Stel dat ik van de ene seconde op de andere plotsklaps
al je stoffelijke zintuigen wegneem. Stel dat je het onderscheid tussen dag en
nacht niet meer maken kan. Stel dat je geen besef meer hebt van seizoenen, noch
enig onderscheid tussen warmte of koude. Je hoort niet meer zoals op aarde. Je
ziet niet meer zoals op aarde. Je voelt niet meer zoals op aarde. Je lichaam
lijkt ver weg. Kan je nog wel denken zoals op aarde? Heb je nog wel het
tijdsbesef zoals je het op aarde kende ?
Hetgene ik je als lezer van deze website nu ga
vertellen is een zeer persoonlijk relaas, dat ik nooit voordien zo juist en
duidelijk plaatsen kon als nu. Iets wat de huidige wetenschap en neurologie mij
nooit op geldig wetenschappelijke wijze ontleden kon. Het is iets wat ik nu
alleen nog kan trachten te begrijpen aan de hand van de geestelijke wetenschap
en dank zij de mensen die me tot op heden met raad en daad hierin bijstaan.
t’Is mijn betrachting geweest dit zo goed en zo objectief als mogelijk te
ontleden, waarbij ik eveneens getracht heb met zoveel mogelijk
wetenschappelijke en objectief waarneembare criteria rekening te gehouden. Met
andere woorden; dit is geen verhaaltje, geen fantastisch relaas om u mee om de
tuin te leiden, maar een relaas gebaseerd op waar gebeurde feiten. Het volgende
relaas zal omwille van bepaalde redenen die ik nader verklaren zal, niet
omschreven kunnen worden als een pure “bijna-doodservaring”, maar wel als een
persoonlijke “bewustzijnservaring”, hetgeen ik zal staven aan de hand van de
feiten waarover ik beschik.
De gebeurtenis waarover ik spreek speelde zich af in
september 1985. Ik was met mijn fiets op weg van school naar huis. Er stond een
vrij felle en hardnekkige wind die dag en mijn fietstocht huiswaarts kon niet
snel genoeg gaan. Ik beukte tegen de wind in en zocht de meest aërodynamische
positie op om nog even wat sneller te kunnen gaan. Ik kwam in de laatste rechte
lijn huiswaarts, een smal, rustig weggetje zonder enig noemenswaardig verkeer
erop. De sprint naar de eindmeet was volop ingezet. Nog 300 meter te gaan –
alle records moesten sneuvelen – mijn blik was op het asfalt enkele meters voor
me gericht. Nog 200 meter. Ik was er bijna. Nog 150. Nog 100 – en BOEM. Plots
was er niks meer. Mijn fiets was weg. Alles was donker – donker voor mijn ogen ?
Mijn ogen – waar waren die ogen ? Ik voelde geen ogen meer. Ik voelde geen
handen meer. Geen benen. Geen lichaam. Niks, ik voelde helemaal niks meer. Of
toch? Ik voelde dat ik zweefde, maar waar was ik? Ik had het vallen van mijn
lichaam niet gevoeld. Maar als ik niet op mijn fiets meer zat, dan moest ik wel
gevallen zijn. Ik had geen pijn gevoeld. Ik kon daadwerkelijk beseffen dat er
iets vreselijks gebeurd was tijdens die sprint. De klap had ik nog waargenomen,
niet als een pijnlijk gevoel maar als het geluid van een ontploffing. Ik
besefte dat ik ergens tegenaan geramd moest zijn. Ik wist alleen niet wat. Maar
het moest wel erg zijn. Was dit nu “de dood” ?