Het engelenhuis


In 2000 kreeg ik een uitnodiging om in 'De Zande’ in Beernem wat over mijn boeken te vertellen. 'De Zande’ is een gesloten instelling (een soort gevangenis) voor meisjes van 12 tot 18 jaar. Ik reed een beetje met knikkende knieën naar Beernem. Niet dat ik verwachtte dat die meisjes met rotte eieren of tomaten naar me zouden gooien. Die zou wellicht aan de deur wel uit hun handen genomen worden, dacht ik. Maar ik had me toch op zijn minst aan een niet-geïnteresseerd publiek verwacht. Terwijl ik vertelde zouden ze wellicht wat met hun stoelen schuiven, babbelen onder elkaar, giechelen... En ik zou er zomaar een beetje als decor bijstaan. Maar tot mijn grote verbazing waren die meisjes wel geboeid en bleken ze ook vrij goed mijn boeken te kennen. Maar dat is misschien, niet echt mijn verdienste. Tijdens de Rode Fase moeten ze vier dagen op hun kamer blijven.
'Om de tijd te verdrijven kun je misschien eens een boek van Dirk Bracke lezen? Dat leest gemakkelijk.’ wordt hen dan aangeraden. Dus, ze worden een beetje gedwongen om mijn boeken te lezen. Ik merkte ook wel meteen dat ik met een heel ander publiek te maken had.
'Hoelang duurt zo'n lezing?’ vroeg de directeur me voor de lezing begon.
'Ongeveer anderhalf uur.’
'Nu, dan moetje na een uur stoppen want dan moeten ze eens kunnen roken.’
Nu geef ik nogal wat lezingen, maar nog nooit heb ik een school of een bibliotheek gekend waar ze me zeiden: 'Na een uur moetje stoppen want ze moeten eens kunnen roken.'

Na de lezing ging ik met de directeur en een paar opvoeders een hapje eten.
'Er komen hier soms meisjes die zeggen: 'Ja zeg, een weekend opgesloten zitten kost me vijftigduizend frank.’, zei de directeur. En Martine (die in De Zande lesgeeft) vroeg of ik dat jaar naar de Antwerpse boekenbeurs ging.
Ik zeg: 'Ja. Ik zal daar wel enkele dagen zijn. Waarom.?’
'Ik zou graag met wat meisjes komen en dan zou het leuk zijn als je er die dag ook was.'
'Ga je met al die meisjes komen?’
'Nee, natuurlijk niet. Alleen de meisjes waarvan ik verwacht dat ze niet zullen gaan lopen.’

Het eerste wat Martine me op de boekenbeurs vertelde was dat er twee meisjes gevlucht waren en dat ze de politie al had verwittigd en een persoonsbeschrijving had doorgegeven. Op die boekenbeurs vertelde ze me ook dat de directeur had gevraagd of ik het zag zitten om een boek te schrijven waarin de gesloten instelling aan bod zou komen. Het boek zou in 2003 moeten verschijnen omdat de instelling dan 10 jaar bestaat. Ik zou alle medewerking krijgen. Ik mocht komen wanneer ik wilde, ik mocht met meisjes en met opvoeders praten... enfin, ik kreeg carte blanche.

Ik denk dat ik zo'n twintig, dertig keer in Beernem ben geweest. Voor ik begon te schrijven vroeg ik aan de directeur: 'Je sprak eens over vijftigduizend frank voor een weekend. Over wie had je het dan?’
'Escortmeisjes.’ zei hij. 'Niet dat we die zoveel in de instelling zien, slechts af en toe. Maar tien jaar geleden kenden we dat fenomeen niet. Het is iets dat begint te komen.'
En omdat ik graag up-to-date schrijf is de hoofdfiguur in het boek zo'n escortmeisje geworden.

En bijna onvermijdelijk gaat het ook over een meisje dat drugs dealt. Ik had wel gemerkt dat er in Beernem nogal wat meisjes rechtstreeks of onrechtstreeks met drugs te maken hebben. Ik herinner me dat ik tijdens een lezing eens sprak over duizend frank voor een shot heroïne en dat meteen een paar meisjes ontkennend het hoofd schudden. 'Dat was de prijs vroeger.’ zei ik meteen. 'Intussen kost zo'n shot ongeveer zes à zevenhonderd frank.’ Meteen werd er terug instemmend geknikt.

Nogal wat meisjes zagen graag hun naam in het boek verschijnen. Maar dat was een probleem want ik moest rekening houden met de wet op de jeugdbescherming. Maar daar hebben we toch iets op gevonden. Ik heb in het boek hun namen door elkaar gehaald. Als bvb Sandra een zwart meisje is dat wegens overvallen in Beernem zit, is in het boek Sandra een blank meisje dat helemaal niks met overvallen te maken heeft.

Hoe raar het ook mag klinken: het is volgens mij niet zozeer een probleemboek geworden, maar wel een confronterend boek. Het gaat over een bijzondere wereld waar bijna niemand iets over afweet en tijdens het schrijven heb ik altijd de woorden van Martine in gedachten gehouden: 'Wij vinden dat ze een probleem hebben, maar zelf vinden ze dat niet. Voor de meesten is het grootste probleem; hoe geraak ik zo vlug mogelijk buiten de muren?'

'Het engelenhuis’ lijkt misschien een vreemde titel. Je denkt niet meteen aan engelen als je over de meisjes in De Zande spreekt. Maar ik heb met nogal wat meisjes gesproken en ik heb dikwijls gedacht: als die meisjes ergens anders waren geboren, een fatsoenlijke opvoeding hadden gekregen dan waren het heel gewone meisjes geweest die nooit over Beernem zouden gehoord hebben.