Tijdsbesef in relatie tot bewustzijn

 

Een persoonlijk relaas geïnspireerd op de geestelijke leer, via het medium, Jozef Rulof, tot ons gekomen.

 

 

Stel dat ik van de ene seconde op de andere plotsklaps al je stoffelijke zintuigen wegneem. Stel dat je het onderscheid tussen dag en nacht niet meer maken kan. Stel dat je geen besef meer hebt van seizoenen, noch enig onderscheid tussen warmte of koude. Je hoort niet meer zoals op aarde. Je ziet niet meer zoals op aarde. Je voelt niet meer zoals op aarde. Je lichaam lijkt ver weg. Kan je nog wel denken zoals op aarde? Heb je nog wel het tijdsbesef zoals je het op aarde kende ?

 

Hetgene ik je als lezer van deze website nu ga vertellen is een zeer persoonlijk relaas, dat ik nooit voordien zo juist en duidelijk plaatsen kon als nu. Iets wat de huidige wetenschap en neurologie mij nooit op geldig wetenschappelijke wijze ontleden kon. Het is iets wat ik nu alleen nog kan trachten te begrijpen aan de hand van de geestelijke wetenschap en dank zij de mensen die me tot op heden met raad en daad hierin bijstaan. t’Is mijn betrachting geweest dit zo goed en zo objectief als mogelijk te ontleden, waarbij ik eveneens getracht heb met zoveel mogelijk wetenschappelijke en objectief waarneembare criteria rekening te gehouden. Met andere woorden; dit is geen verhaaltje, geen fantastisch relaas om u mee om de tuin te leiden, maar een relaas gebaseerd op waar gebeurde feiten. Het volgende relaas zal omwille van bepaalde redenen die ik nader verklaren zal, niet omschreven kunnen worden als een pure “bijna-doodservaring”, maar wel als een persoonlijke “bewustzijnservaring”, hetgeen ik zal staven aan de hand van de feiten waarover ik beschik.

 

De gebeurtenis waarover ik spreek speelde zich af in september 1985. Ik was met mijn fiets op weg van school naar huis. Er stond een vrij felle en hardnekkige wind die dag en mijn fietstocht huiswaarts kon niet snel genoeg gaan. Ik beukte tegen de wind in en zocht de meest aërodynamische positie op om nog even wat sneller te kunnen gaan. Ik kwam in de laatste rechte lijn huiswaarts, een smal, rustig weggetje zonder enig noemenswaardig verkeer erop. De sprint naar de eindmeet was volop ingezet. Nog 300 meter te gaan – alle records moesten sneuvelen – mijn blik was op het asfalt enkele meters voor me gericht. Nog 200 meter. Ik was er bijna. Nog 150. Nog 100 – en BOEM. Plots was er niks meer. Mijn fiets was weg. Alles was donker – donker voor mijn ogen ? Mijn ogen – waar waren die ogen ? Ik voelde geen ogen meer. Ik voelde geen handen meer. Geen benen. Geen lichaam. Niks, ik voelde helemaal niks meer. Of toch? Ik voelde dat ik zweefde, maar waar was ik? Ik had het vallen van mijn lichaam niet gevoeld. Maar als ik niet op mijn fiets meer zat, dan moest ik wel gevallen zijn. Ik had geen pijn gevoeld. Ik kon daadwerkelijk beseffen dat er iets vreselijks gebeurd was tijdens die sprint. De klap had ik nog waargenomen, niet als een pijnlijk gevoel maar als het geluid van een ontploffing. Ik besefte dat ik ergens tegenaan geramd moest zijn. Ik wist alleen niet wat. Maar het moest wel erg zijn. Was dit nu “de dood” ?

 

lees verder