In Duffel 2 - De Geschiedenis Van Duffel

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Warm Ingeduffeld
1. De Leefwereld Van Weleer.2. Beroemde Duffelaars.
3. De Heren Van Duffel.4. In De Schaduw van trotse Kastelen.

1. DE LEEFWERELD VAN WELEER.

De families van drossaards en schouten bewoonden te Duffel statige herenhuizen o.a. huis De Pelicaen. Het hoorde toe aan Karel VAN TOLHUYSEN, drossaard-schout van geheel Duffel (+ 1607). Dit herenhuis stond destijds beter bekend als huize REYPENS, zo genoemd naar Martinus Josephus REYPENS, geneesheer en burgemeester van Duffel, die in 1832 deze woonst aankocht. De laatste eigenaar was de gemeente Duffel die het inrichtte als (voorlopig) cultureel centrum en in het bijgebouw de gemeentelijke schrijnwerkerij onderbracht. Het huis verdween bij de aanleg van de Hondiuslaan in 1971.

In de schaduw van de herenhuizen stonden de schamele woningen van de ambachtslieden en de laaggehurkte hoeven van het landvolk. Waren de pronkkamers van de elite voorzien van rijke, geraffineerde meubilering, de muren bekleed met goudleder of fraaie faïence tegels, dan treft ons aan de andere kant van de sociale ladder het sjofele interieur van de kleine man. Zijn woonst was nauwelijks bemeubeld en ook keuken- en tafelgerei was schaars: naast tinnen of aarden borden, enkel lepels en kroezen. Men dronk toen niet uit glas, maar uit tinnen of aardewerkpotten.

Ondervoeding of éénzijdige voeding (tekort aan vitaminen) leidde bij de arme bevolkingslagen tot huidziekten waaronder melaatsheid. Geen enkele gesel maakte echter meer indruk op onze voorouders dan de pest. Zij woedde te Duffel in 1515, 1571, van 1625 tot 1637 en in 1665-66. In 1625 voorzagen de wethouders in de aanstelling van een pestmeester: Balthazar Strijtberghen, chirurgijn te Antwerpen. Ook werden bepaalde voorzorgsmaatregelen getroffen hetzij in de vorm van een quarantaine of door de besmette straten en wijken zo goed mogelijk af te sluiten. Ook lepra-lijders werden afgezonderd: in lazernijen waar zij door de Tafel van de H.-Geest (de voorloper van onze OCMW) een huisvesting kregen toegewezen. Duffel had meerdere Lazarushuisjes. Een concilie in 1179 gebood dat in elke gemeenschap, waar het de leprozen verboden was om in de kerk te komen, op de lazernij zelf een kapel, kerkhof en priester te voorzien. Vandaar wellicht de nog bestaande struktuur te Rumst: een kapel met ernaast een woning, losstaande van de leprozenwoningen, waar de priester kon verblijven. In de 17de eeuw verdween de melaatsheid haast volledig in onze streken. Jaarlijks op 15 augustus trekt men in Rumst nog op bedevaart naar de Lazaruskapel, om er genezing af te smeken van huidziekten.


Vondsten. In 1982 werden, bij het blootleggen van de ronde zandstenen waterput op de binnen koer van kasteel Ter Elst, enkele zestiende-eeuwse tinnen voorwerpen ontdekt: een teljoor, een pap- of oorkom en een lepel. Het bord heeft een diameter van 21,6 cm en is voorzien van een opstaand randje en twee tinmerken. Het eerste tinmerk is het Lierse stadsmerk en het tweede stelt een gekroonde hamer voor waaronder een geknielde engel is aangebracht. De oor- of papkom heeft twee vertikaal aangebrachte ringvormige oren. De hoogte bedraagt 5,7 cm en de diameter 15,5 cm. Volgens het tinmerk moet deze kom afkomstig zijn van Mechelen. De lepel, lengte 19 cm, heeft een ruitvormige steel en amandelvormige bak.

Een andere merkwaardige vondst, maar van veel vroegere datum, is de Duffelse Hanzeschotel. Ze werd in 1938 uit de oude bedding van de Nete opgevist, ter hoogte van onze huidige industriezone. Deze komvormige schaal heeft een doorsnede van 32,5 cm en is 10 cm diep. Ze is waarschijnlijk gegoten uit een zinkhoudende bronslegering. De versiering bestaat uit een fries van zes medaillons langs de wand, en een iets grotere ronde afbeelding in het midden van de bodem. De parabel van de barmhartige Samaritaan volgens het evangelie van de H.-Lucas wordt erop afgebeeld. Rond elk medaillon is een Latijnse tekst aangebracht die de afbeelding nog benadrukt. Vermoedelijk dateert de schotel uit 1175, en werd ze vervaardigd in het Midden-Rijn-gebied (nabij Keulen).

2. BEROEMDE DUFFELAARS.

KILIAAN (ca. 1528-1607) werd geboren in het hof Den Draeck, gelegen tegenover de huidige café De Post in de Handelsstraat. Van zijn vier jaar af groeide hij op in de Kapelstraat, op de plaats waar de gedenksteen is aangebracht (huis VERHELST). Hij heette in feite Cornelis ABTS, maar werd VAN KIEL genoemd. Deze bijnaam is af te leiden van zijn geboorteplaats bij de kiel of aanlegplaats bij de Nete. Cornelis VAN KIEL staat ingeschreven op de rollen van de Leuvense universiteit en wordt in de kerkregisters van Duffel vermeld als doctor in de wijsbegeerte. Na zijn studies treedt hij in dienst bij Christoffel PLANTIJN als zetter en drukker. Maart 1558 wordt hij benoemd tot meesterknecht met toezicht op het drukkersmateriaal. Vanaf dat moment gaat hij bij PLANTIJN inwonen. Twee jaar later wordt hij belast met de vertaling van een aantal woordenboeken en in juni 1565 bevorderd tot corrector of proeflezer. Steeds meer gaat hij zich toeleggen op vertalingsopdrachten voor de openbare besturen. Hij verlaat PLANTIJN en verhuist naar Lier. Daar trouwt hij in 1580 met Marie BOSMANS. Het gezin krijgt drie dochters. In 1582 gaat KILIAAN terug deeltijds werken op de drukkerij en in 1586, kort voor de dood van zijn vrouw, gaat hij weer inwonen bij PLANTIJN. Vanaf 1588 krijgt KILIAAN last met het pachtgeld dat hij zou moeten ontvangen van zijn gronden, wegens de slechte tijd toen. Daarom moet hij heel wat eigendommen verkopen in het begin van de jaren 1590. Toch blijft hij tot het einde van zijn leven welgesteld, hetgeen blijkt uit zijn nalatenschap. Vanwege een aanslepende ziekte neemt KILIAAN in 1604 ontslag bij de Plantijnse drukkerij, die na de dood van PLANTIJN in 1589 was overgegaan in handen van diens schoonzoon Jan MORETUS I. In 1607 overleed KILIAAN. Hij werd begraven op het kerkhof van de O.-L.-Vrouwkerk te Antwerpen.

KILIAAN is een begrip op gebied van het Nederlands woordenboek. Zijn andere werken, vertalingen uit het Frans, Latijn en Italiaans, alsook zijn Latijnse gedichten, zijn minder belangrijk, maar met zijn woordenboeken was hij ongetwijfeld een baanbreker. Onsterfelijke beroemdheid verwierf hij met zijn woordenboek: Etymologicum der Dietse Taal, een standaardwerk dat nu nog altijd door de taalkundigen in ons land en in het buitenland zeer gewaardeerd wordt.

Het standbeeld van KILIAAN heeft heel wat omzwervingen gekend. In 1882 kreeg het een plaats in het midden van de markt voor het vroegere gemeentehuis. Bij de vernieuwde aanleg van het Kerkplein in 1910 verhuisde het standbeeld naar daar. Bij de beschieting van Duffel in 1914, verloor KILIAAN zijn hoofd. Het beeld werd samen met het andere puin afgevoerd en kwam tenslotte, na herstelling, terecht in de tuin van het klooster. In 1982 kwam er dan een (voorlopig?) einde aan het reizen van KILIAANS standbeeld en verkreeg het zijn huidige plaats aan de Hondiuslaan. Op het pleintje gevormd door de Kerkstraat, Leopoldstraat en Kiliaanstraat werd in 1920 een borstbeeld van KILIAAN geplaatst.

Hendrik DE HONDT (HONDlUS) was de zoon van Willem DE HONDT die van 1567 tot 1571 in het oude in 1985 afgebroken schooltje achter de St.-Martinuskerk onderwees! Op 9 juni 1573 (volgens sommigen 1576) werd hij in Duffel geboren. Hij verbleef achtereenvolgens te Mechelen, te Brussel en te Antwerpen, en na korte oponthouden te Keulen, Parijs en Londen vestigde hij zich uiteindelijk in Den Haag, waar hij op 24-jarige leeftijd trouwde. De omzwervingen van HONDIUS gebeurden onder druk van de godsdiensttroebelen van toen. Hij staat bekend als een vermaard plaatsnijder, tekenaar en mathematicus, zeer bedreven in de bouwkunst en het leggen van versterkingen.

Het zelfportret van HONDlUS werd opgenomen in het prachtige platenboek van Jan MEYSSENS, dat in 1649 in Antwerpen uitgegeven werd. Van de hand van HONDlUS zijn overbekend de reeks van 90 platen, die het werk van Samuel MAROLOIS over het perspectief illustreren, alsmede de 68 portretten van Vlaamse schilders en de door hem geëtste tekeningen van Pieter BREUGEL de Oude. Op het gebied van het perspectief en de bouwkunde schreef hij een boek onder de titel 'Onderwijsinge in de Perspective Conste' (1622). In Den Haag gaf hij les aan de dichter Constantijn HUYGHENS. Hij werd er ook deken van de St.-Lucasgilde in 1637. Hij overleed in 1648 of 1650.
3. DE HEREN VAN DUFFEL.

De leenroerigheid gaf in de Middeleeuwen aanleiding tot het ontstaan van drie Duffels die niet alleen leenroerig maar ook administratief en juridisch volkomen gescheiden waren. Het waren: Duffel-Perwijs, Duffel-Voogdij en Duffel-Hoogheid. Perwijs en Voogdij lagen geheel op de linkeroever van de Nete. Ruw geschat, liep de grens tussen beide in de huidige Handelsstraat, Kapelstraat (tot aan het Kapmes), Perwijsstraat en Katelijnsesteenweg. Duffel-Hoogheid lag op de rechteroever, uitgezonderd het gehucht Keizer (= Lintseheide, Schenkelgat, Beukheuvel).

De drie Duffels werden in de loop der tijden oppermachtig geregeerd door een reeks heren uit allerlei aristocratische families. Vooreerst waren er de BERTHOUTS. Zij waren van oudsher de bezitters van de rechten op Duffel-Perwijs en kochten de rechteroever af van de HILDINCKHUSENS. Door huwelijk van Katharina BERHOUT met Diederik VAN HOORN, ging Perwijs over in het huis VAN HOORN. Diederik VAN HOORN was heer van Perwez. Dit Waalse Perwez ligt aan de grondslag aan het woord Perwijs.

Door huwelijk, of bij vonnis, gingen ook de rechten op Duffel-Hoogheid over in verschillende families. Bij testament van 6 september 1462 gaf Jan II VAN WESEMAEL, die geen erfgenamen had, Duffel-rechteroever terug aan zijn leenheer, de soeverein van die tijd: Karel DE STOUTE, Hertog van Bourgondië. Vandaar de naam Hoogheid.

Duffel-Voogdij hoorde in vroegere tijden toe aan de abdij van Nijvel. De abdis liet het besturen door aangestelde voogden: de benaming Voogdij herinnert aan deze ambtsbevoegdheid.

In 1571 wist Willem III VAN MERODEVUELEN de drie Duffelse rechtsgebieden in zijn hand te verenigen en werd aldus de eerste heer van geheel Duffel. De drie Duffels bleven onder de MERODES tot de Franse Revolutie een einde maakte aan alle heerlijke rechten.

De Duffelse heren lieten hun belangen behartigen door de plaatselijke magistratuur. De schout of drossaard was de hoogste ambtenaar en eerste vertegenwoordiger van de dorpsheer. De eigenlijke wethouders noemde men schepenen. Op verzoek van de drossaard-schout hielden zij rechtspraak, legden de plaatselijke wetten vast en regelden zij de dorpszaken. Voor hen geschiedden alle verkopingen, overeenkomsten, beslagleggingen, vereffeningen, enz. De drie Duffels bezaten ieder hun eigen schepenen, samen een vijftiental. Voogdij had recht op zeven schepenen, zoveel als de twee andere Duffels samen. Iedere schepenbank had zijn eigen zegel. Recht werd gesproken in het openbaar. Daartoe zette de schepenbank haar vierschaar of dingbank in open lucht. De vierschaar van Perwijs had een dingbank aan de Zandmolen. De dingbank van Voogdij bevond zich op de Graanmarkt (voor het huidige rustoord). Daar stond ook een schandpaal of kaak. De vergaderplaats van de vierschaar van Hoogheid wordt zelden vermeld. De Duffelse dorpsheren hadden de hoge rechtsmacht en konden voor grote misdrijven de doodstraf uitspreken. Vandaar de drie dorpsgalgen. Deze van Duffel-Hoogheid stond op de Liersesteenweg, nabij de Locht. De galg van Voogdij was opgesteld op de Hoogstraat (einde van de Enkelstraat). Perwijs had zijn opknooppaal aan de Mechelsebaan, nabij de Goorbosbeek.


Bemortel. Deze burcht op het grondgebied van St.-Katelijne-Waver nabij de grens met Duffel langs de Duffelse Steenweg, wordt volgens sommige historici beschouwd als de hoofdzetel van de Duffelse BERTHOUTS; later hoorde ze toe aan de VAN HOORNS. De oppervlakte binnen de hofgrachten bedroeg meer dan 5 ha. Daarop prijkte een uitgebreid gebouwencomplex met een zware vierkanten toren. De oudste vermelding van de Bemortel dateert van 1296. Tussen 1415-1570 en 1607-1703 verbleef de drossaard van Perwijs er en vergaderde hij daar met zijn schepenen. Het kwam ook tijdelijk in de handen van de Markiezen van Deinze, die het als speelhof inrichtten. Tussen 1778 en 1819 viel het kasteel in puin. Uiteindelijk werd het gesloopt en dwars over het verdwenen kasteel werd de huidige Bemortelweg aangelegd.


De Archeologische Vereniging Oud Mechelen verricht al jaren opgravingen op het terrein Bemortel. Allerhande schotels, kruiken, kommen, vuurstolpen en steelpannetjes uit rood en blauw-grijs aardewerk, bijlen, puthaken, katrollen en voetboeien uit ijzer, bronzen kandelaars en koperen kranen, glaswerk e.a. vondsten werden daarbij aan de oppervlakte gebracht.
De meeste voorwerpen dateren uit de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw.
4. IN DE SCHADUW VAN TROTSE KASTELEN.

De rijke adellijke geslachten bouwden hun kastelen en de abdijen die zij begiftigden, waar ze gemakkelijk te verdedigen waren. Zodoende vinden wij het kasteel van Eekhoven (Rumst), de abdij Rozendaal (St.-Katelijne- Waver), de kastelen Ter Elst en Muggenberg (Duffel), en het Beffershof en het kasteel van Anderstad (Lier) te midden van het drassig land aan de boorden van de Nete.

Ter Elst. Het enige houvast omtrent de prilste oorsprong van het kasteel vormt het charter 173 bis uit het archief van de abdij van Tongerlo. Het dateert uit 1271, en gaat over een gezagstwist tussen Wouter VAN SOTTEGEM, heer van Ter Elst, en de Mechelse BERTHOUTS. Aanduidingen in de tekst suggereren dat de oorsprong van het kasteel teruggaat naar de periode waarin de voorouders leefden van de vier gebroeders HILDINCKHUSEN, m.a.w. de elfde eeuw.

Tot in de veertiende eeuw bleef Ter Elst in het bezit van de HILDINCKHUSENS of Duffelse VAN SOTTEGEMS. Daarna ging de heerlijkheid over naar de families VAN LEEFDAAL en VAN IMMERSEEL. Van deze kocht Wouter BACK, prelaat van Tongerlo, het kasteel in 1356. Het kasteel diende ofwel als pastorie ofwel als verblijf voor de abten bij hun reizen. De huidige gerestaureerde overblijfselen behoren tot een verbouwing op het einde der vijftiende en begin der zestiende eeuw. Dat was de bloeitijd van Ter Elst. In die tijd bood het meermaals een rustige verblijfplaats aan de landvorsten: Margaretha VAN YORK, Philips DE SCHONE, Margaretha VAN OOSTENRIJK en KAREL V hebben er geresideerd. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog was het een toevluchtsoord voor de priesters uit het omliggende. Het bleef pastorie tot aan de Franse omwenteling. Dan werd het aangeslagen en als zwart goed verbeurd verklaard. De familie HERMANS kocht het kasteel van de Franse Republiek en verkocht het op zijn beurt, in 1879, aan Jan Camille FUNCKE, die er een steenbakkerij opstartte. De eerste Wereldoorlog betekende de doodsteek voor Ter Elst. Het kasteel werd tijdens vijandelijke beschietingen zwaar beschadigd en takelde met de jaren af tot een ruïne, die in de zeventiger jaren werd gerestaureerd.

Muggenberg en Rooienberg. Voor zover bekend, was de familie BAUW de eerste eigenaar van beide kastelen. Door huwelijk van Katharina BAUW met WILLEM II, heer van Duffel-Voogdij, gingen Muggenberg en Rooienberg als bruidschat over in het huis van MERODE-VUELEN en later naar de markiezen van Deinze. Muggenberg is steeds in handen van de markiezen gebleven, uitgezonderd de jaren 1773-1775, toen graaf DE PESTRE eigenaar was. Slechts de vier eerste markiezen hebben tot 1679 het kasteel regelmatig bewoond; daarna verhuurden zij Muggenberg. De huurders, zowel als de markiezen, hebben het onherstelbaar laten vervallen. Nadat de laatste bewoner, Bartholomeus BAUR, rentmeester van MERODE en vrederechter te Duffel in 1821 stierf, werd het kasteel gesloopt. Enkel de romaanse poort van de kasteelhoeve, de hovenierswoning en de stalling bleven over. Deze laatste getuigen van het slot van de families BAUW en MERODE vielen onder de slopershamer in 1970 bij het aanleggen van de Hondiuslaan. Wat de goederen van Rooienberg betreft, die gingen over naar de Duitse familie VAN ARENBERG, door huwelijk van Gravin Maria Ghislena VAN MERODE met Antoon, prins en hertog VAN ARENBERG. In 1918 werden de bezittingen van de ARENBERGS door het sekwester verkocht. Wat men nu nog de Rooienberghoeve noemt, is nog slechts een gedeelte van het vroegere kasteel, dat uit verscheidene vleugels bestond.

Kenmerkend voor het Duffels dorpssilhouet van weleer waren de windmolens. Eertijds waren te Duffel vijf windmolens in bedrijf. De molen van Tongerlo, ook 'den Grooten Duffelaar' genoemd, stond ter hoogte van de huidige watertoren. Hij maalde voor rekening van de prelaat van Tongerlo, de eigenaar. Zijn tegenhanger was de molen van de markies: de Zandmolen of Perwijsmolen, in het begin van de Mechelsebaan. In de nabijheid van de Zandmolen stond tot 1957 ook het bareelhuis of 'den barrière', waar wegentol werd geheven. De Stenen Molen stond tussen de Dr. Jacobsstraat en de Voogdijstraat; hij was privébezit. In de Mijlstraat werd in 1842 door J .F. WIJNS een molen heropgebouwd, die afkomstig was uit Heffen. Men noemde hem de Slijkmolen, of Schorshaegenmolen. Volgens oude kronieken zou de vijfde molen op het einde van de Binnenweg gestaan hebben, maar daarover is verder niets geweten.
Sommige vooraanstaande families bezaten te Duffel een huis van plaisantie, d.i. een speelhuis of buitenverblijf. Een voorbeeld hiervan is de Dijkstap of Clercqshoeve, gebouwd in de zestiende eeuwen gelegen in de Mechelsebaan, juist voorbij de viadukt.

Tenslotte brengen wij in gedachte een reeks oude huisjes uit de wereld van onze voorouders zoals 'De Klinke' (Voogdijstraat), 'de Acht Zaligheden' (Dr. Jacobsstraat), e.a. huisjes in de Schoolstraat en de Rooienberg. Zij leven nog alleen voort in de overlevering en in de herinnering van onze oudere Duffelaars. Nog bewaard (maar aan 't verkrotten!) is de Grote Roskam, langs de oude baan naar Lier. Deze afspanning dateert van 1640, en is heden één van de oudste gebouwen van Duffel.

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu