DE FRANKEN

 

 

Op het eind van de vierde eeuw verschenen de Hunnen, een Aziatisch ruitervolk, in Zuid Rusland. Deze periode was uitermate tumultueus. Zij brachten een twee eeuwen durende trek van Germaanse volken door Europa op gang. De autochtonen sloegen op de vlucht en plunderden op hun beurt. Dit had een soort domino-effect tot gevolg. De Franken bijvoorbeeld die uit het Rijnland kwamen versloegen de Gallo-Romeinen en vestigden zich toen in onze gewesten en het noorden van het huidige Frankrijk. Aanvankelijk de Salische Franken later de Ripuarische Franken. De Angelen en de Saksen staken over naar Engeland.

 

Deze Germaanse Volksverhuizing was één van de oorzaken van de ondergang van het West Romeinse Rijk Rome wordt onder meer door de Westgoten (Visigoten), nadien door de Oostgoten (Ostrogoten) en door de Hunnen, geleid door de gevreesde Atilla, geplunderd. De  waren door de Oost Romeinse keizer toegelaten als bondgenoten.Later trokken zij onder hun koning Alarik door de Balkan naar Italië en plunderden daar Rome (410). Vervolgens gingen zij naar Zuid Frankrijk en Spanje waar een West Gotisch rijk ontstond. Na de Romeinse terugtocht uit de Rijnprovincies (410) trokken de Vandalen brandschattend door West Europa naar Noord Afrika.

 

Aan de hand van de plaatsnamen eindigend op –ingem, -ingahem, of –hem kan de beweging van de Salische Franken worden gelokaliseerd. Denken wij aan Papegem,  Bussegem, Morelgem,  Zonnegem,  Bavegem .

 

 

 De Salische Franken zijn dan nog verder zuidwaarts doorgestoten naar Frankrijk, vandaar trouwens de naam.  In de zevende eeuw verslapte de expansiekracht van de Saliërs en hiervan maakten de Ripuarische Franken gebruik om vanuit het Rijnland westwaarts te trekken. Op oude grote domeinen, aan de rand van moerassen en in de bossen verschenen nieuwe ontginningen die eindigden op –zele ,   -hove . Denken wij aan Vlierzele, Gijzenzele, Hauwerzele, Herzele.

 

 

 

 

De aanwezigheid van zeer vruchtbare leem- en zandleemgronden maakte dat de streek reeds voor  de Romeinse tijd tal van kleine landbouwnederzettingen telde.  Op bepaalde plaatsen zijn deze beperkte groeperingen uitgegroeid tot een kleine dorpskern of een gehucht.  Deze nederzettingen werden vaak aangeduid met de term 'gem' of 'hem'.  Wellicht wijst het voorkomen van deze termen in de namen Bavegem, Zonnegem, Letterhoutem, Sint-Lievens-Houtem, Cotthem, Papegem, Morelgem en Bussegem op de Frankische oorsprong van deze nederzettingen. Zelfs heel wat vroeger is er bewoning geweest, dit blijkt uit de prehistorische vondsten in het Hemelrijk. Vlierzele wordt wel het eerst in  een geschreven document vermeld, omdat het in de 7e eeuw geschonken werd aan de Gentse Sint Baafsabdij, toch is Papegem, waarvan de naam pas in 976 voor  het eerst schriftelijk is overgeleverd, ouder . Papegem is immers een -ingahem-nederzetting, die op grond van de plaatsnaamvorm geacht mag worden te zijn ontstaan tussen de 6de en de 9de eeuw.