|
algemeen stijlen
Componisten instrumenten
fragment
Algemeen
Het Christendom
was zeer belangrijk voor de ontwikkeling
van kunst en muziek. De kerk vormde het
centrum van de kunsten. Met name kloosters
zijn centra van kunst en cultuur.
In de vele steden die in de Middeleeuwen
ontstaan, zijn universiteiten en de
kathedraalscholen het centrum van onderwijs
en wetenschap.
Er is sprake van een
driestandenmaatschappij: geestelijkheid,
adel en burgerij.
Beroepsmusici
zijn voornamelijk in dienst van de Kerk. Dit
verandert pas aan het einde van de
Middeleeuwen.
Stijlen
U kent wel de
eenstemmige Latijnse
gregoriaanse
monnikengezangen. Ze zijn zeer rustgevend,
sereen en kalm. Het is dÈ muziekvorm die men
in de vroege middeleeuwen
(4de eeuw tot 1150) in Europa het meest
tegenkwam.
In de late middeleeuwen (1150- 1450) krijgen
we de evolutie naar meerstemmige,
instrumentale en wereldse muziek.
Gregoriaans
Gregoriaans is de oudste muziek van
West-Europa. Maar ze kwam niet uit het niets
tevoorschijn. De kerkzang van de christenen
heeft haar wortels in de joodse, Griekse en
Latijnse liturgische muziek.
De kerk van Christus werd in 391 staatskerk
van Rome, en geschoolde zangers zorgden voor
een snelle verspreiding van de
liturgische melodieÎn over de jonge kerk.
Tijdens de vijfde en zesde eeuw groeiden op
verschillende plaatsen in het Romeinse rijke
mondelinge tradities in autonome liturgische
gebieden.
Het is paus Gregorius I de Grote, paus van
590 tot 604, die over het hele rijk eenheid
brengt in de gezongen teksten. Naar de
melodieÎn zelf heeft hij geen vinger
uitgestoken, hoewel zijn naam voor eeuwig
met de Gregoriaanse muziek zal verbonden
blijven.
De oorsprong van het Gregoriaans ligt in de
muziek van de Joodse synagoge. Daarom zijn
als kenmerken uit de Joodse muziek te
herkennen:
-
het responsoriaal gezang (wisselzang
tussen voorganger en koor)
-
de psalmodie ( het reciteren op ÈÈn toon
met een kleine aanhef en slotcadens)
-
het melismatisch zingen (meerdere tonen
worden gezongen op ÈÈn lettergreep).
Diatoniek (Kerktoonsoorten) en syllabische
(ÈÈn toon per lettergreep) gezangen wijzen
op invloed van de Griekse muziek.
antifonaal gezang (wisselzang tussen koren)
komt uit SyriÎ.
Het notenschrift dat in de oudste
handschriften voor het Gregoriaans wordt
gebruikt, is het neumenschrift. Dit is het
begin van muzieknotatie in de westerse
muziek: de toonhoogte is bij benadering
gegeven als een soort geheugensteun, de
ritmische structuur is niet gegeven.
Meerstemmige muziek
Meerstemmigheid is in West-Europa in de
Middeleeuwen tot ontwikkeling gekomen en mag
gezien worden als een belangrijke bijdrage
en misschien wel de belangrijkste van de
westerse muziek aan de muziekgeschiedenis.
In verschillende handschriften zijn
theoretische verhandelingen over
meerstemmigheid gevonden, maar over het
uitvoeren ervan tussen 850 en 1100
weten we in feite niets.
organum
De eerste meerstemmige stukken noemt men
organum
Ars antiqua
(1150-1300)
Een eerste hoogtepunt in de ontwikkeling van
de meerstemmigheid is in de de tweede helft
van de twaalfde eeuw aan de Notre Dame
te Parijs.
Hier worden door anonieme componisten
meerstemmige composities geschreven.
Het motet
In de 13e eeuw ontwikkeld zich het motet.
Dit genre speelt tot in de Renaissance een
belangrijke rol.
Kenmerkend voor het motet is dat iedere stem
een eigen tekst heeft.
In het motet zijn de verschillende stemmen
melodisch en ritmisch onafhankelijk van
elkaar
Wereldlijke muziek
Wereldlijke muziek staat tegenover
geestelijke muziek (liturgische muziek,
kerkmuziek). In de wereldlijke muziek van de
Middeleeuwen maken we een onderscheid tussen
volksliederen en kunstliederen.
volksliederen
Kenmerkend voor volksliederen is, dat ze
door ‘iedereen’ te zingen zijn, er is dus
geen speciale techniek van zingen vereist.
Daarbij is de ritmische en melodische
structuur eenvoudig en de omvang van de
melodie beperkt.
Bij volksliederen kunnen we de volgende
soorten onderscheiden:
-liefdesliederen
-drinkliederen,
-verhalende liederen (ballades),
-werkliederen,
-liederen bij jaarfeesten, zoals Kerstmis,
Sinterklaas, Pasen, Seizoenen.
strijdliederen.
De makers van middeleeuwse volksliederen
zijn in het algemeen anoniem en de liederen
worden in principe mondeling overgeleverd.
Gevolg is, dat er van de wereldlijke
volksliederen weinig in geschriften zijn
teruggevonden.
kunstliederen
Van kunstliederen is in veel gevallen
bekend, wie de maker is. Aan de uitvoering
ervan worden hogere muzikaal-technische
eisen gesteld, waardoor ze dikwijls worden
uitgevoerd door beroepsmuzikanten. Daarom
zijn in ieder geval veel teksten
opgeschreven en is soms ook de muziek
(melodie) genoteerd.
Troubadours
(1100-1300) zijn afkomstig uit
Zuid-Frankrijk, de TrouvËres (
1150-1300) uit Noord-Frankrijk. Bij beide
gaat het om dichters-musici uit alle lagen
van de bevolking van koningen tot
rondtrekkende muzikanten.
De liederen van de Troubadours zijn vooral
aan de hoven uitgevoerd, het repertoire van
de latere TrouvËres (georganiseerd in
gilden) ook in de steden onder patronage van
de burgerij. De Minnes”nger stammen
uit Duitsland (1200-1325).
Componisten
Als componisten zijn Leoninus en Perotinus
genoemd. Deze groep componisten behoren tot
de
Notre Dame school.
Guido van Arezzo (995-1050), een
Italiaanse monnik, heeft een
grote bijdrage aan de ontwikkeling v an het
notenschrift geleverd. Het was zijn idee om
de
tekens (neumen) op parallelle lijnen te
zetten, zodat de tekens in feite voor noten
stonden. Op deze manier
kon hij de koorzangers die hij onder zijn
hoede
had nieuwe liederen laten zingen zonder dat
ze deze eerst gehoord hadden.
Toen men eenmaal begonnen was muzieknoten op
te schrijven, zodat de gezangen niet langer
uit het hoofd geleerd hoefden te worden,
moesten de koorknapen zich nieuwe
vaardigheden eigen maken, zoals die van het
lezen van muziek en het van blad zingen.
Instrumenten
Soorten instrumenten :Er
zijn heel weinig instrumenten bewaard
gebleven uit deze periode, daarom is de
meeste kennis over deze instrumenten
gebaseerd op illustraties in manuscripten of
beeldhouwwerken in kerken.
De oudste middeleeuwse instrumenten zijn
de
harp,
vedel en
luit.
Een ander instrument dat vaak in de
middeleeuwen werd gebruikt is het
psalterium
(een soort citer).
Onder de blaasinstrumenten vinden wij de
zink
(een rechte of gebogen hoorn), de
sackbut
(de voorloper van de trombone), de
schalmei
of pommer (de voorloper van de hobo), de
blokfluit
en de
dwarsfluit
.
Een instrument dat ook veel gebruikt werd,
was het kleine, draagbare orgeltje (het
portatief).
Dit werd met ÈÈn hand bespeeld terwijl de
andere hand de blaasbalgen met lucht vulde.
Vanaf de 12e eeuw werden ook
slaginstrumenten gebruikt, voornamelijk om
bij zang en dans de maat aan te geven:
trommels, bekkens en de tamboerijn.
In de volksmuziek
werden
draailier
en
doedelzak
veelvuldig bespeeld.
Blokfluit, vedel (voorloper van de
viool) en trom worden bespeeld door
minstrelen en jongleurs.
Indeling van instrumenten:Tijdens
de 14e eeuw bepaalde de luidheid de
indeling van de instrumenten.
De "zachte instrumenten"
waren:
de harp, vedel, de luit, het portatief, de
dwarsfluit en de blokfluit.
Tot de "harde instrumenten"
behoorden onder meer de schalmei, de zink en
de trompetten.
Fragment
TOP
|