Naargelang
de training tot Professionele coach vordert, worden de
deelnemers scherper in hun observatie van anderen en zelf
meer en meer bewust van hun eigen functioneren. Hun denken,
doen en voelen tijdens coachingssessies. Transfert, tegentransfert,
projectie, invullen, interpreteren, eigen grenzen, eigenwaarde,
oplossingen willen aanreiken, de vreugde om te evolueren.
Die
vragen kwamen op tijdens de opleiding en in de werkgroepen.
Even
stilaan bij de overtuigingen van de mensen.
Het
geheel van overtuigingen (beliefs) is georganiseerd in
een coherent systeem dat men ‘het model van de wereld
‘noemt of de PARADIGMA’S van een individu of groep.
Een
overtuiging is een persoonlijk statement die men voor
waar aanziet. Ze heeft betrekking op de perceptie die
we hebben van onszelf, van de anderen en van de wereld
in het algemeen. Iedere perceptie is dus subjectief.
Het
model van de wereld, de som van overtuigingen van een
individu, is grotendeels onbewust en fungeert als een
geheel van impliciete stellingen, paradigma’s, die de
basis vormen voor zijn interpretaties, beslissingen, emoties
en daden.
Als
iemand dus wil werken aan een ander gedrag en/of gevoel
dan is het transformeren van de oorspronkelijke overtuiging,
het denken, cruciaal. Hier ligt de essentie van coachingswerk.
Iemand
kan zich een overtuiging eigen maken in een fractie van
een seconde, of het kan het product zijn van een aantal
ervaringen. Deze overtuigingen kunnen uiteraard limiterend
of bevorderend werken. Een verandering in overtuiging
kan dus ook plots gebeuren (AHA-Erlebnis) of geleidelijk
aan gebeuren.
Belangrijk
om te weten als coach :
- Iedere
verandering gaat altijd via een verandering van overtuiging
of zal er naartoe leiden.
- Je
kan niet iemands overtuiging veranderen : wat je wel
kan doen is gunstige omstandigheden creëren zodat hij/zij
de overtuiging kan veranderen.
- Iedere
overtuiging maakt deel uit van een systeem van overtuigingen
die naar coherentie zoeken en die de neiging hebben
om zichzelf te valideren (self fulfilling prophecy)
(vb. Alle vakbondsmensen zijn uit op conflicten….. ).
- Een
overtuiging kan gelden in een context en niet in een
ander (vb. Ik mag nee zeggen tegen de kinderen maar
niet tegen mijn collega’s).
- Twee tegenstrijdige overtuigingen kunnen
leven binnen eenzelfde persoon afhankelijk
van de context (vb. "Kinderen
zijn heilig", zegt de vader vertederd tegen zijn
vrouw terwijl hij met zijn kinderen speelt. ...
Kinderen komen aan de deur belletje trek doen en hij
kaffert ze uit.)
- Het
is de overtuiging die het gevoel en het gedrag stuurt.
Enkele
coaching tips als je overtuigingen wil opsporen :
- Als
je merkt dat de coachee veel begint te praten, met veel
verve argumenteert en verantwoording geeft voor zijn
gedrag binnen een bepaalde situatie, dan kan het zijn
dat het over een RATIONALISATIE gaat.
- Let
ervoor op als coach niet te vlug te weten waarover het
gaat bij de ander en het aldus via je vraagstelling
te induceren.
Als
je coachee plots een BLACK-OUT heeft, zegt niet te begrijpen,
vraagt te herhalen of van onderwerp verandert, dan kan
het een signaal zijn dat je als coach de onderliggende
overtuiging aan het opsporen bent.
Als
coach komt het er vooral op aan de juiste vragen te stellen
om de coachee te doen nadenken, te verrassen, te verwarren
en mild te provoceren de eigen overtuigingen in vraag
te stellen. Behoud je ervoor jouw paradigma’s te plakken
op je coachee of die te willen overtuigen.
Een
wijdverspreid verdedigingsmechanisme is de DISSOCIATIE
en het SPREKEN OVER = ABSTRAHEREN. Om een overtuiging
op te sporen en er bewust van te worden is het fundamenteel
om de coachee in de CONCRETE ZINTUIGELIJKE ERVARING te
begeleiden (het lichaam), anders blijft het een afgesneden
mentaal gebeuren.
Interessante
vragen die je kan stellen om de overtuigingen te helpen
ontdekken :
1.
Info inwinnen over de huidige situatie en de gewenste
situatie, de drie G’s binnen die context :
Wat
gebeurt er in die situatie ? - Wat voel je ? - Hoe weet
je dat je dat voelt ? - Waar en hoe voel je dat ? -
Wat doe je ? - Wat zou je willen doen ? - Wat wil je
? - Hoe zal je weten dat je je doelstelling bereikt
hebt ? - Wat ga je horen, zien, voelen, doen, denken
?
2.
De onbewuste overtuiging opsporen door vragen te stellen
over :
a.
Het gedrag dat de coachee wenst of van af wil geraken.
Wat
houdt er je tegen om … ? - Wat zou er gebeuren moest
… ? - Wat drijft er je om … ? Wat is het voordeel om
dat gewenste doel niet te bereiken ... ? - Wat is het
nadeel om je doel te bereiken ?
b.
Het gevoel van de coachee tov een situatie.
Wat
vrees je ? - Wat voel je ? - Wat stoort je ?
3.
De betekenis die de coachee geeft aan die situatie :
Wat
betekent dat voor jou ? - Wat wil dat zeggen volgens
jou ? - Waarvan is dat het bewijs ?