Princesse Princesse Marie José

Op 19 oktober 1922 liet de Princesse Marie-José van stapel. Het prijskaartje bedroef 15 mlj Bfr. Het schip had dezelfde afmetingen als de Jan Breydel.

De nieuwigheid lag erin dat de stoomketels zowel met kolen als mazout konden worden gestookt. Ook waren de turbines het schip van kamraderen voorzien en dus door twee aan drijfschroeven. Hierdoor kon het schip op korte afstand stoppen. De vorige modellen hadden drie assen.

Op 19 juni 1923 deed de Princesse Princesse Marie José haar maiden trip. Met de 1500 PK motoren haald het schip een snelheid van 24 knopen op de heenreis. Bij de terugreis bleek een snelheid van 28 knopen. Wat de duur van de overtocht reduceerd naar 2 uur en 27 minuten.

WOII

Nadat de Princesse Princesse Marie José op 17 mei 1940 is vertrokken uit Oostende geladen met vluchtelingen heeft ze vanaf 1 juni 1940 transporten verricht voor het Ministry of War Transport.  Hier heeft ze in de eerste dagen van juni zeven reizen gemaakt gedurende de evacuatie van Le Havre, Cherbourg en St Malo en was op 13 juni terug in Southampton. Op 16 juni bracht ze vanuit St Malo 1627 manschappen naar Southampton.

Enige maanden later in september werd het schip aan de Admiralty toegewezen en omgebouwd bij Harland & Wolff tot opleidingsschip voor de anti-duikbotendienst. Ze kreeg de naam Southern H.M.S. Southern  Isles toegewezen.  Bij voltooiing in maart 41 kreeg ze echter de naam H.M.S. Nemesis. Er waren accommodatie, kantines en bureel  voorzieningen en het schip verbleef in Campletown.

Men dacht eraan om het schip tot LSI om te vormen maar de povere toestand van de machines en boilers waren hiervoor niet geschikt en bleef een tijd ongebruikt liggen voordat men haar naar Meadowside stuurde voor aanpassingen. In 1943 werd de H.M.S. Nemesis toegewezen aan een basis in Ijsland en was klaar voor vertrek. Door de machineproblemen diende ze per sleepboot naar Reckjavic gebracht. Ze kreeg op 6 oktober 1943 daar de naam H.M.S. Baldur.

In juni 1945 werd het schip terug overhandigd aan het Ministry of War en verder aan de Belgische overheid. Daarna heeft de Princesse Princesse Marie José nog dienst gedaan als verblijfschip voor de Zeemacht.

Later in 1947 is ze als schroot verkocht en afgebroken bij Van Heyghem in Gent.


The Princesse Mare-José was launched on the 19th October 1922. It costed 15 million Bfr.The vessels had the same dimensions as the earlier built Jan Breydel

A new concept was the fact the steamengines could be fired with coles as with fuel. Gearboxes were installed on the turbines driving two propellers. This made it possible for the vessl to perform a emergency stop at short range. The earlier built ship had three propeller axels.

On the 19th June 1923 the Princesse Mare-José made her first maiden trip. With 1500 HP engines the vessel could speed up to 24 knotts on his trip over. On the return trip even a speed of 28 knotts. Which made the reduced time for the crossing to two hours and twentyseven minutes.

 

WWII

After the Princesse Princesse Marie José left Ostend on the 17th May 1940 loaded with people running for the approaching war, she has performed transports for the >Ministry of War Transport as from the 1st June 1940.  Here she made in the first days of June some seven trips during the evacuation of Le Havre, Cherbourg and St Malo. She was back in Southampton on the 13th June. On the 16th she brought from St Malo 1627 troopers to Southampton.

Some months later in September the ship was appointed to the Admiralty and converted by Harland & Wolff to a training anti-submarine ship.  She got the name H.M.S. Southern Isles appointed but by finishing in March 1941 she was given the name H.M.S. Nemesis. There was accommodation, cantine and offices on board and the ship was docked in Campletown.

At first it was planned to convert the ship to an LSI but on second thoughts and due to the poor condition of the engines and boilers the ship stayed some time unused before she was send to Meadowside for adjustments. In 1943 the H.M.S. Nemesis was ready and appointed to a base in Iceland. As due the continuing engine problems she had to be tugged to Reckjavic. On the 6th October she was given the name H.M.S. Baldur.

In June 1945 the vessel returned to the Ministry of War and passed to the Belgian Government. After that she stayed in Ostend and was used as a training ship for the Belgian Marine.

Later in 1947 she was sold as scrap and scrapped by Van Heyghem brothers in Ghent.  

Ongeval met de vissersboot "Mac Clan"

Uit het Visserijblad van zaterdag 30 juli 1938:

In den nacht van 8 augustus 1937 lag het voornoemd Engelse stoomschip geankerd vóór de haven van Duinkerke. De zee was kalm en de zichtbaarheid 3 mijlen.

Om 00 u 28 maakte de «Mac Clan» zich klaar om de haven binnen te varen. Hij bevond zich op ongeveer 400 meter van boei 15. De sleepboot «Trapu» kwam hem tegemoet. De «Clan Mac Neil» bevond zich in het midden van de reede, toen men een schip bemerkte, dat zich in de richting van Duinkerke scheen te begeven en snel naderde. De kapitein aanzag het schip voor een gewone stoomer.

>Het was maar op het oogenblik toen de aanvaring onvermijdelijk was, dat hij zag dat net hier een paketboot betrof. De aanvaring greep plaats. De «Mac Clan» raakte de Belgische mailboot langs bakboordzijde op de plaats waar het damessalon zich bevond en veroorzaakte er een kloof van 3 meter hoogte op 1 meter breedte en gaande tot 2 meter onder de waterlijn.

Het Engelsch stoomschip keerde terug naar de ankerplaats en de kapitein van de «Princesse Marie-José», oordeelende dat het onvoorzichtig ware de haven binnen te varen, legde zijn schip aan in de nieuwe in bouw zijnde voorhaven.

Deze aanvaring had ergere gevolgen kunnen hebben. Onder de erge gekwetsten van de Belgische mailboot stippen wij aan: Mtej. Amini en Virginia Zolé, Maud Richardson en Dorothy Holmes die allen verzorgd werden in het hospitaal te Duinkerke.

Accident with the fishing boat "Mac Clan".

From the local paper Saterday 30 July 1938:

The named English steamer was laying anchored in the night of 8 August 1937 in front of Dunkirk harbour. The sea was calm and about 3 mile visibility.

At 00.28 hrs the "Mac Clan" was preparing to enter the port. He was about 400 meter positioned from buoy 15. The tug "Trapu" was meeting him there. The fishing boat was in the middle of the route when another ship was noticed which seems to be going toward Dunkirk and was approaching very fast. The captain thought the ship was just another steamer but not a passenger ferry.

It was at the moment of an unavoidable collision he saw it was a passenger ship. The collision had its impact. The Mac Clan hit the Belgian ferry at its port side at the height where the ladies parlour was situated and created a three meter by one meter gap, going for about two meter under the waterline.

The English steamer returned to the place where it was anchored and the Captain from the Princesse Marie-José judged it was unsafe to enter the port of Dunkirk and docked in the newly being under construction front side of the port.

This collision could have had severe consequences. Under the considerable wounded on the Belgian ferry, we found Amini en Virginia Zolé, Maud Richardson en Dorothy Holmes which had to be drought to de Dunkirk hospital for treatment.