D. Huisvesting - De Geschiedenis Van Duffel

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Duffel Nu 1900 - 1985
A. Woning van de burgerij.B. Grote hoeven.C. Kleine hoeven.
D. Arbeiderswoningen.E. Sociale woningbouw.F. Privé-woningbouw.

D. Huisvesting.

Woningen zijn steeds statussymbolen bij uitstek geweest. Ze toonden aan de voorbijgangers, dat wie erin woonden er warmpjes inzaten, of niet gegoed waren. Men kon dit aflezen aan tal van uiterlijkheden, zoals de straat of de wijk, waarin het huis gelegen was, de materialen, waaruit het was opgetrokken, de soort van bebouwing (in de rij, half open of open), de gevelbreedte en gevelversiering (aantal ramen, balkons enz...).
Rond de eeuwwisseling vond men bij ons een viertal types van woningen:
- burgerwoningen,
- hereboerderijen,
- kleine hoeven,
- arbeiderswoningen.

A. Woningen van de burgerij.

Einde negentiende eeuw bevonden de burgerwoningen zich in de belangrijkste straten van die tijd: rond het gemeentehuis en de Sint-Martinuskerk, in de Kiliaanstraat en de Handelsstraat. Men vindt nog verscheidene voorbeelden ervan in bovengenoemde straten. Ze werden bewoond door de bezittende klasse, zoals notarissen, dokters, industriëlen en succesrijke middenstanders o.a. brouwers en wisselagenten.
Hun liberale levensvisie uitte zich in een grote mengeling van bouwstijlen. De statige gevels met hoge, smalle ramen verraadden een smalle gang en ruime "voorplaatsen" met prachtig stukadoorswerk vooral aan de zolderingen. Nochtans beletten overvloedige gordijnen en overkappingen het licht binnen te dringen. Het interieur stond vol met veelsoortig meubilair, vaak waardeloze namaak van vroegere meubels uit paleizen en kastelen. Deze pronkkamers, waarin bezoekers werden ontvangen, zaten volgepropt met tafeltjes allerhande, een vitrinekast vol porseleinen kleinodiën en andere kostbare beeldjes of voorwerpen. De muren waren overladen met schilderijen en foto's van hun ouders. De verwarming gebeurde reeds met gietijzeren vulkachels en steenkool, de verlichting met gas.
Achter de eetkamer bevond zich de keuken, die zeer primitief was ingericht. Naast een gootsteen prijkte er een reuze rechthoekig fornuis met verscheidene afneembare deksels en evenveel braadovens.
Op de eerste verdieping bevonden zich de slaapkamers.
Van een behoorlijke wasgelegenheid, een bad, was nog geen sprake. Wel stond er in elke kamer een "lavabomeubel", een ladekast met marmerblad en grote spiegel, waarop een reuze stenen kom en een grote stenen kruik op de waslustige wachtten.
Op de tweede verdieping, die slechts een halve etage was, overnachtte het dienstpersoneel van de keuken en de schoonmaak. Buiten was er ook nog de romantische tuin met pergola en vijvertje.
Een schoolvoorbeeld van deze bouwtrant was het huis REYPENS in de Kiliaanstraat, dat in 1971 verdween. De bombardementen tijdens de Eerste Wereldoorlog legden haast al deze woningen in puin. Na de oorlog werden ze meestal met dezelfde indeling en voorgevel als voorheen heropgebouwd.
Na de jaren 1955 werden vooral de Gustaaf Van der Lindenlaan, de O.-L.-Vrouwlaan en het Moriaubos de begeerde vestigingsplaats van toonaangevende burgers.

B. De grote hoeven.

Onze gemeente bezit nog enkele grote, oude hoeven met hofgracht. Ze worden allen besproken in het volgende boekdeel. Ze waren vroeger en zijn nu nog toonaangevende landbouwuitbatingen. De Waarlooshoeve in het Senthout, de Roecxhoeve in de Klokkestraat en de grote Maltahoeve in de Maltahoevelei zijn hiervan schoolvoorbeelden.
Deze oude hoeven hebben een afzonderlijke, ruime schuur, gescheiden van woning en stallen. Deze schuur, waarin de wintervoorraden als hooi en stro werden opgeslagen, stonden parallel met het woonhuis. Tussen beide blokken lag een vierkante binnenkoer. Zo waren de Stormsschrans- en de Roecxhoeve vroeger in kwadraatvorm gebouwd. Doch de tijd heeft deze gebouwen niet gespaard. Zo bleef van de Stormsschrans in het Moriaubos nog maar één vleugel over en deze werd afgebroken op 14 september 1962. De Dijkstap(hoeve) heeft nu, zonder bijgebouwen, het uitzicht van een kasteeltje. Andere hoeven, zoals de Berkhoeve in de Hoogstraat, de Schaliehoeve in de Oude Liersebaan en de Segershoeve werden omgebouwd tot werkmanswoningen.

C. De Westnederfrankische boerderij.

Voor kleinere landbouwuitbatingen (met 1 á 2 ha grond) vonden we in Duffel de langgevelboerderij of Westnederfrankische hoeve, die in de Antwerpse en Limburgse Kempen sinds de zeventiende eeuw voorkomen. Woon- en bedrijfsruimten (stal en schuur) lagen onder één dak.
Zulke woningbouw was de doelmatigste en goedkoopste voor niet al te grote boerderijen op een niet al te vruchtbare grond. Ze vormden met de natuur als het ware één geheel. Het waren "zonnezoekers", wat betekende dat ze met de voorgevel zoveel mogelijk naar het zuiden gericht waren. Binnen was de bodem van (gestampt) leem. Een open haard met brede, naar boven toelopende rookvang, was het middelpunt van het woonhuis. Deze woonplaats noemde men het "hoës" of woonplaats.
Naast de achterdeur was de "moos" waar de afwas werd gedaan. Meestal was er in deze zitkamer een toegang tot de kelder en de kelderkamer, alsook een deur naar de "kamer", die gewoonlijk extra bijgebouwd was, waar boer en boerin sliepen, en waar men bij wintertijd woonde, omdat er geen buitendeuren waren. Tegenover de haard bevond zich een deur die toegang gaf tot de stal, en naast deze deur een "mizeriegat" of venstertje waarvoor 's avonds het smoutlampje kon gezet worden, om daarvan het licht te kunnen benutten én in huis én in de stal. De stal had ook een buitendeur. Het was een potstal of diepe stal, waar de dieren immer hoger en hoger op hun mest kwamen te staan door ze steeds met vers strooisel droog te zetten. Wanneer de dieren te hoog stonden, werden ze “lager gezet” door de stal uit te mesten. Verlichting en verluchting lieten in deze stallen veel te wensen over. In de onmiddellijke nabijheid, of aangebouwd, stond een "karkot". Buiten stond het "gemak" of "huisken", zeer dikwijls zonder of met halve deur. Voor of achter het huis lag de "bornput" met houten kuip en "sikse" of zwik.
Rond de eeuwwisseling - de tijden waren toen reeds erg verbeterd - begon men de Kempische hoeve in baksteen te bouwen.
Het grondplan bleef behouden, maar toch veranderde er één en ander. De bakoven verhuisde naar een afzonderlijk bakhuis. De open haard werd vervangen door een kolenkachel (de Leuvense stoof), de opkamer en de kelder verloren hun typische toegang (valdeur naar de kelder en tegelijkertijd trap naar boven), omdat het niveauverschil tussen kelder, gelijkvloers en verdieping groter werd, en de pomp werd ingevoerd, zodat de waterput op het erf verdween.
De potstal werd, om hygiënische reden opgehoogd en vervangen door een bakstenen ligbed. De mesthoop verhuisde buiten de stal. Na de Eerste Wereldoorlog schakelden vele landbouwers gedeeltelijk over op tuinbouw. Ze bouwden aan hun landbouwwoningen een gevelserre, die dienst deed als kweekruimte voor hun plantgoed. Degelijke woningen vindt men alleen in Duffel en St.-Katelijne-Waver. Ze blijven typische exemplaren van de gemengde bedrijfjes.

D. Arbeiderswoning.

In de dorpskom bouwde men de arbeiderswoningen. Het waren meestal huurwoningen door privé-initiatief gezet. Een voorbeeld hiervan vinden we in het begin van de Hoogstraat, de huizen van PLOEGAERTS genoemd. Ze waren een kopie van de burgerwoning. Er was altijd een gang en een kleine voorkamer of "salon", waarin een paar zetels stonden, die nooit werden gebruikt. De burgerij bezat zo'n salon in 't groot en dus aapte de kleine man dat achterna. Hierdoor verkleinde zijn al beperkte ruimte nog meer. In de gang leidde een trap naar de slaapkamers. Achter de "voorplaats" lag de woonkamer, die meestal ook als keuken diende. Daar stond de Leuvense kachel, die zowel voor de verwarming als voor het koken werd gebruikt. Bijna alle woningen hadden in 1930 elektriciteit, maar stromend water kwam later. Pas in de jaren '50 werd het aanrecht in blauwe arduin met een pomp vervangen door kraantjes met leidingwater. Toen begon ook ons gemeentebestuur, gesteund door de maatschappij van Volkswoningen, een grootse krotwoningenactie.

E. De sociale woningbouw.

De Eerste Wereldoorlog liet een ware puinhoop achter. De woningnood was groot. Het Albertfonds lenigde de ergste nood en bouwde op verscheidene plaatsen in de Oostkant houten, geprefabriceerde "barakskes". In 1921 startte "de Maatschappij van Volkswoningen van Duffel". * Ze leverde reeds bij de aanvang prima werk, ook al beperkten strenge voorschriften prijs en oppervlakte van de te bouwen woningen, toch bracht ze weldra nieuwe begrippen bij als een badkamer, een W.C. met waterspoeling, een zit- en eethoek en een aparte keuken.

Lijst van volkswoningen te Duffel (1923- 1984)

192334 w Ganzenkoor
192920 w Vlakveld
193048 w wijk "De Meester"
19309 w Provinciestraat
193125 w Kruisstraat
193249 w wijk "Reypens"
195152 w Hogevelden
195332 w Lintsesteenweg
195534 w Hogevelden
195510 w Standplaats
195610 w Muggenberg
195735 w Bruggelanden
196010 w Bruggelanden
196221 w Bruggelanden
19632 w Arkelstraat
196826 w Mijlstraat
197048 a Res. Cardijn (Dr. jacobsstraat)
197158 w Kat. Steenweg + Acacialei
197730 a Res. Perwijs (Kat. Steenweg)
197896 w wijk "Rechtstraat

straten - Vierbunderstraat
           - Beekaardstraat
           - Zeelstraat
           - Leistraat
           - Vlasputten
1982
56 w
 Arenbergstraat
198430 w Berkhoevelaan + Acacialei
19848 w Veldstraat (aan J. Reypensstraat)
* De coöperatieve vennootschap "Volkswoningen van Duffel" werd op 28 november 1921 gesticht onder impuls van gezagdragers uit de openbare besturen en enkel sociaal vooruitstrevende burgers met het doel woningen te bouwen voor arbeiders en bedienden; deze woningen te verhuren en desgevallend te verkopen.
De "Volkswoningen van Duffel" groeide weldra uit tot een gewestelijke bouwmaatschappij en heeft naast de gemeente Duffel, ook de gemeenten Walem, St.-Katelijne Waver en Onze Lieve Vrouw Waver in haar actiestraal opgenomen. Zij werd door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting aangenomen en werkt dus onder haar toezicht.

F. De privé-woningbouwen.

Stedebouwkundige voorschriften, plannen van aanleg en de officiële erkenning van het beroep van architect leidden de wildgroei van de woningbouw in goede banen.
Onbewust ging de privé-bouw bij de maatschappijen voor volkswoningen in de leer. Na de Tweede Wereldoorlog zou de bouwpremie van de wet-De Taeye de grote stimulans voor de woningbouw worden. Tussen 1955 en 1975 beleefde deze sector gouden tijden. Nieuwe bouwmethoden (prefab) en materialen (aluminium, plastiek, uitheems hout en snelbouw) vonden er hun toepassing.
De moderne architectuur goochelt met beton en glas. Dat ons wooncomfort er fel op vooruitgegaan is, mag blijken uit onderstaande tabel :

1. Woningcomfort (volkstelling 1981):

Elektriciteit99,9 %
Stromend water98,5 %
W.C. met waterspoeling79,9 %
Teledistributie82,0 %
Badkamer of stortbad79,7 %
Centrale verwarming52,5 %
Keuken van minstens 4 m²88,9 %
Geïsoleerde woning36,0 %
Telefoon55,2 %
Personenwagen69,9 %
grond minimum 50 m²67,0 %
2. Bouwjaar van de woningen:

vóór 1919:        901  woningen
1919-1945:    1200
1946-1961:      965
1962-1970:      864
1971-1975:      434
1976-1981:      550
onbekend:           4

Verbouwde woningen sinds 1971: 442.


3. Aantal woningen bewoond door eigenaar of huurder.
EigenaarHuurderAantalBewoners
Huis
Appartement
2911
242
1208
556
4119
798
12144
1704
Totaal31531764491713848

4. Woningpark.



Aantal
Woningen
Woning in boerderij *
woning in handels- of
nijverheidsgebouw **
Andere bewoonde ruimte
Onbekend
4676
118

121
2
1
Totaal4918
* Een gebouw, waarvan een gedeelte bestemd is voor landbouw- of tuinbouwdoeleinden.
** Een gebouw hoofdzakelijk bestemd voor handels-, nijverheids-, administratieve of andere doeleinden.

 
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu