DE KELTISCHE MAATSCHAPPIJ

 

 

 

 

 

 

 

Voor de invallen van de Romeinen leefden in onze streken de Kelten. De Kelten waren bij de Griekse en
Romeinse schrijvers gekend als Keltoi, Celtae, Galatai, Galli.

Het waren in hun ogen barbaren, echte vechtjassen en vijanden van de beschaving.  
De Germanen of Barbaren volgens de Romeinen leefden ten oosten van de Rijn. De Kelten hebben geen schriftelijke bronnen nagelaten, enkel via de geschriften van hun vijanden weten we er iets over. Wel was er een mondelinge overlevering er zijn tal van sagen en legenden van over gebleven.

 

Ze waren verdeeld in verschillende stammen die dezelfde taal spraken en dezelfde sociale structuur hadden maar niet politiek verenigd waren. Ze kenden drie geledingen de vrij mannen, de halfvrijen en slaven. Hun koningen waren de uitvoerders van de wil der druïden en van de stamoversten, de adel. Jaarlijks verkozen de Kelten nieuwe bestuurders en in oorlogstijd een algemene aanvoerder. Vrije mannen waren de krijgers; zij stamden af van de Kelten die oorspronkelijk het land veroverd hadden. In vredestijd was een belangrijke bezigheid het jagen en vissen. De half vrijen stamden af van het door de Kelten onderworpen volk. Zij werkten in de landbouw en de veeteelt, samen met de slaven. Slaven waren ofwel krijgsgevangenen en hun nakomelingen, die het volledig bezit waren van de krijger die de gevangene had gemaakt, ofwel het waren vrijen die hun schulden niet konden voldoen en eigendom van hun schuldeiser werden. Sommigen waren niet zo happig ten strijde te trekken, als ze zich niet konden vrijkopen dan leefden ze liever verder als onvrijen. Deze tweedeling kon tot ver in de Middeleeuwen blijven verder bestaan. Daar na de Keltische ook in de Germaanse wereld een gelijk onderscheid bestond, kon deze tweedeling tussen vrijen en onvrijen zich handhaven tot ver in de Middeleeuwen.

 

Lange tijd is hun kunst als minderwaardig beschouwd, ze maakten kunst in het klein en waren meesters in het smeedwerk dit ook uit oogpunt van hun militaire bezigheden. Aan de hand van grafvondsten kan men twee cultuurgroepen onderscheiden, namelijk: de Halstattcultuur in westelijk Europa en de Ténecultuur. Voor de Halstattcultuur zijn de enorme grafheuvels kenmerkend, de Ténecultuur is een voortzetting van de vorige met prachtige smeedwerk.

 

 

In de Romeinse tijd voegden zich bij de Kelten Germanen die door de Romeinen daar geplaatst werden of die meekwamen met het Romeins leger. De verschillende groepen mengden zich onder elkaar zodat een Gallo -Romeinse beschaving ontstond.  De leiding berustte bij Romeinse ambtenaren, ze lieten de lokale besturen zoveel mogelijk in stand.  Het grondgebied van elke stam was de bestuurseenheid op het laagste niveau , het administratieve centrum was  de civitas.

 

 

De Keltische boer gebruikte een ploeg met ijzeren ploegmes en -schaar, een sikkel en een zeis. Hij bemestte zijn grond met kalk en mergel en teelde voedergewassen (tarwe, rogge, haver, gerst en gierst), vezelplanten (hennep en vlas), raapsoorten en peulvruchten. Naast landbouw hielden de  Kelten zich bezig met veeteelt, vooral runderen. Het rund leverde vlees, huiden en melk, maar werd ook gebruikt als trekdier.

Voor meer trekkracht zorgde het Keltische paard. Het had door een zorgvuldige teeltkeuze een goede naam, ook bij de Romeinen. Op een Keltische boerderij huisden verder varkens voor het vlees, schapen en geiten hoofdzakelijk voor hun wol, kippen en ganzen.

 

 

 

 

De mergel leverde meststof en bouwsteen en vindt men terug in het Hemelrijk. Met andere steensoorten dienden de hardere varianten van de mergel als grondstof voor grafkisten en beeldhouwwerk. Vlierzele ligt in een gebied waar de zogezegde Vlaamse arduin gevonden wordt, denken we aan de Balegemse steen, de Vlierzeelse en de Leedse steen. De Vlierzeelse steen werd gebruikt voor de bouw van de St Baafskathedraal in Gent. Ook geschikte klei werd gevonden in Vlierele op de “Cleeninck” voor het bakken van potten. Niet alleen had men deze gebruiksvoorwerpen nodig voor het eigen gebruik maar ook voor de export, deze export liep langs de Romeinse wegen.

 

Plaatsnamen op -ik, -rijk (Doornik, Kortrijk, Kamerijk, Hemelrijk) komen van Keltisch -acum en hetzelfde geldt voor -dunum als in Loosduinen of Lugdunum (Fort van Lugh). Ook woorden als broek  zijn van Keltische oorsprong, Uilebroek.  De Romeinen spraken spottend over Gallia bracata, wat de broek dragen betekent immers Romeinen droegen toga’s.