C. Beroemde Duffelaars - De Geschiedenis Van Duffel

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Duffel Toen tot 1900
1. Hendrik Hondius.2. Kiliaan.2. a. Zijn leven.2. b. Zijn werk.2. c. Kiliaan ter ere.

C. Beroemde Duffelaars.

1. Hendrik Hondius.

Hendrik DE HONDT was de zoon van Willem DE HONDT, alias REYNS, die van 1567 tot 1571 in het oude in 1985 afgebroken schooltje achter de Sint-Martinuskerk onderwees! Op 9 juni 1573 (volgens sommigen 1576) werd hij in Duffel geboren.

Zoals de meeste geleerden uit zijn tijd verlatijnste hij zijn naam, vandaar dat wij hem nu kennen als Henricus HONDIUS.

Hij verbleef achtereenvolgens te Mechelen, te Brussel, waar hij leerling was van Godefrey VAN GELDER, goudsmid van de hertog van Parma, en te Antwerpen, waar hij studeerde bij de befaamde plaatsnijder Jan WIERICX. Later voltrok hij zijn opleiding bij de bouwkundige Jan VREDEMAN DE VRIES.

Na korte oponthouden te Keulen, Parijs en Londen vestigde hij zich uiteindelijk in Den Haag, waar hij op 24-jarige leeftijd trouwde. De omzwervingen van HONDIUS gebeurden onder druk van de godsdiensttroebelen, want hij bleek de reformatie goed gezind.

Hij staat bekend als een vermaard plaatsnijder, tekenaar en mathematicus, zeer bedreven in de bouwkunst, het leggen van versterkingen, enz. Hij graveerde verscheidene portretten van kunstenaars en vooraanstaande hervormers o.a. van CALVIJN, KNOX, WYCLIF, MELANCHTON, SAVONAROLA en de Prins VAN ORANJE. Hij behandelde vele profane en godsdienstige onderwerpen.

Het zelfportret van HONDIUS werd opgenomen in het prachtige platenboek van Jan MEYSSENS, dat in 1649 in Antwerpen uitgegeven werd. Van de hand van HONDIUS zijn overbekend de reeks van 90 platen, die het werk van Samuel MAROLOIS over het perspectief illustreren, alsmede de 68 portretten van Vlaamse schilders en de door hem geëtste tekeningen van Pieter BREUGEL de Oude. Op het gebied van perspectief en de bouwkunde schreef hij een boek onder de titel: ‘Onderwijsinge in de Perspective Conste, door Henricus HONDIUS’, in 's Gravenhage 1622. Hij graveerde ook zijn eigen portret naar een schilderij van Antoon VAN DIJCK en noemt zich ‘Calcographus Hagae Comitis’.*
* Graveerder woonachtig in Den Haag.

In Den Haag gaf hij les aan de dichter Constantijn HUYGHENS. Hij werd er ook deken van de Sint-Lucasgilde in 1637. Hij overleed aldaar in 1648 of 1650. Zijn zoon Guilliam (° 1600-† 1660) zette zijn werk voort.

De Nederlandse stad Den Haag gaf de naam van deze Duffelaar aan één van haar straten. Op 15 juli 1967 vond in de oude patriciërswoning ‘De Pelicaen’ in de Kiliaanstraat de eerste officiële tentoonstelling van de Hondiuskring plaats. Deze kunstkring kende sindsdien een bloeiend bestaan en stelt o.a. geregeld ten toon in de Duffelse bibliotheek.

De belangrijke verbindingslaan tussen brug en spoorwegtunnel aangelegd in 1971 draagt eveneens zijn naam (Hondiuslaan).

2. Kiliaan.

a. Zijn leven.

De man, die wij thans kennen onder de naam KILIAAN of KILIANUS, heette in feite Cornelis ABTS. Hij werd VAN KIELE genoemd, evenals de andere leden van zijn familie, omdat hij in het Hof ‘Den Draeck’ woonde, gelegen aan ‘den amer’ of de loskade, anders gezegd ‘de Kiel van de Nete’*. Hij was de zoon van Hendrik ABTS, alias VAN KIELE en Anna DROSSAETEN, ook RECHTSTRAETS geheten. Zijn exacte geboortedatum is niet bekend. Volgens een gedicht dat hij zelf ter nagedachtenis van zijn vriend Abraham ORTELIUS schreef, zou hij geboren zijn tussen oktober 1528 en Pasen 1529. Uit schepenbrieven van die tijd moet dan weer opgemaakt worden dat Cornelis ABTS ten vroegste in 1530 kan geboren zijn.

Op jeugdige leeftijd (in 1532) verhuisde het gezin VAN KIELE naar de Kapelstraat. Over zijn jeugdjaren is weinig geweten. Waarschijnlijk onder impuls van de toenmalige pastoor Lambertus DE BONT studeerde hij verder. Zoals uit de verscheidene erfenissen blijkt, kon zijn familie zich dit wel degelijk veroorloven. Toch werd hij op 29 augustus 1548 als student ingeschreven bij de ‘Pauperes Castienses’** aan de Leuvense universiteit. Zijn naam komt echter niet voor op de promotielijsten. Geschiedkundig is het niet met honderd procent zekerheid te zeggen, dat het hier om Cornelis VAN KIEL uit Duffel gaat of om een naamgenoot. Het is echter vrij waarschijnlijk, dat het wel degelijk om onze befaamde dorpsgenoot gaat. In de lijsten van het college vinden we immers letterlijk: ‘Cornelius Filius Henricy KYEL de Duffel’. KILIAAN vond te Leuven werk als drukkersgast.
Ondanks het feit, dat wij niet met zekerheid kunnen zeggen dat KILIAAN zijn studies afmaakte, en dus het diploma Magister Artium *** verwierf, staat hij toch in de kerkregisters van Duffel vermeld als ‘doctor in de wijsbegeerten’.

* Den DRAECK was gelegen tegenover de huidige herberg ‘De Post’ in de Handelsstraat.
** Niet gegoeden.
*** Vanaf de twaalfde eeuw werden de universiteiten gesticht.
Hun bevolking bestond uit leerlingen of studenten (scolares),
gezellen of helpers, en meesters, magistri of doctores;
deze laatsten waren degenen, die in feite doceerden of die,
na het afleggen van de meesterproef, bevoegd tot doceren gehouden werden.

In deze Leuvense periode verlatijnste hij zijn naam tot KILIANUS. Dit mag ons niet verbazen, daar praktisch alle geleerden uit die tijd dit deden. ledereen kent voorzeker: ERASMUS, VESALIUS, MERCATOR, ORTELIUS, Justus LIPSIUS, en vele anderen.

Volgens zijn vroegste biograaf Frans SWEERTS (SWEERTIUS), werd hij na zijn studies door Christoffel PLANTIJN overgehaald, om bij hem in Antwerpen aan de Vrijdagmarkt te komen werken.

In maart 1558 werd hij tot meesterknecht met toezicht op het drukkersmateriaal benoemd. Van dat ogenblik af woonde hij bij zijn Antwerpse uitgever in, die zijn Parijse collega ESTIENNE o.a. wilde evenaren als uitgever van woordenboeken, maar dan met een Nederlandse tekst. Omwille van zijn werklust en zijn intelligentie werd KILIAAN omstreeks 1560 met deze opdracht gelast. Omwille van zijn kennis van meerdere talen (o.a. Latijn, Grieks, Frans en Hebreeuws), was KILIAAN de geknipte persoon, om woordenboeken te vertalen. Op 24 juni 1565 wordt KILIAAN bevorderd tot corrector of proeflezer.

Ondertussen had hij een zekere bekendheid verworven als vertaler en de volgende jaren ontving hij geregeld opdrachten van de Generale Staten, de Staten van Brabant en de stad Antwerpen. Deze opdrachten voor de openbare besturen namen zoveel tijd in beslag, dat hij niet meer voor PLANTIJN werkte. Vanaf het najaar 1574 arbeidde hij nog slechts gedeeltelijk voor hem en vanaf oktober 1579 zelfs helemaal niet meer.

Omstreeks die tijd verhuisde hij naar Lier. Daar trouwde hij in 1580* met Marie BOSMANS of Marie CLEYS alias BOS. Zij kregen drie dochters: Catharina °1582, Maria °1584 en Anna °1586.

Vanaf 1582 keerde hij even naar zijn geboortedorp terug, maar bleef toch nog voor de overheid werken. PLANTIJN moest wel erg tevreden geweest zijn over hem, want na een verblijf van drie jaren in Leiden kende hij bij zijn terugkomst aan één van KILIAANS dochters een jaarrente van 100 gulden toe.

* Ook 1552 wordt soms als huwelijksjaar gevonden, wat naar ons oordeel niet kan.

In 1586 overleed zijn vrouw, kort nadat het gezin terug bij PLANTIJN ingetrokken was. Vanaf 1588 kreeg KILIAAN wegens de slechte economische toestand last met de pachtgelden van zijn gronden.

Op 1 juli 1589 overleed zijn werkgever C. PLANTIJN. Omwille van financiële problemen was KILIAAN in de loop van de jaren negentig verplicht de eigendommen, die hij van zijn vrouw geërfd had, van de hand te doen. Dat neemt niet weg dat hij tot het einde van zijn leven een welgesteld man gebleven is, wat wij kunnen afleiden uit de omvangrijke verkoop van zijn Duffelse bezittingen door zijn dochters op 10 februari 1610.

Toch moest het ondertussen voor hem, naast de vele zorgen, een welgekomen compensatie geweest zijn, dat hij in steeds ruimere kring erkenning vond als taalkundige. Na de dood van PLANTIJN bleef KILIAAN in de Antwerpse drukkerij werken onder de leiding van diens schoonzoon Jan MORETUS I. Op 15 april 1607 overleed KILIAAN. Hij werd begraven op het groene kerkhof van de O.-L.-Vrouwkerk te Antwerpen (nu Groenplaats).

Het grafschrift, van de hand van de reeds genoemde SWEERTIUS, luidde:

D. O. M.
CORNELIS KILIANO DUFFLAEO
CONSTANTIS LABORIS
ET
PERENNIS INDUSTRIAE LAUDE
ORNATO ET AMATO VIVO *

* Aan Cornelius KILIANUS uit Duffel, de geliefde man die geëerd werd voor zijn constante en voortdurende werklust.

b. Het werk van Kiliaan.

KILIAAN is een begrip op gebied van het Nederlands woordenboek. Zijn andere werken, vertalingen uit het Frans, Latijn en Italiaans, alsook zijn Latijnse gedichten, zijn minder belangrijk, maar met zijn woordenboeken was Cornelius VAN KIEL ongetwijfeld een baanbreker.

Hij luidde voor het Nederlandse woordenboek een nieuw, modern tijdperk in, vooral omdat hij voor het eerst in een woordenboek de nadruk legde op de verklaring van de Nederlandse woordenschat. Dit deed hij zo goed, dat zijn werk nu nog altijd een onmisbaar hulpmiddel is voor onze kennis van het 16de-eeuwse Nederlands. Ook zijn invloed op de latere Nederlandse woordenboeken is groot geweest. Zo lezen we bijvoorbeeld nog in de inleiding op de laatste uitgave van VAN DALE, dat dit woordenboek, zoals de meeste dergelijke werken, aanknoopt ‘bij een lange traditie die voor het Nederlands teruggaat op het beroemde woordenboek van Cornelis VAN KIELE of KILIAAN dat ook de grondslag vormde van alle vertaalwoordenboeken die in die tijd werden vervaardigd.’

In het naschrift van het Prisma-woordenboek vinden wij: ‘Nog belangrijker was het boek van PLANTIJNS medewerker KILIAAN, het dictionarium van 1574, in 1599 herdrukt als ‘Etymologicum’, de eerste wetenschappelijke en systematische beschrijving van de woordenschat, waarin het Latijn alleen nog een verklarende functie heeft. Na KILIAAN zijn nog vele woordenboeken verschenen, maar alle ten dienste van het leren en verstaan van andere talen’.

Typisch voor KILIAAN is, dat hij de tekst van zijn woordenboek voortdurend opnieuw nazag, verbeterde en aanvulde. Niet alleen gebruikte hij verscheidene bronnen meer dan eens voor de opeenvolgende uitgaven van zijn woordenboek, maar ook één enkel artikel vulde hij telkens opnieuw weer aan uit één of meer bronnen. Dat hij voortdurend aantekeningen maakte, zien we bijvoorbeeld in verscheidene exemplaren van woordenboeken, die hij als bron gebruikte en die nu op het Plantijnmuseum in Antwerpen bewaard worden.

Wij beperken ons tot een commentaar van een beroemd tijdgenoot, de grote humanist JUSTUS LIPSIUS, betreffende het Etymologicum van 1599. Hij schreef in een brief aan KILIAAN: ‘We kunnen reeds getuigen van de eraan bestede ijver, mogen we ook de beloning voor het werk geven! We moeten het beschouwen als een nuttig werk, dat voor de gemeenschap meer nut zal opleveren dan de mooi schijnende, zelfs dan de goed bekend staande boeken van vele anderen.’

Aanvankelijk verrichtte KILIAAN zijn lexicografisch werk in opdracht van zijn werkgever PLANTIJN, naar diens richtlijnen en onder diens verantwoordelijkheid. Aldus stelde hij een viertalig Latijns-Grieks-Frans-Nederlands woordenboek samen, Dictionarium Tetra-Glotton dat in 1562 anoniem verscheen, en alleen de naam van de uitgever vermeldde. Van augustus of september 1563 tot september 1564 werkte KILIAAN aan de Nederlandse vertaling van een Latijns-Frans woordenboek van de Franse humanist en uitgever Robert ESTIENNE. Dit woordenboek, in Plantijns boekhouding Dictionarium Latino Gallico Germanicum genoemd, werd echter nooit gedrukt.

KILIAAN wilde echter ook een woordenboek samenstellen, dat meer aan zijn eigen opvattingen zou beantwoorden, dat hij naar eigen inzicht kon schikken en opbouwen. Met goedkeuring van PLANTIJN gaf hij zo, onder zijn eigen naam en verantwoordelijkheid, een Nederlands-Latijns woordenboek uit, het Dictionarium Teutonico-Latinum. De eerste uitgave van 1574 was nog vrij beknopt, het telde 232 bladzijden en was eenvoudig van uitzicht. In 1588 verscheen een tweede uitgave, meer dan driemaal zo omvangrijk als de eerste (ze telde nu 765 bladzijden). Nieuw en belangrijk voor de taalkunde was, dat hij bij een aantal woorden aangaf in welke streek ze gebruikt werden. Verder nam hij in deze uitgave ook etymologische verklaringen op. Hieraan hechtte hij zoveel belang, dat hij de derde uitgave van zijn woordenboek in 1599 Etymologicum Teutonicae Linguae, een etymologisch woordenboek van de Nederlandse taal noemde. In zijn inleiding op dit Etymologicum, schreef KILIAAN, dat hij in de eerste plaats de woorden had verzameld, die door de Brabanders werden gebruikt. Het Brabants kreeg bij KILIAAN de voorkeur, niet alleen, omdat het zijn eigen taal was, maar vooral omdat het hertogdom Brabant met steden als Antwerpen, Leuven, Mechelen en Brussel in KILIAANS tijd het politiek, economisch en cultureel centrum van de Nederlanden was.
Zonder overdrijving kunnen we zeggen dat het Etymologicum van KILIAAN een hoogtepunt betekende in de Europese lexicografie van zijn tijd. Het stond op een peil, dat voor de meeste Europese volkstalen pas veel later werd bereikt. In de l7de eeuw en tot in 1777 verschenen uitgaven van KILIAANS Etymologicum in Noord-Nederland o.a. te Alkmaar, Amsterdam, Middelburg en Utrecht.

Het Etymologicum is een standaardwerk, dat nu nog altijd door de taalkundigen in ons land en in het buitenland zeer gewaardeerd wordt.

KILIAANS samenwerking met PLANTIJN als vertaler was eveneens erg belangrijk. Reeds omstreeks 1563 kreeg hij van de meesterdrukker de opdracht om de ‘Synthaxis’ van Jan DE COSTER VAN BRECHT, later bekend als Joannes Custos BRECHTANUS, uit het Latijn in het Nederlands te vertalen. Jammer genoeg verscheen die vertaling nooit in druk en er is tot dusver ook geen spoor van teruggevonden. Bij PLANTIJN verschenen naderhand wel de vertalingen van de ‘Historie van Coninck Lodovick van Franckrijck den elfsten’ (1578) van Philippe DE COMMINES en van de ‘Vijftig Homiliën oft Verclaringhen’ van Vader Macarius DE EGYPTENAER (1580). KILIAAN werd eveneens de auteur van een uitstekende Nederlandse vertaling van GUICCIARDINI’s ‘Descrittione di Tutti i Paesi Bassi’ *. Dit werk verscheen postuum te Amsterdam in 1612.

Minder algemeen bekend is het feit, dat KILIAAN ook een vrij groot aantal Latijnse gedichten heeft nagelaten. Die klassieke, metrisch volmaakte, maar voor het overige tamelijk onbeduidende gedichten, werden door Max ROOSES, de eerste conservator van het PLANTIJN MORETUS museum in 1880 uitgegeven onder de oorspronkelijke titel: ‘Miscellaneorum Carminum Libri Duo’. ** Met gevoelige of persoonlijke, geinspireerde poësie hebben die verzen weinig te maken. Dit is de mening van ROOSES volgens wie KILIAANS verzen opvallen ‘door het gebrek aan al wat wij poësie noemen. Zij zijn meer het werk van een taalkundige dan van een dichter’.

Niet alleen door PLANTIJN en door diens opvolger J. MORETUS, maar ook door andere uitgevers werd ten andere herhaaldelijk beroep gedaan op de poëtische pen van KILIAAN, om Latijnse, berijmde onderschriften te leveren bij losse prenten of reeksen gravures.

* Beschrijving van gans de Nederlanden.
** Twee dichtbundels met gemengde poëzie.

c. Kiliaan ter Ere.

Lange tijd bestond er in onze gemeente weinig of geen belangstelling voor deze beroemde Duffelaar. Zo liet de dichter PRUDENS VAN DUYSE in 1845 in het tijdschrift ‘Het Taalverbond’ een gedicht verschijnen, dat niet erg vleiend was voor onze dorpsgenoten:

‘En Duffel, gij slaapt langer niet!
Den Meester van ons Taalgebied
Moet thans uw lofzang klimmen:
Hij speelde eens op Uw moederschoot
Ontwaak bij ‘t lettermorgenrood,
Beverwend onze kimmen
En dat Uw trotse vingen toon’
Op ‘t bronzen borstbeeld van Uw zoon!

Dit verwijt trof Duffel wel! Het was de prikkel, die een lange reeks van activiteiten om en rond KILIAAN deed losbarsten.

Reeds hetzelfde jaar dacht men aan de oprichting van een beeld. Voor 1861 kwam er echter geen schot in de zaak. In dat jaar boetseerde Constant JACOBS, oom van dokter JACOBS, een borstbeeld voor KILIAAN. Het was wel niet het verhoopte brons, maar plaaster kan eveneens kunstig zijn.

Constant JACOBS vervaardigde drie exemplaren van het beeld. Eén vond een plaats in het PLANTIJN-MORETUS museum te Antwerpen. Een tweede werd samen met het gemeentehuis in 1914 vernield. De familie JACOBS schonk hun eigen eerste exemplaar aan het gemeentebestuur, ter vervanging van het stukgeschoten beeld. Het bevindt zich nu in de raadzaal van het gemeentehuis.

Na een tijdje werden er grootsere plannen gesmeed. Er zou een standbeeld komen op het pleintje gevormd door de huidige Kerkstraat, Leopoldstraat en Kiliaanstraat, dus op de plaats, waar nu zijn borstbeeld prijkt.

Het zou een grootse schepping worden, zodat aannemer DEVERSEE, wiens huis achter dit kunstwerk stond, vreesde nog weinig zicht te hebben op de straat. Vermits hij een lange arm bezat, keek de gemeenteraad uit naar een andere plaats voor het standbeeld.

Hierdoor werden de plannen echter op de lange baan geschoven. Pieter Josephus DE CUYPER, een Antwerpse beeldhouwer, werd gelast een beeld te beitelen in witte steen en dit op ware grootte. De kostprijs bedroeg 3 000 fr.

Het standbeeld kreeg een plaats in het midden van de markt voor het vroegere gemeentehuis. Een kunstig smeedwerk hield hem in toom.

Op 8 mei 1882 werd het beeld door gouverneur PYCKE onthuld. Voorname genodigden schoven aan het banket met 16 gangen aan. De zondag daarop volgde er een groots muziekfeest, wat tien en twintig jaar later (8 mei 1892 en 8 mei 1902) herhaald werd. Het zilveren jubileum kreeg nog een uitgebreidere viering. Daarna werd het stiller rond KILIAAN.

Enkelen begonnen bezwaren tegen het beeld te opperen. Zo vond Pol DE MONT dat het beeld veel te klein was voor de grote verdienste van KILIAAN. Anderen vonden, dat onze beroemde dorpsgenoot in de weg stond voor het verkeer, de markten en de kermissen. Bij de vernieuwde aanleg van het Kerkplein in 1910 verhuisde KILIAAN naar daar, echter zonder ijzeren hek, maar met een tuintje.

Bij de beschieting van de gemeente in 1914, verloor KILIAAN zijn hoofd. Het standbeeld werd samen met het andere puin afgevoerd en kwam terecht in de school van de Zusters Norbertienen.

Het was aldaar dat Z.E.H. A. PUTTEMANS, directeur van het klooster, de resten van KILIAAN vond en er zich over ontfermde. Hij liet beeldhouwer JACOBS van Antwerpen het beeld herstellen en er een nieuw hoofd op plaatsen. Op een gemetseld voetstuk kreeg KILIAAN een rustige plaats in de tuin van het klooster.

Na de Eerste Wereldoorlog werd op aandringen van Dr. Maurits SABBE, letterkundige, met een deel van de aan Duffel toegekende oorlogsschade, een borstbeeld in wit marmer besteld bij de Antwerpse beeldhouwer F. CLAESSENS. Het werd opgericht op de plaats, waar men oorspronkelijk het standbeeld wou oprichten en waar het zich nu nog altijd bevindt. M. SABBE onthulde het beeld op 20 augustus 1920.

In 1929 werd de vierhonderdste verjaardag van KILIAANS geboorte gevierd. Op 23 juni werd aan het huis in de Kapelstraat 20, waar KILIAAN zijn jeugd doorbracht, een gedenkplaat onthuld. De tekst, van de hand van oud-archivaris E.H. E. DOM luidde als volgt:

‘Aan Cornelis VAN KIEL
Plantijn’s proeflezer
Om liefde, arbeid en verdienste
Voor eigen kostelijke taal
Wijdden zijn dorpsgenooten
Vierhonderd jaar na zijn geboorte
Ter stede waar hij woonde
Uit fiere dankbaarheid
Dezen gedenksteen. A° MCMXXIX’ *

In 1979 werd KILIAAN dan weer in het zonnetje gezet, o.a. met een academische zitting en een door oud-archivaris J. RESSELER in het bibliotheekcentrum opgezette KILIAAN lezing. Prof. Dr. A. KEERSMAEKERS en Dr. F. CLAES brachten een waardevolle studie over KILIAAN uit.

In 1982 kwam er dan een (voorlopig?) einde aan het reizen van KILIAANS standbeeld. Op initiatief van de Koninklijke Harmonie St.-Cecilia werd het beeld terug aan de gemeente geschonken en verkreeg het zijn huidige plaats aan de Hondiuslaan.

Zowel Antwerpen, als Duffel, bezit een Kiliaanstraat.

* A° = Anno = in het jaar 1929.

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu