Oorsprong en geschiedenis.

Met de Spaanse kolonisatie ontwikkelde zich in Argentinie een zekere voorliefde voor wrede spektakels. Een van de belangrijkste hierbij waren de gevechten tussen dieren. De hondengevechten trokken een steeds groter wordend plubliek en ze vonden, net als de hanengevechten, steeds meer en meer plaats.

Men gebruikte hiervoor robuuste honden, vaak kruisingen van Bulterriërs en van Spaanse Mastifs  en vanaf het begin van de twintigste eeuw ook kruisingen van boxers. Zodanig bestond er een redelijk groot aantal gekruiste honden, meestal wit van kleur, moedig en agressief, vrij ongevoelig voor pijn en in staat om zich in te zetten tot het bittere einde. Echte gladiatoren onder de honden.

In 1920 werden de hondengevechten bij de wet verboden. De traditie bleef echter bestaan, vooral in de regio Cordoba.De honden werden “Pelea”-honden genoemd, dat is Spaans voor gevechtshond.

In hun zoektocht naar honden die konden worden gebruikt voor het verkrijgen van de Dogo Argentino besloten de gebroeders Nores om deze “Pelea”-honden als vertrekpunt te gebruiken in de nobele kunst van de jacht. Maar welke rassen moest men gaan gebruiken om hun jachtinstinct aan te scherpen en om hun gehoorzaamheid te ontwikkelen?

Na veelvuldige studies besloten ze dat er nieuwe rassen moesten worden gekruist met de bestaande “Palea”-honden: de Bull-terrier, de Bulldog, de Deense dog, de Boxer, de Pyreneese berghond, de Ierse wolfshond, de Pointer, de Bordeaux dog en de Mastif. De eerste Deense dog gebruikt voor de creatie van de Dogo was Ney. Hij behoorde toe aan meneer Nores de vader van de twee broers. Deze hond kwam voort uit een Deense Harlekijn, Sultan en een gestroomde Deense teef. Nadien gebruikte ze enkel nog een Deense Harlekijn Prince genaamd. De volgende jaren gebruikten ze steeds weer Deense Doggen om zich zodanig te kunnen verzekeren van een hond van een beduidende grootte. Om tot een hond te komen met een goed ontwikkelde reukzin koos men voor de Pointer. De Pointer Zug de Tregroas, samen met de teef Hantippe de Saint-Fargot geimporteerd uit Frankrijk werd hun geschonken door een vriend van prof. Nores, hun vader. Dit gebeurde rond 1927. De pointers die nadien werden gebruikt werden steeds gekozen met het oog op een goede reukzin, een grote fysieke weerstand en een goed karakter.

Om een everzwijn op de vlucht te kunnen opjagen en aan te vallen moest men snelle en moedige honden hebben.Volgens Agustin en Antonio kon enkel een Ierse wolfshond hen van deze eigenschappen verzekeren. Het was echter niet makkelijk om een Ierse wolfshond te vinden in Argentinie. Zover verwijderd van het Europese continent en in een land waar de importkosten verschrikkelijk hoog waren. Door een gelukkig toeval huwde een vriend van de broers echter met een jonge Ierse. Beide hadden een passie voor de kynologie en besloten om bij de terugkeer van hun huwelijksreis een Ierse wolfshond-pup mee te brengen. De jonge teef Diana. Deze werd gedekt door een Deense dog en uit dit nest werden de twee beste pups weerhouden om als dekreu dienst te doen, om zodanig mee te helpen aan de tot standkoming van de Dogo Argentino. Vervolgens slaagde de broers erin om twee Ierse wolfshonden te bemachtigen van een overleden inwoner van Buenos Aires. De reu Max van Woupermil, werd gebruikt op de toenmalige Dogo-teven en de teef werd gedekt door Pancho, een Cordoba-dog. Om de gewenste grootte te bewaren wilden ze nog andere Ieren gebruiken maar ze vonden op dat moment geen meer. Om deze reden werd de Pyreneese Berghond geďntroduceerd. Een imposante hond met een goede grootte en een witte vacht, hetgeen van groot belang was bij de jacht op everzwijnen.

Later kocht Agustin op een van zijn zakenreizen twee prachtige Ieren. Deze zorgden, eens in Argentinie, niet alleen voor de verdere ontwikkeling van de Dogo maar brachten tevens uitstekende raszuivere Ieren verder. De reu Gelertof Tipperary werd zeer bekend onder de kynologen en de pers had het vaak over de successen verwezenlijkt door zijn nakomelingen.

De Engelse Bulldog  werd met de nodige voorzichtigheid toegevoegd aan het bloed van de Pelea-Dog. Deze verminderde immers drastisch de grootte van de nakomelingen. Wat hij echter hen wel meegaf was een zeer grote bijtkracht, en een sterke gespierdheid en een zeer grote weerstand tijdens het gevecht. De eerste BullDog die werd gebruikt had een gestroomde vacht en bracht steeds moeilijkheden met zich mee tijdens het dekken omwille van zijn verschrikkelijk karakter. Later werd dan ook een tweede Bulldog gebruikt; Churchill John Bull. Een uitstekend exemplaar met een witte vacht en een schitterend karakter.

Zoals eerder reeds werd vernoemd werd ook de Pyreneese Berghond gebruikt bij de totstandkoming van de Dogo. Antonio bracht hiervoor twee pups mee uit de Verenigde Staten, geboren uit kampioenen van de Westminster show, de meest prestigieuze show van de Verenigde Staten waar enkel honden die zich reeds onderscheiden hadden op andere shows mochten deelnemen. De twee pups, Cote de Neige Van Du Nord en Cote de Neige Pavane (Napoleon en Josefien genoemd) ontwikkelden zich zonder problemen en onderscheiden zich door hun uitstekende reukzin, hun grote gestalte en hun uitstekende karakter. Hun aanwezigheid in de selectie bleek achteraf zeer belangrijk want, gekoppeld aan verschillende teven brachten zij steeds zeer goede resultaten verder. Zij brachten echter ook enkele fouten met zich mee zoals bijvoorbeeld een lange vacht. Maar de strenge selectie die achteraf plaats vond heeft deze fouten er steeds weer uitgehaald.

Als laatste ras gebruikten de broers Nores de Bordeaudog. Zij gebruikte hier de reu Kaiser, geboren uit de koppeling van een Bordeaudog reu met een Pelea teef. De tussenkomst van Keiser, wie verschillende gekruiste teven dekte, stond toe om een sterkere lichaamsbouw en een imposanter hoofd te verkrijgen. Hij bracht echter tevens een vergeling van de vacht met zich mee, hetgeen hen verplichte om hem in de toekomst slechts met de grootste voorzichtigheid te gebruiken.

Ik heb u zonet verteld hoe het ras van de Dogo Argentino tot stand is gekomen. Dit schets echter slechts een fractie van de inspanning en de moeilijkheden waarmee de oprichters van dit trotse ras in het begin af te rekenen hadden. Er werden twee grote families opgericht: De familie Araucana en de familie Guarani. Dit stond toe om verdere kruisingen uit te voeren met de honden die niet direct familie waren.

In de loop der eerste jaren beginnen de kwekers soms fouten te maken die hen ertoe verplichten om in sommige gevallen tot vier generaties terug te gaan om deze fouten uit de selectie te krijgen. Dit was ondermeer het geval toen Antonio een Bull-terrier had gebruikt die drie generaties later zijn aangeboren doofheid bleek door te geven. Hij elimineerde al de nakomelingen van deze hond en begon terug van nul, met een andere Bull-dog. In 1928 stelde Antonio, de ware oprichter van het ras, de eerste standaard van de Dogo Argentino op. Deze werd in 1947 voor het eerst gepubliceerd in het Argentijnse blad ‘Diana’. Het nieuwe ras werd in 1964 erkend door de Argentijnse Kynologische Federatie en in 1975 door de FCI. Tot aan zijn dood, in 1978, bleef Agustin Nores Martinez alle nieuwe pups registreren. Hij telde er meer dan duizend en zelfs vandaag vindt men nog regelmatig de namen van zijn honden terug op stambomen.