> nieuwsbrief > 25e jg. - 4e trimester 2008

Bijdragen over:
Tip


Zannekin
-Ontmoetingsdag te Wezel


Onze traditionele Ontmoetingsdag staat gepland voor zaterdag 11 oktober. De dag zal doorgaan te Wezel in het Rijnland.

Programma

10.30-11.00 uur: samenkomst, verwelkoming en toelichting bij het dagprogramma in het Preussen Museum, An der Zitadelle 14-20 te Wezel (zie plattegrond), alwaar koffie en gebak.

11.15 uur: referaat door dr. Veit Veltzke, Museumsdirektor, over De vestingstad ten tijde van de Staten-Generaal en de Pruisen.

12.00 uur: bezoek aan het Preussen Museum.

12.30 uur: gezamenlijke lunch.

14.00 uur: wandeling langs de vesting van Wezel richting de binnenstad. 14.30 uur: bezoek aan de Willibrorduskerk. Toelichtingen daarbij door de hr. Walter Stempel over De geschiedenis van de kerk en met name Wezel ten tijde van de reformatie.

15.00 uur: lezing door Marten Heida over Enkele achtergrondkantekening bij het Convent van Wezel in 1568.

15.20 uur: rondwandeling door de stad, richting Museum.

16.00 uur: afsluit in het museum met koffie en gebak.


NB Tijdens de wandeling zullen wij proberen een bezoek aan het Raadhuis te brengen met de befaamde geuzenbekers. Hoe en wanneer wordt tijdens de wandeling ingevuld, vanwege praktische problemen.

Deelnamebijdrage: 30 € “all in” (lunch, vieruurtje, gidsing, toegangen…) per persoon. Aanmelding via overboeking van de bijdrage op een van de Zannekin-rekeningen tot uiterlijk 6 oktober, met vermelding “Wezel” en (e-post-)aanmeding aan het secretariaatsadres: Paddevijverstraat 2, B 8900 Ieper – e-adres: maurits.cailliau@skynet.be

Bus: vanuit A’dam wordt er, in samenwerking met ‘Ons A’dam’, een bus ingelegd. Info meerkost hieromtrent: Jan van Tongeren, Duivenkamp 851, NL 3607 WG Maarssen. Tel. 0031 346560947. E-adres: j.h.v.t@12move.nl.


Mededelingen


Jean-Marie Gantois-herdenking te Waten

In de voorbije meimaand was het precies veertig jaar geleden dat de Frans-Vlaamse voorman, priester Jean-Marie Gantois – die mede aan de basis lag van het ontstaan van de Vereniging/Stichting Zannekin - overleed te Waten. Redenen genoeg dus om een herdenkingsplechtigheid aan zijn graf te houden. Deze ging door op zaterdag 12 juli jongstleden. Alhoewel eerst laattijdig aangekondigd, konden de inrichters rekenen op een behoorlijke opkomst, waaronder – hoopvol teken – een opvallend aantal jongeren. Na de toespraak en de kransneerlegging werd het geheel afgesloten met de Vlaamse Leeuw en de zesde strofe van het Wilhelmus.

“Een vleugje Nederlandse geschiedenis in Bulgarije” - bis

De bijdrage van Dorothea van Wallene in onze vorige Nieuwsbrief over een vleugje Nederlandse geschiedenis in Bulgarije leidde tot een vervolg dat van het verleden naar het heden reikt. U leest er over in Nederlands in Gabrovo, verderop in deze Nieuwsbrief.

In het spoor van Lothar

Onze meerdaagse reis onderbovenstaand motto voldeed inhoudelijk volledig aan de de geschetste verwachtingen. Nogal wat territoria van het voormalige Middenrijk dat ontstond na het overlijden van Karel de Grote, kwamen naderhand in Franse (en Duitse) handen terecht. We mochten hun aan onze geschiedenis zo verwante lot doorheen de eeuwen herontdekken.

Manifest voor de Lage Landen

affiche

Het Manifest voor de Lage Landen, is een initiatief uitgaande van de voormalige Heel-Nederlandse jeugdbeweging. Aan de basis van dit initiatief ligt de bekommernis omtrent het tandend besef omtrent het “onontbeerlijk eenheidsbesef der Nederlanden" (Hendrik Fayat). Bedoeling is om in het najaar met dit manifest naar “de buitenwereld” te treden, met een zo groot mogelijk aantal ondertekenaars. Ook uw handtekening kan daartoe bijdragen. Dit initiatief wordt mede ondersteund door een affichecampagne, waarvan afbeelding hierbij. Deze affiche – uitgevoerd in de oranje-blanje-bleu-kleuren – op A3 formaat, wordt te koop aangeboden per 10 stuks, voor de prijs van 10 € . bestelling via overboeking op rekening 000-1586636-07 (IBAN BE74 0001 5866 3607 – BIC BPOTBEB1) t.n.v. Stuurgroep Oud-ADJV, 8900 B. Ieper.

U leest het Manifest onderaan deze Nieuwsbrief. Ondertekening ervan kan via adhesiebetuiging aan het opgegeven adres of via e-post aan: maurits.cailliau@skynet.be

 
Foute benoeming – rechtzetting


Willy Alenus

In onze vorige Nieuwsbrief sierde een gravureportret de kaftpagina. De betiteling, als zou dit een portret zijn van de geuzen-admiraal Lumey was foutief. De op de voorpagina afgebeelde edelman is niet "Lumey" (Willem II van der Marck), maar wel zijn jongere broer en erfgenaam, Filips van der Marck. Het zijn onze Noord- Nederlandse vrien-den die dit portret verspreiden, vooral via hun websites en ik heb sommigen onder hen (Engelfriet, Tettero) al op het verspreiden van die verwarring zaaiende info attent gemaakt.

Dat het kwestieus portret wel degelijk dat van Filips is, heer van Lummen, dat kan niet in twijfel worden getrokken, aangezien een origineel of een authentieke kopie wordt bewaard in het "Arenberg Archief en Cultureel Centrum" in Edingen, waar ik het verleden jaar nog in mijn handen heb gehad.

E. GERAETS, volgens mij nog altijd een van de beste biografen van Lumey (als dicataor van Hasselt, 1566-1567), in zijn Hasselt sous les Princes- Evêques de Liège, in Société Chorale et Littéraire les Mélophiles de Hasselt, deel 24, Hasselt, 1888 en de volgelingenvan Geraets, concluderen als volgt m.b.t. het einde van Lumey (1 mei 1578) en de opgang van zijn jongere broer Filips: "De titels en de erfenis van de overleden Lumey, die kinderloos was gestorven, waren in feite al overgegaan op zijn broer Filips. Deze zei de geestelijke stand vaarwel (in 1578 was hij kanunnik in Straatsburg), trouwde met vrouwe Catharina van Manderscheidt en verwierf alzo de heerlijkheden (of de kastelen?) Schleiden en Kerpen, die zij van haar ooms had geërfd. Filips overleed op 13 juni 1613. Zijn zoon was heer van Lummen en van Schleiden, zijn kleinzoon onderscheidde zich onder maarschalk Turenne (1611-1675), zijn achterkleinzoon werd luitenant-generaal van (de legers van) de Franse koning. Diens zoon werd marquis en zijn dochter huwde de zoon van de hertog van Arenberg, zo dat de ooit in het verleden opgesplitste erfgoederen van het geslacht van der Marck, met name Lummen en Arenberg, weer in één hand werden verenigd." Graaf Lamoraal van Egmont

Hoe belangrijk een eigen website is ondervond de Historische Vereniging Oud-Beijerland (Zuid-Holland). Via hun website www.hvobl.nl zocht de historische kring in Zottegem (Oost-Vlaanderen) contact. In Zottegem, waar de stichter van de Beijerlanden Lamoraal van Egmond en zijn echtgenote Sabina van Beijeren hebben gewoond en zijn begraven, loopt een initiatief om een Egmond Museum te stichten.

Op dinsdag 29 juli 2008 was er een delegatie met onder andere de Schepen van cultuur van de gemeente Zottegem op bezoek in Oud-Beijerland. Ze kregen een uitgebreide rondleiding door Piet Jan in ’t Veld en Johan Leeuwenburg van de vereniging in het Oude Raadhuis, de Nederlandse Hervormde kerk (met het zogenaamde Gravinnenhuisje met het graf van Sabina van Egmond), de toren en de herinneringsplaquette op de hoek Koninginneweg/Beneden Oostdijk. De delegatie had voor de Oud-Beijer-landse vereniging een nieuwtje, want Zottegem is onlangs in het bezit gekomen van het hart van Lamoraal van Egmond. (RK)

Oranjestad Diest

De jaarlijks Mis voor de oudste zoon van Willem van Oranje, die in Diest zijn laatste rustplaats vond, gaat door op 21 september om 10.30 u. Een koor uit Breda zal de Mis opluisteren, de consul van Nederland en de burge-meester van Breda zullen ook aanwezig zijn. Nadien is er een receptie.

Grensoverschrijdende heemkundedag

Op 6 september j.l. vond andermaal, dit keer op Erve Kraesgenberg te  Losser dit grensoverschrijdend gebeuren plaats dat beurtelings aan de ene en de andere kant van de Nederlands-Duitse grens doorgaat. Thema dit jaar was Landschap en Volksgeloof. Dit initiatief van de Stichting Kunst en Cultuur (Zwolle),de Stichting Gelders Erfgoed (Zutphen) en de Kreishei-matpflege Borken, verdient ook onze lof en waardering.


Nederlands leren in Gabrovo


Johan Velghe

Leeft de geest nog van graaf Boudewijn IX van Vlaanderen? Je zou het zowaar geloven. Met huisoppas in Bergen (Mons) profiteer ik van een zwak zonnetje om even de benen te strekken in het Waux-Hall-park aan de Porte de Flandre in Bergen. Met een weinig lectuur bij de hand, en laat dat dan het Zannekin-Nieuwsbrief van juli jl. zijn, is na de fikse wandeling een terrasje o zo deugddoende. Als co-voorzitter van de Stichting Marcel de Bisschop: Aalst-Gabrovo vzw laat ik me niet pramen om “Een vleugje Nederlandse geschiedenis in Bulgarije’’, bijdrage van Dorothea van Wallene, meteen te lezen. Om de in het verhaal opgediste Vlaams-Henegouwse graaf Boudewijn IX voor ogen te halen hoef ik letterlijk die maar op te slaan. Aan de overzijde van het kruispunt van de Avenue Reine Astrid met de Avenue Baudouin VI prijkt het fraaie ruiterstandbeeld van de Vlaamse graaf Boudewijn IX die als Baudouin VI gelijktijdig in de twaalfde eeuw ook graaf van Henegouwen was. Van de elfde tot de dertiende eeuw zorgde dezelfde gravenfamilie immers voor een unie tussen Vlaanderen en Henegouwen. De bronzen Boudewijn houdt in zijn hand het symbool van zijn kroning tot keizer van het Byzantijnse rijk. En alsof Boudewijn IX nog niet genoeg alom aanwezig is, herinner ik mijn prille kinderjaren in Kortrijk waar ik na schooltijd een vieruurtje voorgeschoteld kreeg door mijn meter die aan de Graaf Boudewijn IX-laan woonde.

Niet alleen de burcht van Veliko Turnove, waar graaf Boudewijn IX op bevel van de Bulgaarse tjaar gezelfmoord werd omdat hij al dan niet teveel naar de tjarina lonkte, heeft een band met onze geschiedenis, maar tevens de even verderop, in dezelfde regio gelegen Shipkaberg, de scheiding tussen de het Bulgaarse binnenland en de Rozenvallei, bekend voor zijn grafheuvels die tot de Thraciërs teruggaan (Spartacus was een Thraciër). Na vijf eeuwen Ottomaanse bezetting kwamen in 1876 Bulgaarse nationalisten in opstand. Hun Aprilopstand werd gesmoord in een bloedige repressie. Die lokte internationaal, maar ook in de Bulgaarse provincie van het Ottomaanse rijk zoveel protest uit dat alles leidde naar de Russisch-Bulgaarse oorlog tegen de Ottomaanse bezetter. De Russische tsjaar was zoals steeds geïnteresseerd in de Zwarte Zee, vandaar zijn coalitie met de Bulgaarse opstandelingen. Het kwam tot een stellingenoorlog in en om de Shipkaberg. Afgesneden van bevoorrading gebruikten de Bulgaren zelfs boomstronken en de bevroren lijken van hun gesneuvelde kameraden om de vijand af te weren. In katholieke West-Europese kranten werd deze bevrijdingsoorlog afge-schilderd als een titanengevecht tussen christenen (ook al waren het orthodoxen) en de heidenen. Dat de slag om Shipka maandenlang aansleepte sprak ook tot de verbeelding en droeg bij tot het beeld van chaos en verschrikking.

Net in die periode werd de industrialisatie van Aalst een feit. In de Denderbocht verrezen fabrieksgebouwen volgestouwd met machines aangedreven door stoomkracht. Deze ongeremde industrie en de toestroom van een verpauperd proletariaat liet de Aalstenaars de associatie maken met de chaos van de Shipka-oorlog. De Denderbocht tussen de huidige Burchtstraat en de gekanaliseerde Dender werd en wordt tot op heden door de Aalstenaars als ,,het eiland Chipka’’ aangewezen, net zoals later er sociale woonwijken in de volksmond naar de toenmalige conflicten in Saarland, Korea en nog later de Baranja genoemd werden.

Chipka in Aalst werd helemaal een begrip toen drukker-uitgever Pieter Daens, medestichter van de Christene Volkspartij, zijn weekblad “,De Werkman” en zijn boeken als uitgeversadres meegaf: Eiland Chipka. Nog later zou Louis-Paul Boon er prat op gaan geboren te zijn op het eiland Chipka, in de nu verdwenen Eilandstraat. Boon woonde als kind in de Eilandstraat, maar werd geboren aan de Dendermondsesteenweg in Aalst. Hoe dan ook, ook voor hem had de naam Chipka een meerwaarde. Op het Werfplein, aan de kop van het eiland Chipka staat het beeld van Priester Daens, schouder aan schouder met arbeiders die hij ,,vrij en welvarend’’ wilde maken, uitkijkend over de Dender naar de tot op vandaag proletarische Aalsterse rechteroever. En op de Bulgaarse Shipkaberg prijkt, duizend treden hoog, een monument dat met muurschilderijen het oorlogsgebeuren van 130 jaar geleden verhaalt.

Wie de Shipkapas in westelijke richting verlaat komt na 30 km in Gabrovo terecht, het voormalige “Manchester van Bulgarije”, textiel- en carnavalsstad voor de val van de communistische dictator Todor Jivkov in november 1989. Vijftien jaar eerder maakte de toenmalige burgemeester Marcel de Bisschop van textiel- en carnavalsstad Aalst kennis met Gabrovo. Marcel de Bisschop, overleden in 1991, was een erudiet én eigenzinnig man: apotheker en volbloed carnavalist, flamingant geworden door de strijd voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit, Heel-Nederlander, CVP-burgemeester en later PVV-schepen, wereldburger en als wetenschapper en burgemeester al in de jaren zeventig van de vorige eeuw op zoek naar ecologische oplossingen voor afval- en waterzuiveringsproblemen. Zo stak hij zijn licht ook op achter het IJzeren Gordijn en mede aangetrokken door het carnavalsgebeuren kwam hij ook in het Bulgaarse Gabrovo terecht. Hij zou er nog vaak terugkeren en blijvende vriendschapsbanden smeden. Marcel de Bisschop werd ereburger van Gabrovo. Enkele jaren na zijn dood werd met de oprichting van de Stichting die zijn naam draagt, meteen ook een stukje van zijn geestelijk testament uitgevoerd: zijn vrienden in Gabrovo niet in de steek laten. In 1998 eerde het stadsbestuur van Gabrovo zijn ereburger met het omdopen van het stationsplein in de “Plochtad Marcel de Bisschop”.

Naast humanitaire hulp werkt de Stichting zelfstandig en/of in coöperatie mee aan toekomstgerichte projecten (middenstandsopleiding, dokterssta-ges…), waaronder ook de Talenavondschool Marcel de Bisschop in Gabrovo. Met financiële ondersteuning van de Stichting wordt het inschrijvingsgeld bewust laag gehouden. De polyglot in, en de sociale ingesteldheid van Marcel de Bisschop indachtig. Met steun van de Vlaamse Gemeenschap werd in het zevende schooljaar, naast Engels, Spaans, Duits en Frans, voor het eerst ook een cursus Nederlands georganiseerd met medewerking van de leerstoel Neerlandistiek in Veliko Turnove. In juni jl. kregen zestien van de aanvankelijk dertig gestarte cursisten een certificaat van welslagen in de basiscursus Nederlands. In oktober 2008 wordt de cursus hernomen en vat ook een tweede leerjaar Nederlands aan.

Het succes van deze cursus is niet toevallig. Niet alleen azen jonge Bulgaren via een basiskennis Nederlands op tewerkstelling in een callcenter of op seizoenarbeid aan de kust in Vlaanderen en Nederland, maar dokters en verpleegkundig personeel van het Dr. Tota Venkova-hospitaal in Gabrovo maken daarmee reële kansen op stages en bijscholing in het Aalsterse Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis. Door de door de Stichting jarenlang gestimuleerde stages van artsen uit Gabrovo in het Aalsterse OLV, groeit momenteel een intense samenwerking tussen beide ziekenhuizen, met als objectief de inrichting van een cardio-vasculaire afdeling in het ziekenhuis van Gabrovo. Met het oog hierop krijgen drie Bulgaarse verpleegkundigen vanaf medio januari 2009 een jaar lang bijscholing in het KaHo in Aalst en werken ze tevens in het OLV. Zij volgden aan de Talenavondschool al de basiscursus Nederlands en krijgen bij hun aankomst in Aalst een intensieve training Nederlands, dit met het oog op hun verdere opleiding, hun tewerkstelling in het OLV en omgang met  patiënten.

Marcel de Bisschop was noch graaf noch keizer, maar in Bulgarije laat deze Vlaming en Heel-Nederlander positievere sporen achter dan Boudewijn IX.


Staatsgrens breekt dialect op


 

Ooit was het Kleverlands één dialectcontinuüm. Anders gezegd: de bewoners aan beide zijden van de Nederlands-Duitse grens tussen Nijmegen en Venray spraken dezelfde taal, kleine variaties daargelaten. Ook na vaststelling van de officiële staatsgrens tussen Nederland en Duitsland, in 1815, bleef dit nog lang zo. Tegenwoordig echter spreken steeds minder mensen Kleverlands en lijken de varianten ook steeds minder op elkaar.

 

Charlotte Giesbers, taalkundige en geboren Groesbeekse (en tegenwoordig wonend in Bedburg-Hau, net over de Duitse grens), promoveerde op 26 juni jongstleden op haar onderzoek naar het Kleverlands. Ze onderzocht of tóch de staatsgrens een breuk in het dialectcontinuüm vormt en ontdekte dat dat inderdaad zo is. Aan weerszijden passen de dialectvarianten zich aan aan de standaardtaal en zo groeien ze uit elkaar.

Het Kleverlands werd gesproken in dorpen als Groesbeek, Kranenburg, Siebengewald, Gennep, Goch, Afferden en Ven-Zelderheide. Giesbers onderzocht door middel van enquêtes welke mensen dialect spreken en in welke situaties ze dat doen, en wat de houding van bewoners ten opzichte van het dialect is, vergeleken met de standaardtaal. Ook: waar doen mensen hun boodschappen, waar woont hun familie, waar hebben ze vrienden? En in hoeverre is in de waarneming van de streekbewoners de staatsgrens ook een grens in het dialect (‘waar spreken ze ongeveer net als u?’)? Uit die gegevens kwam onder meer naar voren dat in het Nederlandse gebied iets vaker dialect wordt gesproken en dat de houding ten opzichte van dialect er iets positiever is dan in het Duitse gebied.

Huwelijken

De staatsgrens oefent ook invloed uit op de contacten van de bewoners van dit gebied, stelde Giesbers vast. Ze dook het archief in en bestudeerde de huwelijken tussen 1850 en 2000: wie trouwde met wie, en waar kwamen de echtelieden vandaan?

‘Er zijn nog steeds wel grensoverschrijdende verenigingen, zoals de schutterij in Groesbeek-Wyler, en mensen gaan ook naar de kermis in dorpen vlakbij over de grens. Maar het vanzelfsprekende grensverkeer zoals dat nog lang na 1815 heeft standgehouden, is er niet meer.’ Het grote omslagpunt ligt bij de Tweede Wereldoorlog, vond Giesbers. ‘Toen werd de grens ineens écht een grens. Daarvoor was 35 procent van de huwelijken in de streek grensoverschrijdend, daarna nam het snel af tot nog maar zo’n 5 procent nu.’ De Duits-Nederlandse grens is dus niet alleen een taalgrens, maar ook een sociale grens – een échte grens dus, in meer dan één opzicht.

In vergelijking met vroeger, líjkt de grens met Duitsland tegenwoordig opener dan ooit: er staat geen douanier meer langs de weg, Nederlanders en Duitsers hanteren dezelfde munteenheid en steeds meer Nederlanders gaan net over de grens wonen, omdat grond en huizen daar veel goedkoper zijn. ‘En toch staan we steeds meer met de ruggen naar elkaar toe’, constateert Giesbers. Ze verklaart het doordat de oriëntatie van mensen minder regionaal is geworden. ‘Vroeger zocht je een partner in dezelfde streek, op de kermis in een dorp verderop. Een bewoner van Ven-Zelderheide kwam niet met een vrouw uit Amsterdam thuis. Waar moest hij die ontmoeten? Tegenwoordig leggen mensen voor werk of studie gemakkelijk grotere afstanden af.’

Landverhuizers

En wat de trek van Nederlanders naar Duitsland betreft: die is er wel, maar zelden hebben de emigranten de bedoeling om te integreren in hun nieuwe omgeving. Nederlanders gaan over de grens wonen, maar werk, scholen voor de kinderen en zelfs vrijetijdsbesteding blijven vaak een Nederlandse aangelegenheid. ‘De hedendaagse landverhuizers hebben geen invloed op het dialect. Dat is wel jammer, want het zou hét communicatiemiddel bij uitstek kunnen zijn. Als ik Nederlanders in Kleef soms hoor hannesen in het Duits… dan zou het toch stukken makkelijker zijn als je met je dialect terecht kunt… Ik kan er moeilijk een aanbeveling van maken, maar anders zou ik zeggen: mensen in de grensstreek, blijf toch vooral dialect spreken!’

Dialect spreken neemt niet alleen af door minder grensoverschrijdende contacten, dialect spreken neemt sowieso af, overal. Giesbers weet dat het zo is, ‘maar een beetje zonde vind ik het wel. Dat Kleverlandse dialect, dat was een taal waardoor mensen ook makkelijker met elkaar in contact kwamen. Nu kun je het meemaken dat een jonge Duitser en een jonge Nederlander die nog geen tien kilometer van elkaar zijn opgegroeid bij voorkeur Engels spreken als ze elkaar ontmoeten. Want elkaars taal kennen ze niet. Dat is toch jammer?’

Het is een gegeven: dialecten verdwijnen. Daarom helpt Giesbers, die sinds april 2002 ook werkt aan het Woordenboek der Gelderse Dialecten, graag mee met het verzamelen van wat er nog is. ‘Dialect, dat is de taal van je grootouders, van je dorp, van je familie en dus van jezelf. Dat moet je bewaren. We bewaren tenslotte wel meer in musea.’

_______________

Meer dialectnieuws van de Radboud Universiteit: op 19 juni l.l. vond de officiële presentatie plaats van het laatste deel van het Woordenboek van de Limburgse Dialecten, in het Gouvernementsgebouw in Maastricht. Dit is een project van de Radboud Universiteit, Provincie Limburg, NWO, KU Leuven en FWO (Belgische variant van NWO).

 

Onbekend Frans-Vlaanderen


Rudi Koot

Onder die naam brengt Philippe Despriet nu al het negende deel uit dat gaat over de Avesnois. Philippe Despriet is al jarenlang actief als archeoloog voor Zuid-West-Vlaanderen.  Het museum Kortrijk 1302 bevat vele van zijn vondsten. De opgravingen in Kortrijk hebben vaak relaties met Frans-Vlaanderen. Philippe is dan ook sinds jaar en dag gids in Frans-Vlaanderen.

Naast de publicaties over de opgravingen in Kortrijk heeft Philippe vele uitgaven over Frans-Vlaanderen op zijn naam staan. De serie Onbekend Frans-Vlaanderen is het laatste initiatief dat in 2003 begonnen is. De vorige delen zijn achtereenvolgens: 1. Boulogne en de Boulonnais, 2. De Atlantikwall in Frans-Vlaanderen, 3. De V1 in Frans-Vlaanderen, 4. De V2-raket in Noord-Frankrijk, Wizernes en Eperlecques, 5. De Franse Westhoek, 6. Cassel, 7. Het rijke Sint-Omaars en 8. De geniale Vauban.

Meer informatie is te verkrijgen via: Philippe Despriet, Filips van den Elzaslaan 4, 8500 Kortrijk, Telefoon/Fax: 056-22.21.99.

Internet: http://vls.wikipedia.org/wiki/Philippe_Despriet.

Internet: http://www.kortrijk1302.be/

Jubileum Waalse Kerk in Nederland

De Waalse Kerk in Den Haag viert het 200-jarig bestaan. Al in 1591 was er een Waalse gemeente in de stad, maar in 1808 werd het huidige gebouw betrokken. Het meubilair dateert nog uit de bouwtijd. Er zijn 14 Waalse kerken in Nederland, met 6 predikanten. In de Tachtigjarige Oorlog vluchtten Waalse protestanten naar het noorden omdat de godsdienstvrijheid was afgeschaft. Bron: WaalsWeekblad [redactie@waalsweekblad.be]

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida, Veenendaal

Wat was de “bloedgroep” van pater Desiderius Stracke?

Ik zou me – geboortig als ik ben uit Fryslân – zeer gestreeld moeten voelen. Tot twee keer toe heb ik kennis kunnen nemen van het “feit” dat door de aders van de bekende Vlaamse pater Desiderius Stracke (1875-1970) Fries bloed gestroomd zou hebben. In zijn Vreemdelingen in een wereldstad deelt Lieven Saerens op p. 133 mee dat hij een zoon zou zijn van een Friese vader en een Belgische moeder en in de 2e uitgave van de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging wordt die afkomst van zijn vader bevestigd en van zijn moeder gezegd dat ze een Vlaamse was.

Ik moet eerlijk bekennen dat ik met die Friese afkomst geen weg weet en wel omdat ik met een vraag blijf zitten en wel deze: welk Fries bloed stroomde door aijn aders? Westerlauwers Friesland (de Nederlandse provincie Fryslân) komt niet voor het donorschap in aanmerking om de doodeen-voudige reden dat de famielienaam Stracke daar volkomen onbekend is.

In een poging er achter te komen welk “Friesland” het dan wel mag zijn, heb ik mijn licht opgestoken bij de bij uitstek deskundige op dit gebied te weten de Oostfries Manno Peters Tammena. Helaas heeft hij me niet op het juiste spoor kunnen zetten. In zijn antwoord op mijn vraag laat hij me weten dat Stracke een Duitse geslachtsnaam is en geen Oostfriese.

En zo blijft de vraag: uit welke van de Friese landen is het voorgeslacht van deze Vlaamse pater dan wel afkomstig? Ik kan niet geloven dat de hier-boven aangehaalde vermeldingen met betrekking tot zijn afkomst op onjuiste informatie berusten. Mochten er onder u zijn die hier licht kunnen laten schijnen, dat zal ik daar graag een afglans van ontvangen om u daar vervolgens weer in te laten delen.

Van Velthuysen naar Veldhausen

In 1907 verscheen bij Van Holkema en Warendorf te Amsterdam de 2e druk van een door L.E. schreven verhalenbundel Silhouetten. Met dit opschrift heeft ze – het gaat hier inderdaad om een schrijfster waarover straks meer – duidelijk willen maken dat haar verhalen als het ware een schaduwbeeld vormen van beschreven werkelijkheden. Anders gezegd: de ondergrond is historisch juist, maar bij de uitwerking van de gegevens heeft ze haar geest de nodige vrijheid gegeven.

Mijn zegsman – dr. Raben uit Veldhausen – vertelde me dat de letter E slaat op de familienaam Engelberts. Hoewel de schrijfster woonachtig was in de Drentse hoofdstad Assen, zou de familie oorspronkelijk afkomstig zijn uit Lingen, een Eemslands stadje – zeker in die tijd – dat in de 17e eeuw een Oranje-bezitting was. Ik denk niet dat dit vermoeden bezijden de werkelijkheid is. Ik heb daarvoor Die Geschichte der Schriftsprache in der Stadt und in der ehemaligen Grafschaft Lingen vom 16. bis zum 19. Jahrhundert van Hans Taubken erop nageslagen. In het persoons-naamregister komt deze familienaam met zes verschillende voornamen voor. Een aantal van hen behoorde tot de toenmalige upper-ten in dit graafschap. Aangezien er in die tijd (17e eeuw) en als echo ook nog lang daarna uitste-kende contacten waren tussen Lingen en de Republiek is het niet verwon-derlijk dat met het keren van het politieke getij in dit graafschap leden van deze familie zijn uitgeweken naar de Republiek.

De tweede druk wordt ingeleid door Jeronimo de Vries, in het begin van de vorige eeuw een niet onvermaard letterkundige en op basis daarvan tot oor-delen bekwaam. De Silhouetten “zijn meest uit het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw, een tijdperk dat wel geheel tot den ouden tijd behoort, maar op de grens van de nieuwe tijd gelegen, ons het naast is.” Ze “zijn bovendien geschreven in dien vlotten, aan gewilde en bestudeerde woordkunst vreemden stijl, die bij den inhoud past, de rustigen, vertrouwelijken stijl, waarin memoires en brieven geschreven zijn in den tijd, toen men nog brieven schreef.”

De laatste van de zes vertellingen heeft het opschrift La Bellissime Hol-lande meegekregen. Uit de tekst wordt duidelijk dat de schrijfster geen onbekende was in de graafschap Bentheim. Voor een niet onbelangrijk deel speelt het verhaal zich namelijk af in het Nedergraafschapse dorp Veld-hausen. Maar dat is niet de naam die zij gebruikt; in die tijd hadden de steden en dorpen in deze regio nog Nederlandstalige namen. Vandaar dat zij het over Velthuysen heeft. Wanneer deze naam het veld heeft moeten ruimen voor de Hoogduitse soortgenoot is mij onbekend. De verandering zal een gevolg geweest zijn van de toenemende verhoogduitsing van de Graaf-schapse samenleving in de loop van de 19e en (vooral) 20e eeuw.

Via Gorinchem naar Gorkum

Ik was weer eens op weg naar het Vlaamse land. Meestal sla ik dan bij Gorkum af in de richting van Antwerpen. Gorkum? Ja zeker. Maar die plaatsnaam zoekt u tevergeefs op de borden. Daar staat de naam aangeduid als Gorinchem.

Als je alleen in de wagen zit heb je tijd en gelegenheid over velerlei zaken na te denken. Die keer – waarop ik in de eerste zin zinspeelde – hield die plaatsnaamaanduiding me bezig. Ik vroeg me af wat toch wel het “lijntje” was dat deze twee namen voor één en dezelfde plaats met elkaar verbond. In een poging daarachter te komen ben ik de officiële naam voorzichig gaan “proeven” en wel door die eerst langzaam uit te spreken en vervolgens de lettergrepen te “wegen”. En toen ineens had ik zoiets als wat de Duitsers een “A-ha-Erlebnis” noemen. Het werd me duidelijk dat de let-tergroep “ch” niet als een “g” moest worden uitgesproken; de oor-spronkelijke uitspraak is ooit “Gorinc-hem” geweest. Met andere woorden: deze stad heeft ooit tot het bezit behoord van een zekere Gorinc. Na deze ontdekking gedaan te hebben lag de weg naar “Gorkum” open. Als u mijn voorbeeld gaat volgen door het woord “Gorinc-hem” steeds sneller uit te spreken,dan zult u tot uw verbazing merken dat u het op een gegeven ogenblik over “Gorkum” hebt.

Deze dubbele benaming staat niet opzichzelf. Ook in het oosten van Nederland was er vroeger sprake van een “dubbelganger”. De stad waarop ik doel is Doetinchem, gelegen in de Achterhoek. In dit deel van de provin-cie Gelderland is de uitspraak van veel woorden Saksisch gekleurd. Vandaar dat “Doetinc-hem” in een nog niet zo ver verleden “Deutekom” genoemd werd. Een herinnering aan die tijd is de familienaam die aan deze volksnaam-stadsaanduiding is ontleend. Trouwens ook Gorkum kent op dit gebied zijn “aanhangers”.

Marten Heida, Prins Willem Alexanderpark 53, NL. 3905 CB Veenendaal

 

“Uit Vlaanderen naar de Mark”


Vlaamse migranten in de Middeleeuwen

Berichten in verband met de Fläming in Duitsland

Onze Stichting Zannekin bezocht enkele jaren geleden de Fläming en werd er verwelkomd door bestuursleden van de vereniging Fläming-Flandern. Fläming, een gebied tussen Berlin,Wittenberg en Maagdenburg wijst op “Vlaming”. Inderdaad 850 jaar geleden was er een trek vanuit Vlaanderen en Nederland naar het Oosten. Een weinig gekende geschiedenis maar in de publicatie Aus Flandern in die Mark van Susanne Wölfle-Fischer en ver-taald uit het Duits in het Nederlands door Jan de Piere worden, in 10 hoofdstukken, aanduidingen gegeven die meer dan onze aandacht waard zijn:

1. “Fläming, arm aan bronnen.” Landschap en vroege bevolking.

2. “Markgraaf Albrecht houdt het oostelijk land der Slaven in handen.” Het Askanische deel van de Fläming.

3. “Wichman, door Gods erbarming aartsbisschop van de heilige Kerk van Magdeburg.” Wichman als kolonisator en promotor van de uitbreiding van het land.

4. “Van diegenen, die aan de oceaan wonen.” Over de uitgangssituatie in de emigratiegebieden.

5. “Al over die groene heiden.” De weg naar de nieuwe heimat.

6. “Dorumme so wil ich scriben.” Vormen van vestiging en vestigingsvoor-waarden.

7. “Daer isser een betere stee.” Plaatsnamen en Nederlandse taalresten.

8. “Van onoverzichtelijke, machtige scharen”. Grootte van de kolonisatie-beweging.

8. “Zo geloof ik in 1815 de eerste te zijn geweest.” Een landschap krijgt een naam.

10. “Naer Oostland willen wy ryden.” De kolonisatie van het Oosten in de kunst.

Als voorbereiding op de viering 850 jaar “Fläming” zal in het Waasland in verschillende bibliotheken een informatieve tentoonstelling circuleren over bovengenoemde onderwerpen.

*  In Sint-Gillis-Waas begin december 2008.

*  Beveren eind december 2008 – januari 2009.

* -Sint-Niklaas  februari 2009.

* Kruibeke maart 2009.

Buiten het Waasland is onze Stichting Zannekin medeorganisator van lezingen in Belle in Frans-Vlaanderen en Hulst in Zeeuws-Vlaanderen.

De juiste data zullen later medegedeeld worden.

In diezelfde periode zullen enkele van bovengenoemde hoofdstukken verschijnen in volgende tijdschriften:

*  Hoofdstuk 7  in Contactblad van Heemkunde Oost-Vlaanderen vzw.

*  Hoofdstuk 10  in “De Kluizenaer” van Heemkring “De Kluize” Sint-Gillis-Waas.

*  Hoofdstuk 6  in Berichtenblad van de Piet Stautkring, Beveren Waas.

* Hoofdstuk 5  in Berichtenblad van Boerke Naes vzw. Sint-Niklaas.

*  Hoofdstuk 4  in Nieuwsbrief van de Heel-Nederlandse Stichting Zannekin van aanvang 2009 .

Van eind november tot eind december 2008 loopt een tentoonstelling in Beveren georganiseerd door de Piet Stautkring in samenwerking met het kunstmuseum uit Wittenberg. Duits expressionisme en religie met grafisch werk van o.a. Ernst Barlach, Georg Baselitz, Max Beckman, Otto Dix, Käthe Kollwitz, Max Pechstein …

Op 13 juni 2009 starten de feestelijkheden in Wittenberg waar ook een Vlaamse delegatie in de stoet het leven van een Vlaamse kunstenaar zal illustreren.

 

Het laatste woord


Leo Camerlynck, Ukkel

Leuvense burgemeester Louis Tobback over de Nederlanden

Op zondag 31 augustus 2008, kort vóór het middaguur, gaf de Leuvense socialistische burgemeester Louis Tobback een interview ten beste op de Vlaamse Radio Eén. Heel breedvoerig ventileerde hij zijn orangistische, lees Heel-Nederlandse sympathieën.

In zijn gebruikelijke en alom bekende recht-aan-recht-uit-stijl mocht de Vlaams-Brabantse burgervader uiting geven aan zijn duidelijke standpunten met betrekking tot een in 1830 jammerlijk uiteenspatten van de na om en bij twee eeuwen scheiding opnieuw herenigde Nederlanden; een hereniging, die in 1815 in de nasleep van het Congres van Wenen haast als een geschenk uit de hemel was komen te vallen. Vijftien jaar lang waren de Nederlanden opnieuw herenigd.

Louis Tobback wond er geen doekjes om en betreurde de gebeurtenissen van het einde van de 16e eeuw en het begin van de 17e eeuw - niet het minst met betrekking tot Leuven -, maar vooral de septemberdagen van 1830. De zogenaamde “Belgische” revolutionairen omschreef hij als een voor de gelegenheid bijeengeharkte groep misnoegde Katholieken, die er niet veel voor voelde om onder een dominant protestantisme verder te leven, en een andere groep Franstaligen, die er bang voor waren dat ze zich vroeg of laat ook wat van de Nederlandse taal moesten eigen maken. 1830 ziet Louis Tobback kennelijk niet zitten, en terecht!

Een interessante piste die hij bewandelde, werd nooit echt aangeboord. Stel dat de “revolutie” van 1830 nooit had plaatsgevonden, en het Koninkrijk der Nederlanden niet zou geïmplodeerd zijn in Nederland, Luxemburg en Bel-gië, dan zou omwille van de neutraliteitspolitiek nooit een hartverscheurend bloedbad in vooral West-Vlaanderen van 1914 tot 1918 hebben plaatsge-vonden.

Dit stemt echt tot nadenken. Wellicht zou Vlaanderen of “Flanders” niet door John MacCrae in zijn gedicht “In Flanders Fields” zijn beschreven, en zou Vlaanderen daardoor iets minder expliciet op de wereldkaart prijken, maar er zouden ongetwijfeld duizenden jonge levens gespaard zijn geble-ven.

Er waren toch al de Hollandse en Vlaamse meesters uit de schilderkunst, de beeldhouwkunst, de polyfonie en de renaissancemuziek, die al degelijke getuigen waren van de pracht en praal, die de Lage Landen bij de Noordzee uitstraalden.

Op de vraag van de VRT-journalist aan Louis Tobback of hij zijn droom werkelijkheid ziet worden, antwoordde hij dat een verenigd Europa onge-twijfeld kansen en een platform biedt om de samenwerking tussen de diverse componenten van de historische Nederlanden te bewerkstelligen. En daar heeft hij ook gelijk.

Maar al te vaak wordt de Heel-Nederlandse gedachte in een uitsluitend rechts en zelfs extreem-rechts hoekje gedrumd. Gelukkig is de werkelijkheid anders. Het is een brede waaier van links naar rechts en omgekeerd. Louis Tobback is er het bewijs van, en ook ons te vroeg heengegane vriend André Galle, broer van de Vlaamse socialistische en ook reeds overleden politicus en taalkundige Marc Galle, was er duidelijk van doordrongen.

Op de Nederlandse zenders huldigen politici zoals CDA-er Andries Postma een soortgelijk en vergelijkbaar betoog.

Ondernemen is hopen, slagen kan na volharding. Misschien ligt hier wel een 21e-eeuwse interpretatie van Willem van Oranjes gevleugelde uitspraak.

Leo Camerlynck, voorzitter Stichting Zannekin - Ukkel / Brussel

 

Manifest voor de Lage Landen

Indien het nog nodig was hebben de bij momenten surrealistische politieke perikelen van het voorbije jaar ten overvloede aangetoond dat België niet alleen een land van interim-regeringen, maar ook louter een interim land met een hoge verdampingsfactor geworden is.

Ondanks de tricolore achterhoedegevechten wint de confedera-listische visie die een zo groot mogelijke autonomie voor de deel-staten nastreeft, steeds meer veld.

In deze optiek is het daarbij levensnoodzakelijk dat de interne confederatie binnen het België van weleer, een opstap moet betekenen naar een bredere confederatie van de hele Lage Landen.

In Europees perspectief

Voor deze Heel-Nederlandse integratie pleiten, in het kader van het groeiend Europa, zowel sterke culturele als economische argumenten.

De Europese integratie op economisch, monetair en steeds meer ook op sociaal vlak, heeft een almaar grotere impact op het dagelijks bestaan van de mensen, zodat ze onvermijdelijk ook tot een grotere coördinatie en integratie op politiek vlak moet leiden. Het emancipatieproces van de taalgemeenschappen in de Belgische staat naar steeds grotere autonomie staat daar niet haaks op. Het getuigt precies van het artificiële karakter van de Belgische constructie die tot stand kwam onder druk van de belangen van enerzijds zeer kleine lokale elites en anderzijds de toenmalige grootmachten.

Ook de Europese Unie is natuurlijk geen liefdadigheidsproject. Ondanks het feit dat op veel terreinen natiestaten hun bevoegdheden aan het Europese niveau overgedragen hebben, blijven ze grote invloed uitoefenen omdat ze het finale beslissingsniveau blijven van de EU.

Wij stellen ook vast dat grotere natiestaten hun invloed laten gelden, vaak ten koste van de belangen van kleinere natiestaten. In die context is het duidelijk dat gemeenschappen die veel met elkaar delen (taal, economische structuur, politieke opvattingen) uit louter rationele overwegingen beter gezamenlijk hun belangen verdedigen dan afzonderlijk, laat staan dat ze elkaar zouden beconcurreren. Zoals Jean Jaurès stelde: “Un peu d’internationalisme éloigne de la nation, beaucoup d’internationalisme y ramène.”

Het is duidelijk dat een verregaand afstemmen van Noord en Zuid op elkaar ons stevige economische troeven in de hand moet spelen tegenover de wild om zich heen grijpende globalisering.

Jarenlang aanslepende problemen zoals de IJzeren Rijn, waarbij Nederland gaat aankloppen bij Duitsland en Frankrijk, maar een as met ons Zuiden maar niet tot stand komt, dienen in het kader van deze eenheidsvisie aangepakt.

Het enorme havenpotentieel van beide deelgebieden kan in positieve zin samengroeien tot een nieuwe Gouden Delta, een stromende levensader te midden van Europa.

Taal en identiteit

Tachtig procent van de menselijke communicatie gebeurt via de taal. De structuur van de taal bepaalt van jongs af aan ook de structuur van het denken. Bovendien geven de mogelijkheden aan concepten binnen zijn moedertaal ook de contouren van het wereldbeeld aan dat ieder mens zal ontwikkelen.

Later wordt de invloed van de taal weliswaar verminderd in de mate dat een kind verder gesocialiseerd wordt en andere elementen zoals leefomgeving, religie, ideologie, politiek, enz. aan belang winnen. Niettemin is het duidelijk dat de taal een fundamentele rol speelt in het ontwikkelen en het bepalen van de identiteit van ieder individu. Doordat de taal één van de belangrijkste dragers is van ons denken, en mensen sociale wezens zijn, hebben groepen die dezelfde taal spreken een speciale relatie met elkaar. De taal vormt aldus een krachtige band die bijzondere mogelijkheden biedt tot samen-werking, zeker als religieuze, politieke en andere scheidingslijnen zwakker worden. Om het met de woorden van de Franse filosoof Albert Camus te zeggen: “Ma patrie, c’est ma langue.”

Eenheid in verscheidenheid

Aansluitend hierbij zal een fundamentele basiswaarde van de Nederlanden die ons voor ogen staan, het respect voor hun interne diversiteit zijn.

Daarin zullen de Friezen en de Luxemburgers zich in eigen taal en cultuur thuis voelen, er zal aan de rechten van de Franstaligen uiteraard niet geraakt worden.

Wallonië kan volwaardig plaatsnemen in dit Lagelands verbond, waarbij – naast de erkenning van haar toebehoren tot de francofonie – tevens ruimte geschapen wordt voor een revitalisering van de thans in België nagenoeg volledig verdrongen en ondergesneeuwde Waalse en Picardische talen.

Aan de zorg voor het Nederlands zal een primordiale rol worden toebedeeld. Zo mag openheid voor het andere ons niet blind maken voor een nefaste verengelsing van ons onderwijs.

En intern moeten wij blijven ijveren voor een echte standaardtaal die Noord en Zuid verbindt, zodat wij als gemeenschap niet door  de  eigen taal dreigen verdeeld te worden. De ondertiteling van Nederlandse en Vlaamse tv-programma’s in een eigen idioom is daar slechts één beschamend voorbeeld van.

Een instituut als de Nederlandse Taalunie dient in dit verband tot meer slagvaardigheid geactiveerd te worden, opdat het uit zou groeien tot een krachtig instrument ten dienste van de 22 miljoen Nederlandstaligen.

Het eenheidsproces van de Lage Landen is niet gediend met loze kreten in het luchtledige. Wie nu bijvoorbeeld om referenda daaromtrent vraagt, spant de kar voor het paard.

Tegenstellingen vertrekken vanuit onzekerheid (het niet kennen van elkaar), maar in de  mentaliteitsverschillen tussen  Noord  en  Zuid ligt juist de kracht voor een succesvolle integratie.

Als we de wederzijdse hebbelijkheden wat beter kunnen relativeren en de positieve eigenschappen uitvergroten, kunnen we tot meerwaarden komen op velerlei gebied.

Wij pleiten voor een realistische en dus stapsgewijze integratie via toekomstgerichte projecten. Zo kan het belang van grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden zoals die met Zeeuws- en Frans-Vlaanderen en tussen beide Limburgen of Antwerpen en Noord-Brabant niet genoeg benadrukt worden.

Deze pragmatische opbouw moet kaderen in een totaalvisie op de uiteindelijke eenheid. Wij beseffen dat het een ambitieuze visie is. Maar onder andere de Europese eenwording zal ons – willens nillens – tot steeds intenser samengaan dwingen.

Dat we van elkaar weggroeien is dus niet wenselijk. Politiek is het noodzakelijk om met elkaar op te trekken.

Wij roepen dan ook op tot een samenwerking van allen die, in Noord en Zuid, over partijgrenzen en maatschappelijke positioneringen heen, de Nederlanden als bezielende uitdaging willen helpen realiseren.

Het idee voor dit manifest werd gelanceerd op een bijeenkomst van oud-leden van de Heel-Nederlandse jeugdbeweging, te Edegem op 15 maart 2008. Het manifest kreeg zijn definitieve verwoording binnen het redactiecomité bestaande uit Johan Bosman (Melle), Pol van Caeneghem (Gent), Maurits Cailliau (Ieper), Bob Hulstaert (Merksem), Rik Nauwelaerts (Mortsel) en Hendrik Starckx (Belsele).

Dit manifest werd ondertussen onderschreven door:

Wilfried Aers (De Pinte), Walter Bressinck (Deurle), Frie Buyck (Merksem), Leo Camerlynck (Ukkel), Hendrik Carette (Schaarbeek), Walter Cleppe (Heule), Paul Conruyt (Erembodegem), Renaat de Beule (Burcht), Johan Debrabander (Sijsele), Joris Declercq (St.-Kruis), Luk Dieudonné (Antwerpen), Vik Eggermont (Ekeren), Margaretha Foubert (Burcht), Willy Gevaert (Zwevezele), Marten Heida (Veenendaal NL), Renaat Ivens (Lier), Els Janssens (Brasschaat), Rudi Koot (Numansdorp NL), Walter Kunnen (Wilrijk), Pol Lemaire (Werchter), Jan Lenaerts (Tienen), Georges Lybaert (Lier), Hugo Morael (Kapellen), Wouter Moreau (Mortsel), Luc Pauwels (Zoersel), Rudy Pauwels (Deurle-Leie), Roger Pylyser (Merksem), Hans Peeters (Doornspijk NL), Roeland Raes (Lovendegem), Luc Rochtus (Antwerpen), Dolf Sedeyn (Aalst), Luc Seynaeve (Izegem), Pol Seynaeve (Izegem), Stan Sluydts (Brasschaat), Raf Sonck (Denderleeuw), Steven Utsi (Ekeren), Maurits Vancoppenolle (Gent), Erich van der Elst (Erem-bodegem), Mich van Opstel (De Haan), Peter van Windekens (Pellenberg), Arnold Vandelanotte (Destelbergen), Johan Vandendael (Gent), Maurits Vanderbruggen (Sinaai-Waas), Lode van Dessel (Nijlen), Dirk Vanger-meersch (Ronse), Herman van Hove (Hoboken), Johan Velghe (Kortrijk), Erik Verstraete (Berchem), Inge Verstuyft (Dentergem), Hugo Waterschoot (Sint-Niklaas), Herman Wauters (Mortsel).