Over Tijd
Ik kwam op een heel vreemde manier in Kasterlee terecht. Toen ik het manuscript van ‘Black’ bij Koen Wouters (politieman die me heeft geholpen met het boek) ging ophalen, bleven we nog wat napraten.
‘Weet je dat er een substituut is die jouw boeken leest?’ vroeg hij.
‘Allé, Koen, wat vertel je me nu?’
‘Echt waar. Liesbeth Verlinden. Maar zij behandelt zedenzaken.’
Omdat ik altijd op zoek ben naar mensen die me op de een of andere manier kunnen helpen, maakte ik een afspraak met Liesbeth. We praatten over de dingen waar ze mee te maken heeft en op een bepaald moment vertelde ze hoe een onderzoek na een verkrachting verloopt. Iets waar ik helemaal niks over afwist en ook wel griezelig leek. Maar zo’n onderzoek leek me wel interessant om in een boek te gebruiken. Toevallig bleek dat Koen ook nog les gaf in ondervragingstechnieken.
En ik dacht verder. Ooit had een meisje me geschreven dat ze tijdens een concert iemand had leren kennen en die had haar voorgesteld om haar naar huis te brengen. In de auto had hij verkracht. Later bleek dat ze zwanger was en ze had een abortus laten uitvoeren.
Maar als ze nu eens besloot om dat kind te houden?
Een ex-collega bij de post had me eens verteld over zijn zus die in CIG de Mérode werkt. Om me voor te bereiden had ik met Lutgard een lang gesprek in een Tielens cafeetje. Ze vertelde me over het reilen en zeilen in het tehuis, over de anecdotes, over de houding van sommige meisjes tegenover hun kind, over een vriend die wel eens op hun kamer werd binnengesmokkeld...
Via Lutgard kwam ik ook bij André Gielis (de directeur) terecht. We maakten een afspraak en ik vertelde hem over de verhaallijnen die ik in mijn hoofd had. Hij pikte daarop in met het verhaal van een meisje dat steeds met ‘ik weet het niet’ antwoordde als iemand vroeg wie de vader van haar kind was. Dat meisje had een heel sterke band met een familielid en stilaan doken er roddels op. Pas veel later werd duidelijk dat het meisje het slachtoffer van een verkrachting was, maar ze was zo door de dader bedreigd dat ze daarover niet durfde te spreken.
Van André kreeg ik ook de toelating om in het tehuis rond te dwalen, met de begeleidsters en de meisjes (die dat wilden) te praten. Het deed me aan de tijd in Beernem (Het engelenhuis) denken. Daar verscheen ik soms ook bij het ontbijt en ging tegen slapenstijd weg. Ik keek hoe de meisjes met hun kinderen omgingen, hoe ze met elkaar omgingen, wat ze (in gesprekken onder vier ogen) over andere meisjes dachten… Er waren ook momenten dat ik gewoon in de woonkamer, op het terras of in hun kamer was en keek hoe het eraan toeging. Ik hielp ook wel eens met de bereiding van het avondeten, de vaat... Enfin, ik probeerde soms (voor zo ver dat lukt voor een man) deel uit te maken van de groep.
Soms hadden we het over hun toekomst of over de toekomst van hun kind. Over hun piekeren of ze hun kind wilden houden omdat ze het moeilijk vonden om voor hun kind te zorgen, over een nieuwe vriend die een kind niet zag zitten of over hun kind afstaan aan pleegouders omdat ze dachten dat hun kind dan betere kansen zou hebben.
Ik herinner me nog heel goed het moment waarop ik eens zei dat het toch wel erg is voor die pleegouders als ze het kind (waaraan ze intussen misschien gehecht geraakt zijn) terug moeten afgeven. Toen kreeg ik de ganse groep meisjes in een blok tegen me: pleegouders zijn geen adoptieouders, kreeg ik meteen te horen.
En misschien typeert dat de meisjes wel het meest: ze maken soms ruzie over de omgang met hun kind, over de radio die op een ‘verkeerde’ zender staat, over een toilet dat niet doorgespoeld werd… maar als het nodig was, vormden ze wel een echte familie.
Die gesprekken en observaties, de hulp van Willy, André en de begeleidsters en zelfs een bezoekje aan het jongerencafé Revue waren onmisbaar om van ‘Over tijd’ een realistisch boek met een verrassende plot te kunnen maken.
En realistisch is het boek blijkbaar wel. Toen André het manuscript had gelezen vroeg hij me om de naam van het hoofdpersonage te wijzigen omdat het verhaal te sterk leek op de ervaringen van een Dorien die in Kasterlee had verbleven.
Maar ik had aan een meisje uit Tessenderlo beloofd dat ik haar naam zou gebruiken in mijn boek. Belofte maakt schuld, dus Dorien bleef Dorien.