Stille Lippen


Je weet misschien dat ik een job bij De Post heb. Ik heb altijd in Sint-Niklaas gewerkt, maar enkele jaren geleden vertrok ik naar Antwerpen X, een groot sorteercentrum. Als je langs de Antwerpse ring rijdt, kun je trouwens dat sorteercentrum zien.

De sorteerzaal is een immens grote zaal (groter dan een voetbalveld) waar allerlei sorteermachines, sorteerkasten, stempelmachines… staan. De briefwisseling wordt op paletten, in containers of in postzakken aangevoerd. De postzakken worden via een kettingtransport, dat langs het plafond loopt, aangevoerd. De zakken hangen ondersteboven aan grijpers en glijden boven tafels. Aan deze tafels staan mensen die de zakken openen zodat de inhoud op de tafel valt. Deze mensen sorteren ruwweg de inhoud en duwen de bundels brieven en pakjes in de glijgoten die naar de verschillende sorteermachines en werkposten leiden. Regelmatig moet ik een aantal zakken controleren.

Nu was het mijn eerste dag in Antwerpen en ik kende er nog niemand.
Ik loop de trap op en de eerste die ik aan zo’n tafel zie staan, is Kirsten.
‘Ik kom een paar zakken nakijken,’ zeg ik, maar tot mijn grote verbazing reageert ze niet eens en ze werkt gewoon verder.
‘Ik enkel een paar zakken nakijken,’ herhaal ik.
Nog geen reactie.
Ik vind het vreemd, maar ik wil nog niet reageren. Ik denk : misschien moet ik de mensen eerst nog een beetje beter leren kennen.
Ik roefel een beetje met mijn hand tussen de pakjes en opeens kijkt ze me aan en glimlacht. Ze zegt iets wat ik niet begrijp en werkt verder.
‘Ik wil gewoon wat zakken nakijken,’ zeg ik.
Ze glimlacht weer en zegt weer iets onduidelijks.
Ik kijk een paar zakken na en loop het trapje terug af op zoek naar een chef-facteur (een ploegbaas).
‘Wat is er met dat meisje aan de hand?’ vraag ik. ‘Het lijkt wel alsof ze me niet begrijpt en ik begrijp haar ook niet.’
‘O, dat is Kirsten,’ zegt hij. ‘Ze is doof. Of nee, niet doof… slechthorend. En daardoor spreekt ze ook wat onduidelijk.’
Enkele weken later, toen ik Kirsten al wat beter had leren kennen en we ook een stuk beter met elkaar konden praten, vroeg ik me af hoe het zou zijn als je een jaar of veertien, vijftien bent en je wil uitgaan, dansen… en je oren functioneren niet zoals het hoort.
De eenvoudigste manier om dat te weten te komen, was natuurlijk met Kirsten daarover praten en op een dag ben ik bij haar thuis geweest.
Eigenlijk zijn er tal van dingen, kleine dingen, die me als horende verbaasd deden opkijken. Zo was de bel een gekleurde lamp die boven de deur hing en toen Kirsten zei dat ze nog nooit getelefoneerd had, reageerde ik eerst verwonderd. Vijfentwintig jaar en nog nooit getelefoneerd? Maar meteen dacht ik : natuurlijk heeft ze nog nooit getelefoneerd!

Logisch. Ook bijvoorbeeld dat ze op straat soms wel een auto hoort, maar dan niet weet uit welke richting die komt. En ook de angst om ’s avonds op straat te lopen omdat ze niks hoort… geen voetstappen, geen stemmen. En ze vertelde me over vroeger, over de school, over de plagerijen, over mensen die (net zoals ik) je verbaasd aankijken omdat ze niet weten dat je hen niet hoort, over tussen mensen leven die misschien allerlei dingen over jou vertellen, maar die je niet hoort, over mensen die misschien grapjes over jou maken…

In zo’n wereld probeerde ik me in te leven, maar omdat ik ook nog de ervaringen van iemand anders wilde horen, zocht ik An op. Ook zij vertelde me over hoe het is om als slechthorende tussen horende mensen te leven.

Natuurlijk las ik ook het een en ander over slechthorenden, maar toch liet ik me voor ‘Stille lippen’ vooral leiden door mijn gesprekken met An en Kirsten.

Patrick en Mady hebben het manuscript naar fouten en onnauwkeurigheiden nagevlooid. Tenslotte is het nog steeds mijn bedoeling om dingen zo correct en zo levensecht mogelijk weer te geven.

En dan het verhaal. Elien is een heel gewoon meisje, alleen haar oren doen het niet zoals het hoort. Als Lise, een buurmeisje en vriendinnetje uit haar kinderjaren, op een keer vraagt of ze niet meegaat naar de Moonstruck, besluit ze om het eens te proberen. Daar leert ze Manu kennen, een flierefluiter die met Joeri soms XTC en speed versjachert.

De kwetsbare Elien laat zich door Manu het hoofd op hol brengen. Manu en de glitter van de discotheek zorgen ervoor dat ze de dovenclub niet meer leuk vindt. Ook met haar ouders verloopt het soms stroef. Ze vindt dat die haar veel te veel willen beschermen. Een ongeval waarvan ze getuige is, leert haar Jeroen kennen.

Een tweede verhaallijn is de angst van Elien. Als ze na school thuiskomt, is het reeds donker en omdat haar ouders allebei werken, moet ze steeds alleen het donkere huis in. Er zullen twee inbrekers op me wachten en ik zal hen niet horen, denkt ze. In de loop van het verhaal cultiveert ze die fantasie tot het een nachtmerrie wordt waardoor ze bijna niet meer naar huis durft te gaan.

Meteen weet je ook waarom Marijke een gebroken glasraam op haar aquarel heeft gelegd. Dit gebroken glas is een overblijfsel van het raam dat ingeslagen werd toen er bij haar werd ingebroken. Marijke dacht dat het kapotte glasraam misschien ooit nog van pas zou komen en zo zie je maar…

By the way, An is het meisje op de cover van het boek.

Het boek heeft een open einde, maar toch niet zo open als je wel zou denken. Als Elien uit het politiebureau komt waar ze Joeri en Manu heeft verklikt, heeft het opgehouden met sneeuwen en dat beschouwt ze als een goed voorteken. Maar op de laatste regel van het boek…

De mooiste kritiek kunnen ze me toch al niet meer afnemen. Toen ze het manuscript gelezen hadden, zeiden zowel An als Kirsten, los van elkaar : ‘Dat meisje denkt net zoals ik.’