1905 - Princesse Elisabeth

   
 

De Princesse Elisabeth werd bij Cockerill gebouwd als yard nummer 443. Ze had een lengte van 108.85 m en 12.80 m breed.

Het 1747 ton wegend schip had een diepgang van 4.57 m.

Ze was voorzien van 12000 PK vermogen en haalde een snelheid van 25 knopen.

 De steeds verdergaande innovatie in de Belgische scheepsbouw resulteerde in de Princesse Elisabeth als eerste Belgisch resultaat in de bouw van turbineschepen.

Meteen had de Cockerill werf een tweede snelheidsvaandel verworven. Het schip behaalde een recordsnelheid van ruim 24 knopen en daarmee de reputatie van snelste schip ter wereld.

 3 Turbinemotoren dreven elk een schroefas aan met een schroef van  diameter 1.90 m.

De centrale as, aangedreven door een hogedruk-turbine zorgde voor een constante voorwaartse snelheid. Anderzijds werden de Bb en Tb schroefassen door lagedruk-turbines aangedreven en gebruikt voor achterwaartse bewegingen. Wat resulteerde in een goede manoeuvreerbaarheid en noodstop.

Bij een snelheid van 20 knopen had het schip 1’25” nodig om tot stilstand te komen. Wat in de vorige generatie van paddelschepen niet mogelijk was.

 De Belgische innovatie had terug bijgedragen tot een krachtiger imago van de lijn.

 In 1930 is de Princesse Elisabeth als schroot verkocht.

 

The Pricesse Elisabeth was built at Cockerill yards as yard number 443. She had a length of 108.85 m en 12.80 m width.

The 1747 tons weighing vessel had a draft of 4.57 m.

She was driven by 12000 HP engines and reached a speed of 25 knotts.

 Further ongoing  innovation by the Belgian shipbuilders resulted in the Princesse Elisabeth as the first Belgian turbine driven vessel.

Cockerill yards managed to collect a speed record for the second time and was awarded the ribbon for fasted ship in the world. The vessel reached a speed over 24 knots.

 3 Turbine engines each drove a propeller shaft with a 1.90 m diameter propeller.

The central shaft was driven by a high pressure turbine and was responsible for the high forward speed. Sb and Tb shafts on the other hand were driven by a low pressure turbine and used for reverse movements. Which resulted in a very high  manoeuvrable vessel and a improved emergency stop.

The vessel needed 1’25” for an emergency stop at 20 knots speed. A facility which was impossible at the earlier generation of paddle steamers. 

 Again the Belgian innovation had contributed to a more powerful image of the Ostend line.

 The Princesse Elisabeth was sold as scrap in 1930.