Een vlieg op de muur

Toen ik naar informatie over kinderprostitutie zocht om Blauw is bitter te schrijven, kwam ik onder andere bij Myriam Chielens terecht. Wanneer later het manuscript van Blauw is bitter klaar was en we op een keer nog wat nababbelden, kwam ook Brazilië aan bod.
‘Waarom zou je geen boek schrijven over straatkinderen in Brazilië?’ stelde ze voor. ‘Ik kan je heel goed helpen want Luc (haar man) en ik hebben in Salvador in een medische post gewerkt.’

Nu ja, als een onderwerp je zomaar op een schoteltje wordt aangeboden…

Maar het was al wat jaren geleden dat Myriam in Brazilië woonde. Ze verwees me dan ook naar Johan. Dankzij Johan kon ik de laatste obstakels uit de weg ruimen. Zo werd het bijvoorbeeld een heuse speurtocht om te weten of er straatkinderen in Brazilië soms Mars eten. Smarties leek een beter alternatief.
Ik denk dat Johan behoorlijk verbaasd was toen hij merkte in hoeverre de details moesten kloppen. Belgacom mag ons dankbaar zijn.

Toen het manuscript eindelijk rond was, nam Myriam het mee naar Brazilië om het aan Jan van Mol te laten lezen. De laatste controle. Jan werkt nu al zo’n dertig jaar in Brazilië. Hij weet dus echt wel dat er ginder aan de hand is. In een brief die hij aan Myriam meegaf, stond : ‘Ik heb je boek in één adem uitgelezen. Ik vind het gewoon prachtig en het heeft me zeer geëmotioneerd. Voor mij is het allemaal zo echt. Ik vind het boek buitengewoon goed en waarheidsgetrouw.’

Toen kon ik eindelijk ‘oef’ zeggen.

Waarom de titel Een vlieg op de muur? Eigenlijk hielp Myriam me ongeweten aan de titel. Ze vertelde me dat de straatkinderen verjaagd worden zoals men vliegen van snoep wegslaat. Even later bracht de popgroep U2 de cd Achtung Baby uit. Op die cd staat het nummer The fly. In dat nummer zingt Bono de regel like a fly on the wall. Dat is het, dacht ik en dat is het ook geworden.

Maar nu iets over de inhoud.

Voor het eerste hoofdstuk ging ik zo’n 270 jaar terug in de tijd.
Ik wilde uitleggen waarom er in Brazilië zwarten wonen en waarom de Brazilianen geen Braziliaans maar Portugees spreken.

Vijfmaal begon ik aan het eerste hoofdstuk. Ik schreef zo’n 60 bladzijden vol, maar het lukte me niet op die twee elementen logisch in het verhaal te integreren. Tot ik op het idee kwam (wellicht noemt men dat inspiratie) om de aankomst van een slaventransport uit Angola in de Portugese kolonie Brazilië te beschrijven.

In het boek wilde ik vooral het dagdagelijkse leven van de straatkinderen weergeven.

In principe is hun leven eigenlijk heel eenvoudig : een dag dient om de volgende dag nog te leven. Niks meer, niks minder. En alle middelen zijn goed om hierin te lukken : werken, vechten, bedelen, stelen, prostitutie, gewoon alles waardoor je in leven blijft.

Iets waar we niet aan denken is het gebrek aan privacy. Ik denk dan aan dingen zoals vrijen, plassen, ander ondergoed aantrekken… Ik herinner me een interview met een Nederlands ontwikkelingshelper. Hoe het hem shockeerde dat een jongen gewoon op straat zijn broek afstak om een drol op de stenen te droppen terwijl hij gewoon met hem bleef verder praten.

Het kan misschien raar lijken, maar Een vlieg op de muur is erotischer geworden dan Blauw is bitter, dat tenslotte over kinderprostitutie handelt. Het viel me op dat in de getuigenissen die ik las, sex telkens een heel belangrijke plaats innam. Ook bij kinderen van pakweg 8, 9, 10 jaar oud. Ergens is dat niet onlogisch. De krotten waar die kinderen opgroeien, bieden aan de ouders weinig ruimte voor privacy. Tel daarbij het zuiderse bloed en het is bovendien kosteloos.

In het boek raak ik ook even de kinderprostitutie aan. Wat dat betreft kunnen sextoeristen in Brazilië heel goed aan hun trekken komen. Toch heb ik dit aspect van het straatleven bewust heel beperkt gehouden. Niet uit schroom, maar omdat Blauw is bitter reeds over dit onderwerp handelt.

Ook lijm en alcohol worden duchtig aangesproken om het uitzichtloze armoedeleventje te vergeten.
Dronken jongens en meisjes van pakweg 5, 6 jaar zijn dan ook geen zeldzaamheid.

Ik wil ook nog iets zeggen over de omslag. Marijke Meersman heeft het hoofd van een straatkind op karton geschilderd. Het karton verwijst naar het karton waarop de kinderen slapen. Het touwtje, samen met het karton, verwijst dan weer naar het bordje dat de vermoorde kinderen in het verhaal rond de hals wordt gehangen. Het omhangen van dit bordje was trouwens ook in werkelijkheid het naamkaartje van een doodseskader.

Nog een anecdote…

Freddy en Christine zijn sinds jaren vrienden. Een jaartje geleden zijn ze naar Brazilië geweest. De eerste dag logeerden ze in Rio, in het Sheraton-hotel. Toen ze hun valiezen uitgepakt hadden, gingen ze iets drinken op het terras.
Omdat ze een foto wilden waarop ze allebei stonden, vroegen ze in het Engels aan iemand die ook op het terras zat of hij hen wilde fotograferen. Nu zei de man in het Nederlands dat dat geen enkel probleem was. Toen de foto’s genomen waren, babbelden ze nog een beetje met hem en toen vertelde die man dat hij normaal niet in het Sheraton te vinden was want hij met straatkinderen werkte. Maar de volgende dag kwam een van Spice Girls op bezoek en die wilde (wellicht op promotieredenen) met twee straatkinderen praten en hij was in dat hotel om dat gesprek voor te bereiden. Toen zei Freddy : ‘Een goede vriend heeft een jeugdboek over Braziliaanse straatkinderen geschreven.’ ‘O, Dirk Bracke,’ zei die man. ‘Ik heb het manuscript nagelezen.’
En toen Christine me dat vertelde, zei ze : ‘Kun je dat geloven, Dirk, hoe verbaasd we waren. We waren amper een uurtje in Brazilië of we hoorden je naam uit de mond van iemand die we helemaal niet kenden.’

Een vlieg op de muur werd intussen voor de vierde maal herdrukt en verscheen ook in het Duits.