MUZIKAAL
LANDSCHAP
Luister
naar de klanken
hoe
muziek speelt
door
het heelal
op
weg naar ergens
vinden
wij een onderkomen
een
huis waar wij ontmoeten kunnen.
Dampwolken
hangen
als
een blauwgrijs watergordijn,
vertederen
de muziek
schoonheid
ontstaat
in
het hart van de mens.
Edith
Oeyen
Laat me dromen
van een woning waar de hemel woont,
tooi je lenden met parels
slaap in zeeschelpen
nu het land het woud bedwingt
behoedzaam zal ik
het gif uit je tranen vegen,
anemonen planten in de tuin
vlinders wegwijzen naar de dauw
laat me dromen
van een woning waar de hemel
woont waar jij me vergezelt.
Edith Oeyen
Uit: 'De ijslaag die ons draagt is dun'
PARIJS
Hier wandelden wij
hand in hand
verliefden in de lichtstad
de Notre-Dame in
haar statigheid
trok onze aandacht.
wij bezochten
het Musée d'Orsay
en de Sacré Coeur
op Montmarte
dronken we
uit elkanders ogen.
Edith Oeyen
Juni laat de zon zijn leven
kinderen joelen
om deze vreugde
zij dromen van een grote vijver
waar
zwemmen in helder water
hun blijheid vergroot
wij
dromen van wat rust en vrede
en hopen dat de dagen
het
gras groener kleuren zal
juni
is zon en zomers
is haast vrij zijn van leren
maar
is vooral luisteren
naar ochtendvogels
en
kijken naar jonge geliefden
in hun onbezonnenheid.
Edith
Oeyen
HERFST
Dit
is een vertrouwd stilleven
onder een dreigende lucht van
november
een schaal met wat graan
de
jachthoorn en de vruchten
hoor hoe vogels zuchten
bij
het zoeken naar verborgen bloesems
en een herfstgeheim
de
warmte van wat hout
breekt de klaagzang van eenzaamheid
geeft
hoop op het dagelijkse leven,
traag neem ik de schaal in mijn
handen
en bied het de winter aan.
Edith
Oeyen
Uit: 'De ijslaag die ons draagt is dun'
KLAPROZEN
Sierlijk en rank
als een danseres pralen zij
de ochtend is jong
en lichtdonker van kleur,
met zachte vingertoppen
haal ik de dauw uit de kelk
teken ik helderheid op hun jurken
zij zijn zuurstof
en lachen naar de zon,
wanneer het kader beweegt
lopen zij elegant
naar het korenveld.
Edith Oeyen
ONBEKENDE
Ach,
wat zegt hij
niets
verstaanbaar wellicht
hij
is een mysterie
verborgen
in zijn eigenheid
hoekig
zijn mond en neus
geharnast
staart hij
verweesd
is zijn stenen blik
zelfs
geen oog verraadt
wat
zijn ziel herbergt.
Edith
Oeyen