Stadsgedichten Diest (2010-2012)
   

10

 

HOnd op het zwijgersveld

voor Herman Fierens


Wee het gebeente van deze zielen.
Wee de altijd weerkerende vraag:
of je hier wel praten mag

– en met wie. En hoe laat

je de kiezel minder kraken

onder je hielen.

En moet je soms knielen …


En wat doe je dan in godsnaam

met al dat gewaai

dat gewaai van die gortige wind:

fwiet, fwiet: hoor hoe hij blaast.

Kijk Herman, daar rust nog een naamloos

kind met alleen maar wat aarde over
zijn uitheemse torso heen

(of wat de tijd ervan overliet).

En hoor toch, hoor toch de wind

hoor hoe hij klaagt:

vreemd zoals dat kind

hier zolang al vergeten ligt.

 

 

Stadsgedicht nr. 12 - APRIL 2012 - eric vandenwyngaerden

 

(N.a.v. Erfgoeddag 2012 - ‘Helden’)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

STROOM
voor de dichter-student
 

Ze hebben behoedzaam hun

woorden gegeven aan deze stad.

 

Geen toeval, gezien ze hier dagelijks

lopen – de ochtend meedragen –

de schoolpoorten in. Elke straat

kent hun stappen en dralen.
 

Elk uur haalt het andere voortdurend

in, want kennis is wat ze vergaren.

En ik zie ze vaak lachen, hoor ze leven,

voel het bloed door hun aderen stromen.

 

Ze zijn kritisch en denken met heldere

geest; zetten neer op papier wat een

ander vervolgens nieuwsgierig leest,

en wat dan de verwondering doet komen.

 

Wij hebben hun dromen wat ruimte gegeven

in  ‘een stroom van woorden door de stad’.

 

 

Stadsgedicht nr. 11 - JANUARI 2012 - eric vandenwyngaerden
 

(N.a.v. gedichtendagproject: ‘Een stroom van woorden door de stad’)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DiT IS wat overblijft

 

Toen we niet keken, werden muren afgebroken,

kwamen skeletten aarzelend tevoorschijn
– stilzwijgend waren zij getuige van …

 

Intussen werden bloesems zoals altijd weer fruit.


We lieten het plannen aan mensen met tijd.

Vertrouwden en wachtten geduldig op wat kwam

(alles nauwkeurig doordacht, becijferd, voorbereid);

niets of niemand liet zich leiden door het toeval.

 

Toen we dan later keken in een overrompelend halfrond

zei men ons: hier zullen ouderen luisteren naar woorden,

jongeren swingen en zingen. Deze wanden zullen trillen

in al hun voegen; vreugde zal hier worden binnengeleid.

In dit gebouw zal het zinderen van leven.

 

Dit is wat overblijft van een houten bedrijf –

na jaren eindelijk zoals voorspeld: alles is / alles was.

 


STADsgedicht nr. 10 - DECember 2011 ERIC VANDENWYNGAERDEN


(N.a.v. opening evenementenhal)

  Foto: Geert Brems


 

 

 

 

 

 

 

 


K
leine beêweg

 

 

Wij staan op een voetstuk en staren.

Ze schuiven hier voor onze voeten,
eerbiedig voorovergebogen voorbij:

de schippers en hun gebeden,

met hun moeizaam verleden en heden.
En wij op ons voetstuk aanschouwen.

 

En je denkt bij jezelf dan: Wat zien ze?

Waar kijken ze naar? Zijn het

de voeten voor hen op de koppige grond,

of de zuigende kuiten, de volgzame benen
of hoger misschien wel die stevige kont?

Moeilijk te zeggen …

Maar ze komen in staat van genade
en dragen hun smeekbeelden binnen.

En buiten de muren der heerlijkheid
weerklinkt het aloude gerijmel van vrouwen                        
– hoor, ze prijzen hun koopwaren aan:

 

Allee baosjke of pachtèske, möet ‘r niks

köewepe vëur ’t offere in de kapèl?

Een hujet of een hèt, nen èrrem of e biejen,

öewege of hande. Bëuste, ruggestrank

of eejesdèrrem, ne mont vol tande.

Köeje, kallevere, vèrrekes, peejede, veules,

al was ‘t mor e kèske van vaaf sèns.

Mè e klaan zédder dèkkes vëur e gröewet gollepe.

Ich zal et zèllef binnedraoge,

ge kunt oech de moeite spaore …

En wij, wij hervatten het staren;
en zij hun schijnheilige gebaren.
 

 

STADSGEDICHT NR. 09 - NOVEMBER 2011 -  ERIC VANDENWYNGAERDEN
 

Foto: Luc Desager



 

 

 

 

 

 


 

 

HET IS
de Mosterdpot

 

Hier leeft nog steeds een oud verhaal
van Pieter Hemony uit Amsterdam,

vermaarde gieter van de klokken –

de Demerstee is vol nu van hun zang.

Het is hun lied, mijn vriend, dat over
onze daken gaat: van broos en breek-
baar soms tot vrolijk (vat vol spielerei).

Het is de viering uitgewaaid, gedreven
door de wind – terwijl de beiaardier
met losse vuisten alsmaar verder slaat.

En telkens hij stok en pedaal beroert,
zie je het driftig knikken van gerichte
tuimelaars – in tremolo ­– hoe elke
klepel zijn vertrouwde klok ontmoet.


En wat mij aan hem bindt? Het is zijn
lied
mijn vriend zijn zang en ook
de stem die in mij zegt: Kom blijf.

Het is wat hier nu zindert door mijn lijf.


 

STADSGEDICHT NR. 08 - JULI/AUGUSTUS 2011 -  ERIC VANDENWYNGAERDEN






 



 

 

EEN ONTMOETING


                                                               
 

Vanwaar ik zat, kon ik een vijver zien liggen

waar de zon op scheen. Jij stond in mijn

droom op de brug bij de reling en keek naar

het heldere water. Ik hoorde je lach en het

ruisen van bladeren en wist wat je dacht.

 

Het is goed op deze plek te vertoeven. Onze stad

speelt haar sterkste troeven hier uit, nodigt uit

deze groene long te betreden. Als dan straks nog

Tamera terug is – langs het park in haar aloude

bedding weer murmelt – is het feest pas compleet.

 

En ik begreep: dit is stof voor een foto met twee

het nu dat ontwaakt in wat vroeger hier was

en dus schreef ik een kaart in gedachten,

waarop ik dankte mijn stad voor dit weerzien

en mezelf voor het lange, geduldige wachten.


Om tot een slotsom te komen – deze paden,

dit water, en ook deze bomen: deze tuin is

nimmer voor mij alleen. Kijk, vanwaar we

nu zitten, zie je de vijver liggen, waarop

zonet in het gedicht de zon nog scheen.

 

 

STADSGEDICHT NR. 07 - JUNI 2011 -  ERIC VANDENWYNGAERDEN

(N.a.v. 'Heropening Park Cerckel')


Foto:
Grontmij & Libost-Groep


 

 

 

 

 

 

 

 

AAN HET GODSHUIS

 


Je zag ze zo vaak hier – de kleren gehavend –

met rode dooraderde ogen en klittende haren,

met honger en dorst. Met alles wat wij nu niet

 

hebben: geen dak boven het hoofd, geen slaapplaats,

behalve dat plekje – ver weg van de zon – in de hoek

van een poortplein of één ­­of ander bastion.

 

Ze hadden zo weinig om gelukkig te zijn. En jij,

wat mis jij? Waarom trek je nu zo aan mijn mouw?

Waarom zeur je zo? Wees toch eens blij …

 

En beeld je een oude omarming in (we verdrinken

erin). Op zoek naar een plek ­– op de overloop, in

de ‘zevende hemel’, staan voeten te wachten,

 

vangen handen weer hoofden vol wrange gedachten.

Ach, wat zijn ze toch bang. Wat duurt het toch lang

voor er zekerheid komt.  



STADSGEDICHT NR. 06 - APRIL 2011 -  ERIC VANDENWYNGAERDEN

(Erfgoeddag 01-05-2011: ‘Armoe troef’)

 

 

 

 


 

 

 

 










 

EEn zotte nacht              

                                                                                              ..                                    
 

Een winter vol witheid gekregen:     

je vergaapt je aan takken en draden;           
je beeldt je de richting van wind in.                     

 

Nu … De sneeuwballen zijn begraven.

 

Ze hebben de sneeuwpop de markt opgesleept,

het vuur rond de voeten gestrooid. Op een ik

en een gij het plein in een warme gloed getooid:

de winter in lichterlaaie.

 

De dappersten glimlachen, rillen en blozen

tot straks weer de toorts wordt geblust,

de kinderen getroost en gesust, en zacht

in de oren gefluisterd: de winter gaat slapen.

Foto: Eddy De Pauw, Halen

En dit ene moment – deze spoedstop – bespringt ons.

Maar we dragen de moed hoog in het vaandel, en slaan

alle wee in de wind. Elk jaar nog een jaar – hoelang het

ook duurt: de winter komt weer, beste kind.

 

Een winter vol witheid gekregen; een winter

teruggegeven – en het voorjaar op komst:

je draait in je kasten de hoop andersom.

 

 

[] en nu de vriezeman bedwongen is, zie je de zot-

heid zwellen in de stad: echt, je gelooft je ogen niet!
 

Als dan de maskerade weer begint – grimassen

overal – en men loopt joelend in de straten rond,

heerst nog een laatste keer Prins Carnaval.


Stadsgedicht nr. 04 - FEBRUARI 2011 - eric vandenwyngaerden

 

tekst 't Kletske                               terug













**

Nachtkant

                                

De nacht valt. De stad keert

zich in haar donkerste stegen.

Aanhoudend verschijnen er beelden,

ze houden ons wakker
 

en zetten zich in onze woorden 

– we noemen het schrijven, gedreven:

het klikken van lijnen in lijnen.

Foto: Johan Hannes, Diest 

We maken een dag van de nacht

elke nacht. Het zwart breidt zich uit


– we naderen beneden de bladrand

(die roept ons nu dwingend een halt toe).


We knopen een eind aan de nachtkant.


STADSGEDICHT NR. 03 - JANUARI 2011 -  ERIC VANDENWYNGAERDEN

(Gedichtendag, 27-01-2011)


Het gedicht werd in
puzzelvorm op het einde van de voorstelling in
de Openbare Bibliotheek gratis aan alle aanwezigen meegegeven.







2

Boekenmarkt Begijnhof

 

 Hij zegt me:
 
Ben honderden keren – bij wijze van

spreken – de kerk rondgelopen. Heb

door straten gedoold. Onder ramen,

voor deuren, op hoeken: geen plek
 

waar ik niet heb stilgestaan, voorover-

gebogen aan tafels vol dozen met prenten

en boeken. Naar thema’s en titels gekeken.

En altijd maar zoeken en zoeken.

 

 Ik zeg hem:

   

‘k Was honderden keren hier binnen

de muren en onder de poorten op jacht

naar ontbrekende nummers. Soms vond

ik er één, soms vond ik er geen.

 

Kwam vaak mijn illustere voorgangers tegen
– steeds bezig met wat hen zo nauw aan

het hart lag – in Aula of Elckerlyczaal.         

En dan keken wij, lachten en groetten.
 

Ben honderden keren (’t is sterker dan mezelf)

– bij wijze van oefening – de hobbelige weg

weer naar huis opgegaan (zonder een been

te breken); en elke keer meer dan voldaan.

                   Foto's: Vanden Broucke Jean Pierre, Lauwe   

STADSGEDICHT NR. 02 - DECEMBER 2010 -  ERIC VANDENWYNGAERDEN

 

tekst 't Kletske                               terug
 








 

DIT IS MIJN STAD

aubade
 

Dit is mijn stad, de stad waar ik geboren

ben, waar ik werd grootgebracht

net buiten wal en kleinste poort.

 

De stad die op de drempel van een

mooie toekomst staat; waar er

ooit gepalaverd werd over het uitzicht

van de tafels en de stoelen langs de straat,

maar waar immens verdriet toch alle burgers

in een stille optocht samenbracht.

 

Ik heb ze nog gekend: de Hamel en de Kaai,

de Verversgracht, ‘t cafeetje ‘In de Zon’, het laatste

pesthuis en de brouwerij van Allen in de langste straat.

Zolang ben ik al kind van deze stad.

 

Ach – hoor ik zeggen dichter, stop nu maar,

(je hebt immers nog tijd genoeg)

twee volle jaren mag je blijven, hier het klankbord

en het roerzeef zijn, het wakend oog:

van vreugde en van kommer schrijven.

 

Voel deze stad, als zat je op de Grote Markt

van op de Mosterdpot over haar straten

en haar pleinen heen te kijken; en zeg dan:

kijk dit is ze nu, mijn stad, mijn rustpunt

aan de oude stroom.

Hier liggen aan mijn voeten

alle wortels van mijn boom.
 

STADSGEDICHT NR. 01 - OKTOBER 2010 -  ERIC VANDENWYNGAERDEN

 

tekst 't Kletske                               terug

 






 

 

 

 

 

 

 




 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 


 


 



 


 

 

 

 



 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


                                

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

puzzel

 

Gedichtendagpuzzel 2011

 

 

  

 

  

 

terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                

 



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

         

 

 

 

 

 

 

 


 

Diest slaat op cultureel vlak een bladzijde om. Marcel Van Passel neemt na twee jaar afscheid als stadsschrijver. Hij wordt opgevolgd door Eric Vandenwyngaerden. Een enthousiaste vooruitblik van Eric:

[Schrijven ‘vanuit de buik’ over de stad]

“55 jaar geleden ben ik in Diest geboren. Ik heb er mijn jeugd doorgebracht en ben er altijd blijven wonen. Diest ligt me dus erg nauw aan het hart en daarom wil ik dit ook zo graag doen”, zegt Eric Vandenwyngaerden, die de fakkel van Marcel Van Passel overneemt. Eric is gehuwd met Anne. Ze hebben twee kinderen: Wim en Ine. Hij werkt als opvoeder in het KTA2. “Het is een hele eer om in de voetsporen van Ina Stabergh en Marcel Van Passel te mogen treden. De gedichten moeten natuurlijk over het reilen en zeilen van de stad gaan, maar de cultuurdienst geeft je daarin de volledige artistieke vrijheid. Ik zal vooral ‘vanuit de buik’ schrijven. Dat lees je al in mijn eerste stadsgedicht. Ik laat deze uitdaging op mij afkomen en hoop de Diestenaren af en toe te verheugen of te verrassen en licht alvast een tipje van de sluier: het tweede stadsgedicht werpt een ‘ongewone’ blik op 25 jaar Boekenmarkt Begijnhof Diest. Ongewoon? Ja, maar altijd ‘vanuit de buik’.”

Eric is sinds enkele jaren actief in de culturele en literaire vereniging ‘Comt in mynen hof’. Hij werd in 2009 en 2010 gevraagd als jurylid in de ‘poëziewedstrijd van de Stad Dendermonde’. Hij publiceerde in verschillende tijdschriften en bloemlezingen in Vlaanderen en Nederland. Gedichten van hem werden opgenomen in de toeristische brochure ‘Diest, van Begijnhof tot Mosterdpot’ en in de poëzieroute ‘Dichter bij Diest’. In 2005 verscheen bij uitgeverij Kramat zijn bundel ‘Het licht stelt de wet’. Eric behaalde diverse prijzen en eervolle vermeldingen. ‘Dit is mijn stad’ is zijn eerste stadsgedicht.

(bron: 't Kletske 37)

 

terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

1985-2010    25 jaar Boekenmarkt

Sinds 1985 organiseert het Promotiecomité Begijnhof Diest elke eerste zondag van de maand een beurs van oude documenten, boeken, prentkaarten, enz. Vijf jaar later (januari 1990) volgde de eerste ’Literatuur op zondag’ van de Literaire en Culturele Kring Apollo-Diest.

In de zomerperiode (mei t/m september) gaat de boekenmarkt door in de straatjes van het Begijnhof (van 9 tot 17 uur). In de winterperiode (oktober t/m april) vindt de boekenmarkt plaats in de verwarmde lokalen van het cc Begijnhof Diest.

(bron: 't Kletske 38)

terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Carnaval ...

is van oorsprong een katholiek feest dat volgens de traditie van zondag tot dinsdagavond – de vastenavond – gevierd wordt; dus gedurende de drie dagen die aan Aswoensdag voorafgaan (dit jaar van 6 tot 8 maart).
Van oudsher is carnaval een eetfestijn. Het was de laatste mogelijkheid om zich te goed te doen aan allerlei lekkers voor de vastentijd begon. Op Vette dinsdag werd al het vet, dat nog in huis was, opgemaakt omdat het anders zou bederven.
Dinsdagavond wordt op de grote markt van Diest, zoals elk jaar, het carnaval afgesloten met de traditionele winterpopverbranding. Met deze verbranding verjagen de feestvierders de koude van de winter en gaat de zotte nacht van start.



(bron: 't Kletske 39)

 

terug