- C. A. Verdwenen Bedrijven - De Geschiedenis Van Duffel

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Duffel Nu 1900 - 1985
1. Steenbakkerijen.2. De Nikkelfabriek.3. De gebroeders Bollekens.
4. De gebroeders Putteneers.5. Rath en Doodeheefver.6. Oliefabriek.

7. Chocoladefabriek.
A. Verdwenen bedrijven.

1. Steenbakkerijen.

De Duffelse ondergrond bevat een zeer dikke kleilaag. Het is de voortzetting van de Rupelklei. Deze laag komt op sommige plaatsen bijna aan de oppervlakte. Daarom draagt een hele streek in Duffel de naam van "potaardenvelden". Tot de l9de eeuw werden de woningen van particulieren meestal opgetrokken rond een houten gebinte; de buiten- en binnenmuren bestonden uit een wissen vlechtwerk met leem bestreken. Witte steen en baksteen gebruikte men toen alleen voor voorname gebouwen, zoals kerken, abdijen, kastelen en herenhuizen... Maar weldra verschenen de steenbakkerijen in onze streken en in snel tempo verving men de lemen huizen door stenen woningen. Het wordt algemeen aanvaard, dat de monniken van de St.-Sernardus-abdij van Hemiksem het steenbakkersbedrijf in de Rupelstreek hebben ingevoerd !

Klei wordt industrieel benut voor baksteen, tegels en dakpannen. Zo bevonden zich bij de eeuwwisseling in onze gemeente vier steenbakkerijen. In hun beste activiteitsjaren werkten er 500 arbeiders in de zomer en ongeveer 300 in de winter. Zoals overal elders waren ook hier de lonen laag (2 á 4 Fr per dag) en was vrouwen- en kinderarbeid alom verspreid. Geen van de vier steenbakkerijen overleefde de Eerste Wereldoorlog. Naast dorpse kuiperijen was dit boven alles te wijten aan de grote concurrentie van de firma's uit de Kempen en de Rupelstreek, waar de exploitatie gemakkelijker was. Daarenboven betekende het feit, dat er voor openbare werken alleen Boomse steen gebruikt mocht worden, een ongelijke concurrentie. Ook hebben de uitbaters niet ingespeeld op de nieuwe ontwikkelingen in deze bedrijfstak. Zo zijn er in onze gemeente nooit ring- of Hoffmannovens geïnstalleerd, terwijl er in de Kempen in 1896 reeds tien ovens van dat type werkten.

1.1. Steenbakkerij TER ELST.

In 1802 verwierf August HERMANS, de broer van de latere burgemeester Louis HERMANS, de gronden naast en achter het kasteeltje Ter Elst, waarop deze steenbakkerij gevestigd werd*. De Bestendige Deputatie gaf op 27 juni 1873 toelating om op deze 25 ha een steenbakkerij op te richten.
Het was echter in 1879 dat de heer Jan Camille FUNCKE, notaris te Capellen (Groot-Hertogdom -Luxemburg) en zijn compagnon de heer CLUYSKENS, de goederen opkochten en er met steenbakken begonnen. In 1880 lieten ze een tunnel onder de Stationsstraat graven, om de klei uit de put naar de fabriek te voeren.

Met het oog op export naar Engeland werden in 1881 vergrotingswerken uitgevoerd. Enkele Duffelaars bewaren nog als historisch souvenir een baksteen of een dakpan, waarin Ter Elst Duffel Belgium is gebakken. De verwachtingen werden echter niet ingelost en het arbeidersbestand viel van 300 eenheden terug op een 40-tal. Dit was niet zo zeer te wijten aan economische verschijnselen, maar vooral aan een rechtszaak tussen de heren FUNCKE en CLUYSKENS enerzijds en de familie HERMANS anderzijds. Zo kwamen de steenbakkerijen in 1882 weer in het bezit van de "N.V Hermans", doch deze hield ze gesloten tot 1888.

Op 15 oktober 1888 werd de N.V Briqueterie de Ter Elst opgericht, die in 1889 reeds 200 arbeiders te werk stelde. Het bedrijf was bijna volledig gericht op uitvoer naar Engeland en floreerde zo, dat men in 1890 een aanvraag deed, om in open lucht steen te bakken. Wat echter niet toegestaan werd.
In 1892 werkten er ruim 300 arbeiders, doch van dan af ging het zeer snel bergaf, vooral na de invoering van de ringovens in de Kempen. In 1899 werd de N.V Briqueterie de Ter Elst in faling gesteld, doch onder de benaming Briqueteries Anversois de Duffel ging zij opnieuw in hetzelfde jaar van start. De inbreng van nieuw kapitaal en het wegvallen van beide plaatselijke concurrenten, zoals wij verder zullen zien, liet toe de firma draaiende te houden tot aan de Eerste Wereldoorlog. Door intensieve bombardementen werden de installaties onherstelbaar beschadigd. De put van wel 50 m diep met alle machines en materiaal erin schoot onder water. De productie werd niet meer hernomen.
De terreinen van de steenbakkerij werden in 1921 verkocht aan de firma BOLLEKENS uit Antwerpen. De kleiput en de belendende gronden tussen Stationsstraat en spoor kwamen in handen van de zusters Norbertienen. Tot 1 juli 1977 werd de kleiput gebruikt als gemeentelijke stortplaats. Zodoende werd de put gedempt en zal de rijke kleilaag van het Duffels "gelaag" waarschijnlijk verder voor altijd onbenut blijven.

* De terreinen werden door de Franse Republiek als zwart goed, d.i. kloosterbezit, aangeslagen en verkocht op 18 mei 1799. Ze behoorden toe aan de abdij van Tongerlo en waren goederen van het Hof van Ter Elst. Louis HERMANS verkreeg de goederen pas op 17 juli 1802, omdat hij niet eerder betaald had.

1.2. Steenbakkerij BRIQUETTES DES DEUX NETHES.

In de tachtiger jaren van de vorige eeuw kreeg Duffel op Notmeir een tweede steenbakkerij. Deze bezat een uitgebreid gamma van producten: baksteen, dakpannen, geglazuurde pannen in verscheidene kleuren, kantpannen voor spitsmuren en gevels, vorstpannen, spanten, schouwdeksels, enz...
Vanaf het eerste werkingsjaar (1884) liepen de zaken vlot. Haar producten werden gegeerd. In 1885 werden er - zij het op onregelmatige wijze - 300 arbeiders te werk gesteld. Om de reeds hoger vermelde redenen ging het ook hier snel bergaf. Na een tussentijdse stop en de heropstarting in 1886 kwamen er twee middelmatige jaren (1887 en 1888), waarin 200 personen te werk gesteld bleven. Door over te schakelen op de productie van uitsluitend dakpannen kwam het personeelsbestand in 1890 opnieuw op 300. In 1892 ging het dan definitief de verkeerde kant op en de werkhuizen werden in 1894 afgebroken.

1.3. Steenbakkerij VERBEECK.

Op 10 mei 1896 richtte de heer Eugeen VERBEECK uit Boom een aanvraag tot de Bestendige Deputatie, om op Notmeir tegenover de Sechsboshoeve een steenbakkerij te mogen oprichten. Dit werd hem op 8 november van hetzelfde jaar toegestaan. In 1900 werd de steenbakkerij overgenomen door de heren HERSENT en zoon uit Antwerpen, die er een N.V voor oprichtten onder de naam Mechanische Steenbakkerijen.
Ze kende een zeer moeilijke start en kwam in feite nooit tot echte bloei. De wegen, waarover de stenen moesten vervoerd worden tot men de kasseiweg Antwerpen-Mechelen-Brussel bereikte, waren toen zo slecht, dat men praktisch altijd drie paarden diende te gebruiken. Terecht zegden de Duffelaars: "Die van het achterste geleeg voeren zich dood." Wat inderdaad ook gebeurde. De kleiput werd daarna nog veel gebruikt als zwemgelegenheid, wat echter sommigen fataal werd!

1.4. Steenbakkerijen DE BEUCKELAER EN Cie.

Op 17 juni 1898 verkreeg de heer DE BEUCKELAER de toelating van de Bestendige Deputatie om bij Notmeir een pannen- en steenbakkerij te beginnen, "het voorste gelaag" genoemd. De oudere Duffelaars hebben deze kleiput nog gekend. Hij lag tussen de huidige papierfabriek en Sidal. De papierfabriek heeft de put als reserve-waterput gebruikt. Een lang leven is ook deze steenbakkerij niet beschoren geweest. De papierfabriek, de kopergieterij en de nikkelfabriek kwamen gedeeltelijk op haar terreinen tot stand. Reeds voor 1907 was alle activiteit op de werf stil gevallen.

2. De Nikkelfabriek.

Op de plaats, waar zich eertijds de steenbakkerij "De Beuckelaer en Cie" bevond, daarna een ijzergieterij en later een kopertrekkerij kwam, en waar nu Sidal staat, vestigde zich in 1906 de firma Usines de Nickel de la Nèthe, L. Chavanne et Cie. De Nete was ook hier weer de bepalende transportweg voor de aanvoer van grondstoffen. De ertsen, die de fabriek verwerkte, werden in Nieuw-Caledonië (Oceanië) gedolven en met eigen schepen (3 stoom- en 3 zeilschepen) naar Duffel gebracht. Ze was de enige nikkelfabriek in België. De productie bedroeg 4 tot 5 000 kg per week. Hiervan werden ongeveer 65 000 kg per jaar geleverd aan de Munt in Brussel voor het slaan van onze pasmunt. De overige productie werd voor dezelfde doeleinden geleverd aan Duitsland, Engeland, Rusland en China... Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog stelde dit bedrijf ongeveer 500 personen te werk.
Na 1918 werd, omwille van transportmoeilijkheden (een heen- en terugreis vergde 3 maand voor een stoomschip en 9 maand voor een zeilschip) een deel van de fabriek naar Nieuw-Caledonië overgeplaatst. Zo diende in de fabriek te Duffel het metaal nog enkel geraffineerd te worden. In 1939 werden nog 112 personen te werk gesteld. Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd de aanvoersweg van grondstoffen afgesneden, zodat alle bedrijvigheid ophield.

3. De gebroeders Bollekens.

In 1858 stichtten de gebroeders Eugéne I en Franpois-Jéröme BOLLEKENS in de Jesusstraat te Antwerpen een bedrijf, dat zonneblinden, houten rolluiken en mouluren produceerde.
Tien jaar later vinden we ze terug in de Appelmansstraat en daarna in de Pelikaanstraat, waar ze stoommachines inschakelden voor het vervaardigen van metalen onderdelen voor hun rolluiken.
Tot 1895 bleven de gebroeders vennoten, waarna Frangois-Jérome de uitbating alleen voortzette, geholpen door zijn drie zonen:
- Eugéne II, die de administratie zou verzorgen;
- Isidore, die de leiding nam van de productie, en
- Joseph I, die de verkoop en de contracten met de klanten onderhield.
De drie gebroeders volgden hun vader op in 1905. In 1909 werd het bedrijf uitgebouwd met een vliegtuig- en aanhangwagenafdeling "JERO", genoemd naar hun vader Jéróme. De firma stelde in augustus 1914, 250 personen te werk. Tijdens de Eerste Wereldoorlog produceerde men in Frankrijk Belgische militaire vliegtuigen, maar plots (1917) liet het Belgisch leger hen vallen. Niemand wist waarom! Na de oorlog keerden de gebroeders naar Antwerpen terug waar ze heel wat onheil aantroffen en ook geen klanten meer vonden. De drie gebroeders verdeelden in 1923 de terreinen en de gebouwen in de Pelikaanstraat:
- Eugéne II betrok samen met zoon Charles het ouderlijk huis. Ze zetten het rolluikenen zonneblindenbedrijf verder.
- Isidore en Joseph II openden een garage. In 1923 vestigde Eugéne II zich tevens in het gunstig gelegen Duffel.
Zijn zoons Henri, Joseph II en Franpois II werkten in zijn bedrijf. Men produceerde industrieel koetswerk en stuurcabines voor zwaar verkeer. Als in 1950 Eugéne II BOLLEKENS overleed, verdeelden de vier broers de twee firma's:
- Henri, Joseph II en Frangois II erfden de fabriek in Duffel,
- terwijl Charles bleef blinden en rolluiken vervaardigen te Antwerpen.
Wegens ongunstige tijdsomstandigheden en de pensioengerechtigde leeftijd van de vennoten, zetten ze in 1972 de carrosserie-afdeling te Duffel stop en werd de vennootschap in december ontbonden. Een tiental personen vielen hierdoor zonder werk. Het rolluikenbedrijf te Antwerpen werkte nog voort. 
Tewerkstelling: in 1937 - 94
1949 -138
1970 - 17

4. De Gebroeders PUTTENEERS.

In 1931 ontstond aan de Lintsesteenweg de firma van de gebroeders PUTTENEERS. Aanvankelijk vervaardigden ze prachtig gebeeldhouwde artikelen, zoals lusters, staanlampen, handspiegels en juwelendozen, maar wegens de opkomende crisis schakelden ze weldra over op kleinere huishoudelijke en godsdienstige voorwerpen, zoals kruisbeelden, wijwatervaatjes, pijpenrekken en krantenbakken. Op haar hoogtepunt verschafte deze firma werk aan een 40-tal arbeiders en bedienden. De bedrijfsgebouwen werden verkocht aan een ondernemende landbouwerszoon uit Kasterlee, die er het grondontsmettingsbedrijf DE CEUSTER oprichtte.

5. RATH en DOODEHEEFVER (nu ERDE-groep).

In 1951 begon de firma RATH en DOODEHEEFVER in de voormalige Tegelfabriek, die haar bedrijvigheden had gestopt in 1948, met het bedrukken van behangselpapier. De grondstof werd aanvankelijk betrokken van de Duffelse papierfabriek, later van Langerbrugge. Op 6 augustus 1951 werd met het drukken gestart.
In de zeventiger jaren stelde dit bedrijf een 100-tal personen te werk.
In 1973 verhuisde de firma naar de derde industriezone te Erembodegem. Door een verschuiving van aandelen werd de fabricatie in 1985 overgebracht naar Genval waar naast behangselpapier ook vinyl en textiel wordt bedrukt.

6. Oliefabriek.

Waar zich nu het domein "de Locht" bevindt, was vroeger een fabriekscomplex. Baron DE FAUCONVAL DE BERNARIA richtte er in 1856 een papierfabriek op. Daarna kwam er een stokerij, een meststoffabriek, een kaarsenfabriek ("den bougie") een oliepletterij en margarinefabriek ("oliekot"). Het ging geen van deze bedrijven voor de wind: er gebeurden zeer veel ongevallen. Daarom richtte mevrouw DE FAUCONVAL in 1856 er een kapelletje op voor Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstand.

7. Chocoladefabriek RENAUX.

In 1890 startte de familie Paul RENAUX in de Stationsstraat tegenover de lagere school van de zusters van COVABE een bedrijfje, dat een soort van melkpoeder vervaardigde voor babyvoeding. Het product kreeg de naam farine lactée Renaux. Het recept was uitgedokterd door een schoonbroer drogist, die aanvankelijk ook voor de ingrediënten zorgde. Mit FLORUS was de eerste arbeidster. Er werd lang gewerkt met 6 meisjes en 1 bakker. Tussen 1891 en 1897 behaalde de firma op tentoonstellingen meerdere erediploma's voor hun kwaliteitsproduct. Later produceerde het bedrijf repen chocolade en dekchocolade, grondstof, die bij suikerbakkers diende voor het vervaardigen van pralines, suikergoed en broodsmeersel en bij de bakkers voor het afwerken van koffiekoeken. De pralinemakers Leonidas, Gudrun e.a. waren goede klanten.
Een andere afdeling produceerde uit dekchocolade holgoedchocolade-artikelen voor de Sint-Niklaas- en de Paasperiode. De uitrusting liet toe om meer dan twee miljoen stuks per dag kleurrijk in te pakken en te verzenden. Dit alles geschiedde de laatste jaren volautomatisch. Na Marcel RENAUX leidde Freddy RENAUX, kleinzoon van de stichter, de fabriek tot in 1973.
Daarna werd de firma overgenomen door General Biscuit België (De Beukelaer-Parein Herentals). Het bedrijf werd failliet verklaard op 24 december 1976. Het overkopgaan lag waarschijnlijk aan een samenloop van omstandigheden o.a. het plotse overlijden te Brussel van de bezieler, en de verdediger van de belangen van Renaux in de beheerraad en aan vroeger gesloten contracten met Italië, die verlieslatend werden door een zeer lage dollarstand.
Tewerkstelling:   in 1940 29
in 1962 114
in 1975 151

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu