vrij zeldzaam was. 

Kenmerken: een zwart kapje en een blauwgrijze mantel, zwarte vleugels en een duidelijk afgetekende witte stuit, kenmerken zijn verschijning. Het vrouwtje is van boven donker grijsbruin en de buik is witachtig. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, maar met een bruine kop. 

Habitat: boomgaarden, begraafplaatsen, kleine loof- en gemengde bosjes in de vlakte. 
In Hoog-België en vooral in de Ardennen, is zijn populatie het grootst en heeft hij vrij goed de kenmerken behouden van een woudbewoner. 

Voedsel: hij eet voornamelijk verschillende wilde zaden, granen, bessen en grasachtige planten "j is verzot op de jonge en malse knoppen van berken en essen, maar eveneens op die van fruitbomen. Hij werkt dus op natuurlijke wijze het uitdunnen van de vruchten in commercieel uitgebate boomgaarden in de hand. 

Voortplanting: het nest staat veelal in lage, dichte naaldbomen, en is een opvallend bouwsel van fijne takjes, mos en korstmossen, gevoed met zwarte of bruinzwarte worteltjes, in grootte variërend van een ondiep platform tot een omvangrijke kom. 
De 4-5 eieren zijn bleek groenachtig blauw, met donkere, paarsbruine vlekken en strepen. 
Ze worden in 12-14 dagen vrijwel alleen door het wijfje uitgebroed, dat haar voedsel van de man krijgt. Beide ouders voeren de jongen door uit een speciale keelzak voedsel op te geven. De jongen vliegen na 12-1 8 dagen uit. Per jaar twee, soms drie broedsels. 

Voorkomen: het is een overwegende standvogel, hij overwintert in het broedgebied of zwerft rond op enige afstand van de broedplaats. 
De roep, een zacht, fluitend bij tussenpozen herhaald "tsu" verraadt zijn verblijfplaats. 

 

 

 

De Blauwborst

(Cyanosylvia svecica) 











Van deze musgrote vogel met zijn fraai gekleurde bef komen 2 ondersoorten voor: de bij ons broedende witgesterde vorm en de in Scandinavië en Rusland broedende rood-gesterde. Eerstgenoemde heeft in het midden van de blauwe borst een witte ster, de ander een roestrode. De witgesterde is hier een vrij schaarse broedvogels 

Kernmerken: Hij pronkt met een gekleurd vederkleed dat, gelukkig maar, afsteekt tegen de vale kleuren van de andere gevleugelde bewoners van zijn streek. Het mannetje in bruidstooi is gemakkelijk te herkennen aan de blauwe bef met een centrale witte ster en verder aan zijn staart die roestkleurig is aan de basis en zwart aan het uiteinde. 
Wist U dat deze vogel een uitstekende imitator is? Op zijn repertorium staan minstens 1 5 verschillende zangen van andere vogelsoorten die hij nabootst. 

Habitat: Hij is een vogel van vochtig terrein, zoals broekbos, verlandingszones met bosjes en ruige grienden. Door ontginning en drooglegging zijn veel geschikte plaatsen verloren gegaan. 

Voedsel. Vooral dierlijk voedsel dat bestaat uit insecten en hun larven, spinnen en slakjes, Daarnaast voedt hij zich in de herfst ook met bessen. 

Voortplanting: De Blauwborst nestelt op een verborgen plaats op de grond. Hoofdzakelijk broedt het wijfje op de 5-6 eieren, maar soms neemt het mannetje haar taak over. 
De broedduur bedraagt 13-14 dagen. De door beide ouders gevoerde jongen verlaten na ca. 2 weken het nest. 

Voorkomen : het is een trekvogel die vanaf augustus onze streken verlaat en in familieverband zijn overwinteringsgebieden in het noorden van Afrika opzoekt. 

 

 

De Ringmus
( Passer niontanus) 

    Uitgiftedatum: 04.12.89
                          26.03.90
                          13.02.91

    Waarde:    2 fr.

                                         Aantal platen:   2

                                         Velindeling:      50

                                          Tanding:           11 ½

                                                                              

De Ringmus, die buiten het broedseizoen in de tuin verschijnt op uitgestrooid voer, wordt vaak niet herkend. Toch is deze vogel vrij gemakkelijk te identificeren als men let op de koffiebruin gekleurde kruin en achterhals ( bij de Huismus grijs ) en de witte halsring die al van verre opvalt.
In de volksmond krijgt hij de naam van: veldmus, steenmus, bosmus, kleine mus, stronkmus, steenrutje of steenratje.
Ringmussen hebben een karakteristieke roep nl. een kort metaalachtige “tsjik”, hoger en scherper dan de roep van de Huismus.

Kenmerken: het verenkleed van de vrouwtjes en mannetjes is gelijk, dit in tegenstelling tot de Huismus. Daarom wordt hun geslacht en leeftijd strikt geheim gehouden. De rug is bruin met zwarte vlekken en strepen. De onderzijde is vuilwit en het midden van de keel en kin is zwart. In de vlucht is een witte band op de vleugels zichtbaar.

De Ringmus is een beweeglijke en kwieke vogel; hij is drukker en opgewekter, leniger en beweeglijker dan zijn stadsneef.
Men ziet ze vaak met hun staart wippen als ze op hun favoriete plekjes zitten te tjilpen.

Habitat: in het algemeen beperkt tot bosranden, parken en tuinen waar ze bomen hebben om in te broeden en bouwland of boerenerven om voedsel te zoeken. Het is een bewoner van het open veld.

Voedsel: vrijwel onopgemerkt scharrelen Ringmussen over de grond bij het voedsel zoeken. Hun maal bestaat uit een grote verscheidenheid van plantaardig en dierlijk voedsel. Ze eten meer kleinere onkruidzaden dan de Huismus.

Voortplanting: gewoonlijk maken ze hun nest in een boomholte, maar soms betrekken ze gebouwen of hooibergen. Ze gebruiken ook vaak nestkasten, waar ze nogal eens andere bewoners, zoals de Pimpelmezen, uitwerken.

Het nest is slordig en de eieren lijken op die van de Huismus maar zijn kleiner en glanzender. Het legsel bestaat gewoonlijk uit 4 tot 6 eieren en ze brengen twee, vaak drie broedsels per jaar groot.
Beide vogels broeden en de broedduur bedraagt 12 tot 14 dagen. De jongen blijven ongeveer even lang in het nest en worden door beide ouders verzorgd.

Voorkomen: Ringmussen vormen, in ieder jaargetijde, troepen, die het grootst en opvallendst zijn in de nazomer. Vaak vermengen ze zich in het veld met de Huismussen. Ze zijn dan het best te onderscheiden door hun kleiner en slanker postuur.

Onze broedvogels zijn meestal standvogels maar heel wat Ringmussen uit het buitenland afkomstig, trekken bij ons door.

 

                                                ---------------------------------








 

De Kleine Bonte Specht

(Dendrocopos minor) 

                            Uitgiftedatum:   08.01.90
                                                    09.07.90
                                                    25.02.91

                              Zegelformaat:   24 mm x 27,66 mm

                                                                   Waarde:          1 fr.

                                                                   Aantal platen:   2

                                                                   Velindeling:     50

                                                                   Tanding:          11 ½

                                                                  De Kleine Bonte Specht behoort tot de familie van de spechtvogels. De bijzonderste soorten zijn: de Grote Bonte Specht, de Middelste Bonte Specht, de Kleine Bonte Specht, de Goudspecht, de Zwartkopspecht, de Goudkopspecht, de Kuifspecht, de Witrugspecht, de Zwartrugdrieteenspecht, de Haarspecht…

Spechten zijn door hun aanpassing aan de klimmende leefwijze de gemakkelijkst te herkennen landvogels.

De Kleine Bonte Specht is nauwelijks groter dan een Spreeuw en daarmee de kleinste soort Europese Specht. Het is een verborgen levende vogel, die in onze streken vrij zeldzaam is en vooral in gemengd loofbos met veel oude bomen voorkomt.

Kenmerken:  de vogels zijn te herkennen aan hun zwart verenkleed met op de rug horizontale witte strepen. Het mannetje heeft een rode kruin; het wijfje een bruinwitte. Ze zijn niet schuw, tenminste ze vliegen niet gauw weg. De roep klinkt als “kie-kie-kie”, de toon is hoog, zwak en fijntjes. Zo nu en dan wordt het geluid meerdere malen achter elkaar herhaald, vooral als de vogel aan een boom gaat hangen, nadat hij een eindje gevlogen heeft. Hij schreeuwt veel bij mooi weer, het meest in de lente tijdens de paartijd.

De snavel heeft een dubbele rol. Allereerst is het een doeltreffend werktuig – een echte houtschaar - waarmee de vogel zijn nest uitholt in het zachte brokkelige hout van een dode boom. Tevens gebruikt hij zijn bek om te “roffelen”. Elke roffel is gewoonlijk zachter en duurt langer dan die van de Grote Bonte Specht.

  Habitat: de Kleine Bonte Specht leeft in kruinen van gemengde loofbomen, ook in boomgaarden en parken met oude bomen. Hij is vrij klein van gestalte, waardoor hij moeilijk waar te nemen is. Hij verlaat bijna nooit de boomtoppen en gaat van de ene tak naar de andere, terwijl hij daarbij de uiteinden van de dunste twijgen en het dode hout onderzoekt.

  Voeding: meestal voedt hij zich met insecten, spinnen, zaden en bessen. Hij zoekt zijn voedsel vooral in en aan de bomen.

  Voortplanting: Tijdens de balts vliegt het mannetje als een nachtvlinder van boom tot boom en soms laat hij zich als een parachute vanuit de boomtop naar beneden vallen,

waarbij hij de tekening van de bovenvleugels aan het vrouwtje toont.

Van maart tot mei is het zeer rumoerig in het territorium van de vogel. Luide schallende roffels – aan de lengte van de afzonderlijke roffels en hun tussenpozen kunnen de Spechten hun soortgenoten herkennen – klinken over de omgeving.

Hij is bij ons wel een schaars voorkomende broedvogel. In gematigde streken wordt slechts 1 maal gebroed, in warmere oorden soms tweemaal. Hij maakt gewoonlijk in elke broedperiode een nieuw broedhol. Dit is 10 à 18 cm diep en 10 à 12 cm breed, terwijl het vlieggat een doorsnede heeft van ongeveer 32 mm. Het hol wordt aangelegd in zachte loofbomen, zelfs tot op 20 m hoogte. Het legsel telt 5 of 6 glanzend witte eieren, die een lengte van 21 mm en een buikdikte van 15 mm hebben. Het broeden is grotendeels de taak van het mannetje, al wisselen de partners elkaar overdag wel af.

’s Nachts zit het mannetje op de eieren. Na een broedtijd van 12 dagen komen de jongen uit, die dan 18 à 20 dagen in het hol verzorgd worden.

Buiten de voortplantingstijd hebben mannetjes en wijfjes gescheiden territoria of leven zij tenminste elk in hun eigen deel van het gebied waar zij actief zijn. Komen zij overdag te dicht bij elkaar, dan ontstaan er weldra gevechten. Zelfs in de broedtijd blijft er tussen de partners steeds een agressieve spanning bestaan, zo zelfs dat wanneer de ene vogel de nestboom aanvliegt, de andere terstond naar buiten komt en wegvlucht.

  Voorkomen: ’s winters zwerft de Kleine Bonte Specht over grote afstanden rond, soms als aanvoerder van troepen mezen, door uitgestrekte hooggelegen bosgebieden. Bij ons worden ze in een gering aantal aangetroffen ( minder dan 500 koppels). Dit vindt zijn reden in het feit dat om te overleven één enkel koppel behoefte heeft aan een uitgebreid territorium. In een gebied van tachtig vierkante kilometer werden slechts 5 koppels aangetroffen.






 

De Vink.
(Fringilla coelebs) 








"Opgewekt als een vink" wordt nogal eens gezegd van een persoon met een vrolijk karakter en een zorgeloze levensstijl. Maar de Vink als voorbeeld stellen voor opgewektheid? 
Deze vogel is eerder twistziek, met een heersersnatuur die gekenmerkt is door jaloersheid en een uitgesproken drang tot eigendomsrecht. Zijn faam als zanger wordt gevestigd door het mannetje. Zijn zang is een luidruchtige aangelegenheid en begint langzaam, neemt in snelheid toe en eindigt gewoonlijk met een krachtig finaal tierlantijntje. De zang varieert in feite van vogel tot vogel sterk en er zijn zelfs verschillende dialecten te onderscheiden. Het gehele lied duurt doorgaans ca 4-5 seconden, maar wordt vijf tot tic" per minuut herhaald. De alarmroep is een luid, doordringend "pink, pink, pink'. 

Kenmerken, het is een vogel (1 Sein) met dubbele witte vleugelband en witte buitenste staartpannen. Het mannetje heeft een wijnrode onderzijde, bovenkop, achterhals en een deel van de zijhals zijn leiblauw en het voorhoofd is zwart. Rug en schouders zijn donkerroodbruin. Het vrouwtje is bruiner en de onderzijde is licht grijsbruin, de rug olijfbruin. 

Habitat: bossen en bosrijke streken met loof- en naaldbomen. Ook in parken en tuinen, langs wegen en in boomgaarden. 

Voedsel: zowel plantaardig als dierlijk, overwegend zaden, vruchten en boomknoppen. Ook allerlei insecten, slakjes en kleine wormen. 

Voortplanting: het broedseizoen begint in april. Het wijfje legt in het kunstig gebouwde nest gewoonlijk 4-5 lichtblauwe tot bruinachtige witte eieren, met vrijwel altijd een stippel- en streeptekening. Ze broedt ze uit in 1 1 - 1 3 dagen. Beide ouders verzorgen de jongen, die na 12-1 5 dagen uitvliegen. 

Voorkomen: gedeeltelijk stand- en trekvogel. De jonge vogels trekken zuidwaarts en bereiken het Middellandse-Zeegebied. 

PS. De mens heeft ondertussen ondervonden dat hij voordeel kan halen uit de driftige zangtonen van deze mooie vogel: hij "doet hem zingen volgens zijn eigen richtlijnen- het vinkenzetten zou reeds omstreeks 13 1 5 in leper van start gegaan zijn. Eertijds werden bij de "kampioenen7', die aan de zangwedstrijden deelnamen, de ogen dichtgeschroeid met een gloeiend ijzer, onder voorwendsel dat een blinde vogel nog mooier zijn hymne aan het leven zou zingen. In 1919 werd deze barbaarse traditie verboden. Tegenwoordig worden de zangvinken opgesloten in een nauwe doos-kooien, donker, zonder deur, zonder traliewerk. Iedere zondagmorgen, van april tot augustus, worden honderden kooien langsheen de stoep gezet en de competitie kan beginnen. De vinkenier verwijdert één wand van de kooi: door het binnenvallend licht denkt de vogel dat de dag aanbreekt en begint hij vurig zijn refreintje te zingen. 

 

 

 

 

De Roodborsttapuit.
(saxicola torquata) 












Een roep die lijkt op het geluid van twee stenen die tegen elkaar worden geslagen verraadt de aanwezigheid van de Roodborsttapuit. 
In de volksmond ook genoemd: fietsjak, itjakker, zwartkeeltje, wietak, mastvogel en patatvogeltje. 

Kenmerken: de vogel heeft een grote zwarte kop en fel oranjebruin gekleurde borst en op de vleugels een smalle witte vleugelstreep. Hij zit meestal op een hoge uitkijkpost vanwaar hij een indringer opmerkt en zijn scheldende alarmroep " wiet-tiek-tek" laat horen. 

Habitat: grasrijke, vlakke en heuvelachtige gebieden, weiden, heidevelden, landbouwgebieden. Hij is een bewoner van de met struiken bezaaide heidelandschappen. 

Voedsel: voedt zich hoofdzakelijk met insecten, wormen en spinnen, maar eet daarnaast ook zaden en vangt kleine hagedissen en vlinders. 

Voortplanting: een mannetje kan meer dan één wijfje hebben. Ze leggen 5-6 eieren. Het mannetje helpt met het voeren van de jongen. Kan jaarlijks 3 broedsel grootbrengen. 
Omdat deze vogel op de grond broedt, gaat een groot deel van de legsels verloren tijdens het maaien, het omwerken of de vernietiging van het onkruid in bermen en grachten. 

Voorkomen: trekvogel, die naar onze streken terugkeert in de eerste mooie dagen van maart, nadat hij het slechte seizoen heeft doorgebracht in het bekken van de Middellandse Zee. 

 

 

Het goudhaantje
(Regulus regulus)

 

         Uitgiftedatum:    28.09.91
                                  30.09.91
                                  26.03.01

                                             Zegelformaat:   24 mm x 27,66 mm

                                             Waarde:      0,50 fr.
                                                                 0,50 fr. /0,01 EUR

                                             Aantal platen:   2

                                             Velindeling:     50

                                              Tanding:         11 1/2

                                                                            

Het Goudhaantje en het Vuurgoudhaantje zijn onze kleinste zangvogels. Ze wegen amper 5 gram; ze zijn zeer levendig en niet schuw. Hoe klein ze ook zijn, ze trotseren onze winters met sneeuw. Doordat het Goudhaantje het grootste deel van zijn tijd besteedt aan het zoeken naar voedsel in de toppen van naaldbomen, hoort men hem vaker dan dat men hem ziet.

Rusteloos vliegt hij van tak naar tak en vaak klimt hij ondersteboven langs de twijgen, terwijl hij deze op spinnen en insecten onderzoekt.

De soort is echter niet uitsluitend op naaldbomen aangewezen: soms ziet men hem ook wel in klimopstruiken, meidoorn en andere bomen.

Kenmerken: het verenkleed is bovenaan olijfgroen en de onderdelen zijn vuilwit. Het mannetje heeft twee lichte vleugelstrepen en een opvallende oranje, met zwart afgezette kruin, die alleen van dichtbij goed te zien zijn. Het wijfje heeft een gele kruinstreep.

De zang verraadt meestal de aanwezigheid van de vogel. Deze bestaat uit snel herhaalde reeksen bijzonder hoge tonen en eindigt in een piepend gekwetter (sii-sii-sii).

  Habitat: hij komt vooral voor in naaldbossen. Hij schrikt er niet voor terug om zijn bolvormig miniatuurnest op 10 of zelfs op 20 meter hoogte in de afhangende zijscheuten van dichte takken te bouwen (hangnesten).

De rand van het nest is min of meer dichtgetrokken. Mos en korstmossen vormen het nestmateriaal, de kom wordt met veren en haartjes bekleed. Door de vorm van het nest kan maar weinig warmte ontsnappen en dit is van groot belang, want het wijfje is te klein om het broedsel geheel te bedekken.

Voedsel: vooral kleine insecten, larven en bladluizen die in de topjes van de naaldbomen gevonden worden.

  Voortplanting: Het Goudhaantje broedt twee keer per jaar, de eerste keer in april-mei, de tweede keer onmiddellijk daarna. Tijdens de balts pronkt het mannetje met zijn oranjegele kruin voor het wijfje. Het legsel bestaat uit 7-10 soms zelfs 13 eieren, die variëren van wit tot geelbruin, met vooral bij de stompe pool paarse of bruine spikkels. Alleen het wijfje broedt en de eieren komen na 14-17 dagen uit. De jongen, die op de kop enig kort dons hebben, zijn bij de geboorte blind; de ogen gaan pas na een week open. Beide ouders voeren de jongen gedurende de nestperiode.

Tijdens het tweede broedsel begint vaak al de jaarlijkse rui. Na de rui vormen de Goudhaantjes troepen.

Voorkomen: de Goudhaantjes zijn trekvogels. De vogels die in onze streken broeden, overwinteren in Zuid-Europa. Op de trek zwerven ze, samen met troepen mezen, ook in parken en in rietvelden waar ze naar insecten zoeken. Zelfs ’s winters weten ze insecten te vinden. In besneeuwde naaldbossen klauteren ze behendig onder de takken zonder met de sneeuw in aanraking te komen. Op de trek moeten ze een veelvoud van hun lichaamsgewicht aan voedsel opnemen om hun lichaamstemperatuur (ca 40° C) op peil te kunnen houden. Overdag weegt een Goudhaantje ongeveer 5 gram, maar ’s avonds echter één gram méér. Als het ’s nachts vriest vormen ze slaapgemeenschappen, die vaak uit 15 à 30 vogels bestaan. De vorming van zo een slaapgemeenschap wordt voorafgegaan door een uitgebreid kalmeringsceremonieel, want de vogels verdragen - zoals vele agressieve vogels - overigens geen onderling fysiek contact.

Het Goudhaantje is in België een talrijke broedvogel (in Nederland een vrij talrijke).

 








De Rietgors
( Emberiza schoenicius) 

    Uitgiftedatum: 28.09.9
                          01.03.93

    Waarde:  3 fr.

    Zegelformaat: 24 mm x 27,66 mm

                                         Aantal platen: 2

                                         Velindeling:    50

                                          Tanding: 11 ½

                                                 

Zoals de naam reeds aanduidt, is deze vogel thuis in moeras- en vochtige heidegebieden.
In de volksmond kreeg hij de volgende namen toegewezen: lismus, slootmus, rietvink, gagelmus, zeemer, haverpikker en seeuwerken.

Veel vogels hebben te lijden van menselijke activiteiten, maar een paar soorten, waaronder de Rietgors, hebben genoeg aanpassingsvermogen om profijt te trekken uit de veranderingen in het milieu.

Het typische broedterrein van de Rietgors bestaat uit moerassige gronden met ruigten, biezen en zeggen. In Europa verdwijnen echter deze gebieden geleidelijk, waardoor veel soorten die erbuiten niet kunnen leven, drastisch in aantal verminderd zijn.

De Rietgors nam als reactie bezit van drogere gronden en heeft zich met succes in dergelijke onverwachte gebieden, zoals gerstvelden, gevestigd. Hierbij kwam hij, naar alle waarschijnlijkheid, in concurrentie met andere gorzen, vooral de Geelgors.

 

Kenmerken:  het mannetje is te herkennen aan zijn kapje en borst die zwart zijn in de broedperiode en aan de witte baard en witte halsband.

In de herfst gelijken het mannetje en de jongen op het wijfje dat, in alle seizoenen, een rossig bruin verenkleed heeft, geelachtige wenkbrauwen, een bruine baardstreep en een lichte keel.
De Rietgors knipt opvallend veel met zijn staart, waardoor de witte buitenstaart opvalt.

Zich vastklemmend aan een rietstengel laat de vogel zijn tjilpende zang horen, een eenvoudig “tsjiep-tsjiep-tsjiep-tsjissip”. Hierbij knikt hij af en toe met zijn staart en vleugels, voordat hij in een onregelmatige, golvende vlucht naar een andere plaats vliegt. Doorgaans wordt het zingen vrij lange tijd in dezelfde positie volgehouden zodat men de vogel rustig en uitgebreid kan  observeren.

  Habitat: moerassige gebieden met laag struikgewas en riet langs een slootrandje; in ongemaaide natte weiden.

  Voedsel: zaden en moerasplanten, grassen en andere kruiden. In de zomer veel insecten uit struiken, kleine moerasslakjes en andere kleine waterdieren.

  Voortplanting: het nest wordt gemaakt van gras. Het ligt meestal goed verborgen op of dichtbij de grond, tussen biezen of rietpollen.
Het legsel bestaat gewoonlijk uit vijf eieren, die er zeer kenmerkend uitzien: bruin met zwarte vlekken en krabbels (schrijvereitjes).
Bij verontrusting reageert het mannetje of het vrouwtje dikwijls met het vertonen van verlammingsverschijnselen, waardoor ze met de vleugels half geopend voortstrompelen.
De eieren komen na 13 à 14 dagen uit en de jongen – die door beide ouders gevoerd worden- zijn vliegvlug na 10 tot 13 dagen.
Twee broedsels zijn normaal, maar drie broedsels zijn niet ongewoon.

  Voorkomen: gedeeltelijk trek- en standvogel. Rietgorzen beginnen al vroeg in het jaar, soms al in februari, territoria te bezetten, maar de meeste worden pas bezet vanaf half maart.







De zanglijster
(Trudus philomelos) 










De zanglijster doet zijn naam alle eer aan. Zijn lied duurt 5 minuten of langer en bestaat uit een rijke opeenvolging van luide, muzikale strofen, waarvan sommige vele malen wordt herhaald. Meestal zingt hij op een hoge post, zoals een boomtop en hij is vrijwel het gehele jaar door op mooie dagen te beluisteren. Zijn roep varieert van een iel "tik" of "sip" tot een snel herhaald, alarmerend "tsjuk-tsjuk'. Hij kan zelfs andere vogelsoorten imiteren. 

Kenmerken: olijfbruine vogel (23 cm) met geelbeige borst en flanken, met kleine zwarte stippen. Bruine snavel met vleeskleurige poten. 

Habitat: in gemengde loof- en naaldbomen met veel ondergroei van struikgewas, niet gras- en mosbodem. Ook in parken, plantsoenen en tuinen, maar minder stadsvogel dan de Merel. 

Voedsel: befaamd is hij om zijn gewoonte huisjesslakken kapot te slaan: hij breekt de schaal - open door het ruggedeelte met harde slagen te bewerken op een "aambeeld", een platte of puntige steen die nauwelijks boven de grond uitsteekt. Vaak verraad de vogel zijn aanwezigheid door dit hamerend geluid te maken. Ifij eet eveneens rupsen, larven, insecten en ook bessen en vruchten. 

Voortplanting: het wijfje bouwt een nest van gras en twijgen, gevoerd met modder en houtpulp en legt gewoonlijk 4-6 lichtblauwe, gespikkelde eieren. Ze broedt deze in ca. 2 weken uit en het mannetje helpt bij het voeren van de jongen gedurende de 12-16 dagen dat zij in het nest blijven' 

Voorkomen: hij is gedeeltelijk trekvogel: sommige gaan naar het zuiden, terwijl andere hier overwinteren. 
Soms hij deze vogel ernstig te lijden van de strenge winters. 

 


De Winterkoning.
(Troglodytes troglodytes) 








Door zijn geringe grootte heeft de Winterkoning vaak meer van strenge winters te lijden dan andere soorten en in lange vorstperioden is de sterfte soms groot. Na een periode van milde winters is de populatie wel snel op peil en mogen we hem op het ogenblik tot een van onze talrijkste broedvogels rekenen. 
In de volksmond spreekt men van: een keuntje, een keuningske, een keutertje, steuperke of een treutje. 

Kenmerken: een klein (9cm) gedrongen, levendig en beweeglijk vogeltje met een kort opgewipt staartje. Rossige bovenzijde, onderzijde vaalbruin, flanken en buik dwarsgestreept. Een dun, vrij lang snaveltje en een lichte oogstreep. Heeft een schetterende zang, opvallend voor zo een kleine vogel. De zang is bijna het gehele jaar door te horen en het liedje klinkt ratelend en bestaat uit ca. 5 seconden aangehouden volle tonen, die bij tussenpozen worden herhaald. 

Habitat: naald- en loofbos met dichte ondergroei van struikgewas, bramen en varens- Tuinen en parken met ondergroei, houtstapels en takkenbossen. De Winterkoning houdt zich op, op donkere plaatsen, nabij de bodem en sluipt daar rond als een muis. 

Voedsel: verscheidenheid van insecten, spinnen, duizendpoten, wonnen. 

Voortplanting: het mannetje bouwt een aantal bolvormige nesten van bladeren, droog gras en mos met een ingang opzij bovenaan, in heggen, klimop, boomstronken, schuurtjes of zelfs in oude nesten van andere vogels. Het wijfje kiest er één uit en voert dit van binnen met veertjes. Gewoonlijk bestaat het legsel uit 5-8 witte eieren, met aan de stompe pool soms zwarte of roodbruine spikkels. Het wijfje broedt de eieren uit in ca. 2 weken-, na 2-3 weken verlaten de jongen het nest. 

Voorkomen: overwegend standvogel, met zwerfbewegingen in zuidelijke en zuidwestelijke richting. 





 

De Barmsijs
(Carduelis flanimca)

        Uitgiftedatum:    01.06.92
                                16.11.92

         Zegelformaat:    24 mm x 27,66 mm

        Waarde:            1 fr.

                                              Aantal platen:    2

                                              Velindeling:      50

                                              Tanding:          11 ½

                                                             

Het Barmsijsje is een klein vogeltje met een lengte van amper 13 cm en een gewicht van 14 gram.
Het is een actief vogeltje met spitse vleugels die lang lijken in verhouding tot zijn lichaam.
Dit vogeltje is nochtans zeer sympathiek, maar te argeloos tegenover de mens, wat de oorzaak is van zijn ondergang.

  Kenmerken: de mannetjes hebben in de zomer een rood voorhoofd, zwarte kin en roze borst en stuit. De wijfjes missen meestal de roze borst en stuit.

Kenmerkend is de hoge, metaalachtige roep, een ratelend “djèdjèdjèdjè” tijdens de golvende vlucht. De alarmroep is een muzikaal, klagend “tsoe-iet”.

Habitat: hun favoriete biotoop vormen de naaldbomen, elzen en berken. Ze nestelen zowel hoog in bomen, als laag in het struikgewas. Zij bezoeken graag vijvers om te drinken en te baden.

  Voedsel: bestaat meestal uit zaden van bomen en planten, gras- en onkruidzaden en in het voorjaar soms boomknoppen en insecten.

  Voortplanting: hun favoriete nestelplaatsen zijn zilverberken en gaspeldoorn. Barmsijzen broeden dikwijls in losse kolonies.

Ze zingen tijdens de opvallende baltsvlucht.
In het zuiden begint het broedseizoen rond eind april. Het nest is een klein, vrij slordig, komvormig bouwsel dat bestaat uit twijgen en gras. De 4-5 eieren die bijzonder klein zijn - nauwelijks 14 mm lang met een buikdikte van 9 mm - zijn witachtig blauw, met fijn paarse en purperbruine spikkels. Het wijfje broedt ze in 11-13 dagen uit. Vaak komt er nog een tweede broedsel. Beide ouders voeren de donkergrijze jongen gedurende 14 dagen op het nest en ook nog enige tijd na het uitvliegen.

Voorkomen: op plaatsen waar het Barmsijsje en de Witstuitbarmsijs elkaar ontmoeten, bv. in het noorden van Noorwegen, vormen zij onbeperkt gemengde paartjes, waardoor populaties ontstaan met de meest verschillende individuen.

De laatste jaren heeft de soort zich met name in Nederland (De Waddeneilanden) als broedvogel sterk uitgebreid.

De Kleine Barmsijs (Acanthis flammea cabaret) is een zeldzame broedvogel in de Nederlanden









De Merel
(Turdus merula) 

        Uitgiftedatum: 01.06.92
   
                            16.11.92

        Zegelformaat: 24 mm x27,66 mm

        Waarde:     2 fr.

                                             Aantal platen:  2

                                             Velindeling:     50

                                             Tanding:    11 ½

                                                                

Vroeger was de Merel een zuivere bosvogel, maar in korte tijd heeft hij zich aangepast aan de menselijke omgeving en behoort hij nu tot de meest algemene vogels in de stad. Daar heeft hij ook minder vijanden dan in de vrije natuur.
Merels zijn zeer luidruchtig, vooral als er een kat in de buurt is. Als er een roofvogel nadert, laten ze een zachte fluittoon horen.
In de volksmond ook wel eens genoemd: meel, merlo, merelaan, geelbek, zwarte melder of mel.

Kenmerken: het mannetje is zwart en heeft een ring rond het oog; de snavel is opvallend geel. Het vrouwtje is donkerbruin, de keel en bovenborst is gevlekt (maar niet zo opvallend als bij de Lijster). Jonge merels zijn meer gevlekt en lijken op het vrouwtje. Beide geslachten zijn qua bouw identiek. 

Alvorens weg te vliegen, neemt de vogel eerst één of twee aarzelende stappen.  Wanneer een Merel naar een tak vliegt, komen de vleugels niet boven het lichaam uit. Bij het landen, heeft hij een opgewipte staart maar als hij naar voedsel zoekt is de staart naar de grond gericht. Bij het voorwaarts springen, hangen de vleugels af.

De Merel zingt vanaf een hoog punt en de zang is luid en melodieus.  Bij onraad laat de Merel een schel “ tsjink-tsjink” horen en hij herhaalt dat tot het gevaar geweken is.

Habitat: overal waar bomen en struiken zijn en ook in steden.

Voedsel: wormen, slakken die uit de grond gepeuterd worden, gekrabbeld of getrokken. In de herfst en winter eet hij overwegend bessen en andere vruchten die van de bomen en struiken geplukt worden.

Voortplanting: het nest van gras is bekleed met fijne halmen. Het ligt meestal in de struiken of kleinere bomen maar soms wordt het ook wel eens op de grond of aan huizen gebouwd. Omdat het nest zo gemakkelijk te vinden is, is betrekkelijk veel over de broedbiologie bekend. Het broedseizoen loopt van begin maart tot eind juli of augustus. De beste broedresultaten worden bereikt in de vroegste - en de late nesten. De eerste nesten hebben succes omdat de roofdieren dan nog niet zo actief zijn, late nesten omdat het gebladerte het nest beter verbergt.

Gewoonlijk worden 3 tot 5 eieren gelegd. De grootste legsels vindt men in mei.
In tegenstelling tot de dorpen en steden, hebben de nesten op het platteland gemiddeld een hoger aantal eieren.
Alleen het vrouwtje broedt, maar beide geslachten voeren de jongen. Per jaar worden drie of meer broedsels grootgebracht en vaak wordt het oude nest opnieuw gebruikt.

Voorkomen: een groot deel is standvogel maar de jonge merels trekken weg naar het zuiden.








 

De Waterspreeuw.





 

Anders dan elke andere vogel zoekt de Waterspreeuw zijn voedsel onder water, lopend over de bedding van beek of riviertje. Met zijn kop omlaag speurend naar waterinsecten, kikkervisjes en wormen, baant hij zich tegen de stroming in" een weg; vermoedelijk blijft hij door de waterdruk op zijn brede rug overeind. Voortdurend ziet men de Waterspreeuw onderduiken en weer verschijnen. Zijn poten buigen, zijn vleugels trillen, zijn witte oogleden knipperen en zijn vloeiend liedje - dat hij vrijwel het gehele jaar ten gehore brengt, hoort men boven het lawaai van het water uit. 

Kenmerken: de Waterspreeuw is een plompe winterkoningachtige vogel met een karakteristieke sneeuwwitte borst. Gewoonlijk volgt hij met zijn lage, snelle en rechtlijnige vlucht de rivierloop, en vaak brengt ffij het gehele jaar langs hetzelfde watergedeelte door. 

Habitat: in feite komt hij bij ons uitsluitend voor in de buurt van de rivieren van Hoog-België, hoofdzakelijk in de bekkens van de Ourthe en de Lesse. Hij vertoeft er graag aan stuwdammen, watermolens, houtzagerijen en kleine bruggetjes, gebouwd uit breuksteen. 

Voedsel: zijn prooien, waaronder zoetwater garnalen, schaaldieren, kleine weekdieren en larven zoekt hij lopend over de keien die boven het water uitsteken, soms zwemmend of zich onder water voortbewegend, waarbij hij zich aan de stenen vasthoudt met zijn tenen. 

Voortplanting: het grote koepelvormige nest is van mos gebouwd. De meestal 5 witte eieren komen na 1,5-18 dagen uit. De jongen vliegen na ca. 3 weken en zwemmen zelfs eerder. 

Voorkomen: vanwege zijn voedingsgewoonte komt hij uitsluitend in de buurt van snelstromende bergbeken en stromen met rotsblokken voor. 

 

 

 

De Koolmees
(Paius niajor) 









De fraaie Koolmees is de grootste soort van de mezenfamilie en bij gelegenheid tevens de meest agressieve en acrobatische. "j terroriseert zijn zwakkere verwanten en pikt soms net als de Pimpelmees melkflessen open als hij daartoe de kans krijgt. Om stukjes vet of kokosnoot te bemachtigen zal hij alle mogelijke acrobatische kunsten uitvoeren. 
In de volksmond ook wet eens genaamd: bieteut, keesmus, steekmees, hotmuuske. 

Kenmerken: hij is groter dan een Pimpelmees (14 cm). Zijn kop en keel zijn glanzend zwart en aansluitend op de typische buikband (stropdas), met een grote witte driehoek op de wangen. De snavel is zwart en de poten loodgrijs. 
De Koolmees is uitbundig en beschikt over een veel uitgebreider scala van geluiden dan andere mezen. Zijn meest voortkomende zang is een zagend, dubbeltonig " tic-tsjer, tic-tsjer, tie-tsjei" en een herhaald " pie-toe, pie-toe, pie-toe. De meeste tonen klinken metaalachtig, alsof er met een hamertje op een klein aambeeld wordt geslagen. 

Habitat: open, bosrijke gebieden, overwegend gemende bossen met veel struikgewas. Ook in cultuurlandschappen met bomen en struiken. 

Voedsel: zeer veel insecten, waaronder kleine rupsen, spinnen alsmede kleine, harde zaden en nootjes. Ook bessen, blad- en bloemknoppen. 

Voortplanting: het nest is een komvormig bouwsel van mos en wat gras gevoerd met haar en dons. Meestal bevindt het zich in een holte in een boom of een muur of op een soortgelijk plekje, bvb. in een nestkastje, een oude brievenbus, een ongebruikte afvoerpijp. De 5-12 eieren worden door het wijfje in ca. 2 weken uitgebroed. 

Voorkomen: gedeeltelijke standvogel met zwerfbewegingen van vogels die in zuidelijke richting gaan overwinteren. Heel wat vreemde Koolmezen komen bij ons door. 


 

 

 

De Groenling.
(Chloris Chloris) 











Voor deze stevige vogel, die goed in 't vlees zit, met een tamelijk zwaar silhouet, had men geen betere naam kunnen bedenken: Groenling. Hij is onverstoorbaar en sociaal. ij is een gulzigaard die verzot is op zonnebloempitten. Toch zal hij op de voederplank het proviand wel delen met zijn soortgenoten. Sinds tientallen jaren zoekt hij de nabijheid van de mens, voor zover deze hem eten en onderdak verschaft. 
De Groenling is niet bepaald de ster van het ochtendkoor maar zijn zang is niettemin aardig een luide, snelle triller, gevolgd door vier of vijf melodieuze tonen - "tju, tju, tju, tju, tju gevolgd door een 'tsjiwie-ie-ie. 

Kenmerken: een olijfgroene vogel (14,5 cm) met geel-groene bovenstaart, gele vleugelspiegel en dito buitenste staartpennen. Het vrouwtje is minder levendig gekleurd. 

Habitat: zonnige bosranden en open gemengde bossen met populieren en wilgen. Ook in boomgaarden, parken, tuinen, rond boerderijen en boomrijke plaatsen. 

Voedsel: zaden, bessen, b16cm- en bladknoppen van struiken en bomen. Ook insecten, die zowel op de grond als in de bomen worden gevangen en allerlei kleine zaden op onkruidterreinen, op stoppel- en vlasvelden. 

Voortplanting: de Groenling begint eind april te broeden. Het nest is een omvangrijke kom van takjes, stengels en mos, gevoerd met worteltjes, haar, stengeltjes en een paar veren. Soms bevinden zich verscheidene nesten in één struik. De gewoonlijk 4-6 eieren komen na 2 weken uit en de jongen brengen nog een tweetal weken door in het nest. Per jaar worden 2 -3 legsels grootgebracht. 

Voorkomen: meer zwerf- dan trekvogel, een gedeelte zoekt de kuststreek op. Noordelijke Groenvinken overwinteren in Midden- en West Europa en in het Middellandse-Zeegebied. 

 

 

 

De Witte Kwikstaart.
(Motacilla alba) 










De Witte Kwik is de kleine herderin die rondom het vee fladdert. Op het platteland kan men hem gadeslaan tijdens het najaarsploegen: zij trippelt behendig over de pas geploegde aarde in de ploegvoren en volgt van nabij het werk van het ploegijzer. 
In de volksmond ook genaamd: ploegdrijverke, bouwmeestertje, akkerrnannetje, koewachtertje, zwarte doodskop, paardenwachterke. 

Kenmerken: sierlijk grijs-zwart-wit vogeltje (18cm) met lange zwarte staart met witte buitenste staartpennen. In het zomerkleed een zwarte bovenkop, een zwarte kin, keel en borst. In het winterkleed hebben het mannetje en vrouwtje een zwarte kruin en een witte keel met een zwart befje. 

Habitat: open, grazige terreinen langs rivieren, aan bosranden, landbouwgebieden en boerenerven; in dorpen en steden. 

Voedsel: overwegend insecten, waaronder veel vliegen en muggen die op allerlei open plekken tussen kluit en gras, langs wegen en op boerderijen niet grote behendigheid en dansende bewegingen worden opgepikt. 

Voortplanting: het nest is een kom van takjes, plantenstengels, gras, wortels, bladeren en mos, gevoerd met haar, wol en veren. Het legsel bestaat uit 5-6 lichte, grijsachtige of blauwachtige witte eieren, gelijkmatig grijs gespikkeld. De jongen worden door beide ouders gevoerd. Een Witte Kwikstaart met een snavel vol insecten duidt vrijwel zeker op een nest in de buurt. Na 2 weken verlaten de jongen het nest. 

Voorkomen: het is een trekvogel die sporadisch te zien is in de winter. Hij overwintert in het Zuiden van Frankrijk en tot in Centraal Afrika, 

 

 

De Boerenzwaluw
(Hirundo rustica) 








Het oude gezegde: " Eén zwaluw maakt nog geen zomer " is dichter bij de waarheid dan menig ander spreekwoord. Want hoewel de eerste Boerenzwaluw al eind maart te zien is, toch arriveert de grote massa pas halverwege april uit de overwinteringgebieden in zuidelijk Afrika. Hij wordt in de volksmond ook wel eens genoemd: stalzwaluw, zwalf, zwelfke, schuurzwaluw en vorkstaartje. 

Kenmerken : de vogel heeft een zeer lange gevorkte staart. Zijn bovenzijde is metaalglanzend, blauwzwart, zijn voorhoofd, kin en keel zijn roodbruin. De onderzijde is crèmekleurig wit. Hij zit veel op telefoondraden en zijn geluid is een babbelend " tswit-tswit"'. De zang is een druk, zacht getwitter, kwelend en snorrend. 

Habitat: de volwassen dieren keren meestal op dezelfde plaats terug waar ze het vorige jaar hebben gebroed. Zij komen voor in open, niet beboste gebieden, veelal in de nabijheid van boerderijen en schuren. 

Voedsel: kleine insecten, overwegend muggen en vliegen, die in de vlucht worden gevangen. Jaagt bij voorkeur laag over de grond, over grasland en weiden nabij grazend vee. 

Voortplanting: meestal broeden zij binnen in gebouwen en schuren. Een komvormig nest, niet gesloten, zoals bij de huiszwaluw. Gewoonlijk bestaat elk van de 2-3 nesten die jaarlijks worden voortgebracht, uit 3-6 glanzend witte eieren met een rozebruine of lichtgrijze spikkeling.
In de herfst vertrekken ouders en jongen naar de Zuid Afrikaanse zon, onderweg in de lucht insecten meepikkend. 
Vroeger veronderstelde men dat de Boerenzwaluw in de herfst in de modder van rivieren en plassen verdwenen; dit idee ontstond ongetwijfeld omdat ze zich dikwijls voor het vertrek op dergelijke plaatsen verzamelden. 

 

 

De Wielewaal
(Oriolus oriolus)

 










De wielewaal is iets groter en slanker dan de Merel. Zijn aanwezigheid wordt slechts verraden door zijn gemoduleerd, heel karakteristiek gefluit, hoog in het gebladerte van een populier, tijdens de warme zomerdagen en dat ongeveer als volgt luidt: dududelutjoho. Het is een vogel die in het lover vertoeft en zijn hele leven, diskreet verborgen, in de bomen leeft en slechts zelden op de grond neerstrijkt. 

Kenmerken: het mannetje van de Wielewaal is gemakkelijk te herkennen aan zijn opvallend prachtig goudgeel verenpak, waartegen het zwart van de vleugels en de staart afsteekt; het wijfje en de jongen zijn minder opvallend, want hun gevederte is groen en geelachtig, met bruine vleugels. 

Habitat.: hij vertoeft in bosrijke streken, grote boomgaarden en woudranden met bomen en hoog struikgewas. 

Voedsel.- bestaat hoofdzakelijk uit insecten, vooral rupsen en vlinders, maar ook uit zoet fruit, zoals kersen, waar hij bijzonder verlekkerd op is. Hij geniet van het sappige vruchtvlees op zijn eigen manier: hij laat de pit achter aan het steeltje. 

Voortplanting: het nest hangt hoog in de boomkruin goed verborgen aan een horizontale vork. De 3-5 eieren zijn rozewit met een spaarzame zwarte vlektekening. Gewoonlijk worden ze alleen door het wijfje uitgebroed. Dit duurt ca. 2 weken en nog eens 2 weken later verlaten de jongen het nest. 
Wielewalen produceren per broedseizoen slechts 1 broedsel. De jonge, ongepaarde mannetjes dringen bestaande broedterritoria binnen, waardoor geregeld schermutselingen met oudere mannetjes ontstaan. 

Voorkomen: de Wielewaal is bij ons een vrij talrijke zomergast. De meeste arriveren even wel vanuit hun Afrikaanse winterkwartieren en verlaten onze streken vanaf augustus. 

 



De Vlaamse Gaai
(Garrulus glandarius)









In de volksmond kreeg deze vogel verschillende namen, zoals onder meer: Rotzak, roethanne, roeter, hannik, hannewuite, wuiter, blauwe kraai, Spaanse ekster, hannebroek, weidink, kulaard, meerkol, marken, meerkolver ... 

Kenmerken: Het is een grijsachtig-rode vogel (34 cm) met een witte stuit en donkere staart. De bovenkop is grijs met bruinzwarte strepen en een oprichtbare kuif Blauw en zwartgestreepte vleugels met een witte vleugelvlek. Donkere, dikke snavel met vanaf de snavelwortel een zwarte baardvlek. In de vlucht vallen de vleugels met witte spiegels en de witte stuit tegen de donkere staart op. Een rauw en hees 'schraak' is in elk seizoen te boren; de mannetjes en vrouwtjes zijn gelijk. 

Habitat: De Vlaamse Gaai is een schuwe bewoner van bossen, die men vaker hoort dan ziet. Indringers in het bos worden verwelkomd met een schril, kijvend 'skraak-skraak'. 
Hippend over de grond zoekt bij naar insecten, zaden en eikels. Soms ziet men hoe hij zich met opvallende, rukkende slagen van zijn afgeronde vleugels van boomgaard naar boomgaard rept. 
Voor hun bestaan zijn Vlaamse Gaaien sterk op bomen - met name eiken - aangewezen. Als wintervoedsel slaan ze eikels, beukennootjes, vruchten en bessen op, maar ze eten ook kleine zoogdieren, insecten, slakken, wormen, spinnen en eieren ofjongen van andere kleine vogels. 

Voortplanting In het voorjaar houden deze vogels soms ceremoniële baltsbijeenkornsten, waarbij ze elkaar in groepen met langzame vleugelslag en veel geroep steeds sneller achtervolgen. Het eindigt in een wilde jacht tussen de boomtakken, waarbij het mannetje zijn lichaam zijwaarts naar het wijfje keert en zijn kuif en lichaamsveren uitzet. Hij heeft een betrekkelijk klein, slordig takkennest dat goed verborgen is in de bomen en struiken. Meestal worden 5-7 eieren gelegd, die na ongeveer 14 dagen uitkomen. Beide ouders verzorgen de jongen die na ongeveer 3 weken het nest verlaten. 

Voorkomen: Hij is overwegend een standvogel. De Noord-Europese vogels overwinteren in Midden-Europa. 



 



De Huismus
(Passer domestieus) 






De huismus is verreweg de meest voorkomende inheemse vogel. Huismussen hebben een enorm aanpassingsvermogen en zijn overal in de buurt van menselijke nederzettingen te vinden. 

Kenmerken: algemeen bekende vogel (15cm) sterk aan de menselijke omgeving gebonden. Het mannetje heeft een donkergrijze bovenkop en kastanjebruine nek. Zwarte keel- en kropvlek (bef), lichte wangen en korte streep achter het oog. Het vrouwtje en ook de jonge vogels hebben geen zwarte bef en zijn ook doffer. 

Habitat.: open land- en tuinbouwgebieden, langs wegen, in dorpen en steden. Ontbreekt nergens waar mensen wonen. 

Voedsel: plantaardig en dierlijk voedselafval van de menselijke samenleving. Ook onkruid- en graszaden, granen. In de zomer ook insecten, spinnen, kiemplantjes, blad- en bloemknoppen. Kleine en grotere sappige vruchten aan bomen en struiken. 

Voortplanting: groot, slordig nest in allerlei holten en nissen, ook in nestkastjes. 
De 4-6 eieren worden gedurende 12-13 dagen bebroed. De huismus is in staat andere, kleinere in holten broedende vogels uit hun nesten te verdrijven. 

Voorkomen: overwegend een standvogel. 

 

 


De Pestvogel.
(Bornbycilla garrulus) 









De pestvogel dankt zijn naam aan het invasieachtige karakter van zijn trekbewegingen: men veronderstelde vroeger dat, wanneer de vogels weer eens plotseling in grote groepen ons land bezochten, ze op de vlucht waren voor de pest en andere rampen. Vermoedelijk zijn de onregelmatige verplaatsingen echter te wijten aan voedselgebrek in het normale woongebied in het noorden van Europa en Azië. De pestvogel bezoekt dus lang niet elke winter onze streken, maar als het een 'Pestvogelwinter' is, zijn ze door hun geringe schuwheid gemakkelijk waar te nemen en komen ze ook in stadsparken voor. 

Kenmerken: de pestvogel is een gemakkelijk herkenbare vogel door zijn grijsachtig roodbruine kleur, opvallende kuif en fraaie vleugeltekening; zijn keel is zwart en hij heeft een gele staartpunt. Zijn lengte is ongeveer 18 cm. 

Voedsel: pestvogels zijn sociaal levende dieren, die zich in kleine groepjes te goed doen aan de bessen en bottels van hondsroos, jeneverbes, hulst, meidoorn en lijsterbes. 

Voortplanting: 's winters maakt de pestvogel een zwak, trillend geluid, maar tijdens het broedseizoen is bij veel luidruchtiger. Hij broedt in de naald- en berkenbossen van noordelijke streken. In het komvormige nest worden 4-6 eieren gelegd, die door het wijfje in ca. 2 weken worden uitgebroed. 

Voorkomen: pestvogels zijn zeer sociaal levende vogels, die men bij ons, in sommige invasiejaren, altijd in groepjes ziet rondtrekken. 
Doordat ze in hun normale woongebieden geen mensen tegenkomen, zijn de vogels zeer tam. 

 

 

 

De Rietzanger
(Acrocephalus schoenobaenus)









De naam Rietzanger is enigszins misleidend, want deze vogel heeft geen bijzondere voorkeur voor riet, maar komt vooral in verruigd rietland, broekbosjes, oeverbegroeiing van kanalen en sloten, grienden voor. 

Kenmerken: Hij verschilt van de Kleine Karekiet door koptekening, gestreepte rug en gezetter postuur. Beide geslachten zijn gelijk en hebben een lengte van ongeveer 12,5 cm. Hij vliegt laag en rechtlijnig van bosje naar bosje, opvallend zijn de geelbruine stuit en de uitgespreide staart en gestreepte rug, aan de ogen heeft hij een roomkleurige streep.
Zijn aantrekkelijke zang, die hij soms ’s nachts ten gehore brengt, lijkt op die van de Kleine Karekiet, maar is gevarieerder met een voortdurende, gehaaste opeenvolging van tonen. Het eigen geluid wordt vermengd met knappe imitaties van dat van andere vogels.

Habitat: Ondanks zijn talrijke aanwezigheid is het niet eenvoudig de Rietzanger te ontdekken, want hij verschuilt zich in de onderbegroeiing, waar hij op insecten jaagt. Als hij te voorschijn komt rept hij zich in rechte lijn naar het volgend bosje. 

Voortplanting: Tijdens de baltsvlucht vliegt het mannetje zingend vertikaal omhoog, waarna hij met uitgespreide vleugels en staart weer daalt. 
Het nest heeft een omvangrijke basis en ligt meestal dicht bij de grond. Het bevat 5-6 eieren die na ongeveer een tweetal weken uitkomen.

Voorkomen: Hij is voornamelijk in de nabijheid van water te vinden en broedt in België vrij talrijk. 


 

 

De Fitis 
(Phylloscopus trochilus )












's Zomers is het aardige, weemoedige gezang van de Fitis, één van onze meest algemene zomergasten, veelvuldig te horen. 
Vrijwel eik landschap niet bomen of struiken is voor dit kleine zangertje geschikt, zolang het bladerdak niet al te dicht is. Onze streken herbergen 's zomers enkele honderdduizenden van deze vogels. 

Kenmerken: het is een 12 cm lang vogeltje met een olijfgroen bovenkleed. Hij is iets plomper dan de Tjiftjaf, maar zijn onderdelen zijn geler en de poten lichter. Jonge vogels zijn veel geler dan de volwassenen. Hij vliegt meestal over korte afstand van boom tot boom. 
Wanneer men zijn liedje van zachte, vloeiende tonen in de herfst niet meer hoort, is dit vastberaden vogeltje aan zijn 4000 km lange trek naar tropisch en zuidelijk Afrika begonnen. Deze afmattende slijtageslag is er vermoedelijk de oorzaak van dat de Fitis, anders dan de meeste andere vogels, tweemaal per jaar van verenpak wisselt. 
Niettemin ziet de Fitis nog kans in de meeste broedseizoenen in het zuiden van zijn gebied twee broedsels groot te brengen. 

Voortplanting: het koepelvormige en met veertjes overdekte nest met zij-ingang bevindt zich meestal in hoge begroeiing op de grond en bevat gewoonlijk 6 eieren die wit zijn met roze of roodachtige bruine stippen. Alleen het wijf je broedt, maar het mannetje helpt bij het voeren van de nestjongen. 

Voorkomen: hij trekt in het najaar in zuidwestelijke richting. De Fitis is als zomergast bij ons een zeer talrijke broedvogel. 

 

 

De spreeuw.
(Sturnus vulgaris) 











Kenmerken: een zwarte vogel (21 cm) met groene en purperen glans en korte staart. Lange scherpe snavel, geel in de broedperiode; poten roodbruin. Fijne bevlekking op de kop, achterhals, rug en schouders. In de vlucht is de driehoekige vorm opvallend; buiten de broedtijd ziet men de vogels min of meer in grote groepen (spreeuwenwolk). De zang is een mengeling van kwetterende en ratelende fluittonen, hij heeft veel imitaties in zijn repertorium. 

Habitat: in bosrijke gebieden met grazige vlakten, boomgaarden, veeweiden met geboomte rond boerderijen, ook in dorpen en langs wegen. Hij kan eveneens voorkomen in parken en in plantsoenen in de steden. 

Voedsel: hij voedt zich met levende insecten en hun larven, slakken, wormen en andere kleine dieren. Ook bessen en vruchten van bomen en struiken. De spreeuw zoekt zijn voedsel overwegend op de grond. 

Voortplanting: de spreeuw is een holenbroeder, dus in allerlei gaten en spleten in muren en bomen. Zelfs onder dakpannen in dorpen en steden. 
De 4 á 6 eieren worden door beide ouders gedurende een 12 tal dagen bebroed en de jongen verlaten het nest na ca. 3 weken. 

Voorkomen: onze broedvogels zijn gedeeltelijk standvogel en heel wat noordelijke spreeuwen trekken bij ons door. 

 

 

 

De koperwiek.
(Turdus iliacus) 

    Uitgiftedatum: 29.06.96

    Zegelformaat: 24 mm x 27,66 mm

    Waarde:  2 fr.

                                          Aantal platen: 2

                                          Velindeling:  50

                                           Tanding:      11 ½

                                                                 

De Koperwiek is een karakteristieke Lijster van de Noord-Europese naaldbossen. Koperwieken zijn de kleinste soort. Algemeen vindt men ze in de winter op de velden waar ze vaak in gezelschap van Kramsvogels foerageren.
Een troep vogels die tegen de schemering een struik induiken, zijn meestal Koperwieken.

’s Avonds komen ze in kleine groepjes loodrecht uit de lucht vallen tot op de hoogste takken en ‘s nachts rusten ze op gemeenschappelijke slaapplaatsen in doornstruiken of rododendrons. Het is gemakkelijk deze vogels op hun slaapplaatsen te vangen voor ringonderzoek.
Daardoor is bekend geworden dat ze zeer mobiel zijn en grote afstanden afleggen om slecht weer te ontwijken. Als het weer verbetert, komen ze naar hun oude plaats terug.

Kenmerken: op korte afstand is de Koperwiek gemakkelijk herkenbaar. Hij is klein, compact, met vrij korte staart en vrij grote kop. De combinatie van roodbruine flanken, roomwitte wenkbrauwstreep en gestreepte onderdelen is karakteristiek ( rode vlekken in de oksels).

Bij het opvliegen is de roodbruine ondervleugel opvallend zichtbaar.
Van boven gezien verschilt de Koperwiek van de Zanglijster alleen door het kleinere formaat en de donkerder kleur. De vlucht is identiek aan die van de Zanglijster.
De roep, een langgerekt en enigszins hees “tsieh” is tijdens de trek in de oktobernachten vaak over het gehele land te horen, ook boven de steden, maar meestal mijden ze menselijke bewoning.
De alarmroep is een ratelend, scheldend “tret-tret-tret-tret…”. De zang heeft veel individuele  variaties, maar is per individu constant en te herkennen aan de algemene toon en structuur: vrij korte strofen, met intervals van 3 à 6 seconden, bestaande uit luid, makkelijk weer te geven deel, onmiddellijk gevolgd door een zacht piepend gekwetter.

Soms een luidruchtig veelstemmig tsjilpend koor van rustende groepen tijdens de trek.

Habitat: de sneeuw en de vorst drijven de Koperwieken naar de tuinen rond de steden. Bij hevige koude verblijven ze in parken en hagen.

Voedsel: bestaat voornamelijk uit bessen van de meidoorn, hulst, lijsterbes en ongewervelde dieren zoals rupsen, spinnen en slakken. Ze foerageren in troepen op het open veld.
Wanneer hij op de grond naar voedsel zoekt, richt de vogel vaak zijn kop op en is het alsof hij “luistert”.

Voortplanting: evenals de Kramsvogel breidt deze soort zijn broedgebied uit. De nesten liggen vaak met meerdere bijeen, maar vormen geen echte kolonies. Het nest is een typisch lijsternest van gras en twijgjes met binnenin een kom van leem en fijn gras. De nesten liggen vaak vrij laag, bijvoorbeeld op dunne twijgen bij de basis van de berk.

De vijf of zes eieren, die glad, glanzend en lichtblauw tot groenachtig blauw zijn met roodbruine stippen, worden door beide ouders uitgebroed.
De jongen, door beide ouders gevoed, vliegen na 12 à 14 dagen uit.

Voorkomen: de Koperwiek is een wintergast: een regelmatige in Nederland en België doortrekkende en overwinterende vogel die buiten zijn trektijden in de zomer niet of slechts incidenteel voorkomt.











De bonte vliegenvanger.
(Ficedula Hypoleuca) 







De Bonte Vliegenvanger is één van de weinige vogelsoorten die hun gebied in de 20ste eeuw gestaag aan het uitbreiden zijn. Vermoedelijk heeft hij hier vroeger ook vrij veel gebroed, maar met de verdwijning van onze loofbossen verdween ook de Bonte Vliegenvanger. Door herbebossing en vooral ook het plaatsen van nestkasten weet de soort zich nu weer uit te breiden. 

Kenmerken: het mannetje en het vrouwtje hebben 's zomers een verschillend verenkleed; in de herfst krijgen de donkerder bovendelen van het mannetje echter dezelfde grijsbruine kleur zoals die van het wijfje. 

Voedsel: hij verorbert grote hoeveelheden rupsen en andere insecten. Na het vangen van zijn prooi vliegt hij er dikwijls mee naar de grond. 

Habitat: boomstompen en dode takken vormen ideale zangposten en bieden ook holten om te nestelen. Het mannetje zoekt, zodra hij uit Afrika terug is, een nestplaats uit en het iets later volgende wijfje bouwt het nest. Ze voert dit niet haren, wol en veren. 

Voortplanting: het ene legsel bestaat uit 4-7 lichtblauwe eieren, die zelden enkele zeer fijne, roodbruine spikkels vertonen. Het broedende wijfje wordt door het mannetje gevoerd. De jongen verschijnen na ca. 14 dagen en kunnen na nog eens 2 weken vliegen. 

Voorkomen: hij broedt in Nederland vrij talrijk, bij ons is hij vrij schaars. 






De sijs.
(Carduelis spinus) 









Een nieuwe bezoeker van de tuin, de laatste dertig jaar, is de sijs, een kleine vink met de acrobatische eigenschappen van een pimpelmees. 

Hij zoekt voedsel aan het eind van dunne takjes, waar hij ondersteboven hangt, terwijl hij de zaden uit de berken en elzenproppen peutert (het favoriete voedsel van de sijs). 
De sijs werd destijds misschien naar de tuinen gelokt doordat er sierbomen zoals de cipres geplant werden. Hij is nu een regelmatige wintergast en komt pas naar het wintervoer als de natuurlijke zaadoogst uitgeput is. Drinken in de vijver gebeurt vaak groepsgewijs. 

Kenmerken: het vrouwtje is groen-geel met donkere strepen aan de onderkant. 
Het mannetje heeft een zwarte kop en bef, is minder gestreept en meestal helder gekleurd. Het liedje is een muzikaal gekwetter en eindigt vaak in 'djeeee'. De contactroep is een hees 'djeeeek'. 

Habitat: het vrouwtje bouwt het stevige, compacte nest van kleine, bemoste takjes en voert het met wortels, haar en veertjes. Het zit meestal aan het eind van een tak. De aanplant van veel naaldhout in Europa is deze soort sterk toegenomen. 

Voortplanting: 2 legsels, 3-5 roodgestreepte, lichtblauwe eieren, Broedtijd is 12 dagen en na 15 dagen kunnen ze reeds vliegen. 

 

 

 

De Matkop
(Parus montanus) 











Deze vogel, familie van de mezen, is een talrijke broedvogel. Hij heeft een lengte van ongeveer 12cm en heeft een typische matzwarte kuif, met een lichte vleugelvlek.
De matkop vertoont een zekere voorkeur voor tamelijk donkere bossen, maar het is vooral van belang dat er zieke of dode loofbomen in voorkomen, waarin een nestholte kan worden uitgehouwen.

Habitat: hij komt in veel uiteenlopende biotopen voor, variërend van vochtige moerasbossen tot droge naaldwouden. De Matkop vertoont een zekere voorkeur voor tamelijk donkere bossen, maar het is vooral van belang dat er zieke of dode loofbomen in voorkomen, waarin een nestholte kan worden uitgehouwen. 

Voedsel: na het broedseizoen worden veel zaden gegeten, naast insecten, larven en spinnen 

Voortplanting: de nestholte wordt door het wijfje uitgehakt in een zieke of dode boomstam en ze maakt ook het nest, dat niet veel meer is dan een bekleding van het hol met houtpulp, konijnenhaar en enkele veren. Eind april of in mei legt het wijfje 6 -9 gladde, glanzende eieren. Deze zijn wit van kleur, met rode of roodachtig bruine spikkels en vlekken. Het mannetje brengt het broedende wijfje voedsel. Na ca. 2 weken verschijnen de jongen, die vervolgens door heide ouders met allerlei insecten en hun eieren worden gevoerd, Na 17 á 19 dagen vliegen ze uit. 
De jongen zijn nauwelijks van de Glanskop te onderscheiden. 

Voorkomen: bij ons een standvogel en talrijke broedvogel 


 

 

De ekster








Deze zwarte vogel wordt in de volksmond ook wel eens genoemd: Aakster, anneke, janneke of hannes. 

Kenmerken: zwarte-witte vogel (46 cm lang waarvan 23 cm staart) met lange staart. Volgens de lichtinval is de vogel zwart met blauwe, groene of purperen glans. Snavel en poten zijn zwart, de staart is trapsgewijs afgerond. De onderzijde van de vogel is wit. De vogel heeft een onregelmatige vlucht met achteraan wapperende staart. Jonge vogels hebben een korte staart. 

Habitat: hij leeft in gemengde bossen, parken, grote tuinen en boomgaarden, bij voorkeur waar open plaatsen tussen de bomen zijn. 

Voedsel: hij is minder een afvaleter, daarentegen een grote plunderaar van nesten van kleine, in bomen en struiken broedende vogels. De ekster zoekt een groot gedeelte van zijn voedsel op de grond. 

Voortplanting: hij maakt een overkapt groot takkennest met een opening opzij. Meestal hoog in de top van een boom, soms lager in opgeschoten doornstruiken. 
De 4 á 7 eieren worden -door het vrouwtje bebroed. Beide vogels voederen de jongen en die blijven een 24 dagen in het nest. 

Voorkomen: hij is overwegend een standvogel en overwintert in het broedgebied niet soms zwerfbewegingen. 
's Winters hebben de eksters gemeenschappelijke slaapplaatsen. 

 

 

 

De Veldleeuwerik
(Alauda arvensis)

     Uitgiftedatum: 03.05.97

     Zegelformaat: 24 mm x 27,66 mm

     Waarde: 3 fr.

                                          Aantal Platen: 2

                                          Velindeling :  50

                                          Tanding: 11 ½

                                                                  

Hoewel hun zeer opmerkelijke zang hun een plaats in de literatuur heeft bezorgd, kon de roem hen niet van vervolging vrijwaren.
Overal werden duizenden gevangen met netten en ook nu nog worden ze in Frankrijk, Italië en Spanje op grote schaal gedood om opgegeten te worden.
De zang is niet alleen opmerkelijk vanwege de kwaliteit en gevarieerdheid – er komen loopjes, trillers en nabootsingen in voor – maar ook omdat hij zo lang aangehouden wordt.

Een zangvlucht kan verscheidene minuten duren en de zangactiviteit strekt zich over een half jaar uit. Tijdens de zangvlucht zeilt, bidt en duikt hij naar beneden, terwijl een ononderbroken muzikale klankenstroom wordt voortgebracht.
Een zingende Veldleeuwerik kan in de lucht “hangen” en ziet er dan uit als een roofvogeltje. Een deel van de zangvlucht bestaat uit een laag rondcirkelen met snelle vleugelslagen.

  Kenmerken: in de vlucht kan men de Veldleeuwerik herkennen aan de korte staart en de lange puntige vleugels met de witachtige achterrand.

Het verenkleed van een jonge vogel ziet er “geschubd” uit. Bij het voedsel zoeken lijken ze soms in “gehurkte” houding te lopen.

Ze hebben een bijzonder lange nagel aan de achterteen.
Veldleeuweriken zitten vaak op een paaltje maar nooit in een boom.

Vanuit bepaalde hoeken hebben Veldleeuweriken een bijna driehoekige vorm. Dit valt vooral op bij de lage “flappende” vlucht.
Bij alarm nemen de vogels een opgerichte houding aan, vaak met opgerichte kuif. Ze hebben een sterk gestreepte borst en een vrij lange, bijna zwarte staart met een witte zijzoom.

  Habitat: het zijn vogels van open terrein.

Voedsel: bestaat meestal uit zaden, insecten en hun larven. Ze foerageren uitsluitend op de grond, waar ze zowel plantendelen als kleine bodemdieren eten.

Voortplanting: het nest is een kuiltje in de grond, meestal tussen gras maar ze broeden ook wel in suikerbietvelden.
Meestal zijn er drie of vier eieren, die door het vrouwtje slechts 11 dagen bebroed worden. De jongen verlaten al heel gauw overdag het nest, maar ’s nachts keren ze terug.
In deze gevaarlijke periode vormt het geschubde verenkleed een uitstekende camouflage en de op hun hoede zijnde ouders benaderen het nest alleen lopend.

  Voorkomen: bij ons een zeer talrijke broedvogel van allerlei terrein.
Onder invloed van sneeuwval treden verplaatsingen op en in strenge winters gaan hun aantal sterk achteruit.

De populaties uit Scandinavië brengen de winter in Frankrijk en Spanje door, maar de zuidelijke populaties zijn standvogels.









De Gele Kwikstaart.
(Motacilla flaya flava)

 










De Gele Kwikstaart is uiterst voorzichtig en moeilijk dicht te naderen. Dikwijls ziet men de slanke Gele Kwikstaart op een hoge plant of een hek zitten, terwijl hij zijn luid, langgerekt muzikaal "psie" of "tsie" ten gehore brengt. De alarmroep bestaat uit dezelfde klanken. Indien hij wordt opgeschrikt, vliegt de vogel in een lage, golvende vlucht naar een andere, veiliger uitkijkpost. Het mannetje heeft een levendig baltsgedrag, waarbij hij met trillende vleugels en uitgezette veren in de lucht boven het wijfje fladdert of om haar heenloopt. 

Kenmerken:. de mannetjes hebben 's zomers een grijze kop met witte wenkbrauwstreep. De onderdelen zijn heldergeel. Het wijfje is evenzo maar iets valer. De Engelse Gele Kwikstaart heeft een geelgroene kop. 
De vlucht is laag en golvend. De Gele Kwikstaart zoek vaak een uitkijkpost als hij op jacht is. 

Habitat: het is een vogel van open gebieden, maar met een voorkeur voor vochtige weilanden met veel onkruiden, maar hij is ook talrijk in akkerbouwgebieden. 

Voedsel: overwegend allerlei insecten zoals vliegen, kevers en rupsen 

Voortplanting: het nest is bijzonder moeilijk te vinden, zelfs indien men ouderdieren met voer ziet slepen. Liever dan het nest te verraden, wachten ze net zo lang totdat de indringers weer verdwenen zijn. 
Het nest wordt door het wijfje in een kuiltje gebouwd van gras, stengels en wortels en is dik met haar of wol gevoerd. Meestal bestaat het legsel uit 6 lichtgrijze, geelbruin gespikkelde eieren. Deze worden door het wijfje uitgebroed; na 10 - 13 dagen vliegen de jongen uit. 

Voorkomen: Bij ons een zomergast en een talrijke broedvogel 

 

 

De Kuifmees
(Parus cristatus)

 

    Uitgiftedatum: 02.05.98

    Zegelformaat:   24 mm x 27,66 mm                                                                        

                                        Waarde:   1 fr.

                                         Aantal platen:   2

                                         Velindeling:      50                                                                                        

                                         Tanding:           11 ½

                                                                

Een kenmerkend, zacht, ratelend geluid dat uit de dichte takkenwirwar van een naaldbos weerklinkt, verraadt de aanwezigheid van een groepje voedselzoekende Kuifmezen. De soort, die in vrijwel geheel Europa voorkomt, vertoont praktisch overal een duidelijke voorkeur voor dennenbossen boven sparrenbossen, dit in tegenstelling met de Zwarte Mees.

In sommige streken van Zuid-Europa, nl. het zuiden van Spanje, bewoont hij ook beuken of kurkeiken. Van belang is, dat in de door hem bewoonde naaldbossen, ook enkele loofbomen staan, waarin hij zijn nestholte kan uithakken; naaldbomen zijn meestal te hard voor hem.

Kenmerken: dit klein vogeltje wordt gekenmerkt door een zwarte kuif met een witte punt. Beide geslachten zijn uiterlijk gelijk en hun lengte is ongeveer 12 cm.
Het dunne snaveltje is zeer geschikt om insecten tussen dennennaalden uit te pikken.

Habitat: de Kuifmees is een typische naaldbosbewoner, die zijn nestholte echter vaak in een loofboom uithakt. Net als de Koolmees en de Boomkruiper zoekt de Kuifmees op boomstammen naar onder de schors zittende insecten.

Voedsel: insecten, larven, kleine spinnen, rupsen, zaden en bessen. Hij heeft ook de gewoonte om een voorraad aan te leggen.

Voortplanting: Bij het hofmaken begint het voeren van het vrouwtje door het mannetje zo vroeg mogelijk, om het vrouwtje in een zo goed mogelijke conditie voor het broeden te brengen. De Kuifmees hakt de nestholte uit in een vermolmde stronk. Harde stukken worden niet verwijderd, zodat de nestholte heel onregelmatig van vorm is. Van het nest wordt niet veel werk gemaakt, de holte wordt bekleed met haar, stukjes vacht en soortgelijke materialen.

Het legsel bestaat uit 4 tot 8, of soms meer eieren. Deze zijn wit met een spikkeltekening in diverse tinten rood of roodachtig bruin.
Het wijfje broedt ze in ongeveer 2 weken uit. De jongen worden wel door beide ouders gevoerd, maar in het begin blijft het wijfje nog op het nest en sleept het mannetje voedsel aan.

Dit voedsel bestaat uit insecten en hun larven, maar ook uit dennenzaden en bessen.

Voorkomen: de Kuifmees is in onze streken een uitgesproken standvogel * en een talrijke broedvogel.

  * Standvogels of jaarvogels zijn soorten die het hele jaar door in of in de buurt van hun broedgebied blijven










De Klapekster 
(Lanius excubitor) 













De Klapekster is in onze streken een zeldzame broedvogel. Hij is bijzonder agressief en jaagt zelfs een Buizerd van zijn nest weg. Het geluid is vooral een krijsend "sjek, sjek; de zang is een mengeling van allerlei tonen, vermengd met imitaties van andere vogels. 

Kenmerken : kenmerkend is het verenkleed in zwart, wit en grijs, evenals de brede, zwarte oogband met de witte streep erboven. Beide geslachten zijn gelijk, de lengte van de vogel is ongeveer 24 crn. 

Voedsel: evenals andere klauwieren jaagt de Klapekster alleen en bewaart hij overtollig voedsel voor later door dit op een doorn te prikken. Zijn prooi bestaat hoofdzakelijk uit vogeltjes, insecten en kleine zoogdieren. Soms doodt hij echter ook veel grotere vogels, zoals merels en lijsters. Gewoonlijk ziet met de Klapekster solitair, maar soms komt hij in kleine groepen voor, vaak in de buurt van een zwerm vinken of gorzen, die een mogelijke prooi voor hem vormen. 

Voortplanting : de Klapekster brengt jaarlijks één legsel groot. Het paartje bouwt samen een zacht gevoerd nest van droog gras, mos en twijgen in doornstruiken. De 5-7 eieren worden hoofdzakelijk door het wijfje in ca. 15 dagen uitgebroed; ze zijn groenachtig wit van kleur, met een donkere tekening. Beide ouders zorgen voor de jongen, die na 19-20 dagen het nest verlaten. 

Voorkomen : bij ons is de Klapekster een jaarvogel en een steeds zeldzamer wordende broedvogel.


 

 

De groene Specht
( Pieus viridis)

 










De Groene Specht, met zijn karakteristiek, lachend, snel herhaald "kjuu-kjuu-kjuu", is bij ons een vrij talrijke broedvogel, die echter door het verdwijnen van hoogstammige fruitbomen in aantal achteruitgaat en ook zeer gevoelig is voor strenge winters met veel sneeuw. 
In de volksmond noemt men hem ook waterspecht, houtspecht, bosveulen, klopper en maarts veulen. 

Kenmerken : grote (32 cm) groene vogel met een scharlakenrode bovenkop. Een zwarte baardstreep, die bij het mannetje in het midden rood is. Staart en bovenstaart dekveren zijn geelgrijsgroen, de staartpennen zijn donkerbruin niet lichtgrijsgroene dwars strepen. Jonge vogels hebben vrijwel geen baardstreep. De vogel hipt op de grond, waar hij opvallend veel voorkomt. Hij trommelt zelden, wat zijn soortgenoot de Bonte Specht geregeld doet. 

Habitat : gemengde bo1sse1n, parken, grote tuinen en boomgaarden, bij voorkeur waar open plaatsen tussen de bomen zijn met veel gras. Ook in cultuurgebieden met verspreide boomgroepen en bomenrijen langs de wegen. 

Voedsel : hij zoekt zijn voedsel veel vaker dan ander spechten op de grond, want behalve op larven van houtborende insecten, kevers, nachtvlinders en vliegen, is hij vooral verzot op mieren en hun larven. Ook zou hij soms bijenkorven plunderen. 

Voortplanting : bij het baltsgedrag voert de Groene Specht dezelfde spiraalvormige achtervolgingen uit als de Grote Bonte Specht. De mannetjes hebben echter ook een kenmerkend vertoon: bij het vechten om een wijfje zwaaien ze met uitgespreide vleugels, uitgewaaierde staart en opgezette kuif met hun kop heen en weer. 
Er wordt één broedsel per jaar voortgebracht. Meestel legt het wijfje 5-7 eieren in de kale nestholte, maar er zijn ook legsels 11 stuks bekend. Mannetje en wijfje broeden beide de eieren in 18-19 dagen uit en voeden ook allebei de jongen met een melkachtige brei, die in hun krop uit de massa gevangen insecten ontstaat. 

Voorkomen : standvogel, met soms kleine zwerfbewegingen. 

 

 

 

De Tortelduif
(Streptopelia turtur)












Een van de aardigste vogelgeluiden midden in de zomer is het muzikale, spinnende gekoer van de Tortelduif, een herhaald "poeoerrr-poeoerr-poeeorre'. Het is een slaperig makend geluid, dat goed past bij de warme, lome dagen waarop het zo dikwijls te horen is. Een poging dit geluid in de wetenschappelijke sonar turtur weer te geven heeft ook tot zijn Nederlandse naam geleid. 
De volgende volksnamen worden hem gegeven: tittelduif, tuttelduif, tuterulleke, tartel, rinsduifje, bostortel of bosduifje. 

Kenmerken : slanke, kleine duif (28cm) met op de rugzijde rossig bruine en zwarte vlekken. Op de hals is een zwart-wit gestreepte vlek zichtbaar. Keel en borst zijn roze. De staart is trapvormig afgerond, de onderzijde is zwart met een witte eindband. Donkere snavel en rode poten. 

Habitat: Loof- en gemengde bossen, parken en grote tuinen, open veld met struikgewas 

Voedsel: overwegend kleine kruiden- en graszaden, die van de bodem worden opgepikt. Vooral zaden van duivekervel, muur en soms slakjes. 

Voortplanting : het baltsgedrag omvat o.a. het maken van buigingen voor het wijfje. 
Het nest is een luchtig platform van dunne twijgen en wortels, met soms nog wat gras of haar. De meeste legsels bestaan uit 2 roze-witte eieren, die om beurten door duif en doffer in ca 9 weken worden uitgebroed. De kuikens voeden zich bij beide ouders met "duivemelk" - een zachte, kaasachtige substantie die in de krop wordt gevormd - die ze met hun snavel uit de keel van de ouderdieren halen. 

Voorkomen : Tortelduiven arriveren in onze streken van eind april tot juni vanuit hun winterkwartieren in subtropisch Afrika, waar ze van begin augustus tot oktober weer naartoe trekken. 




De Kramsvogel
(Turdus pitaris) 










Grote, onsamenhangende zwermen Kramsvogels vormen in ons winterse landschap een vertrouwd beeld. Het zijn luidruchtige vogels, die op weilanden naar zaden en klein gedierte, zoals spinnen en duizendpoten, zoeken of zich in meidoorns te goed doen aan de helder rode bessen. Ook kan men ze soms in grote zwermen zien overvliegen op weg naar een gezamenlijke rustplaats, waarbij ze hun scherp 'tsjek-tsjek-tsjek' en een enkele maal een rustige 'wie' laten horen. 

Kenmerken: heeft een grijze kop en stuit, kastanjebruine rug, een zwarte staart en gevlekte onderdelen. Beide geslachten zijn gelijk en hebben een lengte van ongeveer 25 cm. 
De Kramsvogel stijgt bijna vertikaal op. De grijze stuit steekt dan duidelijk af tegen de zwarte staart. 
In de vlucht zien de vogels er van onderen licht uit: de witte okselvlekken lichten fel op tijdens de vleugelslagen. 

Habitat: zowel Kramsvogels als Koperwieken zijn noordelijke lijsterachtigen. In onze streken is het zeldzame broedvogels maar in de herfst arriveren ze hier massaal om in ons relatief milde klimaat de winter door te brengen. 

Voedsel: Kramsvogels vermengen zich bij het foerageren op weilanden vaak met Koperwieken en Goudplevieren. Tijdens het voedsel zoeken kunnen ze soms heftig krakelen. Ze zijn dol op rottend fruit. 

Voortplanting: het nest is een sterke kom van droog gras, mos en worteltjes, gevoerd met modder en geïsoleerd met fijner gras. 
De bij ons zeldzame broedende paren nestelen hoofdzakelijk in takoksels van oude bomen. Jaarlijks worden 2 legsels van 5-6 glanzende, lichtblauwe eieren geproduceerd, die het wijfje uitbroedt. De jongen verblijven 12-16 dagen in het stevige komvormige nest en worden door beide ouders met insecten gevoerd. 

Voorkomen: bij ons een talrijke wintergast maar een zeldzame broedvogel. Oorspronkelijk is het een broedvogel van de Taïga. 





De Zwarte Mees
(Parus ater)












Een witte nekvlek kenmerkt de Zwarte Mees, de kleinste van de bij ons broedende mezensoorten. 
Hun roep is een ijl, hoog 'tsie' of een enigszins klagen 'tsu-ie'. 
De Zwarte Mees is een van die vogelsoorten die van een strenge winter sterk te lijden heeft. 

Kenmerken: Hij heeft grijsachtige bovendelen met een dubbele witte vleugelstreep en isabelkleurige onderdelen. Een zwarte kap met een witte nekvlek kenmerkt de Zwarte Mees, de kleinste van de bij ons broedende mezensoorten. Beide geslachten zijn gelijk, hun lengte is 11 cm. 
Jonge dieren hebben gele kopvlekken en onderdelen. Ze onderscheiden zich van jonge Koolmezen door hun nekvlek en het ontbreken van de buikstreep. 

Habitat: naaldwouden, met name sparrenbossen, vormen de favoriete biotoop van de Zwarte Mees. In sommige streken, zoals Engeland, komt hij echter ook in gemengde bossen en, buiten het broed seizoen, zelfs in boomgaarden en tuinen voor. 

Voedsel: hij voedt zich met kevers, vliegen, nachtvlinders en bladluizen - zowel in volwassen vorm als hun eieren of larven - en spinnen. Ook neemt hij plantaardig voedsel, zoals onkruid- en sparrenzaden, tot zich en verder alles wat de voedertafel 's winters te bieden heeft. Behalve in de broedtijd foerageren ze dikwijls in groepen, soms vermengd met andere mezensoorten. 

Voortplanting: de Zwarte Mees bouwt zijn knus nest bij voorkeur in een boomholte, muur of oever. Mannetje en vrouwtje bouwen samen het nest van mos en bekleden dit dik met haar en vaak ook met veertjes, zodat een fraaie kom ontstaat. Het mannetje voert het wijfjes op het nest gedurende de 14-16 dagen dat ze de 7-9 eieren uitbroedt. De jongen verlaten na 16 á 19 dagen het nest. Al snel zijn het net zulke acrobaten als hun ouders en na nog eens 2 weken zijn ze zelfstandig. 

Voorkomen: bij ons een standvogel, hij broedt talrijk in sparrenbossen. 

 

 

 

De Grauwe Klauwier
(Lanius collurio) 










Vanaf zijn uitkijkpost in een struik, op een hek of op een elektriciteitsdraad speurt de Grauwe Klauwier zijn omgeving af, zelfs de geringste beweging van een insect, klein reptiel, amfibie, zoogdier of vogeltje ontgaat hem niet. Merkt hij iets op,- dan vliegt de vogel er naartoe en grijpt de prooi; soms prikt bij deze dan op een doorn of prikkeldraad om hem later te kunnen verorberen. 

Kenmerken: het mannetje is herkenbaar aan opgerichte houding, grijze kruin, kastanjebruine rug en zwarte gezichtsstreep. Zijn lengte is ongeveer 17 cm. De wijfjes zijn van boven vaalbruin, van onder hebben ze geschulpte donkere dwars streepjes. De jongen lijken op de wijfjes, maar hun verenkleed is meer geschulpt. 
In de vlucht zijn bij het mannetje de puntige vleugels en witte buitenste staartpennen opvallend. Hij vliegt licht golvend. 

Habitat: de populatie van de Grauwe Klauwier is in West-Europa in de loop van deze eeuw aanzienlijk afgenomen. Omstreeks 1950 werd het aantal broedparen in Nederland nog op een 400-500 geschat, maar aan het eind van de jaren 1970 broedden er bier hooguit nog zo'n 150 paren. Deze achteruitgang is vermoedelijk te wijten aan een combinatie van factoren, zoals het verloren gaan van broedgebieden door ruilverkavelingen, vermindering van het voedselaanbod door koudere en nattere zomers en het gebruik van pesticiden. 

Voortplanting: zijn nest is van grasstengels en mos gemaakt en met haar en wortels gevoerd. Het ligt meestal verscholen in een doornstruik. 
Gewoonlijk heeft de Grauwe Klauwier jaarlijks één legsel van 5-6 witachtige eieren met donkere tekening. De jongen worden door beide ouders gevoed en verlaten het nest na 12-16 dagen. 

Voorkomen: bij ons een zomergast, maar een schaarse broedvogel. 

 

 

De Keep
(Fringilia montifringilla)

 







Van onze streken worden enkele broedgevallen vermeld, die echter mogelijk op ontsnapte volièrevogels betrekking hebben. 
Waarschijnlijk is hun territoriumzang een schor, monotoon 'dzwie-ie', soms onderbroken door een krassend geratel. In de vlucht laten ze een rustig, snel 'tjuk-tjuk-tjuk' boren. 

Kenmerken: kop en rug zijn zwart, borst en schouders zijn oranje. De zwarte snavel is 's winters geel. Zijn lengte is ongeveer 14,5 cm. Het wijfje lijkt op het mannetje, maar met valere kleuren en zonder zwarte kop- en rugtekening. 
De vogel is in de vlucht te herkennen aan witte stuit en oranje vleugelrand. 

Habitat: gewoonlijk arriveren de Kepen tussen half september en half april, terwijl ze tot in mei blijven. Gebroed wordt vooral in berkenbossen en gemengde wouden. 
Keep en vink zijn nauw verwant, zodat kruisingen tussen beide soorten vaak voorkomen. Het wintervoedsel van de Keep omvat onkruidzaden, dennenzaden bessen, granen en vooral ook afgevallen beukennootjes. Men ziet ze dan ook veel in beukenbossen, op stoppelvelden en bij graanopslagplaatsen. .. 

Voortplanting: hun nest is een komvormig bouwsel van gras, gevoerd met haar en veertjes. Het legsel bestaat uit 4-5 eieren. De jongen worden door beide ouders gevoerd. 

Voorkomen. bij ons een wintergast en een toevallige broedvogel 

 

 

De Graspieper
(Anthus pratensis)

     Uitgiftedatum: 05.05.00

     Zegelformaat: 24 mm x 27,66 mm

    Waarde:      3 fr. / 0,07 EUR

                                         Aantal platen:   2

                                         Velindeling:    50

                                         Tanding:      11 ½

 

Broedvogels van open terrein hebben vaak een opvallende zangvlucht en de Graspieper is hier een prachtig voorbeeld van. In de vlucht ziet de vogel er gedrongen uit, waarbij de kleine kop en de korte staart opvallen. De witte buitenste staartpennen zijn goed zichtbaar bij laagvliegende vogels.
Een Graspieper wipt bij het rondlopen met zijn staart bij het rondlopen, maar het is minder opvallend dan bij  Kwikstaarten.

Het mannetje begint zijn vertoon door steil naar een maximale hoogte van 30 meter te vliegen. Tijdens de daalvlucht brengt hij een steeds snellere reeks fluittonen ten gehore. Deze bereiken een climax en maken bij de “parachutevlucht”, waarbij de snelheid van de vogel door de uitgespreide omhoog wijzende vleugels en de staart wordt afgeremd, plaats voor langzamere tonen. Bij het neerstrijken beëindigt de vogel  met een triller zijn gezang.

Kenmerken: het is een kleine bruingestreepte vogel met een lichte oogring; de borststrepen vertonen een onregelmatig patroon die bij elke vogel verschillend is. Verder zijn er weinig variaties van het verenkleed. Alleen de grondkleur van de bovendelen vertoont verschillen en is hoofdzakelijk geelbruin, bruin of olijfgroen. Met name jonge vogels hebben een geelbruine kleur.

Beide geslachten zijn gelijk en hebben een lengte van ongeveer 14,5 cm.

Habitat:  de Graspieper is een algemene broedvogel van vochtig grasland, heidevelden en duinen, maar men vindt hem ook langs spoorweg- en wegbermen.

  Voedsel: Graspiepers eten kleine gronddiertjes. In vochtige gebieden vormen langpootmuggen en hun larven een belangrijk bestanddeel van het menu.

  Voortplanting: de Graspieper begint vroeg in het voorjaar te broeden. Het eenvoudige, van gras gemaakte nest ligt verborgen in een kuiltje onder de vegetatie, vaak in een holletje langs een slootkant.
Vogels in het noordelijke deel van het broedgebied hebben een groter legsel dan die in het zuidelijke deel.
Het vrouwtje broedt en na 13 dagen komen de eieren uit; beide ouders voeren de jongen, die na 12 dagen vliegvlug zijn. Doorgaans worden twee broedsels grootgebracht.
Slechts 54% van de eieren krijgen de kans om uit te komen en van de uitgekomen jongen vliegt slechts 30% uit.
Waarschijnlijk gelden deze cijfers voor vele kleine vogelsoorten.

De gemiddelde levensduur van een net vliegvlugge vogel bedraagt slechts 10 maanden. Maar als de vogel eenmaal 1 jaar oud is geworden, bedraagt de gemiddelde levensduur 27 maanden.
De Graspieper is vaak het slachtoffer van de broedparasiet, de Koekoek.

Voorkomen: bij ons is hij een jaarvogel en een zeer algemene broedvogel.

In het zuidelijke deel van het verspreidingsgebied trekt slechts een gedeelte van de vogels weg om te overwinteren in het Middellandse-Zeegebied en in Noord-Afrika.









De Boomkruiper
(Certhia brachydactyla)

 

    Uitgiftedatum: 05.05.2000

    Zegelformaat:  24 mm x 27,66 mm

                                         Waarde: 2 fr. / 0,05 EUR

                                         Aantal platen:  2

                                         Velindeling:    50

                                         Tanding:       11 ½

                                                             

De Boomkruiper is kleiner dan een mus. Hij heeft wel wat muisachtigs als hij over de stam van een dikke boom naar boven “ kruipt”. In tegenstelling tot de Boomklever gaat de Boomkruiper nooit langs de stam naar beneden, maar altijd naar omhoog.

Hij maakt een hoog en scherp geluid. Het is niet erg luid, maar wel duidelijk te horen. De klank is een scherp en snel “tjie-tjie-tjieet”. Soms bestaat deze kreet uit drie klanken, soms uit meer maar praktisch altijd eindigend in een lange kreet.

Kenmerken: de bij ons algemene Boomkruiper heeft lichtbruine flanken en is met zijn witachtige onderdelen het duidelijkst zichtbaar tegen de donkere boomstam.

De slanke naar omlaag gebogen snavel is uitermate geschikt om insecten uit de boomspleten te halen.
De Boomkruiper begint zijn speurtocht naar insecten meestal onder aan de stam.
Vervolgens klimt hij, met korte rukjes, spiraalsgewijs tegen de boom op en heeft dan veel weg van een muis. Eens boven, vliegt hij naar de voet van een andere boom.
Dankzij zijn lange tenen met flinke nagels en een stijve, tamelijk lange staart – die hij tegen de bast van de boom drukt zodat deze dienst doet als steun - kan deze vogel gemakkelijk naar boven klimmen.

Aangezien de middelste paar staartveren bij de rui pas als laatste worden vervangen, is er altijd voldoende steun bij het klimmen.

Habitat:  De Boomkruiper komt voor in bossen, parken en tuinen. Om te nestelen moet hij er wel loofbomen met oud hout en een losse boombast kunnen vinden. Hij slaapt in boomspleten.

Voedsel: bestaat uit allerlei klein gedierte.

Voortplanting: het nest bevindt zich meestal achter een losse boombast, in boomspleten of in een scheur van een schuur. De ouders bouwen samen het nest.

Eerst proppen ze een vormloze verzameling takken op de nestelplaats; daarop maken ze een nestkommetje van gras met stukjes schors, dat wordt bekleedt met veren en haar.
Het vrouwtje neemt de taak van het uitbroeden van de zes of zeven eieren bijna geheel voor haar rekening. Na 15 dagen komen de eieren uit. Beide ouders verzorgen de jongen, die na 16 à 17 dagen uitvliegen.
Voor het tweede broedsel wordt meestal hetzelfde nest gebruikt.

Voorkomen: Boomkruipers zijn erg gevoelig voor strenge winters, maar door op een beschutte plaats in boomspleten te overnachten, kunnen ze de verliezen wel tegengaan.

Het zijn standvogels die zelden meer dan een paar kilometers afleggen.
De soort wordt niet bedreigd; hun aantal neemt langzaam toe naarmate de bomen in onze streken aan het verouderen zijn.




De Kruisbek
(Loxia eurvirostra)

 

    Uitgiftedatum:  05.05.2000

    Zegelformaat:   24 mm x 27,66 mm

                                         Waarde:    1 fr. /0,02 EUR

                                         Aantal platen:   2

                                         Velindeling:      50

                                         Tanding:           11 ½

                                                                  

Deze vreemde uitziende vogel dankt zijn naam aan zijn wonderlijke snavel met gekruiste snavelhelften. De dubbele haak is de Kruisbek van nut bij het uit de kegels peuteren van zaden van allerlei dennenbomen. Vallende kegels en explosieve uitroepen duiden er onmiskenbaar op dat Kruisbekken boven in de boom een “feestje bouwen”. De vogel draait een kegeltje behendig van zijn steel, haalt de zaden eruit en laat hem dan vallen.

Kruisbekken zijn sociale vogels die vaak in familieverband rondtrekken.
De roep is een doordringend, nadrukkelijk en enigszins metaalachtig “tjiep-tjiep-tjiep”.

Kenmerken: het verenkleed van de Kruisbek is variabel. Volwassen mannetjes zijn doorgaans steenrood; sommige vogels zijn echter oranje, geel of bronskleurig, of vertonen een mengeling van deze drie kleuren. Het volwassen vrouwtje is grijsgroen met geelachtige stuit en onderdelen.

De lange smalle vleugels en de zwarte kop vallen op in de snelle golvende vlucht.

Voedsel: vooral zaden uit dennenkegels en andere zaden. Soms ziet men ze drinken in de plassen van bospaadjes. In het najaar eten ze, jong of oud, plantenluizen die ze met de tong vangen. In de winter eten ze ook van het zout dat op gladde wegen wordt gestrooid, maar kan hun dood betekenen wanneer giftige strooimiddelen worden gebruikt.

Aangezien de opbrengst aan kegels van jaar tot jaar varieert, is dit een verklaring voor het voorkomen van “invasies” *

Voortplanting: de broedtijd begint in februari. De nesten worden in groepen hoog in naaldbomen, aan de zuidzijde, gebouwd. Het vrouwtje broedt de drie of vier eieren alleen uit terwijl ze door het mannetje gevoerd wordt gevoerd. De ouders braken de zaden voor de jongen op, die zich ongewoon langzaam ontwikkelen.

Na 25 dagen vliegen de jongen uit. Maar zolang ze nog geen gekruiste snavelpunt hebben, zijn ze afhankelijk van hun ouders.

Voorkomen: de vogels broeden bij ons vrij schaars. Maar hun broedgebieden verlaten zij slechts in uitzonderlijke jaren bij voedselschaarste. Hoewel grotere  trekbewegingen vaak samenvallen met magere sparrenjaren, ontbreekt een absoluut verband. Bovendien beginnen de trekbewegingen al voordat de omvang van de sparappeloogst zich openbaart.

* invasies:  kruidachtige planten produceren ieder jaar ongeveer evenveel zaden. Daarom vertonen de broedpopulaties van vogels die van de zaden van kruidachtige planten leven, in het algemeen geringe schommelingen in aantal.

Een paar soorten zijn voor hun voedsel sterk afhankelijk van bomen. Hun aantallen vertonen aanzienlijke schommelingen, die sterk verband houden met de zaadproductie (Sijsjes en Barmsijsjes kunnen bv. in een jaar tijd in aantal verviervoudigen). Hun antwoord op het sterk wisselend voedselaanbod is dat ze gaan zwerven om nieuwe voedselgebieden te vinden. De toevloed van vogels die hierdoor wordt veroorzaakt, noemt men een invasie.

Invasies komen voor bij o.a. Keep, Koperwiek, Pestvogel en van alle invasiesoorten vertoont de Kruisbek het meest specifieke en opvallende gedrag. Zij verlaten hun broedgebieden slechts in uitzonderlijke magere jaren en zelfs dan leggen ze per jaar maar één bepaalde afstand af.








De Fluiter

 








Kenmerken: Deze vogel heeft geelachtige groene bovendelen en een zwavelgele borst en keel. Hij is duidelijk groter dan de Fitis en de Tjiftjaf 
Beide geslachten zij gelijk en hebben een lengte van ongeveer 12 cm. 

Hij bewoont de boomtoppen, jaagt daar op insecten en verraadt zijn aanwezigheid door een uit twee delen bestaande, onvergetelijke zang, die hem zijn naam heeft bezorgd. Het eerste deel bestaat uit een reeks enkele tonen, die zich versnellen tot een triller die ca. 4 seconden aanhoudt en regelmatig wordt herhaald. Deze zang vermengt de Fluiter met de tweede fase van zijn lied. een serie klaaglijke ' puu-puu-puu' tonen die geleidelijk wegsterven. 
De trillende zang wordt met in de nek geworpen kop en hangende vleugels ten gehore gebracht. De inleidende tonen die aan de triller voorafgaan zingt de Fluiter vaak terwijl hij nog van boom tot boom vliegt. 

Habitat: De Fluiter is een typische bewoner van bossen met hoge bomen, een gesloten bladerdak, een ijle ondergroei en een bodem met enig reliëf 

Voortplanting: Het nest ligt op de grond en meestal minder verborgen dan bij de Fitis. Hij gebruikt geen veren als nestbekleding" maar gras. 
De vogels komen hier meestal eind april uit equatoriaal Afrika aan en brengen gewoonlijk één broedsel van 6-7 jongen groot, voordat ze tussen eind juli en half september weer wegtrekken. Het wijfje bouwt het nest, dat bestaat uit een kom van bladeren en gras op de grond, met een koepelvormig dak en een zij-ingang. Het mannetje staat haar wel terzijde bij het voeren van 
bij het voeren van de jongen met insecten. 

Voorkomen: bij ons een talrijke broedvogel.

 



De Zwarte Stern
(Chlidonias niger)

                                                               

   Uitgiftedatum: 04/11/2002

Zegelformaat: 24mm x 27,66mm

                                                                Waarde:    0,57 €

                                                                Aantal platen:  2

                                                                Velindeling: 50

                                                                Tanding: 11 ½

Papier:   polyvalent-fluorescent

                                                                      

 

De drie “moerassterns “ (Chlidonias) en met name de Zwarte Stern, de Witvleugelstern en de Witwangstern, verschillen van de “zeesterns” (Sterna) door hun tragere, meer schommelende vlucht (zeesterns vliegen met krachtigere vleugelslagen en hebben een stabielere vlucht), iets kortere en bredere vleugels en een minder diep gevorkte staart.

Moerassterns pikken hun voedsel van het wateroppervlak op (en duiken slechts zelden naar kleine vissen) of jagen behendig op vliegende insecten. Ze vertonen niet het voor zeesterns karakteristieke ‘bidden en stootduiken’.

Zeesterns kunnen echter net als moerassterns ook voedsel van het wateroppervlak oppikken en in de lucht op insecten jagen.

  Kenmerken: in de zomer zijn beide geslachten gemakkelijk aan hun zwarte kop en lichaam, grijze vleugels en witte onderstaart te herkennen. De snavel en poten zijn donker. In de winter zijn de vogels herkenbaar aan de zwarte vlek opzij van de borst.
In de vlucht is de roep een rauw, bijna meerlettergrepig ‘k’sjlett’ en de alarmroep is een energiek ‘ki-ki-ki-‘ of een schril ‘kjeh’.

  Habitat: vooral langs de kusten en aan de poelen, hij overwintert aan de kust.

  Voedsel:  bestaat vooral uit moeras- en waterinsecten met hun larven, maar ze eten ook vis, schaaldieren en spinnen.

  Voortplanting: moerassterns broeden in losse kolonies in ondiepe binnenwateren en moerassen. Het nest wordt op drijfplanten of in het water groeiende rietpollen gebouwd en is meestal een drijvend platform van waterplanten zoals riet, gevoerd met fijnere stengels. Tegenwoordig wordt ook op kunstmatige vlotjes  genesteld.
Vanaf half mei worden meestal 3 eieren gelegd. Ze zijn bruin- tot groenachtig, met een zwartbruine spikkeltekening. Beide ouders broeden; de eieren komen na een 14 tal dagen uit. Na 2 weken verlaten de kuikens het nest, maar het duurt nog eens 2 weken voordat ze kunnen vliegen. Gedurende deze tijd verschuilen de jongen zich in de nabijgelegen vegetatie en blijven in de buurt van de ouders.

  Voorkomen:  vroeger was hij in onze streken nog een algemene broedvogel, maar nu is hij in België vrijwel verdwenen, terwijl in Nederland het aantal broedparen toeneemt.
’s Zomers komen er na de broedtijd uit oostelijke gebieden nog vele exemplaren naar Nederland, waardoor er soms in Flevoland en op het IJsselmeer zwermen van tienduizenden Zwarte Sternen te zien zijn.

De Zwarte Stern staat op de lijst van bedreigde vogels omdat er sprake is van een sterke afname van zowel de omvang als de verspreiding van de broedpopulatie.
De afname kent verschillende oorzaken. Erg belangrijk is de grootscheepse afname van *krabbescheer, de belangrijkste leverancier van nestgelegenheid. Die afname heeft alles te maken met watervervuiling, of beter gezegd: met het inbrengen van gebiedsvreemd hard water in veensloten- en plassen. Verder speelt de sterk toegenomen bemesting en de verdroging van veel veengraslanden een grote rol. Juist op weinig bemeste graslanden komen namelijk veel grote insecten voor. Op die plaatsen, waar zulke extensieve graslanden nog bestaan, bevinden zich de meeste Zwarte Sternen.
Op plaatsen waar afname van het aanbod aan nestplaatsen het grootste probleem is, kan de soort geholpen worden met het aanbrengen van nestvlotjes.

* Krabbescheer: in Nederland en België een inheemse waterplant. Het zijn donkergroene stekelige bladeren in drijvende rozetten met witte bloemen. Vooral te vinden in stille plassen en veensloten.

            

            webmaster: Lydia Geeroms