Stadsgedichten Diest (2010-2012)
Toen we niet keken, werden muren afgebroken, kwamen skeletten aarzelend tevoorschijn
Intussen werden bloesems zoals altijd weer fruit.
Vertrouwden en wachtten geduldig op wat kwam (alles nauwkeurig doordacht, becijferd, voorbereid); niets of niemand liet zich leiden door het toeval.
Toen we dan later keken in een overrompelend halfrond zei men ons: hier zullen ouderen luisteren naar woorden, jongeren swingen en zingen. Deze wanden zullen trillen in al hun voegen; vreugde zal hier worden binnengeleid. In dit gebouw zal het zinderen van leven.
Dit is wat overblijft van een houten bedrijf – na jaren eindelijk zoals voorspeld: alles is / alles was.
Ze schuiven hier voor onze voeten, de schippers en hun gebeden,
met hun moeizaam verleden en heden.
En je denkt bij jezelf dan: Wat zien ze? Waar kijken ze naar? Zijn het de voeten voor hen op de koppige grond,
of de zuigende kuiten, de volgzame benen
En buiten de muren der heerlijkheid
Allee baosjke of pachtèske, möet ‘r niks köewepe vëur ’t offere in de kapèl? Een hujet of een hèt, nen èrrem of e biejen, öewege of hande. Bëuste, ruggestrank of eejesdèrrem, ne mont vol tande. Köeje, kallevere, vèrrekes, peejede, veules, al was ‘t mor e kèske van vaaf sèns. Mè e klaan zédder dèkkes vëur e gröewet gollepe. Ich zal et zèllef binnedraoge,
ge kunt oech de moeite spaore …
STADSGEDICHT NR. 09 - NOVEMBER 2011 - ERIC VANDENWYNGAERDENFoto: Luc Desager
HET IS
Hier leeft nog steeds een oud verhaal vermaarde gieter van de klokken – de Demerstee is vol nu van hun zang. STADSGEDICHT NR. 08 - JULI/AUGUSTUS 2011 - ERIC VANDENWYNGAERDEN
EEN ONTMOETING
Vanwaar ik zat, kon ik een vijver zien liggen waar de zon op scheen. Jij stond in mijn droom op de brug bij de reling en keek naar het heldere water. Ik hoorde je lach en het ruisen van bladeren en wist wat je dacht.
Het is goed op deze plek te vertoeven. Onze stad speelt haar sterkste troeven hier uit, nodigt uit deze groene long te betreden. Als dan straks nog Tamera terug is – langs het park in haar aloude bedding weer murmelt – is het feest pas compleet.
En ik begreep: dit is stof voor een foto met twee – het nu dat ontwaakt in wat vroeger hier was en dus schreef ik een kaart in gedachten, waarop ik dankte mijn stad voor dit weerzien en mezelf voor het lange, geduldige wachten.
dit water, en ook deze bomen: deze tuin is nimmer voor mij alleen. Kijk, vanwaar we nu zitten, zie je de vijver liggen, waarop zonet in het gedicht de zon nog scheen.
STADSGEDICHT NR. 07 - JUNI 2011 - ERIC VANDENWYNGAERDEN (N.a.v. 'Heropening Park Cerckel')
AAN HET GODSHUIS
met rode dooraderde ogen en klittende haren, met honger en dorst. Met alles wat wij nu niet
hebben: geen dak boven het hoofd, geen slaapplaats, behalve dat plekje – ver weg van de zon – in de hoek van een poortplein of één of ander bastion.
Ze hadden zo weinig om gelukkig te zijn. En jij, wat mis jij? Waarom trek je nu zo aan mijn mouw? Waarom zeur je zo? Wees toch eens blij …
En beeld je een oude omarming in (we verdrinken erin). Op zoek naar een plek – op de overloop, in de ‘zevende hemel’, staan voeten te wachten,
vangen handen weer hoofden vol wrange gedachten. Ach, wat zijn ze toch bang. Wat duurt het toch lang voor er zekerheid komt.
(Erfgoeddag 01-05-2011: ‘Armoe troef’)
EEn zotte nacht ..
Een winter
vol witheid gekregen:
je vergaapt
je aan takken en draden;
Nu … De sneeuwballen zijn begraven.
Ze hebben de sneeuwpop de markt opgesleept, het vuur rond de voeten gestrooid. Op een ik en een gij het plein in een warme gloed getooid: de winter in lichterlaaie.
De dappersten glimlachen, rillen en blozen tot straks weer de toorts wordt geblust, de kinderen getroost en gesust, en zacht in de oren gefluisterd: de winter gaat slapen. Foto: Eddy De Pauw, Halen En dit ene moment – deze spoedstop – bespringt ons. Maar we dragen de moed hoog in het vaandel, en slaan alle wee in de wind. Elk jaar nog een jaar – hoelang het ook duurt: de winter komt weer, beste kind.
Een winter vol witheid gekregen; een winter teruggegeven – en het voorjaar op komst: je draait in je kasten de hoop andersom.
[…] en nu de vriezeman bedwongen is, zie je de zot-
heid zwellen in de stad: echt, je gelooft je ogen niet! Als dan de maskerade weer begint – grimassen overal – en men loopt joelend in de straten rond, heerst nog een laatste keer Prins Carnaval.
** Nachtkant
zich in haar donkerste stegen. Aanhoudend verschijnen er beelden,
ze
houden ons wakker en zetten zich in onze woorden – we noemen het schrijven, gedreven: het klikken van lijnen in lijnen. Foto: Johan Hannes, Diest We maken een dag van de nacht elke nacht. Het zwart breidt zich uit
(die roept ons nu dwingend een halt toe).
(Gedichtendag, 27-01-2011)
2 ![]() Boekenmarkt Begijnhof
Hij zegt me: Ben honderden keren – bij wijze van spreken – de kerk rondgelopen. Heb door straten gedoold. Onder ramen,
voor deuren, op
hoeken: geen plek waar ik niet heb stilgestaan, voorover- gebogen aan tafels vol dozen met prenten en boeken. Naar thema’s en titels gekeken. En altijd maar zoeken en zoeken.
Ik
zeg hem:
‘k Was honderden keren hier binnen de muren en onder de poorten op jacht naar ontbrekende nummers. Soms vond ik er één, soms vond ik er geen.
Kwam vaak mijn
illustere voorgangers tegen het hart lag – in Aula of Elckerlyczaal.
En dan keken wij,
lachten en groetten. Ben honderden keren (’t is sterker dan mezelf) – bij wijze van oefening – de hobbelige weg weer naar huis opgegaan (zonder een been te breken); en elke keer meer dan voldaan. Foto's: Vanden Broucke Jean Pierre, Lauwe STADSGEDICHT NR. 02 - DECEMBER 2010 - ERIC VANDENWYNGAERDEN terug
DIT IS MIJN STAD
aubade Dit is mijn stad, de stad waar ik geboren ben, waar ik werd grootgebracht net buiten wal en kleinste poort.
De stad die op de drempel van een mooie toekomst staat; waar er ooit gepalaverd werd over het uitzicht van de tafels en de stoelen langs de straat, maar waar immens verdriet toch alle burgers in een stille optocht samenbracht.
Ik heb ze nog gekend: de Hamel en de Kaai, de Verversgracht, ‘t cafeetje ‘In de Zon’, het laatste pesthuis en de brouwerij van Allen in de langste straat. Zolang ben ik al kind van deze stad.
Ach – hoor ik zeggen – dichter, stop nu maar, (je hebt immers nog tijd genoeg) twee volle jaren mag je blijven, hier het klankbord en het roerzeef zijn, het wakend oog: van vreugde en van kommer schrijven.
Voel deze stad, als zat je op de Grote Markt van op de Mosterdpot over haar straten en haar pleinen heen te kijken; en zeg dan: kijk dit is ze nu, mijn stad, mijn rustpunt aan de oude stroom. Hier liggen aan mijn voeten
alle wortels van mijn boom. STADSGEDICHT NR. 01 - OKTOBER 2010 - ERIC VANDENWYNGAERDEN
|