Blauw is bitter

Er bestaat een axioma dat zegt dat kinder- en jeugdboeken een positief einde moeten hebben. Nu, toen ik 'Blauw is bitter' schreef, had ik heel wat gelezen en met heel wat mensen gesproken over kinderprostitutie. Ik kan je verzekeren dat het een heel harde, smerige wereld is. Toen ik het boek schreef, was het moeilijkste om de grens te trekken tussen wat ik kon schrijven en niet kon schrijven. In werkelijkheid laat alles wat die kinderen meemaken zijn sporen na en ik vond dat ik het boek geen positief einde kon geven omdat ik dan de waarheid geweld zou aandoen. Die lijn heb ik dan ook voor mijn andere boeken doorgetrokken.

Begin '90 las ik toevallig in Knack een artikel van Chris De Stoop over kinderprostitutie. Ik had toen nog nooit van Chris De Stoop gehoord, ik had toen ook nog nooit over kinderprostitutie gehoord (je mag niet vergeten dat Dutroux toen nog heel ver weg was). Toen las je in de krant wel eens dat ergens op een kermis een kind werd meegelokt met wat snoep, speelgoed of geld of zo, maar dat waren eerder occasionele gebeurtenissen.

Nee, dit artikel was helemaal iets anders. Dit ging over een sexindustrie waarbij de termen kindermishandeling en kinderslavernij op hun plaats horen.

Nu was ik na het lezen van dat artikel behoorlijk geschokt, maar meteen had ik ook een eerder egoïstische refleks: daar zit stof in voor een jeugdverhaal. Hoe meer ik echter ontdekte over dit probleem, hoe moeilijker het voor mij werd om er over te schrijven. Tenslotte zocht ik succes op de ellende van die kinderen. Ik mag niet zeggen dat ik gewetensproblemen had, maar het zat me toch niet echt lekker. Maar mensen die zich voor deze zaken inzetten, zagen dat helemaal anders. Zij vonden dat zo'n boek toch wel wat kon losmaken, dat het een middel was om de problemen uit het onbekende, uit het obscure te halen en op een vlot leesbare manier toch bij de jonge mensen te brengen.

Ik ging dus her en der op zoek naar meer informatie. In bibliotheken kon ik wel heel wat vinden over de Filipijnen, maar niks over een onderwerp als kinderprostitutie. Je moet er rekening mee houden dat 'Ze zijn zo lief meneer' van Chris De Stoop en 'Le prix d'un enfant' van Marie-France Botte pas enkele jaren later verschenen. Dus schreef ik naar Knack, NCOS... enfin, naar zowat alle organisaties waarvan ik dacht dat ze me konden helpen. Via via kwam ik bij Myriam Chielens terecht. Ze vertelde me dat ze over de Filipijnen niet zo veel wist omdat ze met haar man in het Braziliaanse Salvador had gewerkt, maar ze kon me langs Broederlijk Delen toch een paar Engelstalige studies bezorgen over kinderprostitutie. Deze rapporten waren vooral interessant omdat ze de invloed van dat zielige wereld op de gevoelens van de kinderen vij nauwkeurig beschreven. Zo wist ik hoe ik de gedachten van Lina, Leila, Edith en de anderen op een verantwoorde manier kon beschrijven en hoe ze de verkrachtingen en hun prostitutiebestaan verwerkten.

Maar minstens even belangrijk als deze rapporten was dat ik via Myriam bij Jef De Myttenaere terecht kwam. Jef De Mytthenaere is afkomstig uit Gheluwe, in de buurt van Menen. Jef woonde in Manilla en hij is met een Filipijnse vrouw getrouwd. Hij werkte toen voor vredeseilanden. In 1991 was hij toevallig bij zijn moeder op bezoek. Ik mocht mijn manuscript (de ruwbouw) opsturen en op een zaterdag hebben we dit doorgenomen.

Ik herwerkte het manuscript en stuurde het weer naar Jef die intussen naar Manilla was teruggekeerd. Jef schreef dan een brief met opmerkingen terug. Enfin, zo heeft het manuscript drie keer tussen Stekene en Manilla gependeld tot alles rond was. Die opmerkingen gingen niet alleen over belangrijke zaken zoals bv. de reactie van de dorpsbewoners als Lina haar familie terug bezoekt (een reactie die ik trouwens verkeerd had ingeschat) of de aanwezigheid van Amerikaanse soldaten op de Filipijnen, maar ook over details zoals of er al dan niet ketchup te vinden is bij Mc Donalds in Manilla, een whiskeymerk of het aantal ronden van een hanengevecht.

Ook had hij nog nooit een negermuzikant in de straten van Manilla gezien. Toch wou ik dit fragment niet veranderen. Eigenlijk is het een grapje. Rond de tijd dat ik het boek schreef, had Bruce Springsteen zijn begeleidingsband (The E-Streetband) ontbonden. Nu was zijn saxofonist Clarence Clemence een grote, struise zwarte zodat je kon denken dat die in het verhaal als straatmusikant in Manilla aan de kost komt. Tussen haakjes, Sandy, het ex-liefje van Jim noemde ik naar een nummer van Springsteen dat op zijn tweede LP te horen is.

Maar terug naar het boek nu. Het klopt dat Lina niet echt model staat voor het doorsnee kinderhoertje. Heel bewust heb ik haar laten leven in een luxebar (of bordeel als je wilt). Een eerste reden is technisch. Je mag niet vergeten dat 'Blauw is bitter' een jeugdboek is. Ik wou dus de omgeving klein en de personages beperkt houden zodat het verhaal overzichtelijk bleef. Ook kan hierdoor Max (de pooier) in dit kleine wereldje aan Lina zaken vertellen die een kind uit het straat- of parkmilieu niet aan de weet zou komen (bv. het systeem van het verkoopscontract dat met allerlei kosten steeds maar duurder wordt of de brochures voor sextoerisme die in het buitenland verschijnen).

Een tweede reden dat het verhaal zich in een luxebordeel afspeelt, is dat ik de kinderprostitutie gescheiden wilde houden van de armoede. De beide problemen zijn natuurlijk nauw met elkaar verbonden : kinderprostitutie heeft met armoede te maken, dat is duidelijk. Maar ik wou toch vermijden dat het aspect prostitutie ergens tussen de plooien van de armoedemantel zou verdwijnen. Of ook om te vermijden dat sommigen zouden kunnen zeggen dat het toch goed is dat er kinderprostitutie bestaat omdat de kinderen anders toch maar van de honger zouden sterven.

Hoewel Lina niet armoedig leeft, denk ik wel dat het armoedeprobleem toch voldoende aangekaart wordt. Lina's thuis, Edith die op Smooky Mountain woonde, Leila die in de sloppenwijk Tondo terechtkomt of Sergio die het een tikkeltje beter heeft maar het in feite zoals vele Filipinos niet echt breed heeft.

De kinderen brengen ieder een aspect van hun leventje aan. Zo is er Leila die aan drugs verslaafd is (ik las eens, en dit is een doordenkertje, dat in het westen jongeren in de prostitutie geraken omdat ze aan drugs verslaafd zijn en in de derde wereld geraken jongeren aan drugs omdat ze zich moeten prostitueren).

Je heb Estelita die door syfilis besmet is, heel bewust niet met aids. Het is natuurlijk zo dat aids het meest voorkomt (volgens Marie-France Botte heeft in Thailand 1 op 4 kinderen een of meerdere geslachtsziekten gehad en is bijna een derde van de kinderen seropositief). Maar ik verkoos syfilis omdat het anders lijkt alsof enkel aids nog bestaat. Ook is aids niet zo vlug uiterlijk te herkennen, syfilis wel en dat was voor het verhaal belangrijk.

Galo heb ik in het verhaal geschreven omdat misschien de indruk gewekt zou worden dat kinderprostitutie enkel meisjes aanbelangt en dat is zeker niet het geval. Ook kon ik met Galo en Inez benadrukken dat sommige klanten (die schrik hebben om met HI-virus besmet te worden) steeds jongere kinderen willen. Hoe jonger in het vak, hoe minder kans op aids is zowat het idee.

Bij Lina komt dan weer de onverwachte (ongewenste) zwangerschap aan bod. Ook laat ik niet zonder opzet een van Lina's klanten een Belg zijn. Het had natuurlijk ook een Zwitser, een Duitser, een Arabier, een Japanner of ik weet niet wat kunnen zijn. Maar door uitdrukkelijk voor een Belg te kiezen wou ik duidelijk maken dat kinderprostitutie geen ver-van-mijn-bed-probleem is.

Eigenlijk was een van de moeilijkste aspecten om dit boek te schrijven de grens vinden van wat kon en niet kon voor jongeren. Tijdens mijn opzoekingen kwam ik dikwijls toestanden tegen waarvan ik dacht : dit kan toch niet meer, dit zijn zieke geesten, dit is waanzin. Die dingen konden dus niet in het boek. Het boek is intussen aan een zesde druk toe en werd in het Duits en het Deens vertaald.