> nieuwsbrief > 27e jg. - 2e trimester 2009

Bijdragen over: Tip

Mededelingen

 

Hernieuwen ledenbijdrage 2009

In ruil voor een ongewijzigde basisbijdrage van 25 € verzekert u zich ook in 2009 van een abonnement op onze Zannekin Nieuwsbrief en van het – reeds 31e – Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’. Enkel wie totnogtoe naliet zijn bijdrage voor 2009 te hernieuwen verwijzen we graag naar de vorige Nieuwsbrief en de daar meegedeelde info omtrent de wijze van abonneren.

Webpagina’s gewijd aan Jean-Marie Gantois

Ook wij maken u graag attent op de voortreffelijke webpagina gewijd aan de Frans-Vlaamse priester en voorman Jean-Marie Gantois, die mede aan de basis ligt van het ontstaan van de Vereninging/Stichting Zannekin, namelijk: www.jeanmariegantois.com

Zannekin-activiteiten 2009

Manifest voor de Lage Landen

Als bijlage bij onze vorige Nieuwsbrief vond u de folder met het Manifest voor de Lage Landen, een initiatief uitgaande van de voormalige Heel-Nederlandse jeugdbeweging. Aan de basis van dit initiatief ligt de bekommernis omtrent het tanend besef omtrent het “onontbeerlijk eenheidsbesef der Nederlanden" (Hendrik Fayat). We zijn verheugd te kunnen melden dat nogal wat Zannekin-mensen spontaan hun naam onder het Manifest hebben geplaatst. In een later stadium zullen we de volledige lijst van ondertekenaars publiceren.

 

Studie-uitstap zaterdag 6 juni 2009

‘De Hervorming in de Waalse Nederlanden’


Vijfhonderd jaar geleden werd Calvijn geboren. Enkele jaren terug stonden we voor wat rest van zijn geboortehuis te Noyon. Met deze studie-uitstap willen we aandacht besteden aan de impact van de Hervorming binnen de Waalse Nederlanden, meer specifiek het Doornikse en het voormalige graafschap Henegouwen aan weerszijden van de Frans-Belgische grens.

Aanvankelijk hadden we daartoe Valencijn als bestemming gezien, waar de in Bray, halfweg tussen Bergen (Mons) en Binche, geboren Waalse Nederlander Guy de Bray of de Brès – de auteur van de Confessio Belgica of Nederlandse Belijdenis - in 1567 omwille van zijn geloof om het leven gebracht werd. Het weinig fraaie Valencijn, ooit het Athene van het Noorden geheten, biedt de dag van vandaag haast geen enkel aanknopingspunt meer bij de Hervorming.

 

Vanaf de zijlijn: over Guy de Brès


Marten Heida

Dank zij de vele publiciteit zal het u wel niet ontgaan zijn: 500 jaar geleden werd in het Picardische stadje Noyon Johannes Calvijn geboren. Op velerlei wijze is aan dit feit aandacht geschonken. Ook onze vereniging Zannekin wil niet achterblijven, al gaat het in ons programma niet zozeer om Calvijn als wel om zijn voor de Nederlanden belangrijke volgeling Guido de Brès. Hij kreeg zijn grote bekendheid als opsteller van de Confessio Belgica (= Nederlandse Geloofsbelijdenis). In de streek waar hij werkzaam is geweest, is de tocht uitgezet van onze jaarlijkse Studieuitstap op zaterdag 6 juni.

Daarover eerst iets méér. In het ten zuidwesten van de Henegouwse hoofdstad Mons-Bergen gelegen dorp Dour bestaat een protestantse gemeente die dateert uit de veelbewogen jaren ’50 en ’60 van de 16e eeuw. Ze wordt wel de Waalse tegenhanger genoemd van de enige overgebleven gemeente van de Vlaamse Olijfberg. Zo werden de zeven protestantse gemeenten samengevat die in die jaren rond Oudenaarde ontstonden en waarvan die van Korsele – een wijk van St.-Maria-Horebeke – dank zij de toenmalige geïsoleerde ligging heeft weten te overleven.

Of Guy (of Guido) de Brès bemoeienis heeft gehad met de gemeente in Dour is me niet bekend. Dat is wel het geval geweest met de volgende plaatsen: Doornik/Tournai en Valencijn/Valenciennes. Dit wordt wel duidelijk uit het verhaal van zijn levensloop.

In Noord-Nederland staat hij bekend als Guido de Brès; dit is een benaming afgeleid van zijn eigenlijke naam Guy de Bray. Hij werd in 1522 in Mons/Bergen geboren – zijn geboortedatum is niet bekend. Dat is wel het geval met zijn sterfdatum: zijn leven werd beëindigd op 31 mei 1567 in Valancijn als gevolg van een terdoodveroordeling om zijn geloofs-overtuiging.

In zijn geboortestad volgde hij een opleiding tot glasschilder. Het was in die jaren dat hij in de Bijbel begon te lezen en er zo toe kwam zich aan te sluiten bij de Hervormingsgezinden. Voor hen is het in die tijd alles behalve veilig in de Nederlanden; als gevolg daarvan wijkt De Brès in 1548 uit naar Engeland. Gedurende de jaren van zijn ballingschap bereidt hij zich voor op zijn toekomstige taak van predikant. Alszodanig is hij van 1552 tot 1556 werkzaam in Rijsel en omgeving. In dat laatste jaar ziet hij zich opnieuw gedwongen uit te wijken; deze keer gaat hij via Frankfort a.d. Main en Lausanne naar Genève. In deze stad volgt hij colleges bij Calvijn. Na in 1559 teruggekeerd te zijn in de Nederlanden vestigt hij zich samen met zijn vrouw – hij is kort na zijn terugkeer getrouwd – in Doornik. Deze stad stond in die tijd bekend als “het Genève van het Noorden”, een bijnaam die ze vooral te danken had aan het optreden van De Brès. Naar het voorbeeld van de Franse Confession de Foy stelt hij in 1561 er één op die is toegesneden op de situatie in de Nederlanden. Vandaar de naam Confessio Belgica. Samen met een aan koning Filips II gericht schrijven wordt dit belijdenisgeschrift in de nacht van 1 op 2 november 1561 over de muur van het stadhouderlijk kasteel geworpen in een poging op deze wijze de koning te informeren omtrent de geloofsopvattingen van de Nederlandse volgelingen van Calvijn. Ambtenaren van de kasteelheer komen er achter wie de opsteller van deze tekst is en doen een – tevergeefse – poging hem gevangen te nemen. Na een aantal jaren te hebben rondgezworven vestigt hij zich in 1566 in Valencijn. Daar kon hij zich redelijk veilig wanen; de stad was in opstand gekomen tegen het Spaanse bewind. Helaas was deze adempauze van korte duur; de stad werd belegerd door Noircarmes en ingenomen. Guido de Brès weet samen met zijn medepredikant Peregrin de la Grange te ontkomen. Ze worden echter ontdekt als ze in en nabije herberg een maaltijd gebruiken. In de meimaand van het jaar 1567 horen ze tegen hen het doodsvonnis uitspreken dat op de laatste dag van die maand wordt voltrokken.

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53,

NL – 3905 CB Veenendaal

Doornik, ooit het Genève van het noorden

Jan van Reenen

 

In de zestiende eeuw had het protestantisme meer ingang gekregen in de zuidelijke dan in de noordelijke Nederlanden. Een deel van het huidige België was zelfs enige tijd streng calvinistisch. In vier artikelen maken we een tocht door het Belgische land: Doornik, Gent, Kortrijk en Antwerpen, met als afsluiting een interview met een historicus. Vandaag  Doornik.

Het hart van de prachtige stad Doornik is het marktplein. Het kijkt uit op de imponerende kathedraal waarvan vijf torens boven de huizen uitrijzen. Aan de andere kant staat de slanke toren van het Belfort. Op het plein staat ook het meer dan manshoge monument van Christine de Lalaing. Ze wijst met haar ene hand naar de kathedraal en in haar andere houdt ze een wapen vast. Ze hebben alle drie - de kerk, het Belfort en het monument - met de hervorming te maken. Van Guido de Brès, degene wiens naam onafscheidelijk aan de geschiedenis van Doornik verbonden is, lijkt echter geen spoor te ontdekken. Of toch wel?

In Doornik (”Tournai” is beter) spreken de inwoners Frans. Het ligt in de provincie Henegouwen, precies over de grens met Vlaanderen en vlak bij de grens met Frankrijk. De stad telt ongeveer 70.000 inwoners en is na Tongeren de oudste stad van België.

Tournai is in het verleden verschillende keren Frans gebied geweest, en ook een keer Engels, Spaans, Oostenrijks en Nederlands.

In de tijd van de hervorming speelde Doornik een belangrijke rol. Het was de meest protestantse stad van de Nederlanden en werd zelfs het Genève van het noorden genoemd. Op zeker moment, rond 1566, waren 18.000 inwoners van de 25.000 inwoners protestant. Het is inmiddels toch allemaal anders geworden.

 

Rue Marvis

 

Eerst maar eens zoeken naar sporen van Guido de Brès, de opsteller van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, die hier gewoond heeft. Stadsgids Frederica de Rop weet wel waar het huis van de Doornikse hervormer gestaan heeft. „De Brès woonde aan de overkant van de Schelde, die door de stad stroomt, in de Brixiuswijk. Daar was niet de bisschop van Doornik, maar van Kamerijk de baas. Hij had een schuilnaam en noemde zich Jerome.”

Het is spitsuur. Het kruispunt is geblokkeerd. De stadsgids wijst naar een gedeelte van de oude stadsmuur dat is blijven staan. „Guido de Brès woonde hier vlakbij, in de Rue Marvis. Hij had zijn boeken en documenten in een tuinhuisje bij de muur verstopt.”

Guido de Brès („Guy de Bray, zoals hij heette, en hij sprak alleen maar Frans”) is bekend geworden door het opstellen van een geloofsbelijdenis, de Confessio Belgica, de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Hij werd in 1522 in Bergen (Mons) geboren. Door zijn beroep als glasschilder kwam hij in aanraking met de Bijbel en hij werd calvinist. Guido de Brès studeerde onder andere bij Calvijn voor predikant. In 1559 vestigde hij zich in Doornik, waar de calvinistische invloed snel toenam.

In 1561 trok een grote groep protestanten meerdere avonden psalmenzingend langs de huizen van de burgemeester, de schout en de bisschop. In deze ”chanteries” zat een strijdmotief, waarin Guido de Brès zich niet kon vinden. Hij vond dat je je op een nette manier moet presenteren en dat je de overheid moet gehoorzamen.Tour Henri VIII

 

Op de geruchten dat honderden jongelui in Doornik op straat Franse psalmen zongen, stuurde de regering twee ambtenaren, die verblijf hielden op het kasteel. Dat was gebouwd door de Engelse koning Hendrik VIII, die in 1513 Doornik veroverd had. Aan het uiteinde diende een massieve toren ”Tour Henri VIII” genoemd) als wachttoren.

 

Het kasteel staat er niet meer, maar de toren nog wel. De toren bevat twee ronde, boven elkaar geplaatste zalen en wordt verlicht door een ronde opening in de koepel. De muren hebben aan de voet een dikte van ruim zes meter. De metershoge steenmassa in het park bij de Rue du Rempart staat op dit moment in de steigers, maar de deur met de woorden ”Tour Henri VIII (1513-1518)” niet.

Guido de Brès wilde de overheid een geloofsbelijdenis aanbieden, maar dat kon niet, omdat hij gezocht werd. Daarom gooide hij, of een medewerker, in de nacht van 1 op 2 november 1561 een pakket, bestaande uit de geloofsbelijdenis en brieven aan verschillende overheden, over de buitenste muur van het kasteel van Hendrik VIII.

Ambtenaren lieten in de stad een onderzoek instellen. Guido de Brès vluchtte de stad uit, maar het tuinhuisje, waarin hij zijn boeken bewaarde, werd ontdekt en viel in handen van de vervolgers. Zijn boeken gingen verloren.

 

Veroordeeld

 

Na een paar jaren rondgezworven te hebben, ging De Brès in 1566 naar het dicht bij Doornik gelegen Valenciennes. De protestantse stad werd belegerd en ingenomen. Guido de Brès wist te vluchten, samen met enkele anderen. Ze werden ontdekt toen ze naar een herberg gingen om wat te eten. Guido de Brès en medepredikant Peregrin de la Grange werden ter dood veroordeeld.

In een brief in de gevangenis schreef hij: „Deze leer die u hebt gehoord, is dezelfde die onderwezen is door de apostelen en bewaard in de Vroege Kerk, vervolgens verzegeld en bekrachtigd door het bloed van alle martelaren. En als het God behaagt mij daartoe te brengen, zal ik geen enkel bezwaar maken haar te verzegelen door mijn eigen bloed.” Hij werd opgehangen.

De door Guido de Brès geschreven Nederlandse Geloofsbelijdenis is nog steeds een van onze belijdenisgeschriften. Helaas is er in Doornik niets dat direct aan hem herinnert, zelfs geen straatnaam. Zou De Brès het zelf gewild hebben?

 

Grote Markt

 

In Doornik had de hervorming al vroeg haar intrede gedaan. De eerste calvinistische predikant was Pierre Brully, die in 1545 op de Grote Markt verbrand werd. Stadsgids De Rop wijst naar het Belfort en zegt dat hier vroeger de gevangenis was voor geloofsvervolgden. Ze vertelt van Marie de Pierré, die in 1545 levend begraven werd op de Grote Markt. Anderen werden onthoofd of opgehangen of ze kregen een brandmerk. Vanaf 1 juli 1541 is het schavot jarenlang op de Grote Markt blijven staan.

De magistraten kondigden, aldus Frederica, vonnissen af vanaf een soort balkon van La Breteque, nu café ”le Central”. Hier werden in 1568 ook namen voorgelezen van gevluchte hervormden, onder wie Ambroise de Wille, die in deze omgeving veel hagenpreken had gehouden.

De stadsgids wijst op een galerij aan een muur van de kathedraal, vanwaar hoogwaardigheidsbekleders terechtstellingen, die ook hier uitgevoerd werden, konden volgen. Eens trok in de kathedraal Bertrand le Blas met Kerst de hostie uit de handen van de priester. „Misleide mensen, denken jullie dat dit Christus is, jullie Heere en Meester?” riep hij. Toen brak hij het brood in stukken en vertrapte het op de vloer.

Vreselijk was zijn straf. Zijn rechterhand en rechtervoet werden met hete ijzeren tangen uitgetrokken, evenals zijn tong, en hij werd boven een langzaam brandend vuur geroosterd tot hij verbrand was. Daarna werd zijn as in de Schelde gestrooid.

 

Christine de Lalaing

 

Nog is de vraag niet beantwoord wat het monument op de markt voorstelt. Het is een bronzen beeld van Christine de Lalaing. Zij was de protestantse vrouw van de gouverneur, die in 1581 de stad verdedigde tegen de Spaanse troepen onder leiding van Farnese, de hertog van Parma. Haar vurige bezieling mocht niet baten, want de stad werd na een langdurig beleg ingenomen. De calvinisten kregen een jaar de tijd om de stad te verlaten. Vanaf die tijd is het gedaan met de invloed van het calvinisme in Doornik.

Haar standbeeld siert het marktplein vanaf 1863. „De kanunniken van de kathedraal waren boos dat een protestantse een standbeeld gekregen had, dat ook nog eens naar de kathedraal wees. Daarom ging de jaarlijkse processie niet over de Grote Markt. Dat is pas in 2001 veranderd”, aldus Frederica.

 

Protestanten

 

De protestantse kerk van Doornik is gevestigd in twee samengevoegde huizen die dateren uit 1175. In het interieur valt een groot houten kruis aan de muur op. Ds. Jean-Joseph Hugé vertelt dat zondags meestal niet meer dan twintig mensen de kerk bezoeken. „Ik ben geen calvinist, maar een christen”, zegt hij. Ds. Hugé houdt soms een oecumenische dienst samen met de rooms-katholieken.

______________

Bron: Reformatorisch Dagblad, 8 januari 2009.

 

De Nederlanden ‘extra muros’ 31 (2009)


Dit 31e Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ opent met een bijdrage die menig Zuid-Nederlander misschien even de wenkbrauwen zal doen fronsen. Hij of zij weze getroost: het wil allereerst de Noord-Nederlanders informeren over het historisch reilen en zeilen van het Zuiden sinds de jammerlijke teloorgang van de Nederlandse eenheid in de loop van de 16e eeuw en – andermaal – in de 19e eeuw.

Bedoelde bijdrage is van de hand Pierre Houart, die quasi op zijn eentje een merkwaardige museale verzameling opbouwde rond de ‘Orde van het Gulden Vlies’. Zijn Chronologie van de Belgische of Zuid-Nederlandse gewesten - 21 eeuwen Europese geschiedenis vanaf het Romeinse Belgium en zes eeuwen staatsbestaan sedert 1430 brengt daarin klaarheid. Dit verhaal is nevenbij overigens ook uiterst geschikt om de ogen van vele Zuid-Nederlanders te openen voor het feit dat de gemeenschappelijke geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden verder terugreikt in de tijd dan het Bourgondische tijdperk, laat staan het rampjaar 1830.

Qua toonzetting daarbij aansluitend is de bijdrage van de Luikse historicus Sébastien Dubois. Hij toont aan hoezeer de idee van de XVII Provincies na hun verbrokkeling nog heeft doorgewerkt, ook en niet in het minst in de door Lodewijk XIV en zijn opvolgers ingepalmde Zuidelijkste Nederlanden (Frans-Henegouwen en Frans-Vlaanderen). Noord-Frankrijk en Zuid-België maken immers reeds eeuwenlang een geografisch geheel uit – en dit bewustzijn blijkt ook in de 21e eeuw nog niet uit de geesten weg gedeemsterd te zijn.

We blijven in de Franse Nederlanden met de – helaas laatste – bijdrage van Antoon Lowyck over de Nederlandstalige hoevenamen. De auteur wist de plaatsing van elk naambord steevast te kaderen in de historische wedervaren van de hoeves, wat de lezer meteen inzicht bood in de streekgeschiedenis. Sinds de laatste hier vermelde naambordplaatsing ging deze actie onverdroten verder; evenwel zonder de erudiete achtergrondinbreng van de sindsdien overleden auteur.

De beide daaropvolgende bijdragen, respectievelijk van de hand van Willy Alenus en Marten Heida behandelen aspecten van de godsdienstberoerten van de 16e eeuw, gevolgd door de wedervaren – geschetst door Ruud Bruijns -van het destijds schrijlings op de grens liggende plaatsje Tegelen, dat tijdelijk Pruisisch werd, maar uiteindelijk Nederlands bleef.

Friesland en het Fries komen aan bod middels een kennismaking van de hand van Pieter Jan Verstraete met Simke Kloosterman, de baanbreekster van de Friese roman. Vervolgens dwalen we iets oostwaarts af, richting Bentheim en het Westmunsterland, met het tweede afsluitend deel van Zeno Kolks studie rond architecturale verwantschappen.

Tenslotte, voorafgaand aan de ruime Kroniekbijdragen, brengen we met Leo Camerlynck andermaal een bezoek aan wat ooit Nova Belgica - Nieuw Nederland heette.

In deze jaarboekaflevering ontbreekt spijtig genoeg de vertrouwd geworden rubriek over het reilen en zeilen binnen de Franse Nederlanden. We hopen deze vanaf het volgende jaarboek te kunnen hernemen.

_________________

N.a.v. De Nederlanden ‘extra muros’ – Jaarboek 31 (2009) van de Vereniging/Stichting Zannekin, 208 pp., ill. Ledenprijs 25 €. Boekhandelprijs 30 €.

 

Over het ”Unse Vader” in Bocholtsch Platt


Dr. Johann-Georg Raben

Et is mooi, dat Hermann Schlatt dat Gebett “Unse Vader“ in ‘t Bocheltsche Platt uptekent hef.(*) Ik finne awer, dat in den Satz: “Dien Reich sall kommen“ nen Fehler sit. Ik meene, korrekt mot et lutten: “Dien Riek sall kommen“. “Reich” is hochdüütsch un hef al dee soa-genöörnde “hoch-deutsche Lautverschiebung“ metmaakt. Verglieke “Dak“ un “Dach“, “ik” un “ich”. Verglieke ock, dat in de Tied van Käiser Willem II. den “Reichstaler” up Plattdüütsch as ”Rieksdaler” beteekent wödde. Verglieke ock dat Woord ”het rijk” in de hollandsche Sproake. Bi uns hier in den Groafschup Bäinthem (Grafschaft Bentheim) wodd ock noch wal faker moal, as eene alleen in Huus is, uut Spoass froggt: “Hess du’t Riek alleene?”

Ik schriewe dit nich, üm hier den ”Oberlehrer” to spöllen, men ümdat ik meene, dat wi Plattproaters up ieder eenzelne Woord achten mött’t, üm ieder eenzelne Woord ”kämpfen” (fechten, strieden) mött’t, wenn wi unse plattdüütsche Sproake an’t Lewen hollen willt.

Dr. J.-G.Raben, Bahnhofstr. 47, D-49828 Neuenhaus. Tel. 05941-8746

(*) zie de Nieuwsbrief Zannekin, eerste trimester 2009, pagina 1.

 

Robeke moet hebben bestaan


Gustaaf Callebaut, Tienen

Met verbazing heb ik kennis genomen van de bijdrage Was Roubaix ooit Robeke? (in de Zannekin-Nieuwsbrief 2009/1). De vraagstelling alleen al. Voor iemand die aan een “Romaanse klankontwikkeling” in een Germaanse naam denkt. Waarbij hij, om te beginnen, een spelling voor een vaststaand klank-element aanziet. Méér dan een vrij algemene scriptorium-spelling is daaruit nochtans niet op te maken. Over de uitspraak “-bay” “-bais” weten we niets. Waaruit zou die vermeende Romaanse klankevolutie dan wel ont-wikkeld zijn? Volgens het reeksverband der “-bay”, “-bays”, “-baix”, “-bais” en “-becq”-namen kan er niets anders dan ook een tussenvorm “-beke” of “-beek” zijn geweest. Redelijkerwijs kunnen we voor een Germaans grondwoord met zulke eerste oude attestaties niet méér aannemen dan dat het gaat om een sterk verspreide geromaniseerde of nog veeleer romani-serende scriptoriumspelling die geen uitsluitsel over een al geromaniseerde klank kan geven. Bovendien zijn er voor Robeke toch de “baki”-vormen als oudste attestaties…En er is zelfs geen klankontwikkeling naar “-bace”, “bacia” of “-basium” toe.

Er waren, al van heel vroeg, in de zuidelijke Nederlanden, veelvouden van Romaanse of romaniserende scriptoria ook in geheel of nagenoeg onver-mengde taalregio’s. Dat is een historisch feit dat we niet zomaar kunnen wegmoffelen. Zo b.v. in het gebied van de abdij van Sint-Truiden. Het is gek dat wij menen met enig recht te kunnen vragen of “Roubaix ooit Robeke” was, maar dat we in vernoemd abdijdomein niet vragen of “RUNCHIRS” - “RUNCARIA” wel echt eens de levende naam was van wat later tot RUNKELEN verhapstukt werd.

Waar gesproken wordt over “politiek getinte nostalgische” naamgeving moet er ook maar eens aan worden gedacht dat dit soort vroege naamgeving wel een politiek getinte pre-determinerende, ja zelfs pre-destinerende naamgeving was. En dat waren de “-bais”-vormen meer dan waarschijnlijk ook. De verwante “-bec”, “-becq” en “-becque”-vormen kunnen natuurlijk op een latere romanisering duiden, maar de “-bais”-vormen hebben daarom nog geen waarborg te bieden voor een reeds voltrokken romanisering bij hun attestatietijd. Laat staan dat ze als een Romaanse eigenheid voor “-baki” zouden kunnen worden gehouden.

Hoe heeft “Rosbays” in 1122 buiten het scriptorium overigens echt ge-klonken? Comform het schriftbeeld kunnen we zelfs niet vermoeden of het “bee” of “bé” of zowat zou zijn geweest met de klassiek-Romaanse weglating van de eindklank uit het grondwoord. De scriptoria toonden liefst toch wat minder-Germaans.

En toch zou van ons worden verwacht dat we de eeuwenlange suprematie van romaniserende scriptoria als een traditie voor eigen gebruik blijven honoreren en dat we voor de verfranste plaatsnamen blijven kiezen. En dan nog liefst voor namen zoals ze gelden sinds de, met miskenning van menselijke taalrechten, klaargekregen Franse overheersing.

Wij hebben klaarblijkelijk geen recht op een herstelbeweging in het erfgoed van onze plaatsnamen. Men kan er nochtans niet naast kijken dat er in Vlaanderen in dat opzicht een herstelbeweging op gang is gekomen. In alle naamgeving. Sinds een paar generaties met Franse voornamen die als enige echte op identiteitsformulieren aanvaard werden. Recente generaties hebben moeten breken met “echt bestaande” straat- en gemeentenamen in het Frans. De generatie voor ons en wij hebben ook de beweging ingezet om de namen in onze Zuid-Vlaamse irredenta terug te leiden tot die van vóór de Franse cultuurmoord.

Het klinkt nogal klunzig om dat te bestempelen als “een politiek getint “fantasietje”. Het is op zich zelfs een gegeven dat taalhistorisch aandacht verdient.

Trouwens, waarom zouden geen moderne exoniemen  kunnen opduiken en worden geregistreerd? Waarom zijn zelfs de vanouds gangbare te weren? We mogen wel naar Parijs gaan maar niet naar Rijsel of Robeke. Dat is “nostalgisch flamingantisme”… En dan?

We mogen ons ook niet vergissen in de uitspraak. Het moet “Roubaix” zijn en “Lill’” op zijn Frans…

Wij laten ons taalgebruik niet determineren door apodictische stellingen die “Robeke” niet aanvaarden en “Robaais” zelfs alleen in persoonsnamen als “historische vorm”. En die met veel ambitie voor oppergezag besluiten, zoals in het besproken artikel: “Vandaag wordt de stad alleen met zijn (sic!) Franse vorm ROUBAIX genoemd, en ook uitgesproken “ru’bè”. Het kan niet mogen.

Redactioneel toemaatje: onderstaand fragment uit de studie van Dr. Denise Poulet – prof. em. in Picardische dialectologie aan de universiteit Lille III – (waarin respectievelijk Robecq (Av) en Roubaix (Li) vernoemd worden) leek ons aangewezen bij wijze van voorlopig besluit bij het dispuut. Wij citeren zonder commentaar:

Noms en -becque et en -baix, de baki, le ruisseau.

Le sufflxe -baki se présente en terre flamande sous la forme -becque, terme encore bien connu régionalement pour désigner un petit cours d’eau. Baki a pu rester intact jusqu’au VIIIe siècle, date limite de l’action de l’umlaut germanique qui change a>é, d’ou la forme -beke, ou -becque. Mais -baki est présent, même dans ces régions. après avoir subi la palatalisation de k devant i au Ve siècle, d’où la forme -bais, écrite généra1emen -baix.

Bambecque (Du), situé sur la Peene; le premier élément est obscur; Bousbecque, buscus, fourré; Escobecques (Li), scaldu, iris; Esquel-becq (Du) < Hicclesbecke (1100), Hikkilo, nom de personne; Guarbecque (Bt), gavra, marécage; Morbecque (Du), more, marais; Robecq (Bt), rausa, roseau; Steenbecque (Du), steen, pierre.

Fleurbaix (Bt) < Florbais (1024), flor, champ; Marbaix (Av) < Marbasio (1151), mari, mare; Roubaix (Li) < Rusbaci (IXe siècle), rausa, roseau; Wambaix (Ca), wana, insuffisant.

______________

De afkortingen verwijzen naar de arrondissementen: (Du): Duinkerke; (Li): Rijsel; (Bt): Bethune; (Av): Avesnes; (Ca): Calais/Kales.

Bron: Dr. Denise Poulet, Noms de lieux du Nord – Pas-de-Calais, Editions Bonneton, Paris, 1997, p. 67.

 

Het Huis van het Nederlands te Belle is tien jaar jong


Het “Huis van het Nederlands / Maison du Néerlandais” te Belle (Bailleul) viert deze lente zijn tienjarig bestaan. Hier volgt een greep uit het programma:

 

Wetenswaardigheden


Rudi Koot

Film “Bienvenue chez les Ch’tis”

In september 2008 bekeek ik deze film in Belle (Bailleul) in Zuid-Vlaanderen, uiteraard zonder ondertiteling in het Nederlands. Een paar weken later kon ik hem in Rotterdam zien met ondertiteling. De film speelt zich af in het Frans-Vlaamse Sint-Winoksbergen (Bergues Saint-Winoc). Een manager bij de Franse posterijen wordt overgeplaatst naar het ‘barre’ noorden. Daar spreken ze volgens de film een raar soort Frans met onverstaanbare woorden. Het Picardisch wordt overigens niet gespreken in de Frans-Vlaamse Westhoek maar in Waals- of Picardisch-Vlaanderen. De film is er een van het genre van Louis de Funès. Veel komische situaties dus.

De film is nu ook op DVD verkrijgbaar. Wellicht komt hij later ook uit via digitale bestelkanalen en weer later gewoon op de televisie. Op internet is uitgebreide informatie te vinden over de film.

Nederlands en/of Vlaams?

Een recente ontwikkeling in de Zuid-Vlaamse Westhoek is dat er naast cursussen Nederlands door het Komitee voor Frans-Vlaanderen (KFV) ook cursussen Vlaams worden gegeven door de Akademie voor Nuuze Vlaemsche Taele (ANVT)/Institut de la Langue Régionale Flamande (ILRF). Over de laatste cursussen doen verschillende verhalen de ronde. Het ene verhaal is dat het hoogstens de bedoeling is om de bewoners vertrouwd te maken met de oude streektaal maar dat snel het accent op het Nederlands gelegd wordt. Het andere verhaal is dat het Vlaams als taal een volwaardige plaats naast het Frans moet krijgen in plaats van het Nederlands. Het zal u duidelijk zijn dat Zannekin voor de eerste variant kiest. Zie o.m.

www.kfv-fransvlaanderen.org - www.anvt.org - http://grammaire.flamande.free.fr

Museum Slag aan de Pene

In september 2008 bezocht ik dit in 2007 geopende museum dat gelegen is tussen het gemeentehuis en de kerk van Noordpene. Een groot parkeerterrein biedt voldoende parkeerplaatsen.

Een vriendelijke jongeman leidde mij in uitstekend Nederlands door de tentoonstellingsruimte en gaf voldoende informatie. Een audiovisuele voorstelling schetste de Europese verhoudingen voorafgaand aan de Slag aan de Pene op 11 april 1677. Het eerste deel van het museum gaat vooral in op de politieke geschiedenis en het tweede deel van het museum gaat vooral in op het dagelijks leven in de streek.

Bezoekers moeten rekening houden met 2 tot 3 uur om de zaken goed te bekijken. Het museum is dan ook echt een parel voor de streek. Méér info:

Maison de la Bataille de Cassel/T’Huus van ’n Kasseldaele Slag, 200 rue de la Mairie, Noordpeene.E: maisondelabataille-noordpeene@wanadoo.fr
I: www.noordpeene.com

 

Historismus und kulturelle Identität im Raum Rhein-Maas

Historism and Cultural Identy in the Rhine-Meuse Region


Deze rijk geïllustreerde verzamelband onderneemt voor het eerst een poging, de Rijn-Maas ruimte in haar culturele en confessionele eigenheid vanuit het perspectief van de ‘lange’ 19e eeuw tussen de Franse Revolutie en de Eerste Wereldoorlog te omschrijven. De door het katholicisme gedomineerde indentiteit van dit Europees kerngebied staat, in een veelheid van aandachtspunten in het middelpunt van elk van de zeventien gebundelde bijdragen. Het boek is tweetalig in de zin dat sommige bijdragen in het Engels en andere in het Duits gepresenteerd worden.

Een bijzondere plaats wordt daarbij ingeruimd voor het fenomeen ‘historisme’, zowel als stijlgeschiedkundig verzamelbegrip voor de retrospectieve kunst- en de architectuurstijl van de 19e en vroege 20e eeuw, maar evenzeer als geestelijk- en ideeëngeschiedkundige afbakening, die als schakel dient tussen de vier te onderscheiden secties van de verzamelband.

De “inventie van de traditie” als opgave van de geschiedschrijving, maar ook de projectie van het verleden in de eigen tijd, voltrok zich precies in de randgebieden die de Duits-Nederlands-Belgische grensstreek vormen en raakte vervlochten met het ontstaan van de respectieve nationale staten, maar evenzeer met de grensoverschrijdende specifieke regionale eigenheid en het voor die regio typerende gemeenschappelijke culurele erfgoed van deze vanouds Nederlandse territoria.

De onderscheiden secties behandelen respectievelijk de maatschappelijke en kerkhistorische context, de organisatiestructuren van de kerkelijke kunst, de kunstcentra en de ‘Grenzgänger” of m.a.w., de interregionale uitwisseling in theorie en praktijk.

Een en ander hiervoor bij wijze van signalement en eerste kennismaking. In ons jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ zal meer uitgebreid aandacht besteed worden aan deze belangrijke uitgave.

_________________

N.a.v. Wolfgang Cortjaens, Jan de Maeyer en Tom Verschaffelt (eds.), Historism and Cultural Identity in the Rhine-Meuse Region – Historismus und kulturelle Identität im Raum Rhein-Maas. De uitgave is rijk geïllustreerde (240 ill.), telt 432 pagina’s albumformaat, geb. Uitgegeven door de Universitaire Pers, Minder-broedersstraat 4, b. 5602, 3000 Leuven. ISBN 978 90 5867 666 5, prijs 79,50 €.

 

Het laatste woord


Leo Camerlynck, Ukkel

Ditmaal valt het "Laatste Woord" wat bondiger uit. Het is niet omdat er geen nieuws te rapen valt, welintegendeel, maar er is wat plaatsgebrek en een deel van onze informatie wordt naar het volgende nummer verschoven.

Wel kunnen wij u melden dat het "Huis van het Nederlands" te Belle zijn tiende verjaardag viert. In een volgende Nieuwsbrief blikken wij terug op Tien Jaar "Maison du Néerlandais". Elders in dit blad vindt u de programmatie van de manifestaties bij deze tiende verjaardag. Het zal de moeite lonen!

Vergeet alvast 6 juni 2009 niet. Dan staat onze studie-uitstap in het teken van de Waalse Nederlanden in het voetspoor van Calvijn, die 500 jaar geleden te Noyon in Picardië werd geboren. Zie ook elders in dit nummer.

De reis naar het Balticum zijn we niet vergeten. De wereldcrisis vertraagt enigszins de organisatie hiervan. We kunnen u wel de meerdaagse reis van 8 tot en met 15 augustus 2009 aanprijzen naar d Fläming , een bijzonder boeiende regio, die onze Stichting Zannekin reeds een vijftal jaar geleden bezocht. Dit jaar wordt de tocht herdacht, die Vlamingen én Nederlanders 850 jaar geleden ondernamen van de Lage Landen bij de Noordzee naar dit gebied ten zuiden van Berlijn. Alle informatie hieromtrent vindt u op:http://www.vlaamsevrouwen.org/agenda/Reis2009.html of telefonisch op het nummer 00 32 485 63 02 27.

Eerlang verschijnt ons 31e jaarboek. In deze Nieuwsbrief leest u alvast een breder inhoudsoverzicht. U kunt het jaarboek omtrent medio mei in de brievenbs verwachten.

Veel leesgenot!

Leo CAMERLYNCK,

voorzitter stichting Zannekin

"De Zavelberg" Edouard Michielsstraat 51

B - 1180 UKKEL / Brussel

Tel. 00 32 485 63 02 27