INHOUD
INLEIDING
De zoektocht naar de afkomst en naar de 'Stamouders' is een boeiende, maar
ook een intensieve. Gelukkig komt er meer en meer 'bewerkt' materiaal beschikbaar
op het internet. De echte liefhebber maakt zich best lid van de Vlaamse
Vereniging van Familiekunde die in haar uitstekende bibliotheken heel
wat materiaal hebben verzameld. Het leuke is dat een zoektocht binnen de
VVF-Hoofdbibliotheek in Merksem je heel wat verplaatsing bespaart. Het
moet al gek lopen als je er niets nieuw kunt ontdekken.
Een bijkomende 'asset' van de VVF is dat er al heel wat met informatica
wordt gewerkt, ook dit scheelt een slok op een borrel. Het lidmaatschap
is helemaal niet duur. Informatie vind je op de reeds vermelde webstek.
Het is niet de bedoeling om encyclopedisch te zijn, maar wat ik interessant
vind, staat ook op deze webstek.
Zoals in een het stuk 'Familienamen' wordt aangetoond bestaat er op
individueel vlak meestal een grens voor de zoektocht op 1200 na Chr..
Dit hoeft echter niet de grens te zijn voor de zoektocht naar de 'wortels'
Het verdient dan aanbeveling om verder te gaan in de werkelijke geschiedenis
van onze streken. Mijn poging hiertoe vind je in het deel Taxandrië,
mijn geliefde geboortestreek.
Specifieke links vind je ofwel in dit deel zelf, ofwel op de linkpagina.
Zoals alle delen van de Diogenes-stek wordt er constant aan de opbouw
gewerkt.

Familienamen
Eén van de mooie zaken in de Genealogie is, voor onze gewesten toch,
de stabiliteit van de familienamen. Wat we met onderstaand
stuk echter ook leren, is dat dit wondermiddel pas onstaan is vanaf ongeveer
1200, ten gevolge van de burgerlijke organisatie van de steden. De
1200
grens is dan ook voor de meesten de rotsbodem waarop alle genealogisch
onderzoek stokt.
Een ander belangrijk gegeven is het bijhouden van de geboorteregisters
door de RKKerk vanaf het Concilie van Trente in 1545 tot 1563 daar
er daarvoor niet altijd kerkregisters werden bijgehouden is dit voor de
meesten eveneens een praktische grens.
Achternamen pas in gebruik vanaf dertiende eeuw
Van onze redacteur Paul Demeyer 15/06/2001 in De Standaard
BRUSSEL -- Familienamen zijn een vrij recent fenomeen in de Westerse
geschiedenis. Tot voor 1200 hadden we alleen maar een voornaam.
De opkomst van de steden maakte familienamen noodzakelijk, maar het duurde
tot 1794 eer hierover wetgeving kwam.
André Braet, voorzitter van de Aalsterse afdeling van de Vlaamse
Vereniging voor Familiekunde, loodst ons door de geschiedenis van de familienamen.
,,Tot voor 1200 had iedereen met -- in onze contreien -- één
naam. Een voornaam dus. Die werd niet bij de geboorte, maar bij de doop
gegeven. Omdat mensen toen in kleine groepen leefden, was verwarring tussen
lieden met dezelfde naam eigenlijk niet mogelijk.''
,,In de dertiende eeuw veranderde het maatschappelijk bestel danig.
De steden kwamen tot bloei. Mensen ging in grotere groepen samenwonen,
dus was er meer kans op naamsverwarring. Welke Godfried werd bedoeld? En
welke Hildebrand? Er was nood aan een middel om deze Godfried van gene
te onderscheiden. En dat middel werd gevonden: de bijnaam. Die koos je
niet, die kreeg je.''
,,Er zijn vier klassieke soorten bijnamen. De patroniemen of afgeleiden
van de naam van de vader (Peeters), herkomstnamen (Van Impe), beroepsnamen
(Desmet) en de echte bijnamen die verwijzen naar een karaktertrek of een
uiterlijk kenmerk (De Witte).''
,,Zo kwam er toch iets van een stramien om de ene stedeling van de andere
te onderscheiden. Zij het dat men zich daar niet echt door gebonden voelde.
Je kon tijdens je leven gemakkelijk een paar keer van naam veranderen.
Juist omdat je zelf niet je naam koos, maar omdat je die kreeg van anderen.
Ging je je bijvoorbeeld in een anderen omgeving vestigen, dan kon het gebeuren
dat de mensen jou daar niet meer zozeer een De Witte vonden, dan wel een
De Grote.''
Het was wachten op Napoleon Bonaparte, op het einde van de achttiende
eeuw, voor een wet op het geven van familienamen. Met de wet van 23 augustus
1794 werd de verplichting ingevoerd om elke nieuwe geborene de familienaam
van de vader te geven en dat zo ook in het bevolkingsregister te laten
inschrijven.
©Copyright De Standaard
De Kerkelijke Registers.
Toelichting van het Rijksarchief van Nederlands Limburg.
Het aanleggen en bijhouden van kerkregisters werd verplicht gesteld
door het Concilie van Trente, dat in meerdere zittingen plaats had van
1545 tot 1563. Tijdens de 24e zitting van dit Concilie, op 11 november
1563, werd de zienswijze van de R.K. Kerk inzake de huwelijksmoraal duidelijk
vastgelegd. Het Concilie wilde met name dubbelhuwelijken en andere polygame
praktijken uitroeien, en nader toezicht van de kerk op huwelijken bevorderen.
Het Concilie van Trente besliste daarnaast nog dat bij het huwelijk twee
of drie getuigen aanwezig moesten zijn. Het huwelijk moest gesloten worden
ten overstaan van de pastoor van de parochie, waar de toekomstige echtelieden
woonden, en mocht niet gesloten worden voor een vreemde pastoor. Ook deze
maatregel diende om geheime of dubbelhuwelijken in den vreemde te verhinderen.
Het Concilie van Trente beoogde aldus aan alle afwijkingen van de huwelijksmoraal
een einde te maken. Een goede administratie was daartoe een eerste middel.
De pastoor moest een register aanleggen en bijhouden, waarin hij behoorde
te noteren: plaats en datum van het huwelijk, namen van bruid en bruidegom,
en namen van de getuigen. Dit voorschrift wordt dan ook het vaste stramien
voor de huwelijksinschrijvingen in de kerkregisters, waar wij, als genealogen,
heel wat in missen, zoals de namen van de ouders, geboorteplaats en geboortedatum
van bruid en bruidegom, om nog maar te zwijgen van het beroep.
Het Concilie van Trente legde de pastoors niet alleen de verplichting
op huwelijksregisters aan te leggen, maar ook doopregisters, eveneens in
verband met het toezicht op de huwelijksmoraal, namelijk vanwege het vastleggen
van de huwelijksbeletselen. De voornaamste voor genealogen van belang zijnde
huwelijksbeletselen zijn geestelijke verwantschap, en bloed- en aanverwantschap.
Opmerkelijk is bij dit alles dat het Concilie van Trente de pastoors
in het geheel geen verplichting oplegde overlijdensregisters aan te leggen.
Overlijdensregisters komen er echter wel, maar om een geheel andere reden.
Een tweede doel namelijk, waartoe pastoors kerkregisters aanlegden, was
de financiële kant van de zaak. Overlijdens- en begraafboeken warren
in den beginne slechts kasboeken van inning van uitvaart- en/of grafrechten.
In de huidige provincie Limburg zijn er enige vroege uitschieters van
bewaard gebleven kerkregisters: zo beginnen de dopen in Nederweert en Sevenum
in 1569, in Blerick in 1575. De huwelijksregisters beginnen in Nederweert
in 1562 (deze inschrijvingen zijn daarmee de oudste van Limburg: klik hier
voor een afbeelding), in Sevenum in 1569, in de Sint Matthiasparochie van
Maastricht en 1569, in Heerlen in 1588, in Blerick in 1598. Daarna beginnen
langzaam aan alle pastoors met het aanleggen van kerkregisters. Overlijdensregisters
zijn over het algemeen zeer summier; ze bevatten veelal slechts de naam
van de overleden of de begraven personen. In de reeds genoemde Limburgse
parochies beginnen de overlijdensregisters ook beduidend later: Nederweert,
waar de huwelijken al sinds 1562 staan ingeschreven, noteert de overlijdens
pas vanaf 1742, Sevenum vanaf 1623 en Blerick pas vanaf 1696. Men kan over
het algemeen als vuistregel hanteren dat de kerkregisters circa 1620 beginnen.
Toch zijn er helaas ook enige laatbloeiers: Roggel begint pas in 1687,
Wanssum pas in 1700, Baexem in 1724 en Middelaar in 1747. Maar deze "laatbloeiers"
zijn niet altijd aan de pastoor te wijten, ze kunnen ook het gevolg zijn
van het verlies van registers.
In de loop van de achttiende eeuw werd de kerkelijke registratie van
doop, huwelijk en begrafenis geleidelijk beter en vollediger.
Toen er nog geen kerkregisters waren...
De periode vóór 1600, toen er nog geen kerkregisters waren,
is niet alleen lastig voor de hedendaagse genealoog, maar het niet bestaan
van kerkregisters leverde ook problemen op voor de mensen van toen.
Hoe kon men namelijk bewijzen dat men getrouwd was?
Voor de schepenbank van Venlo diende op het einde van de 15e eeuw een proces
over de vraag of Thys de Laat inderdaad, zoals hij beweerde, getrouwd was
met Kathryne Huben.
Thys beweerde dat hij wel degelijk met Kathryne
getrouwd was, en dat hij met haar leefde "als eyn man mit synen wyve omme
plege te gaen". Hij zei: "Kathryne is myne getrouwede wyff ind ick hebbe
sy oick wail gevogelt". De rechters moesten maar eens vragen aan de mensen
met wie ze op bedevaart waren geweest. Op dinsdag vóór Sint-Servaasdag
(13 mei) waren ze uit Venlo vertrokken. De eerste avond hadden ze geslapen
in Sint-Odiliënberg, met zijn vieren in één bed, "pelgeromsgewyse",
zij beiden in het midden. De mede-pelgrims zal het niet ontgaan zijn dat
Thys en Kathryne als man en vrouw met elkaar omgingen.
Overigens waren de getuigen het niet eens over de
vraag of Kathryne nu wél of niet haar "hemd" aanhad, of dat ze het
hemd "opter deken hadde liggen". Zo was het ook de avond daarna in Aken
verlopen, "dair sy weder as vur by eyn geslaipen hadden". De dag daarna
toog het gezelschap naar Maastricht. Tenslotte ging het met de boot weer
huiswaarts naar Venlo. Maar toen ze daar aankwamen, waren de stadspoorten
al gesloten. Gelukkig hadden Thys en zijn broer in de nabijheid een boot
liggen, met voldoende proviand en een kruik bier, zodat ze in de boot konden
blijven slapen.
Kathryne beweerde echter dat ze helemaal niet met Thys getrouwd was,
en dat ze nooit iets met hem gehad had. Ze voelde zich in haar maagdelijke
eer aangetast door de praatjes van Thys, die zijn verhaal "in wynhuseren
ind bierhuseren" vertelde aan ieder die het horen wilde. Ze beweerde dat
ze tijdens de bedevaart "vur ende nae in haire cleyderen geslaipen hedde"...
De schepenbank van Venlo, die er niet uitkwam, verwees
de zaak circa 1485 door naar het Hoofdgerecht van Roermond, dat evenmin
een beslissing wenste te nemen, en de partijen doorverwees naar de kerkelijke
rechtbank.
