WAT VOORAF GING

 

GEOLOGIE

We zitten met Vlierzele en Sint Lievens Houtem aan de voet van de Vlaamse Ardennen. Met weliswaar kleien heuvels van 40 en 60 m hoogte is dit niet zo spectaculair maar dat  in en rond de heuvels zijn  fossiele zeeschelpen, mariene slakken, haaientanden en vissen aan te treffen zijn heeft natuurlijk alles te maken met de ontstaansgeschiedenis van deze streek.

Vier grote stappen hebben het landschap gemaakt tot wat het nu is.

1 : Tertiair: (70 tot 3 miljoen jaar geleden) de zee bouwt het geologisch substraat op.

2 : Kwartair: (3 miljoen jaar geleden) de reliëfvorming gaat van start.

3: - 100.000 jaar: De ijstijden lopen ten einde.

4: - Tienduizend jaar geleden begon de lente.

 

1 : TERTIAIR: (70 TOT 3 MILJOEN JAAR GELEDEN). DE ZEE BOUWT HET GEOLOGISCH SUBSTRAAT OP.

Het Krijt is een geologisch tijdperk dat duurde van ongeveer 145 tot 65 miljoen jaar  geleden. Het is de laatste periode van het era Mesozoïcum, het volgde op het Jura en werd gevolgd door het Paleogeen, de eerste periode in het Cenozoïcum. Het begin van het het Krijt was een periode met een relatief warm klimaat en een hoge zeespiegel. In het water leefden tegenwoordig uitgestorven groepen dieren waaronder zeereptielen, ammonieten en rudisten. Op het land leefden diverse soorten dinosauriërs, tegelijkertijd verschenen veel van de moderne groepen zoogdieren en vogels. Onder de planten verschenen de bedektzadigen (bloemdragende planten). Het Krijt werd afgesloten met de laatste grote meteorietinslag uit de Aardse geschiedenis, waarbij onder meer de dinosauriërs uitstierven. De zoogdieren werden tijdens het Tertiair de dominante groep gewervelde landdieren. Ook de vogels maakten een bloeiperiode door. Aan het einde van het Tertiair ontwikkelden zich uit primitievere primaten de hominiden.

Het Tertiair is een geologisch tijdperk dat volgt op het Krijt en wordt opgevolgd door het Quartair. Het Tertiair duurde van 65,5 tot 2,588 miljoen jaar  geleden. Het Tertiair wordt onderverdeeld in de volgende tijdvakken:

  * Plioceen (5,332 - 2,588 Ma)

  * Mioceen (23,03 - 5,332 Ma)

  * Oligoceen (33,9 - 23,03 Ma)

  * Eoceen (55,8 - 33,9 Ma)

  * Paleoceen (65,5 - 55,8 Ma)

Het Eoceen was een uitgesproken warme periode. De eerste fase vormde de warmste periode van de afgelopen 100 miljoen jaar. Onze gebieden worden tijdens deze periode  regelmatig overspoeld door de zee.  Afwisselend worden  klei en zandlagen afgezet. Ieperiaan (klei en zand), Paniseliaan (klei, zand), Lediaan (zand, o.a. Balegemse zandsteen) en Bartoniaan (klei tussen twee zandlagen) zijn vier opeenvolgende lagen die gedurende het Eoceen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ONDERGROND IN VLIERZELE  

1. Bovenlaag:  grijsblauwe tot blauwe klei. Bernard Kempstraat hoogste punt van Zonnegem

2. Bovenlaag: lichtgrijs fijn zand, soms kalksteenbanken, kalkhoudend, fossielhoudend (Nummulites variolarius), soms glauconiethoudend, basisgrid. Tertiair: groengrijze klei, zandhoudend, sterk glauconiethoudend, plaatselijk grof glauconietzand ('bande noir'). Oordegemstraat, Uilebroek, Strijmeers

3. Bovenlaag: groen tot grijsgroen fijn zand, soms kleihoudend, plaatselijk dunne  zandsteenbankjes, glauconiethoudend, glimmerhoudend. Tertiair: Lichtgrijs fijn zand, soms kalksteenbanken, kalkhoudend, fossielhoudend (Nummulites variolarius), soms glauconiethoudend, basisgrind. Binnenstraat, Hemelrijk

4. Bovenlaag : Groen tot grijsgroen fijn zand, soms kleihoudend, plaatselijk dunne  zandsteenbankjes, glauconiethoudend,  glimmerhoudend. Bussegem

5. Bovenlaag : blauwgrijze tot donkergrijze klei, dunne zandlensjes, organisch materiaal, pyrietachtige concreties. Letterbroek

6.  Bovenlaag: grijsgroen zeer fijn zand, kleilagen, zandsteenbanken, glauconiet- en glimmerhoudend Groenestraat, Hasselt ten Broek

7. Bovenlaag: lichtgrijs fijn zand, soms kalksteenbanken, kalkhoudend, fossielhoudend (Nummulites variolarius), soms glauconiethoudend, basisgrind. Tertiair: Groengrijze klei, zandhoudend, sterk glauconiethoudend, plaatselijk grof glauconietzand ('bande noir'). Sint Fledericusstraat

8. Bovenlaag : groen tot grijsgroen fijn zand, soms kleihoudend, plaatselijk dunne zandsteenbankjes, glauconiethoudend, glimmerhoudend. Blauwgrijze tot donkergrijze klei, dunne zandlensjes, organisch materiaal, pyrietachtige concreties.  Morelgem.

2 : KWARTAIR: (3 MILJOEN JAAR GELEDEN) DE RELIËFVORMING GAAT VAN START.

Gedurende de voorbije vijf miljoen jaar heeft de Alpiene orogenese ervoor gezorgd dat de bodem heel langzaam omhoog getild werd. Door deze kanteling heeft de zee zich traag naar het noord-noord-oost teruggetrokken. Het achterblijvend 'strand' ligt er onbeschermd bij. Regendruppels sluiten zich aaneen tot beken. Beken vloeien samen tot rivieren. Samen met de wind die vrij spel krijgt schuren ze het relatief vlakke achtergebleven 'strand' uit en vormen diepe erosie-geulen. Al het meegesleepte materiaal wordt meegevoerd door de prille Schelde (op een beperkt aantal plaatsen, waar de stroomsnelheid ineens daalt,  komt ook sedimentatie voor). Zo gaat gedurende miljoenen jaren de vorming van valleien en valleitjes door, enkel onderbroken door lange ijstijden. Het zachtste materiaal (zand) wordt eerst meegesleept, het hardere materiaal (klei, ijzerhoudend zand) houdt langer stand. De laatst afgezette zandbanken, in ijzerzandsteen (Diestiaan zand), houden vol. Ze beschermen de zachtere lagen eronder. Dit worden de getuigenheuvels die we ook nu nog terugvinden. Op plaatsen zonder ijzerzandsteen werden die zachtere lagen immers weggespoeld.  De positie van de getuigenheuvels, in een lijn van West naar Oost, geeft de plaats weer waar acht miljoen jaar geleden de kustlijn lag deze  reeks heuvels vanaf St Omer in Noord Frankrijk tot in Diest. Net zoals een huidig strand was ook het toenmalige achtergebleven strand niet 100% horizontaal : er was een geleidelijke afhelling naar de zee (toen in het noord-noordoosten) toe. Deze lichte helling bepaalde de stroomrichting van de prille rivieren. Die richting kunnen we ook nu nog vaststellen : Schelde, Leie, Dender volgen nog steeds deze zuid-noord oriëntatie. De rivieren liepen als het ware de zich traag terug trekkende zee achterna. De afwisseling van zand en kleilagen in de ondergrond zorgde voor het ontstaan van vele bronnen die zijbeken voedden die eveneens de helling van het landschap (zuid-noord) volgen. Doordat deze bronnen materiaal stroomafwaarts meeslepen, verplaatsen ze zich traag achterwaarts (in zuidelijke richting).

 

De Oude Steentijd eindigt officieel met het einde van het Pleistoceen. In de geschiedenis van de mens in Europa is het Holoceen de periode van de middensteentijd- en jonge steentijd, de bronstijd en de ijzertijd, waarna de geschreven geschiedenis begint.

Tijdens het Holoceen zijn oa. de volgende soorten uitgestorven:

Buidelwolf, Carolinaparkiet, Cubaanse ara, Dodo, Haasts arend, Huia, Labradoreend, Mammoet, Moa, Norfolk-eilandkaka, Oeros, Olifantsvogel, Reuzenalk, Steller-zeekoe, Wolharige neushoorn, Trekduif.

Mammoeten (Mammuthus) zijn een geslacht van uitgestorven olifantachtigen. De wolharige  mammoet is van deze soorten waarschijnlijk de bekendste. Hij leefde ongeveer vanaf 600.000 jaar geleden, in het Pleistoceen. Hij had een dikke vacht waarvan de haren soms tot aan de grond reikten. De oren waren klein (30 centimeter) en ook bedekt met haren ter bescherming tegen de kou. Van de andere  mammoetsoorten was alleen de steppenmammoet dik behaard, de andere soorten leefden in veel warmere gebieden en waren dan ook vrijwel onbehaard, net als de huidige olifanten. Het lijkt er ook op dat de wolharige mammoet een kortere levensduur had, ze werden hooguit 35 jaar. De huidige olifant haalt ge makkelijk 50 jaar.

 

3: - 100.000 JAAR: DE IJSTIJDEN LOPEN TEN EINDE.

 

Door de eeuwenlange afkoeling is de ondergrond volledig bevroren (permafrost). Enkel in de zomer smelten de bovenste lagen en de daarop liggende sneeuwmassa. Vooral zuidelijke hellingen warmen het snelst op. De sneeuw smelt hier en spoelt weg nog voor de ondergrond kan ontdooien. Anders is het gesteld op Noordelijke hellingen : de opwarming verloopt hier trager en gelijkmatiger. Er is nog smeltwater aanwezig op de ontdooiende grond, en een dikke modderbrij ontstaat. Regelmatig schuiven immense modderpaketten langs de noordhellingen naar beneden op de bevroren ondergrond : opnieuw een periode van intense erosie (20 à 50 ton materiaal per jaar per ha) waarbij brede valleien ontstonden met vooral aan de noordhellingen veel afbraak, waardoor we ook nu nog met steile zuidhellingen en zachtere noordhellingen te maken krijgen. Na de ijstijd krijgt de wind vrij spel. Hevige stormen leggen er een laatste laagje bovenop : de vruchtbare leemlaag. Deze laag vervlakt het reliëf enigszins. Doordat de aanvoer vooral vanuit west-zuidwestelijke richting gebeurt en vooral op de minder steile hellingen (de noordelijke hellingen) blijft liggen, wordt het asymmetrische van de valleien nog sterker benadrukt. Wat bovenop en over de centrale heuvelkam terechtkwam wordt al gauw weer weggespoeld. De leemmantel is daar dan ook heel dun.  

 

4: - TIENDUIZEND JAAR GELEDEN BEGON DE LENTE,

 

De Scandinavische ijskap smolt weg als sneeuw voor de zon. Inmiddels zijn we aangeland in de hoogzomer, over  tienduizend jaar zijn we in de herfst en komen de ijskappen  terug.

Rond 8000 v C was de gemiddelde temperatuur in juli opgelopen van 8 naar 12 graden. Er ontstaat en sterke bebossing in onze streken, de rendieren trokken mee met het ijs en de open toendralandschappen. De mens die leefde in onze gebieden moest ofwel met hun voedingsbasis meetrekken ofwel zich aanpassen. Diegenen die hier bleven moesten zich specialiseren in de jacht met pijl en boog op herten reeën, oerossen en wilde zwijnen, ook visvangst en het plukken van vruchten moesten aangeboord worden. Rond 6000 vC werd het klimaat nog milder waardoor zeepeil met zo’n 40 meter toenam. Groepen immigranten die met de rendieren meegetrokken waren keerden nu terug wegens het landverlies. Deze immigranten hebben zich gevestigd aan grote rivieren waar ze konden jagen en vissen. Zo is in Wetteren een dolk gevonden geslepen uit een rib van een oeros, in Wichelen een bijl uit rendiergewei. Een Neolithisch werktuig werd in 1958 bij het ploegen gevonden door Petrus De Pauw op de "Lange Vore" te Letterhoutem,ca.200 m. verwijderd van de Keiberg. Nog dichter bij ons in het Hemelrijk  Vlierzele vindt Willy Faes een schreper.

De eerste sporen van menselijke landbouw activiteit dateren van zo’n 8650 v C in het Midden-Oosten gebied. Het duurt tot  4500 v C vooraleer in de Lage landen immigranten uit het oosten nederzettingen van landbouwers ontstaan. Het is natuurlijk nog een primitieve landbouw en de nederzettingen zijn dan ook te vinden op de vruchtbaarste lichte gronden. Er was  een nauw verband tussen bewoning van onze streken en het milieu. Natte zomers en harde winters bepalen het rantsoen van de mensen en dus ook de gezondheid. Men kan dus zuiver stellen dat de milieuveranderingen aan de basis lagen van  massale immigratiebewegingen, het gaat gewoon om puur lijfsbehoud.

 

In volgend boek staat de vondst van twee gepolijste bijlen :

E. RAHIR,    Vingt-cinq Années cle recherches, de restaurations et de reconstitutions,

       Brussel, 1928, annexe, p. xvi.

            (twee gepolijste bijlen, in silex, gevonden in 1910)