Over the edge
Ik had Helen al een paar keer ontmoet tijdens boekvoorstellingen in Nederland. Dus, we waren geen vreemden voor elkaar. Vorig jaar in juni zaten we toevallig tegenover elkaar aan tafel tijdens de lunch. Helen was toen nog bij de recherche en ze vertelde over haar werk. Om haar een beetje te jennen zei dat ik wel zou weten hoe ik uit de handen van de politie kon blijven. ‘Nou, ik heb je zo te pakken’, zei ze. En toen vroeg ze of ik ooit al eens met iemand een boek had geschreven.
Met ‘Groene mist’ had ik wel eens een boek geschreven met de ideeën van een zesde klas uit Kemzeke, maar dit zou toch helemaal iets anders kunnen worden. Ik aarzelde nog wat want ik heb het liefst de touwtjes in eigen handen. We praatten nog verder en toen bedachten we het concept dat ik de dader zou zijn en zij naar mij op zoek zou gaan.
Toen we uit elkaar gingen was ik nog niet echt zinnens om een boek met haar te schrijven, maar hoe meer ik erover nadacht hoe meer het me wel iets leek. Tenslotte zou het iets helemaal anders worden dan mijn vorige boeken.
Mijn personage begon vorm te krijgen. Een serieverkrachter van zestien jaar die Helen zou moeten zoeken. Ik had ooit in de krant gelezen over een zestienjarige jongen die in het Brusselse in een park meisjes aanrandde.
Het moest wel behoorlijk heftig zijn want voor een gestolen fiets komt de recherche niet in actie.
Stilaan begon mijn personage vorm te krijgen. Een zestienjarige jongen die gefrustreerd is door zijn uiterlijk, de moeilijkheden met meisjes, de scheiding van zijn ouders.
Hij is verliefd op Fien, maar hij weet dat ze te knap is voor hem, dat ze nooit wat in hem zal zien. Op zijn laptop kijkt hij naar gore filmpjes en begint hij fictie en realiteit door elkaar te halen.
In Breda randt hij een meisje aan. Het moest natuurlijk in Nederland gebeuren anders zou de Nederlandse recherche niet in het verhaal kunnen participeren. Maar Chris denkt dat men in Nederland niet vlug aan een Belg zal denken. Hij spreek Engels zodat zijn Antwerps accent hem niet kan verraden. Hij neemt ook nooit zijn gsm mee omdat die getraceerd kan worden. In het volgende hoofdstuk (Helen) lees je hoe dat meisje aangifte doet en er door de politie een onderzoek wordt geopend.
Zo wisselden Helen en ik telkens van hoofdstuk. Het grootste gedeelte van het boek kon ik op mijn eentje schrijven omdat Chris toch niet weet waar de politie mee bezig is. Natuurlijk worden de beide verhaalperspectieven op het einde in elkaar vervlochten. Met e-mails hielden Helen en ik elkaar op de hoogte, schreven we elkaar wat er eventueel in onze hoofdstukken moest worden aangepast, welke richting we zouden volgen. We zijn ook enkele keren in Breda samen geweest om bv het verhoor te schrijven en om over het slot te praten. Moest ik haar ‘Vlaams’ en zij mijn ‘Hollands’ in het manuscript aanpassen. Op een keer moest ik een Vlaams scheldwoord hebben dat men zeker niet in Nederland gebruikt (zo ontdekt men dat Chris een Belg is). Ik stelde toen ‘seut’ voor, zij had ‘seur’ begrepen en dat in haar volgende hoofdstuk geschreven.
Ook vertelde Helen me ook over het daderprofiel van iemand als Chris. Hoe hij brutaler zal worden, meer risico’s zal nemen omdat hij denkt dat hij slimmer is dan de politie. Hoe langer het duurt vooraleer hij wordt gegrepen hoe meer hij zich een god zal wanen.
Ik schreef Chris vanuit het ik-personage en in de tegenwoordige tijd. Het geeft een griezelig effect. Zo denkt de lezer met Chris mee, weet hij wat Chris zal doen als hij naar het meisje toeloopt… Het lijkt alsof je vanuit de ogen van Chris kijkt. En op een vreemde manier zal hij daardoor soms zelfs sympathiek zijn.
Het is zoals een acteur die graag eens de rol van slechterik speelt. Zo was het wel boeiend om in het hoofd van een verknipt (geobsedeerd) persoon als Chris te kruipen.