Voorgeschiedenis - De Geschiedenis Van Duffel

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Warm Ingeduffeld
1. Voorgeschiedenis2. Duffel in Kaart3. Warm Ingeduffeld

1. VOORGESCHIEDENIS.

Dinosauriërs hebben gedurende 120 miljoen jaar de fauna's van het vaste land over de gehele wereld beheerst. Toen de mens op aarde tot ontwikkeling kwam, waren deze reptielen reeds lang uitgestorven. Met de intrede van de mens begint de geschiedenis. De oudste geschiedenis van de mensheid, d.w.z. de periode, waarin geen geschreven bronnen voorhanden zijn, noemt men voorgeschiedenis.

De voorgeschiedenis wordt volgens de gebruikte grondstoffen voor gereedschappen en wapens, ingedeeld in vier tijdvakken: de Oude Steentijd, de Nieuwe Steentijd, de Bronstijd en de IJzertijd.

Gedurende de Oude Steentijd (.. .-10 000 v. Chr.) is de temperatuur op aarde verscheidene malen aanzienlijk gedaald. Volgens de algemene opvattingen bestonden er vier IJstijden. Wat ons vanuit het oogpunt van het leven te Duffel vooral interesseert is de laatste IJstijd (Würmtijd). Er ontstond toen een toendralandschap met mossen en dwergberken, rendieren en mammoets. De IJstijdmens was een rendierjager en visser die zijn werktuigen en wapens vervaardigde van been, hout en ruwe vuursteen of silex. Te Duffel zijn talloze gefossileerde skeletresten van de laatste IJstijd aan het licht gekomen bij het aanleggen van de waterspaarbekkens van de A.W.W. van 1952 tot 1955.

In de Nieuwe Steentijd (10 000-16000 v. Chr.) gaat de mens over van uitsluitend jager en voedselverzamelaar naar landbouw en veeteelt. Het is de periode van de gepolijste silex-stenen werktuigen.

In de Bronstijd (1600-500 v. Chr.) woonden er Kelten bij het wad of doorwaadbare plaats van de Nete. Trouwens, de etymologie van de namen Duffel en Nete verwijst naar de Kelten. Duffel zou afgeleid zijn van het Keltische woord Dubro, wat water betekent, en Nete, afgeleid van Hnita, betekent waarschijnlijk de blanke, de glanzende, de heldere. Bij de graafwerken van een nieuwe bedding voor de Nete, in 1932, werd een bronzen lanspunt van 38 bij 8 cm gevonden. Aan de onderkant, nabij de hals, is het blad voorzien van twee oogjes, die dienden om de punt met een lederen riem aan een houten hecht vast te snoeren. Zulk lanspunt maakte in de late Bronstijd deel uit van de wapenuitrusting van de Kelten.

In de IJzertijd (500 v. Chr. -...) werden bronzen voorwerpen vervangen door ijzeren. In 1954 vond een arbeider in het Voogdijbroek, tijdens de graafwerken voor de A.W.W., een ijzeren haardketting, die gesitueerd wordt in de La Tène III-periode, dit is van 100 v. Chr. tot 100 na Chr. Samen met de haardketting werd een eiken mikstok opgehaald; herkomst en gebruik ervan zijn onbekend.

Rond 300 v. Chr. staken de Oude Belgen de Rijn over. Van de ca. vijftien Oud-Belgische stammen bewoonden er zes het huidige Belgische grondgebied. Vermoedelijk lag het oude Duffel in het gebied van de Nerviërs, gezien het later werd ingedeeld bij het bisdom Kamerijk, dat in grote lijnen samenviel met de Civitas Nerviorum (= Nervische Staat). In 57 v. Chr. werden de Nerviërs door Julius CAESAR verslagen. Hierover lezen wij in De Bello Gallico, de persoonlijke nota's van CAESAR, die de eerste geschreven documenten vormen over onze streken. Hiermee eindigt dus onze voorhistorie, en begint onze vaderlandse geschiedenis.

Onze streek werd niet diepgaand geromaniseerd. Tot op heden werd te Duffel slechts één enkele scherf van Romeins ceramiek bovengehaald, in 1950, bij een uitzaveling langs de Mechelsebaan tegenover de Dijkstap. Belangrijker vindplaatsen van Romeinse getuigenresten zijn Rumst en Kontich.

Bij dreggingswerken in de Nete rond 1963 werd, tussen de brug van Walem en de spoorwegbrug, een zilveren pannetje gevonden. Naar aanleiding van overeenkomsten met Pompeïsche pannetjes wordt aangenomen dat het dateert uit de eerste eeuw na Chr. Het pannetje (totale lengte 250 mm) heeft een rijk versierde steel. Het uiteinde van de steel stelt een vrouwengezicht voor geflankeerd door het profiel van twee panters. Het smalle gedeelte van de steel is versierd met een bladmotief dat een rechtopstaande Mercurius omgeeft. Het onderste van de steel wordt versierd door een bok, en eindigt op twee vogelkoppen met lange bek.

De Romeinen waren grote wegenbouwers en de baan waarlangs het Romeinse heir optrok, noemde men heirbaan. Indien men aanvaardt dat de heirbaan van Namen naar Utrecht een rechte lijn beschreef tussen Elewijt en Kontich, dan zou deze weg de Nete zijn overgestoken op slechts enkele honderden meters van de vindplaats van het Duffelse steelpannetje.

2. DUFFEL IN KAART.

Niet alle oude wegen mogen naar het Romeinse tijdperk teruggebracht worden, zelfs niet als ze met het woord heirweg worden aangeduid. Heirweg wordt immers vaak gebruikt in de betekenis van heerweg of 's herenweg, dit is de weg die de heer toebehoort, die deel uitmaakt van het domein van de heer. Zo wordt ook de Nete 's herenstroom genoemd.

Wie de oude wegen bestudeerd aan de hand van kaarten zal vaststellen dat hun tracé in de loop der tijden niet veel veranderd is. Zo zijn de grote lijnen van ons huidige wegennet duidelijk terug te vinden op de kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden die op initiatief van graaf DE FERRARIS werd vervaardigd van 1771 tot 1778. Deze topografische kaart geeft het landschap weer als geheel met waterlopen, hoogten en laagten, plantengroei, enz. aangevuld met de afbeelding van de sporen van menselijke activiteit zoals huizen, kerken en kapellen, molens, bruggen, sluizen. vesten, e.a. Men kan er ook op aflezen tot welke parochies de gehuchten en afgelegen wijken behoren. De gehele kaart bestaat uit 275 bladen van ca. 135x85 cm. Voor Duf- fel geeft ze een aaneengesloten bebouwing te zien vanaf de St.-Martinuskerk tot aan de Kapel. Voor het overige veel hoeven: her en der verspreid.

De kaart van VANDER MAELEN, vervaardigd in de periode 1846-1854. voegt aan de kaart van FERRARIS de ijzeren weg toe. Ook de gemeentegrens is er duidelijk op aangegeven. Bij vergelijking van beide kaarten valt de ontbossing op.

De kaart van P.C. POPP is een kadastrale kaart uit het midden van de negentiende eeuw. Op deze kaart is de bodem in percelen verdeeld. Onder kadastraal perceel verstaat men het deel van de bodem dat ofwel aan een afzonderlijke eigenaar toebehoort, of dat zich door aard of bestemming van het omliggende erf onderscheidt. De kaart van POPP geeft tevens een gedetailleerde inzet van Duffel-centrum.

Grote cartografen uit de zeventiende eeuw als M.F. VAN LANGREN, Nicolaes VISSCHER en Frederick DE WIT situeren Duffel in grotere gebiedsdelen, o.a. in de oude provincie Brabant waartoe het destijds behoorde. Hun chorografische kaarten zijn interessant voor het opzoeken van oude kastelen en van forten die nu verdwenen zijn. Aldus vinden wij er, naast Ter Elst en Muggenberg, de forten van Itterbeek en Notmeir op terug, beide op de linker-Neteoever.


De maquette geeft een voorstelling in reliëf van Duffel anno 1780. De laagst gelegen gebieden treffen wij aan langsheen de Nete. We noemen ze broeken. Zo ligt het Abroek als laagste plaats van Duffel op 3 m. De hoogste punten vindt men bij de grens met Waarloos (15 m). Ter vergelijking: de Vosberg is 31 à 32 m hoog. In de dorpskern treffen ons vooral twee verhevenheden, nl. de omgeving van de St.-Martinuskerk. en het einde van de Kwakkelenberg. Reeds ten tijde van de Franken zou de oorspronkelijke nederzetting bij het wad in 't bed van de Nete, zich in de richting van deze beide heuvels hebben uitgebreid. Vandaar dat sommige etymologen beweren dat de naam Duffel zou zijn afgeleid van het Frankische ten (h)uffel. wat ten heuvel betekent.


3. WARM INGEDUFFELD.

De bronnen, die betrekking hebben op de dorps geschiedenis van de Bourgondische tijd (1384-1482), leren ons het Duffel van toen kennen als een welvarend dorp dank zij de hoge bloei van de sarge en lakenweverijen, met alles wat erbij hoorde: scheren, spinnen, vollen en bleken. Het Duffels laken was een dikke wollen stof, gefriseerd laken, met langs beide kanten gekrulde haren. Het diende als wiegedek en werd gebruikt als habijt van begijntjes en als kledij van de gewone man, arbeider en boer.
Wanneer op 10 augustus 1630 het Stateneiland in de V.S.A. voor rekening van Michael DE PAUW van de Indianen werd afgekocht, werden deze onder meer betaald met Duffels laken.

De duffelcoat, overbekend in de Engelssprekende landen, is niets anders dan een kledingstuk uit grof laken zoals dat in de vijftiende eeuw in onze gemeente werd geweven. In onze hedendaagse taal kennen wij nog het woord induffelen, dat naar het Duffels laken van weleer verwijst.

Dat Duffel een belangrijk lakencentrum was, is uit velerlei bronnen geweten. Bij de Brabantse kooplui, die tussen 1278 en 1326 handel dreven met Engeland, bevond zich reeds een laken handelaar uit onze gemeente: Gilles VAN DUFFLE. Duffelse lakens stonden vermeld in Lübeck in 1470 en in Riga in 1493, en in 1451 werd er een pak naar Engeland uitgevoerd. In eigen land treffen wij onze wevers aan op de jaarmarkten van Rumst en van Kortrijk (1431-32). In een opsomming van lakensoorten, die in 1457 ten stapel kwamen te Brugge en die bestemd waren voor de handel met de Duitse kooplieden, werd ook Duffels textiel vermeld.

Het hoogtepunt van de Duffelse lakenindustrie kan gesitueerd worden in de tweede helft van de vijftiende eeuw. Onze wevers waren vooral vermaard voor hun Spaanse sargie, waarvan zij het monopolie bezaten. De Duffelaar Jan DE VOS had het als eerste op de markt gebracht.

Na de brandstichtingen en plunderingen van Maarten VAN ROSSEM in 1542 beproefden vele Duffelse weverszonen hun geluk elders (Valenciennes, Wallonië, Engeland). Vilvoorde stelde in 1578 zelfs aanlokkelijke voorwaarden aan onze wevers om aldaar hun vermaard ambacht te willen aanleren.


Toen bij de troebelen van 1584-85 bijna gans Duffel in de vlammen opging, namen haast alle wevers de vlucht naar Mechelen waar zij versmolten met het Mechels lakenmakers ambacht onder de naam Groot Ambacht van de Wullenwevers. Te Duffel zelf ging de lakennijverheid langzamerhand teloor. In 1686 waren er nog twee wevers in Duffel-Hoogheid. In 1752 betaalden acht wevers belastingen in Duffel-Voogdij. Zij mochten in de achttiende eeuw in geheel Duffel geschat worden op een twintigtal. In 1804 verzocht nog één wever op Itterbeek, om toelating te verhuizen naar Koningshooikt. Onze laatste wever was Peerke VAN WIN. Samen met zijn weefgetouw viel de eens zo vermaarde Duffelse lakennijverheid, eind vorige eeuw, definitief stil.

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu