
In 1685 stelde koning Friedrich I - toen nog keurprins - een orde in die hij 'Ordre de la Générosité' noemde. Het is een gouden Maltezerkruis belegd met hemelsblauw email en met Brandenburgse adelaars met gespreide vleugels tussen de kruisarmen. Het bovenste quadrant draagt het met de keurvorstelijke kroon gekroonde monogram 'F'. De overige quadranten dragen het opschrift 'Géné', 'rosi' en 'té'. Deze halsorde werd gedragen aan een zwart gewaterd lint dat ongeveer 2 vingers breed was.
'Friedrich der Große' doopte ze op de dag van zijn troonsbestijging (31/05/1740) om in de 'Orden Pour le Mérite'. De dragers vormden een ridderschap en ontvingen maandelijks een eresoldij. Hoewel de orde ook onder de naam 'Militärverdienst-Orden' bekend stond, had de koning de bedoeling ook andere dan militaire verdiensten met deze orde te belonen - aangezien zijn vriend Voltaire en enkele andere burgers de orde ontvingen.
De 'Orden Pour le Mérite' werd aan een zwart lint met zilveren boorden om de hals gedragen.
Koning Friedrich Wilhelm III bepaalde op 18/01/1810 dat de orde enkel nog voor buitengewone verdiensten op het slagveld kon verworven worden. Aangezien de orde enkel door een beslissende slag of de inname, respectievelijk de succesvolle verdediging van een vesting te verwerven was, werd ze aan officieren voorbehouden. Van toen af werd de Pruisische orde 'Pour le Mérite' de hoogste militaire dapperheidsonderscheiding.
|
|
|
|
Voorzijde |
Achterzijde |
|
|
|
|
Closeup 'Blauer Max' |
Oorkonde |
|
|
|
|
Voorzijde |
Achterzijde |
In de instellingsoorkonde van het 'Eiserne Kreuz' (dd. 10 maart 1813) werd een uitbreiding van de orde 'Pour le Mérite' verordend : 'de orde "Pour le Mérite" wordt in buitengewone gevallen met drie gouden eikenbladeren aan de ring toegekend'.
|
|
|
Uittreksel instellingsoorkonde 'Eisernes Kreuz 1813' |
Het eikenloof (*) werd toegekend voor buitengewone verdiensten. Gewoonlijk werd de onderscheiding toegekend aan opperofficieren voor beduidende militaire overwinningen of belangrijke bijdragen aan de oorlogsinspanningen. Het eikenloof werd ontworpen volgens de wensen van koning Friedrich Wilhelm III ter ere van zijn overleden gemalin, Luise von Mecklenburg-Strelitz. Het oorspronkelijke ontwerp stond symbool voor de koning en zijn echtgenote. Zo bijvoorbeeld symboliseerde het centrale eikenblad de negen kinderen van het koningspaar. De linkerkant van het centrale blad telde vijf lobben als voorstelling van de vijf zonen, de rechterzijde telde vier lobben als voorstelling van de vier dochters. De centrale nerf van het middelste eikenblad stelde de gestileerde letter 'L' (van Luise) voor. Later werd het ontwerp vereenvoudigd, waardoor het zijn symbolische betekenis verloor.
Op 17 december 1817 werd een speciaal lint ontworpen om overhandigd te worden aan dragers van het eikenloof. Dit ordelint was het standaardlint voorzien van een zilveren middenstreep. Het lint werd echter alleen overhandigd indien het eikenloof na eerdere toekenning van de 'Pour le Mérite' volgde. Bij gelijktijdige toekenning werd de orde aan het standaardlint gedragen.
Koning Friedrich Wilhelm IV van Pruisen stelde op 18 juli 1844 de kroon in voor diegenen die 50 jaar in het bezit van deze hoge onderscheiding waren. Op 29 november 1889 ontving Generalfeldmarschall von Moltke, naar aanleiding van de 50ste verjaardag van zijn ridderschap, een speciale onderscheiding : een kroon ingelegd met briljanten. Deze unieke onderscheiding werd - samen met de andere onderscheidingen van Generalfeldmarschall von Moltke - vernietigd tijdens de bombardementen op nazi-Duitsland.
|
|
|
|
Pour le Mérite mit |
Pour le Mérite mit |
Opmerkelijk is dat de 'Pour le Mérite' de enige Pruisische orde is waarvan de adelaars niet gekroond zijn. Zoals reeds eerder aangehaald, stamt de 'Orden Pour le Mérite' af van de keurvorstelijke Brandenburgse 'Ordre de la Générosité'. De adelaars tussen de kruisarmen van de 'Pour le Mérite' zijn dan ook ongekroonde Brandenburgse adelaars in plaats van gekroonde Pruisische adelaars. Nochtans bestaan er exemplaren met gekroonde adelaars. Het gaat hier om originele stukken die in het buitenland vervaardigd werden. De fabrikant moet verkeerdelijk aangenomen hebben dat de adelaars gekroond moesten zijn, aangezien het om een Pruisische orde gaat.
|
(*) : waarvan 1 met briljanten
Aanvankelijk werd de 'Pour le Mérite' vervaardigd uit goud. Tijdens W.O. I werd overgeschakeld op verguld zilver.
Zoals eerder reeds aangehaald, kwamen onderofficieren en manschappen niet in aanmerking voor toekenning van de 'Pour le Mérite'. Voor hen stelde koning Wilhelm I van Pruisen op 27/02/1864 het 'Militärverdienstkreuz' in.
Na de zege over Oostenrijk bij de slag bij Königgrätz stelde koning Wilhelm I op 20 september 1866 het 'Großkreuz des Pour le Mérite' in. Het grootkruis bestaat uit een kruis van dubbele grootte en draagt in het midden een medaillon met de beeldenaar van zijn stichter, 'Friedrich der Große'. Bij dit grootkruis hoort een gouden vierpuntige ster, die eveneens de - door het ordedevies omgeven - beeldenaar van de stichter draagt.
Het lint van de orde is identiek aan dat van de 'Pour le Mérite' : zwart met zilveren boorden (eventueel voorzien van een zilveren middenstreep).
Het 'Großkreuz des Pour le Mérite' werd slechts vijfmaal toegekend :
op 11 november 1866 aan Generalfeldmarschall Wilhelm I (1797-1888), Duitse keizer, koning van Pruisen ;
op 1 september 1873 aan Generalfeldmarschall Friedrich Wilhelm Nikolaus Karl von Preußen (1831-1888), de Duitse keizer Friedrich, koning Friedrich III van Pruisen ;
op 1 september 1873 aan Generalfeldmarschall Friedrich Karl Nikolaus von Preußen (1828-1885), inspecteur van de Pruisische kavalerie ;
op 24 april 1878 aan tsaar Alexander II (1818-1881), tsaar van Rusland ;
op 8 maart 1879 aan Generalfeldmarschall Helmuth Karl Bernhard von Moltke (1800-1891), chef van de generale staf van het leger.
|
|
|
|
|
Großkreuz |
Generalfeldmarschall |
Stern zum Großkreuz |
De Russische tsaar Alexander II ontving als enige buitenlander het grootkruis ter ere van zijn prestaties die leidden tot het einde van de Russisch-Turkse oorlog (Krimoorlog) (1853-1856). Generalfeldmarschall Helmuth Karl Bernhard Graf von Moltke ontving deze hoge onderscheiding ter gelegenheid van zijn 60-jarig dienstjubileum.
Bij de jachtvliegers van W.O. I kreeg de orde wegens zijn blauwe kleur en ter ere van Max Immelmann de bijnaam 'Blauer Max'. De 'Luftwaffe' telde het merendeel van de dragers, waaronder beroemde namen als Boelcke, Immelmann en von Richthofen (de 'Rote Baron').
De laatste drager van de militaire uitvoering van de orde, Ernst Jünger, overleed in 1998.
In tegenstelling tot de vredesklasse ('Pour le Mérite für Wissenschaft und Künste') wordt de orde niet meer toegekend.
|
Oorspronkelijk werd het eikenloof op 18 januari 1811 door Friedrich Wilhelm III van Pruisen ingesteld voor de 'Rote Adler Orden'. Het eikenloof in combinatie met het 'Großkreuz des Roten Adler Ordens' (ingesteld op 18 oktober 1861 door koning Wilhelm I van Pruisen), de 'Rote Adler Orden 1. Klasse' of de 'Rote Adler Orden 2. Klasse' veruiterlijkte het feit dat een drager voordien reeds met de lagere klasse onderscheiden was. Een drager van de 'Rote Adler Orden 2. Klasse mit Eichenlaub' was voordien dus met de 'Rote Adler Orden 3. Klasse' onderscheiden. |
|
|