Van Kerk tot Kapel - De Geschiedenis Van Duffel

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Warm Ingeduffeld
1. Kerk O.-L.-Vrouw van Goedewil.2. Kapelbouw.
3. Van Kerk tot Kapel.4. Bevinding.

1. KERK O.-L.-VROUW van GOEDE WIL.

De Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Goede Wil is erg rijk aan kunstschatten.

De stijl van de meeste kunstwerken is barok, de majestueuze kunstvorm die de triomferende katholieke kerk verheerlijkte in de zeventiende eeuw.

Het schilderij van het hoofdaltaar werd door Thomas WILLEBOIRTS (genaamd BOSSCHAERTS) uit Antwerpen in 1653 vervaardigd. Hij was een van de vele medewerkers van Pieter Paul Rubens. Het thema van het schilderij is de hemelvaart van Onze-Lieve-Vrouw. De kostprijs was 600 gulden, die na de dood van de kunstenaar betaald werden aan zijn zuster. In 1910 werd zij door A. VAN POECK voor de eerste maal gerestaureerd, en in 1985 gebeurde dit opnieuw door P. SCHENCK, die ook de andere schilderijen onder handen nam.

De makers van het altaar zelf zijn H. en N. VAN DEN EYNDE (vader en zoon) uit Antwerpen. De opdrachtgever voor de bouw van het altaar was prelaat WICHMANS.

Van 1653 tot 1854 was de altaartafel zelf uit metselwerk vervaardigd en werd het getooid met twee antependia. De hedendaagse tombe dateert uit 1854 en werd door J.J. ROSSEAUX uit Antwerpen vervaardigd voor de prijs van 1727 frank.

Bij nader inzien blijkt dat de afwerking rond het tabernakel een verkleinde kopie is van het volledige altaar. De omlijsting is in zwart marmer en 'schildpad'.

Het schilderij van het rechter zijaltaar, is van de Vlaamse School en meer bepaald van de leerlingen van RUBENS. Het heeft als thema het mystiek huwelijk van de heilige HERMAN JOZEF VAN STEINFELD met Onze-Lieve-Vrouw.

De maker van het altaar is Hendrik VERBRUGGHEN uit Antwerpen die het in 1783 vervaardigde samen met het linker zijaltaar. Het voor beide altaren gebruikte materiaal is olm.

Het schilderij van het linker zijaltaar stelt Onze-Lieve-Vrouw voor die de scapulier overhandigt aan de heilige NORBERTUS VAN PREMONTRE, terwijl de heilige AUGUSTINUS hem de regels van de orde voorhoudt.

Vanaf het begin bezat de kapel vier biechtstoelen, die waarschijnlijk door P. DE KEUCKELAER uit Mechelen in 1653 vervaardigd werden. Twee biechtstoelen werden reeds in 1681 vervangen.

De grote, oude biechtstoelen zijn vrij allegorisch, de kleine, nieuwe biechtstoelen zijn ietwat romantisch.

Het glasraam werd in 1952 door de Duffelse glazenier J. WOUTERS aan de kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Goede Wil geschonken. Het werd op 3 februari 1952 door de hulpbisschop van Mechelen, monsigneur DE SMEDT, gewijd.

In mei 1943 plaatste de Duffelse firma STEVENS het nieuwe orgel, dat op 6 juni 1943 door de deken van Lier, BERCHMANS, ingewijd werd.

Wij stellen dat de communiebank het mooiste stuk houtwerk is dat zich in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Goede wil bevindt. De maker is officieel niet bekend. Het dateert uit 1682-1683 en het is bijgevolg redelijk om aan te nemen dat J. PEETERS, die de kleine biechtstoelen vervaardigde, ook dit houtsnijwerk voor zijn rekening nam.

Zij werd geschonken door de zusters VAN LANSCHOT, wier wapenschild in het midden prijkt. De twee zijpanelen van de communiebank doen nu als onderstel voor de nieuwe altaartafel dienst.

De uitgebreide collectie zilverwerk toont de enorme rijkdom van het heiligdom aan. Vooral het feit dat er heel wat zilver verwerkt werd in profane kunstwerken, zoals in bloemenvazen, is toonaangevend.

Ook de liturgische gewaden zijn erg rijkelijk.

Vele genezingen en mirakels worden aan het wonderbaarlijk beeldje van Onze-Lieve-Vrouw van Goede Wil toegeschreven. Het onderscheid tussen een genezing en een mirakel, ligt in de erkenning van de genezing als mirakel door de geestelijke overheid na grondig onderzoek van de feiten door deze overheid zelf en een medisch team.

In het totaal werden veertien wonderbaarlijke genezingen tot mirakel uitgeroepen.

Alle mirakels werden op het zwaar geborduurde processiebanier uit de negentiende eeuw weergegeven. Sommige van deze mirakels werden ook op schilderijen voorgesteld. Deze schilderijen werden tijdens de vorige jaren door P. SCHENCK gerestaureerd.

Naast de veertien mirakels vermeldt E.H. DOM nog 110 wonderbare genezingen die niet aan het kerkelijk gezag onderworpen werden en waarover dus geen uitspraak gedaan is. Betrouwbare getuigen laten echter toe deze genezingen aan de voorspraak van Onze-Lieve-Vrouw van Goede Wil toe te schrijven. Getuigen van de vele genezingen zijn de tientallen exvoto's.

De geschiedenis van O.-L.-Vrouw van Goede Wil werd zesmaal geschreven:

- door Augustinus WICHMANS, prelaat van Tongerlo (ca. 1640);
- door Philippus VAN HOESWINCKEL, pastoor te Duffel (1638-1673);
- door Gerardus VAN HERDEGOM, Norbertijn van Tongerlo (1650);
- door Norbertus MA TTENS, aalmoezenier van de kapel (1771);
- door L. JANSSENS, pastoor van Walem (1869);
- door Evarist DOM, priester-archivaris te Duffel (1936).

Interessant en belangrijk voor de volkskunde, zijn ook de oude medailles, prentjes en bedevaartvaantjes die aan O.-L.-Vrouw van Goede Wil zijn toegewijd.

2. KAPELBOUW

Omwille van de grote volkstoeloop na de vinding besloot Floris VAN MERODE, markies van Deinze en baron van Duffel, in september 1637, tot de bouw van een houten kapel, die hij daarenboven zelf betaalde (totale prijs 200 gulden). Het bovenste deel van de wilg werd afgezaagd, want hij bevond zich volledig in de kapel.

Op 23 maart 1637 verkreeg men van Gaspar NEMIUS, bisschop van Antwerpen, de toelating om missen in de houten kapel op te dragen, dit omwille van de enorme toeloop van bedevaarders. Op 22 maart 1638 wordt er echter door de Jezuïten reeds een mis opgedragen. De eerste officiële mis werd door E.H. Augustinus WICHMANS onder enorme belangstelling gecelebreerd. Er waren die dag 6000 gelovigen aanwezig, terwijl de toenmalige bevolking van Duffel slechts 1200 zielen telde.

Een echte natuurgetrouwe afbeelding van de houten kapel bestaat jammer genoeg niet. Het kapelletje was ongeveer 7 bij 8 meter.

Floris VAN MERODE was weer de grote bezieler van de bouw van de stenen kapel. In 1639 liet hij een plan tekenen door broeder-Jezuïet Willem CORNELISSEN en besteedde de bouw op 29 juli 1639 aan bij Jan DES MOULINS van Antwerpen voor 29.900 gulden. Op 4 augustus 1639 legde hij de eerste steen. De oplevering van het gebouw vond plaats op 9 juli 1641. De uiteindelijke kostprijs van het gebouw zonder de binnenafwerking bedroeg ongeveer 48.000 gulden. Op 21 november 1646 werd de stenen kapel plechtig ingewijd door de bisschop van Antwerpen, Gaspar NEMIUS, bijgestaan door prelaat Augustinus WICHMANS.

In 1774 werd het nieuwe kapelhuis, ook washuis genoemd, gebouwd, dat het oude verving. Het ging in 1936 onder de slopershamer.
In het kapelhuis verbleven dames die kaarsen verkochten. Zij werden betaald uit het offer in de kapel.

Reeds voor de Tweede Wereldoorlog werden er plannen gemaakt om de kapel te vergroten. Het plan werd getekend door bouwmeester Alfred MINNER van Brussel.

De werken voor de vergroting werden aangevat met de eerste steenlegging op 15 augustus 1937 door Kardinaal Van Roey op de dag van de kroning van het beeldje, de dag ook van de Mariastoet. De eigenlijke werken begonnen op 22 augustus 1939. Zij werden uitgevoerd door aannemer Florent D'HULST uit Lier, die begon met de afbraak van het portaal aan de achterzijde. Vier maal dienden de werken stilgelegd te worden, dit door de inval van de Duitsers en bij gebrek aan materialen. Zo werden de dakbalken gebruikt om een noodbrug over de Nete te leggen. Op 1 december 1942 was de vergroting eindelijk een feit.

Op 24 julie 1948 werd de kapel een parochiekerk.

De kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Goede Wil kreeg in 1957 vier klokken.
3. VAN KERK TOT KAPEL.

Rond de as tussen de St.-Martinuskerk en de Kapel van O.-L.-Vrouw van Goede Wil - langsheen de Kerkhofstraat (nu Kerkstraat-Kiliaanstraat), de Markt, en de Lange Nieuwstraat (heden Handelstraat-Kapelstraat) - ontwikkelde zich de Duffelse dorpskom. De Nete sneed van bij de oorsprong die woonkern midden door. Een brug legde de band tussen Oost en West. Vlak bij die brug concentreerde het dorpsleven zich rond het gemeentehuis.

Het eerste gemeentehuis te Duffel werd gebouwd onder het bestuur van Burgemeester REYPENS. Het was een mooi bouwwerk, waarvan de gotische spitsbogen van ramen en ingang even aan een kerk deden denken. Een dubbele stenen trap leidde naar de kantoren en het vredegerecht.
Op 2 oktober 1914 werd het gemeentehuis door de Duitse troepen zwaar beschadigd, en werden de gemeentediensten ondergebracht in een noodwoonst of barak. (Het woord barak roept echter bij de oudere Duffelaars eerder het beeld op van de houten, geprefabriceerde noodwoningen die in 1919 door het Albertfonds werden opgetrokken in de Oostkant.) Het huidige gemeentehuis werd ontworpen door bouwmeester CAREELS, en gebouwd tussen 1926-28. Vandaag zijn er plannen om het uit te breiden.(Deze zijn reeds uitgevoerd).

De weduwe Anna Catharina SMET-VAN THIENEN schonk in 1860 het huis Den Rooden Leeuwen het huis ernaast (Kapelstraat 10 en 12) aan het armenbestuur voor de inrichting van een gasthuis. De Zusters van COVABE namen de verzorging van ouderlingen, zieken en wezen op zich. In 1909 werd door het bestuur der burgerlijke godshuizen de herenwoning van de familie VAN DE POEL- VAN MONTFOORT aangekocht en omgevormd tot St.-Elisabeth-gasthuis. In 1925 werden alle bezittingen van gods- en gasthuizen overgedragen aan de C.O.O., Commissie van Openbare Onderstand, die in 1936 het Gesticht SMET-VAN THIENEN verkocht en zijn bewoners overbracht naar het St.-Elisabethgasthuis. In 1958 werd het huidige Rustoord St.-Elisabeth ingehuldigd. Het werd gebouwd in de hovingen van de oude inrichting. Eind 1977 werd een nieuwe vleugel in gebruik genomen. Ondertussen was door de wet van 8 juli 1976 de C.O.O. vervangen door het O.C.M.W., Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn.

De Duffelse boekerij, opgericht rond 1878 door het St.- Vincentiusgenootschap, kwam na heel wat omzwervingen, in 1945, terecht op de eerste verdieping van het hoge gebouw in de Kapelstraat 14. Met de jaren werd de beschikbare ruimte te klein, en begon de houten vloer te kraken onder het vele leesvoer. Onder impuls van onze vroegere burgervader René NAUWELAERTS werden plannen gesmeed voor een modern bibliotheekcentrum aan de O.-L.-Vrouwlaan. Dat mocht zijn eerste lezers begroeten op 4 juni 1973. Onder hetzelfde dak werd in 1974 ook een discotheek opgericht.

Een andere pijler van het cultuurbeleid in onze gemeente is De Locht. In 1966 kocht het gemeentebestuur van de firma Huileries de la Nèthe de fabrieksgebouwen en de nabijgelegen directeurswoning. Wat bouwvallig was, werd in de jaren 1968 en 1973 afgebroken. De resterende gebouwen werden in de daaropvolgende jaren opgeknapt, en doen nu dienst als cultureel centrum dat werk-, vergader- en tentoonstellingsruimten biedt aan o.a. de kunstkringen De Pelicaen en Hondius, aan de internationaal vermaarde Duffelse Fotokring, de kantschool en de JADS (= Jeugd Atelier Duffel). Ook gidsen en scouts vinden er onderdak. Het heemhuis waarvan Jos RESSELER een verdienstelijk pionier was, wordt momenteel heringericht als museum.

Ook op het sportieve vlak laat Duffel zich niet onbetuigd. Het bestaan van ruim honderd sportverenigingen in onze gemeente bewijst dat. Zowel de gemeentelijke overheid als het vrij initiatief hebben steeds op die populariteit van de sport ingespeeld. Zo werd op 2 juni 1962 in Duffel-West het sportcentrum opengesteld, met twee voetbalterreinen, waarvan het hoofdterrein is omringd met een atletiekpiste. De overdekte zittribune biedt een plaats aan 700 supporters. In de loop van 1965 bouwde het gemeentebestuur een zwembad, met beweegbare bodem, en verhoogde aldus de aantrekkingskracht van het gemeentelijk sportcentrum. Onlangs werd de atletiekpiste vervangen door een moderne kunststofpiste. Op 6 juni 1987 werd deze piste, die luistert naar de naam van zijn promotor Jan BORREMANS, plechtig ingelopen.

In 1973 startte schepen AERTS in de Naalstraat met de aanleg van voetbal- en tennisterreinen, en in 1974 werd de eerste steen gelegd van een ruime sporthal. Sportcentrum De Pollepel breidde voortdurend uit, zodat er heden ten dage zowat alle populaire sporten beoefend kunnen worden.

4. DE VINDING.

Op zaterdag 14 augustus 1637, een stralende zomerdag, hoedden twee kinderen van 10 jaar, Janneke MAES en Peterke VAN DEN BRANDE, de koeien op de graskant langs de Bruulbeemden. Tegen de avond vonden zij een beeldje van Onze-Lieve-Vrouw in een oude tweearmige wilg. Het kleinood, uit kleiaarde gebakken, mat nauwelijks twaalf centimeter.

Is de oorsprong van het beeldje onbekend, dan bestaat ook discussie over de herkomt van de naam 'Van Goede Wil'. Wij geven hier vier mogelijkheden en spreken ons niet over de waarschijnlijkheid van één van de vier. De naam is afkomstig van:

1. de 'goedwilligheid' waarmee de Heilige Moeder Gods haar vereerders onophoudelijk begunstigde;
2. de 'goede wilge' waarin het beeldje gevonden werd;
3. de benaming die reeds in 1589 in Walem bestond (kapelanie van Onze-Lieve-Vrouw van Goeden Wil in de kerk van Walem);
4. de benaming van een mirakuleus beeldje te Havré, waar de MERODES verwanten hadden.

Normalerwijze is het beeldje gehuld in zijn zilveren Spaans kleedje, met bijhorend zilveren kroontje.
Het gouden kroontje, waarmee het beeldje slechts bij uitzonderlijke gelegenheden wordt getooid, werd door de Duffelaars geschonken in het jubeljaar 1937, ter gelegenheid van de viering van de driehonderdste verjaardag van de vinding.

Op 25 maart 1683 werd het beeldje gestolen. Vroeger, van het begin af, sliepen de kosters in een kamertje links boven het oksaal. Deze gewoonte had men sinds enige tijd nagelaten. Onvoldoende bewaking van de Kapel bood de dieven dus een gunstige gelegenheid. Op 15 april 1683 werd het Lievevrouwebeeldje te Kontich teruggevonden door Jan ASSELBERGS. Sindsdien noemt men de vindplaats aldaar het Kapellekensbos. Er werd ter plekke ook een bedehuisje opgericht. Vijf van de zes dieven werden opgepakt. Drie ervan werden ter dood veroordeeld en op 21 december te Duffel geradbraakt.
In 1706 tijdens de Spaanse Erfenisoorlog werd het beeldje, op een nog steeds onbekende plaats, in veiligheid gebracht.

Tijdens de Franse Tijd werd de Kapel als zwart goed verkocht aan Petrus Franciscus VAN NOTEN, agent municipal te Duffel. Deze betaalde voor twee derde in assignaten. De waardevolle inboedel van de Kapel was echter tevoren reeds door de Kapelbedienaars weggeborgen, het zilverwerk in een ton op een schip op de Nete.

De mooiste gewaden werden weggestopt in de kelder van de herberg de Drie Molekens. De erediensten werden in alle geheim opgedragen en als er toch een inval van de Fransen gebeurde, werd de schade beperkt door gebruik te maken van een loden pateen, kelk en ciborie. Het beeldje zelf werd in die periode gered door Johannes Franciscus SEGERS. Eind oktober 1797 bij de sluiting van de Kapel, bracht hij het beeldje over naar de Berkhoef bij pachter VAN DIJCK, waar het in een houten kistje op de richel van een stalvenstertje geplaatst werd.

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu